Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630314 nr. 10

30 314
Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet op de huurtoeslag en enige andere wetten in verband met het toekennen van tegemoetkomingen aan personen die een uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en enkele aanpassingen in de berekening van de uitkeringen

nr. 10
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 7 november 2005

1. Inleiding

Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van de bijdragen van de verschillende fracties aan het verslag bij het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de CDA- en SP-fractie zijn tevreden dat door middel van dit wetsvoorstel een structurele inkomensverbetering voor ouderen wordt bewerkstelligd. Verder vinden de leden van de CDA- en PvdA-fractie het waardevol dat de tegemoetkoming in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ook volledig ten goede komt aan iedereen met een onvolledig AOW-pensioen. De leden van de PvdA-fractie onderschrijven het in dit wetsvoorstel opgenomen voorstel om bovenop de uitkering in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) voor jongeren tot 23 jaar een tegemoetkoming toe te kennen. Wel stellen verscheidene fracties enige vragen over de vormgeving, de kosten en het generieke karakter van de AOW-tegemoetkoming. Ook worden enige vragen gesteld over de vormgeving van de Wajong-tegemoetkoming.

Bij de beantwoording van de vragen en opmerkingen is ter wille van de overzichtelijkheid voor een iets andere indeling gekozen dan die van het verslag.

2. Vormgeving AOW-tegemoetkoming

Een aantal vragen heeft betrekking op de gekozen vormgeving van de tegemoetkoming. De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering ter ondersteuning van de koopkracht kiest voor een tegemoetkoming bovenop de welvaartvaste AOW. Zij vragen de regering nader toe te lichten waarom zij het advies van de Raad van State op dit punt niet volgt. De leden van de fracties van de VVD, GroenLinks en de ChristenUnie vragen of de regering nader kan toelichten waarom de tegemoetkoming aan alle AOW-gerechtigden wordt verstrekt in plaats van alleen aan de gehuwde ouderen die geen of slechts een klein aanvullend pensioen ontvangen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er geen constructie denkbaar is die leidt tot een verhoging van de relevante normbedragen en die tegemoet komt aan de opmerking op dit punt van de Raad van State, zeker nu de regering vindt dat de tegemoetkoming een structureel karakter moet krijgen.

De regering hecht eraan dat door de gekozen vormgeving (tegemoetkoming bovenop de welvaartvaste AOW-uitkering) de sinds 1980 in de AOW formeel vastgelegde netto-nettokoppeling intact blijft. Hierdoor blijft ook voor de toekomst een welvaartsvaste ontwikkeling van de AOW gewaarborgd.

Door deze vormgeving komt de tegemoetkoming ook volledig ten goede aan AOW-ers met een onvolledig AOW-pensioen. Verder wordt door de gekozen vormgeving voorkomen dat er ongewenste doorwerkingen plaatsvinden in de aanvullende pensioenen en andere regelingen waarin verwezen wordt naar het AOW-pensioen. Tot slot zij erop gewezen dat door de gekozen vormgeving geen extra toets in de uitvoering op het inkomen hoeft plaats te vinden, wat het voorstel eenvoudig uitvoerbaar maakt.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts aan te geven hoe de verhouding wettelijk minimumloon en AOW-uitkering zich zowel bruto als netto heeft ontwikkeld.

Onderstaande grafiek geeft voor de periode 1990–2006 de ontwikkeling van zowel het bruto en netto wettelijke minimumloon (WML) als de bruto en netto AOW-uitkering (voor ongehuwden).

kst-30314-10-1.gif

De leden van de PvdA-fractie refereren aan de motie Crone en vragen of een verhoging van de ouderentoeslag via de «Wet AWIR» niet tot eenzelfde resultaat als onderhavig wetsvoorstel zou kunnen leiden. Daarnaast zou de bundeling van tegemoetkomingen aan ouderen via fiscale heffingskortingen samen met deze nieuwe regeling tot een heldere en overzichtelijke regeling leiden. Immers de wet (tot harmonisatie van) inkomensafhankelijke regelingen is daarvoor ook gemaakt, aldus deze leden. Hiermee kan dan aan de kritiek van de Raad van State tegemoet gekomen worden en ook aan de voorwaarden die de regering stelt.

De leden van de PvdA-fractie willen graag een reactie van de regering op dit voorstel en vragen daarbij om een kostenvergelijking met de huidige en met de nieuw voorgestelde regeling.

Naar het oordeel van de regering is met de tegemoetkoming voor AOW-ers als kopje bovenop het reguliere AOW-pensioen al sprake van een eenvoudige en heldere regeling. Deze eenvoud komt ook tot uitdrukking in het feit dat de tegemoetkoming in het reguliere proces van de SVB gelijk met het AOW-pensioen tot uitkering komt. Ook voor de tegemoetkoming voor AOW-ers is de infrastructuur al beschikbaar en niet alleen die van de Wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR), zoals de leden van de PvdA-fractie stellen. Een eventuele omvorming van de ouderenkortingen in een toeslag die door de Belastingdienst zou moeten worden uitbetaald vergt ten opzichte van de bestaande structuur wijzigingen die de Belastingdienst niet op korte termijn kan doorvoeren. Ook bij aansluiting bij de AWIR zullen aparte wettelijke regelingen nodig zijn om de voorwaarden voor de toeslag (tegemoetkoming) vast te stellen. De AWIR regelt alleen algemene begrippen zoals voor toetsingsinkomen, partner en draagkracht en bevat bepalingen voor de uitvoering door de Belastingdienst/Toeslagen. Over de kosten van de regeling kan worden opgemerkt dat ongeacht de weg waarlangs het financiële voordeel aan de burger wordt verstrekt een gelijk financieel effect per persoon gelijke effecten op het EMU-saldo heeft.

Met de introductie van een nieuwe belaste inkomenscomponent wordt het netto koopkrachteffect van lage inkomens hoger dan dat van hogere inkomens, zo stellen de leden van de PvdA-fractie. De aanvullende maatregelen die nodig zijn om het netto koopkrachteffect voor de lagere inkomens te realiseren via de tabellen van de huursubsidie en de zorgtoeslag leiden voor de leden van de PvdA-fractie tot de vraag waarom een regeling via de AWIR niet veel eenvoudiger is.

Zoals hiervoor is aangegeven is de uitbetaling van de tegemoetkoming samen met het AOW-pensioen een van de meest eenvoudige modaliteiten om de tegemoetkoming vorm te geven. Aansluiting bij de AWIR en omvormen van de bestaande ouderenkortingen in toeslagen vergt aanpassingen bij de Belastingdienst. Voor de uitvoering leidt de doorwerking van de tegemoetkoming in inkomensafhankelijke regelingen niet tot extra lasten. Indien sprake zou zijn van een tegemoetkoming in de zin van de AWIR zal deze op grond van de bestaande regelgeving niet worden meegenomen in het inkomen of bij het vermogen, dat relevant is voor uitkeringen.

In de voorgestelde vormgeving blijft de systematiek van andere regelingen ook onaangetast. Voor de vaststelling van de eigen bijdrage AWBZ is wel nadere regelgeving nodig om de tegemoetkoming niet te laten doorwerken. Door aanpassing van de Wet op de huurtoeslag en de Wet bevordering eigenwoningbezit in dit wetsvoorstel wordt het relevante inkomen (inkomensijkpunten) verhoogd, zodat de tegemoetkoming niet zal leiden tot lagere aanspraken op huurtoeslag. De zorgtoeslag hoeft echter niet additioneel te worden aangepast, omdat bij de vaststelling van de hoogte van de zorgtoeslag bij invoering al rekening is gehouden met de doorwerking hierop van de tegemoetkoming voor AOW-ers.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan motiveren waarom structurele voortzetting van de tegemoetkoming gewenst is.

Met dit wetsvoorstel geeft de regering invulling aan de wens van de Tweede Kamer voor een structurele inkomensverbetering voor ouderen. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inkomensaanvulling 2005 (inmiddels Wet inkomensaanvulling 2005, Stb. 2005, 192) is dit voornemen met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2004/05, 30 005, nr. 12).

Is het correct, zo vragen de leden van de fractie van GroenLinks, dat de doelgroep bestaat uit ruim 2,5 miljoen AOW-ontvangers. Kan deze groep worden ingedeeld in inkomenspercentielen, waarbij zowel een verdeling wordt gemaakt naar bruto huishoudinkomen als naar bruto individueel inkomen. Kan daarnaast worden aangegeven hoeveel AOW-ontvangers in het geheel geen andere inkomsten hebben, aldus deze leden.

Op dit moment ontvangen inderdaad ongeveer 2,5 miljoen ouderen de tijdelijke tegemoetkoming voor AOW-ers. Deze doelgroep zal ook de nieuwe structurele tegemoetkoming ontvangen. De tabellen die in de bijlagen zijn opgenomen, geven een onderverdeling van het aantal AOW-ers naar inkomen. De bijlage I geeft een verdeling van het aantal huishoudens naar de hoogte van het totale bruto huishoudinkomen (dus inclusief AOW). Bijlage II geeft een verdeling van het aantal personen ouder dan 65 naar de hoogte van het eigen bruto-inkomen (inclusief AOW). De meest recente cijfers rond de verdeling van het aantal huishoudens naar inkomen betreft het jaar 2000. Dit verklaart, naast definitieverschillen tussen de CBS-cijfers en de SVB-statistieken, waarom de totaaltelling in de tweede tabel niet geheel gelijk is aan de bovengenoemde 2,5 miljoen.

Van de 1,4 miljoen ouderenhuishoudens hebben 90 000 huishoudens geen aanvullend inkomen naast het AOW-pensioen (Sociaal-economische maandstatistiek 2003/2, CBS).

Vervolgens vragen de leden van de GroenLinks-fractie of het mogelijk is om schematisch aan te geven hoe de koopkrachtcijfers voor 65-plussers zoals gepresenteerd met Prinsjesdag, ceteris paribus, zouden veranderen indien de tegemoetkoming zoals voorgesteld in artikel 33b van de AOW, enkel wordt toegekend aan ouderenhuishoudens met een bruto inkomen tot € 20 000 per jaar. Verder vragen deze leden of daarnaast kan worden ingegaan op mogelijke praktische problemen bij de vervanging van voorgestelde generieke tegemoetkoming door een inkomensafhankelijke tegemoetkoming.

Als de tegemoetkoming alleen wordt toegekend aan ouderenhuishoudens met een bruto-inkomen tot € 20 000 per jaar dan zou voor deze groep huishoudens de tegemoetkoming per persoon ongeveer € 250 kunnen bedragen (in plaats van € 116). Voor ouderen in een huishouden met een inkomen boven € 20 000 zou dit voorstel ten opzichte van 2005 een verlies aan tegemoetkoming van € 100 betekenen. Onderstaande tabel geeft voor enkele inkomensgroepen het inkomenseffect van de inkomensafhankelijke vormgeving.

Tabel. Inkomenseffecten overgang op inkomensafhankelijke vormgeving

AOW (alleenstaand)  
sociaal minimum1,0%  
AOW +50000,7%  
AOW +10000– 0,4% 
   
AOW (paar zk)  
sociaal minimum1,4% 
AOW +5000– 1,0%  
AOW +10000– 0,8% 

De overgang op een inkomensafhankelijke tegemoetkoming betekent voor een grote groep huishoudens een achteruitgang ten opzichte van 2005 (in welk jaar al een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming werd uitgekeerd). Daarnaast is een inkomensafhankelijke vormgeving voor de SVB moeilijker uit te voeren. De door het kabinet voorgestelde vormgeving kan in het proces van de SVB samenlopen met de uitkering van de AOW. Bij toevoeging van een inkomenstoets is dit niet meer mogelijk. Daardoor en door de noodzakelijke gegevensuitwisseling met de Belastingdienst zullen de uitvoeringslasten lasten voor de SVB aanzienlijk toenemen, waarbij het uiterst onzeker is of een en ander nog voor het komende kalenderjaar kan worden gerealiseerd.

De leden van de PvdA en de SP-fractie vragen naar de hoogte van de tegemoetkoming.

De hoogte van de tegemoetkoming in het kader van de AOW bedraagt voor het jaar 2006 per AOW-gerechtigde € 9,66 bruto per maand.

Verder vragen deze leden of de tegemoetkoming ook vatbaar is voor beslag. Immers dat is een toeslag op grond van de AWIR niet.

Hierover kan worden opgemerkt dat de tegemoetkoming vatbaar is voor beslag onder dezelfde voorwaarden als het AOW-pensioen.

3. Doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering expliciet kan aangeven waarom de inkomensafhankelijke regelingen aangepast moeten worden. Welke effecten worden daarmee beoogd, aldus deze leden. Kan de regering aangeven om hoeveel geld dat gaat, om welke groepen en situaties het gaat en hoeveel daar budgettair mee gemoeid is.

De tegemoetkoming voor AOW-ers leidt tot een stijging van het belastbaar inkomen voor AOW-ers. Inkomensafhankelijke regelingen als de huurtoeslag bepalen de hoogte van de subsidie op basis van dit belastbare inkomen. Dit zou betekenen dat de tegemoetkoming voor betrokkenen kan leiden tot een lagere huurtoeslag. De aanpassing van de Wet op de huurtoeslag beoogt voor betrokkenen de hoogte van de huurtoeslag zoveel mogelijk gelijk te houden aan de situatie waarin geen tegemoetkoming zou worden verstrekt. Dit uitgangspunt (het gelijkhouden van de hoogte van de huurtoeslag) impliceert ook dat hier geen kosten mee gemoeid zijn. Zonder aanpassingen in de vaststelling van de huurtoeslag (door aanpassing van de inkomensijkpunten) zou daarentegen sprake zijn geweest van budgettaire besparingen.

Ook de andere aanpassingen voor de vaststelling van de eigenbijdrage AWBZ en de WWB hebben tot gevolg, dat er geen effecten optreden.

De leden van de SP-fractie vragen hoe hoog de AOW-uitkering zou moeten worden om, met inachtneming van de daaruit voortvloeiende verminderde aanspraken op inkomensafhankelijke regelingen, een structurele koopkracht verbetering van 100 Euro per jaar te bereiken.

Rekening houdend met de doorwerking op de belasting- en premieheffing, zorgtoeslag en huurtoeslag wordt voor alleenstaanden een netto inkomensverbetering bereikt van € 100 bij een bruto inkomenstijging van € 240. Voor gehuwden (beiden 65+) is bij een bruto inkomensstijging van € 200 al sprake van een netto inkomensverbetering van € 100. Hierbij is overigens een volledige doorwerking naar de huurtoeslag en zorgtoeslag verondersteld. Voor ouderen zonder aanvullend pensioen zal een groot deel van de inkomensstijging geen gevolgen hebben op de aanspraak op huurtoeslag en zorgtoeslag, omdat deze pas vanaf een inkomen boven het sociaal minimum inkomensafhankelijk zijn. In dat geval voldoet een inkomensstijging van € 130.

4. Financiering

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat haar voornemen is ten aanzien van de toekomstige financiering van de tegemoetkoming. Welke wettelijke waarborgen heeft de regering opgenomen om te waarborgen dat de tegemoetkoming gefinancierd blijft uit de rijksbijdrage, aldus deze leden.

Ook de leden van de PvdA-fractie vragen naar de kosten van de thans voorgesteld regeling.

Hierover kan worden opgemerkt dat de kosten van de tegemoetkoming ten laste komen van het Ouderdomsfonds. De middelen van dit fonds worden verkregen uit premieheffing met een percentage van 17,9% en uit een rijksbijdrage, waarmee de tekorten van dit fonds door het kabinet worden aangevuld. In de begroting van SZW is dan ook een rijksbijdrage opgenomen van 2,7 miljard om de tekorten van dit fonds op te vangen en een rijksbijdrage van 0,295 miljard voor de tegemoetkoming (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 300, hoofdstuk XV, nr 2, pagina 107). De rijksbijdrage, geregeld in de Wet financiering sociale verzekeringen, zal jaarlijks op grond van deze uitgangspunten worden vastgesteld.

Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie naar de hoogte van kosten van de tegemoetkoming als deze zou plaatsvinden als een extra verhoging van het percentage van de koppeling, zodat de ontkoppeling van de afgelopen jaren deels ongedaan kan worden gemaakt.

In dat geval zou de WKA-index met ongeveer 1,9% extra moeten worden verhoogd. Hierbij is als referentiepunt gehanteerd dat een gehuwde 65-plusser in aanmerking dient te komen voor twee keer de tegemoetkoming van 115 euro per jaar. Voor de alleenstaande ouderen zal via de systematiek van de netto koppeling dan wel een hogere tegemoetkoming resulteren dan waarin thans is voorzien. Ook zullen via het toepassen van de WKA-index andere uitkeringen dan de AOW-uitkeringen mee worden verhoogd zoals de uitkeringen op grond van de WAO, WW en de WWB. Al deze uitkeringen worden immers aangepast aan de ontwikkeling van het minimumloon. Dit is de reden dat een keuze voor deze systematiek fors duurder zou zijn dan de meer specifieke regeling waarvoor de regering heeft gekozen. Een verhoging van het minimumloon (WKA) met 1,9% kost ongeveer 0,8 miljard terwijl dit voorstel bijna 0,3 miljard kost.

De leden van de PvdA-fractie informeren voorts naar de feitelijke loonsomstijging in 2003, 2004 en 2005 (tot en met oktober). Welk deel is door de ontkoppeling niet gecompenseerd, vragen deze leden.

Onderstaande tabel bevat de gewogen contractloonmutaties bedrijven en overheid volgens de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (2005 is uiteraard nog geen realisatie):

200320042005
2,82%1,25%0,76%

In 2004 en 2005 is ontkoppeld en de WKA-aanpassing op voorhand op nul gesteld. De stijging van de gewogen contractloonmutaties van bedrijven en overheid over de periode 2004 en 2005 is uitgekomen op 2%.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de tabel over de berekening van de financiële effecten in paragraaf 6 van de memorie van toelichting kan worden uitgebreid met een prognose van het aantal rechthebbenden en de hoogte van de tegemoetkoming in de jaren tot en met 2010.

In onderstaande tabel zijn deze ontwikkelingen getoond. Er is overigens gerekend met de tegemoetkoming in prijzen 2005 om aan te sluiten bij de budgettaire effecten zoals deze zijn weergegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

Tabel 1. Het aantal rechthebbenden op de tegemoetkoming AOW.

 20062007200820092010
aantal rechthebbenden *10002 5642 6112 6682 7352 802
tegemoetkoming in prijzen 2005115115115115115
kosten in mln euro's294,9300,3306,8314,5322,2

De tegemoetkoming wordt geïndexeerd. Voor 2006 is gerekend met een index van 0,9% waardoor de tegemoetkoming in dat jaar uitkomt op € 115,90. In latere jaren is gerekend met een index van ongeveer 1,4%.

5. Lagere regelgeving

De leden van de PvdA-, GroenLinks- en VVD-fractie vragen of de algemene maatregel van bestuur (AMvB) in concept gereed is en of de regering bereid is dit concept vóór de plenaire behandeling van onderhavig wetsvoorstel aan de Kamer te zenden. Is de regering bereid hiervoor een voorhangprocedure in de wet op te nemen, aldus de leden van de PvdA-fractie.

De op basis van dit wetsvoorstel te treffen AMvB stelt regels over de hoogte, de wijze van indexering en de wijze van uitbetaling van de AOW-tegemoetkoming. Deze AMvB is in ontwerp gereed en is aan de RvS voor advies voorgelegd. Op 27 oktober jl. is advies uitgebracht. Het ontwerpbesluit gaf de RvS geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. Het ontwerpbesluit is bij deze nota naar aanleiding van het verslag gevoegd. Vanwege de inhoud van dit besluit en het feit, dat de hoogte van het bedrag jaarlijks via de begrotingsstukken zal worden gemeld is er geen aanleiding om een voorhangprocedure voor deze AMvB in onderhavig wetsvoorstel op te nemen.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom voor het vaststellen van nadere regels in artikel IV, onderdeel A, een ministeriële regeling wordt toegepast en in artikel 33 b AOW (in artikel I) een algemene maatregel van bestuur. Verder vragen deze leden om een concept van deze ministeriële regeling.

Artikel IV, onderdeel A, behelst een wijziging van artikel 11 van de Wet bevordering eigenwoningbezit om te voorkomen dat de tegemoetkoming zou leiden tot verlaging van de eigenwoningbijdrage. Anders dan de leden van de PvdA-fractie kennelijk veronderstellen is de zinsnede «volgens bij ministeriële regeling te stellen regels» niet bij gelegenheid van het onderhavige wetsvoorstel in die wet opgenomen, maar betreft het een reeds bestaande delegatiebepaling. Er is dan ook geen relatie tussen dit wetsvoorstel en die bepaling.

6. Uitvoeringstoets SVB

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering nader kan toelichten wat het commentaar van de SVB was en of er naar aanleiding van dit commentaar aanpassingen hebben plaatsgevonden.

In de uitvoeringstoets geeft de SVB aan de uitvoering van het voorstel juridisch-inhoudelijk complex te vinden omdat het voorstel tot een apart uitkeringsregime voor de tegemoetkoming zou leiden. Dit zou volgens de SVB kunnen worden vermeden als de tegemoetkoming volledig zou worden onderworpen aan de regels betreffende het ouderdomspensioen.

Daarnaast vindt de SVB het minder passend, nu de regeling een structureel karakter krijgt, om de artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) (afgeven beschikking over tegemoetkoming) buiten beschouwing te laten.

Ook geeft de SVB aan het op prijs te stellen als de exacte hoogte van de maandelijkse AOW-tegemoetkoming in de lagere regelgeving wordt vermeld.

Naar aanleiding van bovengenoemd commentaar is in het wetsvoorstel opgenomen dat op de tegemoetkoming paragraaf 2 van hoofdstuk III van de AOW van toepassing is. Verder is geregeld dat de betaling van de tegemoetkoming tot uiting komt in de specificatie op het bankafschrift bij elke betaling. In het derde lid van het nieuwe artikel 33b is daarom bepaald dat de artikelen 3:41 en 3:45 van de AWB (deze artikelen schrijven aparte bekendmaking en het opnemen van een bezwaarformule voor besluiten voor) dan niet van toepassing zijn op de verstrekking van de tegemoetkoming. Indien de tegemoetkoming wordt verstrekt bij de toekenning van de AOW-uitkering wordt in de beschikking apart melding gemaakt van het verstrekken van de tegemoetkoming. De uitzondering van de genoemde bepalingen van de AWB is dan niet aan de orde.

Tot slot is in de AMvB vermeld wat de exacte hoogte is van de tegemoetkoming per maand.

Het is de leden van de fractie van de ChristenUnie niet duidelijk waarom de verdragen inzake sociale zekerheid niet worden toegepast ten aanzien van de voorgestelde tegemoetkoming. Deze leden vragen of die keuze is gemaakt op basis van uitvoeringstechnische bezwaren.

Recht op een tegemoetkoming bestaat voor alle AOW-gerechtigden, ook als zij in het buitenland wonen. Woont de ongehuwde AOW-gerechtigde in een land waarmee geen handhavingsverdrag is afgesloten dan heeft die ongehuwde AOW-gerechtigde recht op een AOW-uitkering ter hoogte van de uitkering voor een gehuwde AOW-er. Dit betekent dat de tegemoetkoming ook naar niet-verdragslanden kan worden geëxporteerd.

7. Relatie met de Wet Werk en Bijstand

De leden van de PvdA-fractie begrijpen niet waarom de gemeente de beleidsbevoegdheid wordt toegekend om de tegemoetkoming als een voorliggende voorziening te beschouwen en daarom een AOW'er pas later voor bijzondere bijstand in aanmerking te laten komen zodat bijvoorbeeld met de aanschaf van een bril de bijzondere bijstand niet wordt verstrekt omdat de koopkrachttegemoetkoming eerst benut moet worden. Met deze opvatting wordt het koopkrachteffect voor AOW'ers op het bestaansminimum teniet gedaan in die gemeenten die de vrijheid hebben zo de uitgaven op bijzondere bijstand te besparen vanwege de tegemoetkoming van de rijksoverheid, zo stellen deze leden. Deze leden kunnen zich niet vinden in deze opvatting.

Anders dan de leden van de PvdA-fractie veronderstellen, wordt de gemeente niet de beleidsbevoegdheid toegekend om de tegemoetkoming bij de verlening van bijzondere bijstand als een voorliggende voorziening te beschouwen. Van een voorliggende voorziening – en daarmee van een reden tot weigering van bijzondere bijstand – is sprake als bijzondere bijstand wordt gevraagd voor specifieke kosten waarvoor een beroep kan worden gedaan op een andere regeling die strekt tot vergoeding van die kosten. De tegemoetkoming is een generieke inkomensondersteuning die niet strekt tot vergoeding van specifieke kosten. Daarmee is de tegemoetkoming geen voorliggende voorziening voor de bijzondere bijstand maar inkomen. Uit oogpunt van decentralisatie, deregulering en individueel maatwerk geeft de Wet werk en bijstand de gemeenten de bevoegdheid om te bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, inkomen bij de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking wordt genomen. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting geldt deze bevoegdheid ook voor de tegemoetkoming. De regering heeft geen aanwijzing dat gemeenten de gecentraliseerde en gedereguleerde bevoegdheid om maatwerk te leveren zien als vrijheid om bijzondere bijstand te besparen.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of het zo is dat AOW-ers die een tegemoetkoming krijgen niet of minder kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen krijgen. Het thans voorliggende wetsvoorstel voorziet er niet in dat de tegemoetkoming bij kwijtschelding buiten aanmerking blijft. Ik onderzoek nog of hier een oplossing voor kan worden gevonden.

Verder vragen deze leden hoe het zit met de aanvullende bijstand voor hen die een onvolledige AOW hebben. Immers nu de tegemoetkoming niet leidt tot een hogere AOW zouden de gemeenten de bijstandsaanvulling op de onvolledige AOW niet verder behoeven aan te vullen dan tot het huidige AOW-niveau. Dat zou betekenen dat de mensen met een onvolledige AOW en een aanvulling uit de bijstand geen koopkrachtreparatie krijgen. Is dat de bedoeling van de regering, aldus deze leden. Verder vragen deze leden of dit ook per gemeente kan verschillen. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering bereid is de WWB aan te passen zodanig dat ook AOW'ers met een onvolledige AOW de tegemoetkoming kunnen behouden.

De regering deelt het standpunt van de leden van de PvdA-fractie dat bij verlening van aanvullende bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan de koopkrachtreparatie van de tegemoetkoming volledig tot haar recht dient te komen. Uitgangspunt van de normering van deze bijstand is immers de aansluiting op de hoogte van de AOW-uitkeringen. Terecht wijzen de leden van de PvdA-fractie erop dat die aansluiting zou ontbreken als ook AOW'ers met een onvolledige AOW de tegemoetkoming niet kunnen behouden. In verband daarmee is in de Wet werk en bijstand (artikel 31, tweede lid, onderdeel p) bepaald dat de tegemoetkoming bij de verlening van algemene bijstand buiten aanmerking moet blijven. In lijn met vorengenoemd uitgangspunt geeft deze bepaling, die is opgenomen in de Wet werk en bijstand bij de invoering van de «voorloper» van dit wetsvoorstel, gemeenten geen beleidsruimte.

8. Tegemoetkoming in het kader van de Wajong

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er geen oplossing wordt geboden voor Wajong gerechtigden die hun huidige heffingskorting niet kunnen verzilveren. Dat gaat dan vooral om jongeren tot 23 jaar. Deze leden menen dat het opnemen van een Wajongtoeslag in de AWIR zal leiden tot een meer eenduidige regeling waarmee het bestaande probleem voor Wajongers en de huidige heffingskorting kan worden opgelost. Deze leden vragen de regering om een reactie op dit voorstel. Verder vragen deze leden hoeveel Wajongers thans hun heffingskorting niet kunnen verzilveren. Hoeveel Wajongers krijgen straks wel een tegemoetkoming voor de zorgtoeslag, maar geen fiscale heffingskorting vanwege verzilveringproblemen, aldus deze leden.

In de brief van 6 oktober 2005 (Kamerstukken II 2005/06, 30 300, nr. 34) heeft de Staatsecretaris van Financiën de Kamer geïnformeerd over de omvang van de verzilveringsproblematiek in 2005. Hieruit blijkt dat in 2005 7000 mensen geheel of gedeeltelijk de jonggehandicaptenkorting niet kunnen verzilveren. De cijfers voor 2006 zijn thans nog niet beschikbaar. De regering heeft voor het jaar 2006 onderkend dat vanwege dit verzilveringsprobleem voor WAJONG-gerechtigden negatieve koopkrachteffecten hadden kunnen optreden. De invoering van de WAJONG tegemoetkoming voorziet in een oplossing voor deze negatieve inkomenseffecten voor jongeren tot 23 jaar.

Overigens zou regeling van de tegemoetkoming in relatie tot de AWIR alleen betekenen, dat de tegemoetkoming zou worden beschouwd als een tegemoetkoming in de zin van die wet, die door de Belastingdienst Toeslagen zou worden verstrekt waarbij aangesloten wordt bij begrippen uit die wet, zoals die voor toetsingsinkomen, partner en draagkracht. Er zou dan eveneens een aparte wettelijke regeling nodig zijn om de voorwaarden voor zo'n tegemoetkoming vast te stellen.

9. Relatie met aanvullende pensioenen

De leden van de VVD-fractie refereren aan het feit dat de Raad van State (RvS) heeft aangeven een aantal fundamentele bezwaren te hebben tegen het wetsvoorstel waaronder het missen van een rechtvaardiging voor het effect op het totale volume van de pensioenlasten en het missen van een uiteenzetting over de gevolgen voor de pensioengrondslag en de premiedruk van de particuliere pensioenfondsen. Verder merken deze leden op dat een uiteenzetting gemist wordt over de gevolgen voor de pensioengrondslag en de premiedruk van de particuliere fondsen als de tegemoetkoming wel als AOW-pensioen zou worden aangemerkt. In dit verband vragen de leden van de fractie van GroenLinks of bekend is dat pensioenfondsen een lager pensioen zullen uitkeren als gevolg van de introductie van de tegemoetkoming. Zij vragen of de regering bereid is hierover afspraken te maken.

Sociale partners zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming en de inhoud van de pensioenregeling. Zij bepalen eveneens de hoogte van de franchise. Zoals in het nader rapport is aangegeven kan de franchise gekoppeld zijn aan de AOW, maar dat hoeft niet het geval te zijn. In steeds meer pensioenregelingen is een franchise opgenomen die niet aan de AOW is gekoppeld, maar bijvoorbeeld aan het wettelijk minimumloon. Dit wetsvoorstel voorziet in een afbakening voor de gevallen dat de franchise gekoppeld is aan het AOW-pensioen door de te regelen, dat de tegemoetkoming niet wordt aangemerkt als ouderdomspensioen in de zin van de AOW. Pensioenfondsen zullen alleen een lager pensioen uitkeren als in het reglement is opgenomen dat bij de vaststelling van het pensioen rekening wordt gehouden met een franchise waarvan de tegemoetkoming onderdeel is. Aangezien de tegemoetkoming op basis van dit wetsvoorstel een nieuwe regeling betreft zal dat niet in de reglementen zijn opgenomen. Wil het bestuur, bestaande uit werkgevers en werknemers, de tegemoetkoming wel meenemen dan zal het eerst het reglement moeten aanpassen. Er wordt overigens niet verwacht dat veel fondsen tot die aanpassing zullen overgaan. Vanwege de verantwoordelijkheid van de sociale partners voor de pensioenregeling ligt het niet in de rede dat de regering hierover afspraken gaat maken.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

BIJLAGE I

kst-30314-10-2.gif

Bron: CBS

BIJLAGE II

kst-30314-10-3.gif

Bron: CBS