Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630306 nr. 16

30 306
Wijziging van enkele belastingwetten (Belastingplan 2006)

nr. 16
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 7 november 2005

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1.

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel Nb wordt vernummerd tot onderdeel Od en verplaatst na onderdeel O.

2. Na onderdeel O worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

Oa. Artikel 6.33 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt na «instellingen: » ingevoegd: door de inspecteur als zodanig aangemerkte.

3. Aan het eerste lid, onderdeel b, wordt voor de puntkomma aan het slot ingevoegd: , gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen, Aruba of een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid.

4. Aan het eerste lid, onderdeel c, wordt voor de punt aan het slot ingevoegd: , gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, de Nederlandse Antillen, Aruba of een bij ministeriële regeling aangewezen mogendheid.

5. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

2. Het aanmerken als een instelling bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geschiedt op verzoek van de betreffende instelling. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking eventueel onder door hem te stellen voorwaarden. In afwijking van de eerste volzin kan de inspecteur een categorie instellingen dan wel een groep met elkaar verbonden instellingen bij één voor bezwaar vatbare beschikking aanmerken als instellingen bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ook zonder dat een daartoe strekkend verzoek is gedaan door die instellingen.

3. Een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking niet meer als zodanig aangemerkt met ingang van het tijdstip waarop deze instelling niet langer een kerkelijk, levensbeschouwelijk, charitatief, cultureel, wetenschappelijk of algemeen nut beogend karakter heeft dan wel niet meer is gevestigd als aangegeven in het eerste lid, onderdeel b. Het tijdstip van intrekking kan liggen voor de datum van dagtekening van de beschikking.

4. Voor de toepassing van het tweede en derde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.

Ob. In artikel 6.34 wordt «aan in Nederland gevestigde instellingen of verenigingen» vervangen door: aan instellingen of verenigingen.

Oc. In artikel 6.35 wordt «aan in Nederland gevestigde instellingen» vervangen door: aan instellingen.

3. Na onderdeel Od wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Oe. Artikel 6.37 vervalt.

2.

Na artikel III, onderdeel D, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Dbis. Artikel 13bis wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede en vierde lid wordt «op jaarbasis» telkens vervangen door: op kalenderjaarbasis.

2. Na het achtste lid worden zes nieuwe leden toegevoegd luidende:

9. Indien de werknemer een verklaring van de inspecteur overlegt waarin is vastgelegd dat de werknemer aan de inspecteur heeft medegedeeld dat de hem ter beschikking gestelde auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt (verklaring geen privé-gebruik), laat de inhoudingsplichtige inhouding van belasting over het in het eerste lid bedoelde voordeel achterwege. De eerste volzin is niet van toepassing ingeval de inhoudingsplichtige weet dat de in de eerste volzin bedoelde mededeling niet juist is.

10. De werknemer kan een verzoek om een verklaring geen privé-gebruik bij de inspecteur indienen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

11. De inspecteur kan de verklaring geen privé-gebruik, al dan niet op verzoek van de werknemer, bij voor bezwaar vatbare beschikking intrekken, waarbij de intrekking voor zover nodig terugwerkende kracht kan hebben. De werknemer is gehouden een verzoek tot intrekking te doen zodra de auto op kalenderjaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

12. In geval van een verklaring geen privé-gebruik kan de inspecteur de werknemer op enig moment verzoeken te doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

13. Indien de verklaring geen privé-gebruik wordt ingetrokken of indien de werknemer niet doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, wordt de verschuldigde belasting, voorzover nodig in afwijking van artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, nageheven van de werknemer. In afwijking van de eerste volzin wordt nageheven van de inhoudingsplichtige ingeval de inhoudingsplichtige wist dat de mededeling, bedoeld in het negende lid, eerste volzin, niet juist was.

14. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring geen privé-gebruik.

3.

Aan artikel V wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

F. Artikel 16 wordt voorts als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «aan in Nederland gevestigde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen,» vervangen door: aan instellingen als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001,.

2. Het derde lid vervalt.

4.

Na artikel VII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIIa

De Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 5, achtste lid, vervalt.

B. Artikel 24, vierde lid, vervalt. Voorts wordt het vijfde lid vernummerd tot vierde lid.

C. Artikel 27 wordt vervangen door:

Artikel 27

De gedurende een kalenderjaar door dezelfde schenker aan dezelfde begiftigde gedane schenkingen worden aangemerkt als deel uitmakend van één schenking ten belope van het gezamenlijke bedrag.

D. Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, ten derde, wordt vervangen door:

3°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;.

2. Het eerste lid, ten elfde, vervalt. De puntkomma aan het slot van ten tiende wordt vervangen door een punt.

3. Het zevende lid vervalt.

E. In artikel 32, eerste lid, ten derde, vervalt «binnen het Rijk gevestigde» en wordt «artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

F. Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, ten vierde, wordt vervangen door:

4°. door een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover aan de verkrijging niet een opdracht is verbonden, welke aan de verkrijging het karakter ontneemt van te zijn geschied in het algemeen belang;.

2. Het eerste lid, ten tiende, wordt vervangen door:

10°. van een binnen het Rijk gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, voorzover de uitkeringen geheel of nagenoeg geheel het karakter hebben van te zijn geschied in het algemeen belang;.

3. Het eerste lid, ten dertiende, vervalt. De puntkomma aan het slot van ten twaalfde wordt vervangen door een punt.

G. Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, ten vierde, vervalt «binnen het Rijk gevestigde» en wordt «artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. In het eerste lid, ten tiende, vervallen de woorden «binnen het Rijk gevestigde» en wordt «artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001» vervangen door: artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

H. In artikel 35a wordt «32, eerste lid, 3°, 4°, 6° en 7°» vervangen door «32, eerste lid, 4°, 6° en 7°». Voorts wordt «33, eerste lid, 4°, 5° en 7°» vervangen door: 33, eerste lid, 5° en 7°.

I. Artikel 46, eerste lid, komt als volgt te luiden:

1. De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor het recht van schenking zodanig vast, dat deze niet eerder verstrijkt dan twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking heeft plaatsgevonden.

J. Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, ten derde, vervalt.

2. Het tweede lid, onderdeel c, wordt vervangen door:

c. een in een andere Staat gevestigde instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001;.

3. Het tweede lid, onderdeel d, vervalt.

4. In het tweede lid wordt de zinsnede «een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente dan wel een verkrijger als is bedoeld in artikel 24, vierde lid of in het eerste lid, 3°, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd» vervangen door: een en ander met dien verstande dat zodanige kwijtschelding van recht alleen wordt verleend, indien de Staat die de making of schenking verkrijgt of waar de verkrijger is gevestigd, verklaart dat in geval van makingen of schenkingen door een inwoner van die Staat aan de Nederlandse Staat, een Nederlandse provincie of gemeente dan wel een instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, over die makingen of schenkingen niet meer belasting zal worden geheven dan ingeval de buitenlandse Staat zelf zou verkrijgen of de verkrijger op het grondgebied van de buitenlandse Staat zou zijn gevestigd.

K. Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel c, vervalt.

2. In het tweede lid vervalt «dan wel een instelling als bedoeld in artikel 6.33, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001».

5.

Na artikel VIIa wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL VIIb

Artikel 5 van de Wet op de kansspelbelasting wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «33? percent» vervangen door: 40,85 percent.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «25 percent» vervangen door: 29 percent.

3. In het tweede lid wordt «100/75» vervangen door: 100/71.

6.

Na artikel XXII wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXIIa

Aan artikel 16, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, zoals dat artikel komt te luiden indien het bij koninklijke boodschap van 12 september 2005 ingediende voorstel van wet tot wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten en enige andere wetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2006, Kamerstukken 30 238) tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. artikel 13bis.

7.

Artikel XXXV wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid, worden aan het slot twee volzinnen toegevoegd, luidende: De ingevolge artikel VIIa, onderdelen A, B, C, D, F, H, I en J gewijzigde artikelen van de Successiewet 1956 vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die zich hebben voorgedaan op of na 1 januari 2006. De wijzigingen ingevolge artikel VIIb zijn van toepassing op na 31 december 2005 gedane inzetten en ter beschikking gestelde prijzen.

2. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. In afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdelen E, F, Oa, Ob, Oc en Oe, artikel IV, onderdeel B, artikel V, onderdeel F, artikel VIIa, onderdelen E, G en K, en artikel IX, onderdeel A, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De ingevolge artikel VIIa, onderdelen E, G en K gewijzigde artikelen van de Successiewet 1956 vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot belastbare feiten in de zin van de Successiewet 1956 die zich hebben voorgedaan op of na de datum van inwerkingtreding van de in deze volzin genoemde onderdelen.

Toelichting

I. ALGEMEEN

In deze nota van wijziging wordt de «verklaring géén privé-gebruik» geïntroduceerd. In het Belastingplan 2005 is opgenomen dat met ingang van 1 januari 2006 de voor privé-doeleinden ter beschikking gestelde auto (auto van de zaak) niet meer in de inkomstenbelasting wordt belast maar in de loonbelasting. Om de werkgevers tegemoet te komen wordt in deze nota de «verklaring géén privé-gebruik» geïntroduceerd. De werknemer kan de verklaring aan de inspecteur vragen indien de werknemer meent dat de bijtelling in verband met de auto van de zaak op hem niet van toepassing is. Indien de inspecteur positief op het verzoek heeft beslist, kan de inhoudingsplichtige (de werkgever) de bijtelling in verband met de auto van de zaak achterwege laten. De eventuele discussie met de Belastingdienst over de vraag of er al dan niet sprake is van privé-gebruik kan hierdoor ook gevoerd worden door de werknemer, in plaats van door de werkgever. De verklaring werkt als een vrijwaring voor de werkgever. De naheffingsaanslag loonbelasting in verband met een ten onrechte gebruikte verklaring wordt niet bij de werkgever maar bij de werknemer neergelegd. Ook de naheffingsaanslag met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet wordt aan de werknemer opgelegd. De werkgever is niet verplicht om een tegemoetkoming voor de Zorgverzekeringswet te betalen over het loon dat door middel van deze naheffingsaanslag bij de werknemer wordt opgelegd. Tevens wordt voorgesteld de auto van de zaak uit te zonderen van de grondslag voor de premies en de uitkeringen voor de werknemersverzekeringen waardoor ook een naheffing van de premies voor de werknemersverzekeringen achterwege blijft.

Daarnaast worden enkele wijzigingen op het terrein van de successiewetgeving voorgesteld.

Als eerste wordt uitvoering gegeven aan de reeds langer door Uw Kamer geuite wens nalatenschappen en schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen volledig vrij te stellen van successie- en schenkingsrecht. De budgettaire ruimte voor de invoering van een vrijstelling voor het successie- en schenkingsrecht voor algemeen nut beogende instellingen wordt gevonden in een verhoging van het tarief van de kansspelbelasting. Hierbij wordt opgemerkt dat het kabinet voornemens is kansspelbelasting te heffen over de inleg. Het kabinet zet erop in dit per 1 januari 2007 te realiseren.

Voorts wordt het verschil in behandeling tussen algemeen nut beogende instellingen in Nederland en algemeen nut beogende instellingen buiten Nederland opgeheven. Deze ongelijkheid speelt zowel ten aanzien van de faciliteiten voor algemeen nut beogende instellingen in de Successiewet 1956 als de giftenaftrek in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Voorgesteld wordt de belasting bij schenken en nalaten «vrij van recht» voortaan exact te berekenen. De vereenvoudigde berekeningswijze die nu in de Successiewet is opgenomen was vroeger te rechtvaardigen maar voor het belastingvoordeel waartoe die methode leidt is gegeven dehuidige rekensoftware nu geen rechtvaardiging meer. Bovendien wordt deze bepaling in toenemende mate gebruikt voor belastingconstructies, onder meer via goeddoel instellingen.

Tot slot wordt voorgesteld de samentellingsregeling voor schenkingen binnen 24 maanden tussen eenzelfde schenker en eenzelfde begiftigde te vervangen door een samentellingsregeling beperkt tot schenkingen binnen één kalenderjaar. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de toegezegde uitwerking van afschaffen van deze samentellingsregeling, zoals gevraagd door mevrouw Egerschot (VVD) tijdens het Algemeen Overleg over algemeen nut op 28 september jl. (Kamerstukken II 2005/06, 27 789, nr. 12).

EU-aspecten

Deze nota van wijziging bevat één EU-aspect. Het huidige onderscheid tussen de fiscale behandeling van giften aan buiten Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen en giften aan Nederlandse algemeen nut beogende instellingen wordt weggenomen. Hiertoe wordt voorgesteld de giftenaftrek in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 aan te passen. Eveneens verdwijnt het onderscheid in fiscale behandeling van schenkingen en erfenissen aan buiten Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen enerzijds en schenkingen en erfenissen aan Nederlandse algemeen nut beogende instellingen anderzijds. Het voorstel wijzigt dan ook de Successiewet 1956 op de daartoe relevante punten. Het bedoelde onderscheid in fiscale behandeling tussen binnen en buiten Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen kan immers zeer wel spanning oproepen met het Europese recht. De voorgestelde maatregelen vinden hun oorzaak in de wens eventuele discussies over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van het voornoemde onderscheid in de Successiewetgeving en in de inkomsten- en vennootschapsbelastingwetgeving hoe dan ook te voorkomen. De inwerkingtreding van de voorgestelde maatregelen is vanwege controle- en handhaafbaarheidsoverwegingen voorzien bij Koninklijk Besluit, waardoor de inwerkingtredingsdatum na 1 januari 2006 zal liggen.

Budgettaire aspecten

In onderstaande tabel treft u de budgettaire effecten van de maatregelen in de tweede nota van wijziging.

Tabel: Budgettaire effecten tweede nota van wijziging (-/- = lastenverlichting)

Maatregel2006 € mln.
Aanpassing successiewet/vrijstelling algemeen nut beogende instellingen–/– 37
Verhoging tarief kansspelbelasting37
Geen premieheffing werknemersverzekeringen auto van de zaak–/– 120
Totaal–/– 120

Uitvoeringskosten Belastingdienst

Ten aanzien van de introductie van de «verklaring geen privé gebruik» wordt verwacht dat er jaarlijks ca. 40 000 verklaringen zullen worden afgegeven. De structurele kosten die hiermee gemoeid zijn worden geschat op € 0,5 mln. per jaar. Voor wat betreft de kosten van het toezicht is in het Belastingplan 2005 een besparing van € 3 mln (ca. 40 fte) ingeboekt, omdat de controle van de rittenadministratie zou verschuiven naar de inhoudingsplichtigen. Deze besparing wordt door de introductie van de verklaring geen privé-gebruik grotendeels weer ongedaan gemaakt. De incidentele kosten (voorlichting, inrichting systeem en de eenmalige verwerking van de aanvragen van alle werknemers in 2006) worden geschat op € 1,5 mln.

De uitvoeringskosten in het kader van de wijzigingen in de Successiewetgeving zullen worden bezien in het licht van de controle- en handhaafbaarheidsoverwegingen zoals eerder genoemd.

Administratieve lasten bedrijven

Met betrekking tot de administratieve lasten voor het bedrijfsleven vervalt door de introductie van de «verklaring geen privé-gebruik» de bemoeienis met de rittenadministraties voor de inhoudingsplichtigen. Deze administratieve last werd in het Belastingplan 2005 gesteld op € 9 mln. De administratieve last die betrekking heeft op het aanvragen van de verklaringen en de daaronder liggende rittenadministraties komt nu voor rekening van de werknemer. Voor de administratieve lasten van de burger betekent dit een verzwaring van 0,304 mln uren. Dit komt overeen met 1,6% van de nulmeting in uren. De verwerking van het loongegeven in de loonadministratie en de verwerking van de van de werknemers ontvangen beschikkingen en de correcties daarop komen in de nieuwe situatie uit op € 4,9 mln. Per saldo ontstaat voor de administratieve lasten van het bedrijfsleven nu een reductie van € 7,1 mln. ten opzichte van de € 12 mln. waarmee eerder rekening werd gehouden.

II. ONDERDEELSGEWIJS

Onderdelen 1, 3, 4, onder E, G en K en 7

Artikel I, onderdelen Oa, Ob, Oc en Oe (artikelen 6.33, 6.34, 6.35 en 6.37 Wet inkomstenbelasting 2001), artikel V (artikel 16 Wet op de vennootschapsbelasting 1969), artikel VIIa, onderdelen E, G en K (artikelen 32, 33 en 67 Successiewet 1956) en artikel XXXV (inwerkingtreding)

Artikel 6.37 Wet IB 2001, bepaalt dat giften aan niet in Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen worden aangemerkt als aftrekbare giften voorzover de instellingen daartoe zijn aangewezen. In de praktijk vindt de aanwijzing van buitenlandse instellingen door de Inspecteur Belastingdienst Limburg/kantoor Buitenland te Heerlen plaats (aanwijzingsbesluit van 29 januari 2003, nr. CPP2003/133M, V-N 2003/10.9, blz. 23). Dit besluit beperkt de aanwijzing tot drie categorieën buitenlandse instellingen. Het gaat om giften aan buitenlandse instellingen waarvan de invloedssfeer of het werkterrein zich tot ons land uitstrekt, aan buitenlandse organisaties die zich op mondiaal niveau inzetten voor milieuen natuurbescherming, en aan buitenlandse instellingen die een speciale betekenis hebben voor belastingplichtigen die onder de woonplaatsfictie van artikel 2.2 Wet IB 2001 vallen. Vanuit diverse kanten is reeds vaker aandacht gevraagd voor het verschil in behandeling van enerzijds binnen Nederland gevestigde en anderzijds buitenlandse algemeen nut beogende instellingen. In de Nota naar aanleiding van het Verslag bij dit Belastingplan heb ik al aangekondigd dat hier nader naar gekeken zou worden. Na bestudering van deze geopperde ongelijke behandeling ben ik van oordeel dat het thans gemaakte onderscheid niet in stand kan blijven.

De wijziging van artikel 6.33 Wet IB 2001 komt er op neer dat naast giften aan in Nederland gevestigde algemeen nut beogende instellingen ook giften aan een in een lidstaat van de Europese Unie en bij ministeriële regeling aangewezen andere Mogendheden gevestigde instellingen voor de giftenaftrek in aanmerking kunnen komen. Hierdoor wordt invulling gegeven aan de wens iedere gift aan een algemeen nut beogende instelling gelijk te behandelen, ongeacht de vestigingsplaats van de instelling. De voorgestelde vormgeving van artikel 6.33, die uitgaat van een aanwijzing bij voor bezwaar vatbare beschikking, heeft tot gevolg dat de handhaafbaarheid van de controle op buitenlandse instellingen zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.

Verder wordt in navolging van het rapport van de werkgroep Moltmaker in artikel 6.33 voorgesteld dat de beslissing om voor fiscale faciliteiten in aanmerking te komen, wordt gelegd bij de inspecteur die hierover beslist met een voor bezwaar vatbare beschikking. De bepalng ziet voorts in de mogelijkheid dat de inspecteur op eigen initiatif groepen instellingen waarvan zondermeer duidelijk is dat zij voor fiscale faciliteiten in aanmerking kunnen komen, collectief als zodanig aan kan merken. Hiermee wordt voorkomen dat aan deze instellingen, zoals bijvoorbeeld kerken, onnodig administratieve lasten worden opgelegd. Bovendien vermindert het ook de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst.

Ook de intrekking van de «algemeen nut-status» wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking gedaan. Bij ministeriële regeling kunnen hiertoe nadere regels worden gesteld met als doel de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst op een adequate wijze vorm te geven.

De wijzigingen van artikel 6.34 en 6.35 beogen ook het verschil tussen binnen Nederland en in de Europese Unie gevestigde instellingen op te heffen.

Artikel 6.37 kan vervallen, omdat de behandeling van buitenlandse algemeen nut beogende instellingen nu in artikel 6.33 is geregeld.

Met de wijzigingen in artikel 16 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bewerkstelligd dat de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting uniform is met de giftenaftrek in de inkomstenbelasting.

Omdat gelet op de wijzigingen betreffende de alghele vrijstelling van algemeen nut beogende instellingen voor het successie- en schenkingsrecht in de successiewet per 1 januari a.s. wordt verwezen naar artikel 6.33 Wet IB 2001, moet als gevolg van de wijzigingen met betrekking tot de hiervoor beschreven aanpassing van artikel 6.33, eerste lid, diverse bepalingen in de successiewet ook weer worden aangepast.

Om de Belastingdienst de tijd te geven om zich goed voor te bereiden op de hiervoor beschreven wijzigingen, is bepaald dat deze wijzigingen op een later moment dan 1 januari 2006 in werking zullen treden.

Onderdeel 2

Artikel III, onderdeel Dbis (artikel 13bis Wet op de loonbelasting 1964)

Voorgesteld wordt om in artikel 13bis, eerste, tweede en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 de woorden «op jaarbasis» telkens te vervangen door: op kalenderjaarbasis. Daarmee is geen materiële wijziging beoogd. Het privé-gebruik auto wordt net als voorheen per kalenderjaar beoordeeld, maar de systematiek van de loonbelasting (heffing per loontijdvak) is een andere dan die van de inkomstenbelasting (heffing per kalenderjaar). De wijziging wordt daarom ter verduidelijking voorgesteld. Indien bijvoorbeeld per 1 juli 2006 aan de werknemer een auto ter beschikking wordt gesteld, gaat het om het privé-gebruik van de auto in het kalenderjaar 2006 en niet om het privé-gebruik van de auto in de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007. Doordat het privé-gebruik van de auto op kalenderjaarbasis en tijdsevenredig wordt beoordeeld, is de autokostenfictie in dit voorbeeld van toepassing als de werknemer in het kalenderjaar 2006 meer dan 250 kilometers met de auto voor privé-doeleinden aflegt. Het forfaitair bepaalde voordeel wordt dan uiteraard eveneens tijdsevenredig toegepast.

Een materiële wijziging is wel beoogd met de introductie van de zogenoemde verklaring geen privé-gebruik. In de Wet van 16 december 2004, Stb. 2004, 653, tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan 2005) is de heffing over een voor privé-doeleinden aan de werknemer ter beschikking gestelde auto (verder: de autokostenfictie) met ingang van 1 januari 2006 verplaatst van de inkomstenbelasting naar de loonbelasting.

Toepassing van de autokostenfictie blijft achterwege als de inhoudingsplichtige of de werknemer doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Omdat de inspecteur als gevolg van de systematiek van de loonbelasting het tegenbewijs niet op elk inhoudingtijdstip toetst, loopt de inhoudingsplichtige een zeker risico. Als het tegenbewijs bij een belastingcontrole niet kan worden geleverd, zijn naheffingen met eventuele heffingsrente en boeten het gevolg. De inhoudingsplichtige kan dit risico op verschillende manieren verkleinen, bijvoorbeeld door het gebruik van elektronische hulpmiddelen om kilometerregistraties te beoordelen. Dergelijke automatisering wordt vaak al voor de facturering van werkzaamheden gebruikt. Inhoudingsplichtigen vinden het echter belangrijk zoveel mogelijk zekerheid over de toepassing van de tegenbewijsregeling te verkrijgen en dat de eventuele discussie over het privé-gebruik van de auto wordt gevoerd tussen de werknemer en de inspecteur. Om hieraan tegemoet te komen, wordt een wijziging van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 voorgesteld zodat het risico van een onjuiste toepassing van de tegenbewijsregeling van de inhoudingsplichtige naar de werknemer kan verschuiven.

In het aan artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 toegevoegde negende lid wordt de zogenoemde verklaring geen privé-gebruik geïntroduceerd. De werknemer kan de verklaring aan de inspecteur vragen indien de werknemer meent dat hij aan de voorwaarden van de tegenbewijsregeling voldoet. De werknemer kan een dergelijke verklaring op grond van het tiende lid aanvragen bij de inspecteur. Mocht de inspecteur negatief op het verzoek beslissen, dan kan de werknemer daartegen in bezwaar gaan.

Indien de inspecteur positief op het verzoek heeft beslist, kan de werknemer een afschrift van de verklaring aan de inhoudingsplichtige (zijn werkgever) geven die vervolgens geen rekening hoeft te houden met de autokostenfictie.

Omdat het niet steeds mogelijk is dat op een verzoek om een verklaring is beslist voordat een auto aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld (of voordat de nieuwe wettelijke regeling met ingang van 1 januari 2006 in werking treedt), zal in de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 een aanvullende bepaling worden opgenomen. Op grond daarvan kan de inhoudingsplichtige een afschrift van een verzoek om een verklaring gedurende ten hoogste drie maanden beschouwen als een verklaring geen privé-gebruik.

Als de inhoud van de verklaring niet (meer) juist is, moet de verklaring worden ingetrokken. De werknemer heeft hierbij een verantwoordelijkheid gekregen; de werknemer moet een verzoek tot intrekking zo spoedig mogelijk doen zodra de auto in het kalenderjaar voor meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Deze verplichting is neergelegd in het elfde lid, tweede volzin. De verklaring wordt op initiatief van de inspecteur ingetrokken als de werknemer het tegenbewijs bij controle niet kan leveren. Ingeval de verklaring op verzoek van de werknemer of op initiatief van de inspecteur met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, legt de inspecteur aan de werknemer een naheffingsaanslag voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen met betrekking tot de verstreken tijdvakken op. Het voorgaande is voorzover nodig vastgelegd in het dertiende lid.

Ook de naheffingsaanslag met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet wordt aan de werknemer opgelegd. Om de verklaring als een vrijwaring voor de werkgever te laten werken zal de werkgever niet verplicht worden om een tegemoetkoming voor de Zorgverzekeringswet te betalen over het loon dat door middel van deze naheffingsaanslag bij de werknemer wordt opgelegd. Om ook een vrijwaring met betrekking tot de premies werknemersverzekeringen te voorkomen is in onderdeel 6 van deze Nota van Wijziging voorgesteld om de auto van de zaak buiten de grondslag voor de premies en de uitkeringen van de werknemersverzekeringen te houden. Hierdoor wordt naheffing van deze premies bij de werkgever voorkomen. Voor de aan de werknemer op te leggen naheffingsaanslag gelden de algemene regels met betrekking tot vergrijpboeten. Indien het bijvoorbeeld aan opzet van de werknemer te wijten is dat de autokostenfictie ten onrechte niet is toegepast, beloopt de boete in beginsel 50% van het na te heffen bedrag.

Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat het loon waarvoor de naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de werknemer, evenals wanneer de inhoudingsplichtige de autokostenfictie had toegepast over de betreffende periode, loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting vormt. Dit brengt met zich mee dat dit loon wordt aangemerkt als inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en daarmee een onderdeel van het verzamelinkomen vormt.

De naheffingsaanslag wordt aan de inhoudingsplichtige opgelegd indien deze weet dat de mededeling dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, niet juist is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een vooropgezet plan tussen de inhoudingsplichtige en werknemer ten aanzien van het ten onrechte verzoeken van een verklaring. In alle situaties dat de inspecteur de verklaring intrekt, zal hij de inhoudingsplichtige daarvan op de hoogte stellen. De intrekking van de verklaring is namelijk een voor de belastingheffing relevant feit. De inhoudingsplichtige moet de autokostenfictie voor het vervolg tijdsevenredig toepassen. Met betrekking tot de al verstreken loontijdvakken vinden correcties overeenkomstig het hiervoor gestelde plaats.

De voorgestelde handelwijze is overigens niet verplicht. De inhoudingsplichtige kan ook zonder een verklaring geen privé-gebruik toepassing van de autokostenfictie achterwege laten, indien voldaan is aan artikel 13bis, tweede lid. De praktijk dat de inhoudingsplichtige met de inspecteur afspraken kan maken over de toepassing van de autokostenfictie blijft daarmee ook bestaan.

Op grond van het veertiende lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring.

Uitvoering

Uiteraard leidt de «verklaring geen privé-gebruik» tot extra werk voor de Belastingdienst. Het ligt in de bedoeling hiervoor een proces in te richten dat vergelijkbaar is met de gang van zaken bij de aanvraag van een «verklaring arbeidsrelatie» (VAR). Door dit proces te concentreren bij één belastingkantoor kan het efficiënt worden ingericht en ontstaan er goede mogelijkheden om «slim toezicht» uit te oefenen. De Belastingdienst gaat beschikken over een actueel bestand van belastingplichtigen voor wie de autokostenfictie achterwege blijft. Dit bestand kan worden vergeleken met andere bestanden, zodat risicogroepen betrekkelijk eenvoudig in beeld kunnen komen. Er gaat een preventieve werking uit van concrete vormen van gericht toezicht.

De met de extra werkzaamheden gemoeide structurele uitvoeringskosten hebben betrekking op de verwerking van de aanvragen en het toezicht. Het uitgangspunt is dat een verklaring geldig blijft zolang de situatie bij de werknemer ongewijzigd blijft. Een werknemer die de hem ter beschikking gestelde auto niet privé gebruikt en daartoe de verklaring aanvraagt en verkrijgt, hoeft pas weer in actie te komen richting Belastingdienst op het moment waarop het voor hem duidelijk wordt dat hij meer dan 500 km privé per jaar gaat rijden. De verklaring blijft dus geldig zolang de werknemer minder dan 500 km per jaar blijft rijden in de auto van de zaak. De verklaring kan ook worden «meegenomen» naar een nieuwe werkgever en blijft ook geldig als de auto wordt vervangen. Bij wijze van service zal de Belastingdienst de werknemer éénmaal per jaar erop attenderen dat hij verklaring geen privé-gebruik heeft ontvangen en dat hij, als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, verplicht is dat door te geven. Bij die gelegenheid kan de werknemer ook eventuele andere punten doorgeven, zoals het kenteken van de nieuwe auto.

Onderdeel 4, onder A

Artikel VIIa, onderdeel A (artikel 5 Successiewet 1956)

Bij schenken en nalaten vrij van recht krijgt de begunstigde datgene wat geschonken of nagelaten is netto in handen. Iemand anders, bijvoorbeeld de schenker of een erfgenaam betaalt dan het schenkings- of successierecht. Het gegeven dat de begunstigde de belasting niet zelf hoeft te betalen is op zichzelf ook weer een belastbaar voordeel. De belasting hierover hoeft hij ook niet te betalen wat weer een belastbaar voordeel oplevert etc. In theorie zou dit oneindig doorgaan – een soort «droste-effect» – maar in de praktijk niet omdat de belasting op hele euro's wordt afgerond. Met de tegenwoordige standaard software is de verschuldigde belasting zonder moeite uit te rekenen. Vroeger lag dat anders: Vandaar dat in de successiewet om praktische redenen is bepaald dat bij schenken en nalaten vrij van recht de heffingsgrondslag beperkt blijft tot de netto verkrijging vermeerderd met het zogenoemde primaire recht. Het primair recht is het bedrag aan schenkingsof successierecht dat normaliter verschuldigd zou zijn over het bedrag dat wordt geschonken of nagelaten. Het genoten voordeel blijft dus deels onbelast. Het gevolg hiervan is dat bij twee personen die hetzelfde bedrag netto overhouden en ook overigens in gelijke omstandigheden verkeren, een verschillend bedrag aan belasting wordt geheven, afhankelijk van de vraag of het schenken of nalaten vrij van recht is gebeurd. Voor dit verschil bestaat geen rechtvaardiging, nu met de ons beschikbare rekensoftware eenvoudig het juiste bedrag aan belasting kan worden uitgerekend. In de estate-planningspraktijk wordt in toenemende mate ingespeeld op de voordelen die hiermee te behalen zijn, door bijvoorbeeld een goeddoel instelling aan te wijzen als erfgenaam onder de verplichting de nalatenschap vrijwel geheel, vrij van recht, uit te keren naar de uiteindelijk begunstigde. Wij achten dit een ongewenste ontwikkeling. Daarom wordt voorgesteld om artikel 5, achtste lid, waarin de geschetste berekening is opgenomen, te laten vervallen.

Onderdeel 4, onder B

Artikel VIIa, onderdeel B (artikel 24 Successiewet 1956)

Met deze bepaling wordt het tarief van 8% voor nalatenschappen en schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen geschrapt. Door het vervallen van artikel 24, vierde lid, is de definitie van algemeen nut beogende instellingen op deze plaats verdwenen. Voor wat een algemeen nut beogende instelling is, wordt nu verwezen naar artikel 6.33 Wet IB 2001.

Onderdeel 4, onder C en I

Artikel VIIa, onderdelen C en I (artikel 27 en 46 Successiewet 1956)

Tijdens het Algemeen Overleg met de vaste commissies voor Financiën en Justitie op 28 september 2005 is door het lid Egerschot (VVD) gevraagd naar de gevolgen voor de administratieve lasten en budgettaire derving van het in zijn geheel schrappen van de samentellingsregeling voor schenkingen en in het bijzonder alleen voor het schrappen van de samentellingsregeling voor schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen. Artikel 27, eerste lid, Successiewet 1956, bepaalt dat verschillende schenkingen in een tijdsverloop van 24 maanden door dezelfde schenker aan dezelfde begiftigde gedaan, worden aangemerkt als deel uitmakende van één schenking ten belope van het gezamenlijke bedrag. Blijkens het tweede lid van artikel 27 zijn alleen schenkingen van ouders aan kinderen van deze samentelling uitgezonderd. Voor hen geldt ingevolge artikel 28 samentelling van alle schenkingen door beide ouders tezamen of afzonderlijk gedaan, gedurende een kalenderjaar. De budgettaire derving is zodanig klein dat deze niet opweegt tegen de vereenvoudiging en de vermindering van administratieve lasten burger die kan worden bereikt als de samentellingsregeling wordt beperkt tot een uniforme periode van een kalenderjaar. Het nieuwe artikel 27 geeft hier uitvoering aan.

De hierboven beschreven wijziging heeft ook gevolgen voor de aangiftetermijnen van het schenkingsrecht. Het thans in de wet bestaande onderscheid in de samentellingsregeling voor schenkingen van ouders aan kinderen enerzijds en andere schenkingen anderzijds vereist in het systeem van de wet dat bij de aangiftetermijn onderscheid moet worden gemaakt tussen schenkingen door ouders aan kinderen resp. andere schenkingen. Bij de eerste categorie is de aangiftetermijn gebonden aan een vast tijdstip, te weten (ten minste) twee maanden na het einde van het kalenderjaar waarin de schenking is geschied. Bij de tweede categorie wordt uitgegaan van de dag waarop de schenking totstandkomt, waarna in beginsel binnen twee maanden aangifte moet worden gedaan. Nu voor andere schenkingen dan schenkingen van ouders aan kinderen eenzelfde samentellingsregeling wordt voorgesteld als voor schenkingen van ouders aan kinderen, is de aangiftetermijn hiermee in overeenstemming gebracht. De voorgestelde wijziging van artikel 46, eerste lid, Successiewet 1956, bewerkstelligt dat in alle gevallen de aangiftetermijn eindigt twee maanden na de afloop van het kalenderjaar waarin de schenking(en) is of zijn gedaan.

Onderdeel 4, onder D, eerste lid, onderdeel F, eerste lid, onderdeel H en onderdeel J

Artikel VIIa, onderdelen D, F, H en J (artikel 32, 33, 35a en 67 Successiewet 1956)

Erfrechtelijke verkrijgingen door en schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen zijn op dit moment vrijgesteld voor zover deze niet meer bedragen dan € 8 602 resp. € 4 303 (cijfers 2005). De vrijstellingsbedragen worden geschrapt, zodat de nalatenschappen en schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen geheel zijn vrijgesteld. De vrijstellingsbedragen worden jaarlijks met de inflatiecorrectiefactor aangepast (artikel 35a, eerste lid, Successiewet 1956). Met dezelfde motivering kan ook de bepaling ten aanzien van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding voor het schenkingsrecht dat verschuldigd is wegens een schenking aan een binnen het Rijk gevestigde vereniging of stichting die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend de bevordering van kunst of wetenschap ten doel heeft (artikel 67, eerste lid, ten derde), vervallen.

De verwijzingen in artikel 35a, eerste lid, naar de vrijstellingsbedragen in artikel 32, eerste lid, ten derde en artikel 33, eerste lid, ten vierde, zijn nu niet meer nodig en kunnen vervallen.

Verder wordt, nu in deze bepalingen verwezen werd naar artikel 24, vierde lid, verwezen naar artikel 6.33 Wet IB 2001. Daar staat exact dezelfde definitie van welke instellingen voor de fiscale faciliteiten betreffende algemeen nut in aanmerking kunnen komen. Met dezelfde motivering is ook artikel 67, tweede lid, slotzin aangepast.

Onderdeel 4, onder D, tweede en derde lid, en onderdeel F, derde lid

Artikel VIIa, onderdelen D en F (artikel 32 en 33 Successiewet 1956)

Artikel 32, eerste lid, ten elfde, en artikel 33, eerste lid, ten dertiende, Successiewet 1956, bevatten een volledige vrijstelling van successie- resp. schenkingsrecht voor nalatenschappen en schenkingen aan een museum waarvan de collectie van nationaal of regionaal cultureel belang is of een steunstichting van dat museum. Zonder de volledige vrijstelling zouden deze instellingen gezien het algemeen nuttige karakter onder het bijzondere proportionele 8%-tarief vallen. Nu voor alle algemeen nut beogende instellingen een algehele vrijstelling geldt, zijn de bijzondere bepalingen voor musea en steunstichtingen van musea niet meer nodig en kunnen deze vervallen.

Ook de definitiebepalingen voor museum en steunstichtingen van museum van artikel 32, zevende lid, kunnen vervallen.

Onderdeel 4, onder F, tweede lid

Artikel VIIa, onderdeel F (artikel 33 Successiewet 1956)

Artikel 33, eerste lid, ten tiende, bepaalt dat giften gedaan door algemeen nut beogende instellingen van schenkingsrecht zijn vrijgesteld. Immers, het is niet de bedoeling dat mensen in nood belasting moeten betalen over gekregen hulpgoederen. De wettekst is echter zo geformuleerd dat alle schenkingen van algemeen nut beogende instellingen zijn vrijgesteld, mits deze maar in overeenstemming zijn met de doelstelling van de instelling. In het zogeheten brassbandarrest (arrest van de Hoge Raad van 13 juli 1994, nr. 29 936, BNB 1994/280) heeft de Hoge Raad aangegeven dat een instelling kwalificeert als algemeen nut instelling wanneer deze zich voor ongeveer 50% bezighoudt met het algemeen belang. Voorheen werd er vanuit gegaan dat het om 90% moest gaan. De wettekst in samenhang met dit arrest impliceert dat schenkingen gedaan binnen de 50% die niet in het algemeen belang zijn gedaan, maar wel binnen de doelstelling van de stichting, toch geheel zijn vrijgesteld. Dit acht ik ongewenst. Artikel 33, eerste lid, ten tiende, is in die zin aangepast dat alleen uitkeringen door algemeen nut beogende instellingen die uitsluitend ten gunste van het algemeen belang worden gedaan, zijn vrijgesteld.

Onderdeel 5

Artikel VIIb (artikel 5 Wet op de kansspelbelasting)

Met de verhoging van het tarief van de kansspelbelasting, wordt budgettaire ruimte gevonden voor de invoering van een vrijstelling voor het successie- en schenkingsrecht voor algemeen nut beogende instellingen, zoals opgenomen in deze nota van wijziging. Deze vrijstelling heeft een budgettair beslag van € 37.

Het algemene tarief van de kansspelbelasting dat van toepassing is op bruto uitgekeerde prijzen wordt van 25% naar 29% verhoogd. Het gebruteerde tarief dat van toepassing is op prijzen die netto worden uitgekeerd (de kansspelbelasting komt dan voor rekening van de organisator van het kansspel) en het tarief voor casinospelen worden daarmee verhoogd van 33?% tot 40,85% (100/71 x 29).

De tariefsverhoging is van toepassing op prijzen die op of na 1 januari 2006 ter beschikking worden gesteld. In de regel is dit het moment waarop de winnaar van een kansspel bekend wordt. Ook voor het casinoregime geldt dat de wijziging eerst van toepassing is vanaf 1 januari 2006.

Onderdeel 6

Artikel XXIIa (artikel 16, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen)

In dit onderdeel wordt artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen aangepast opdat de auto van de zaak niet tot de grondslag voor de premies werknemersverzekeringen behoort.

De premies werknemersverzekeringen zijn grotendeels door de werkgever verschuldigd. Een naheffingsaanslag voor de premies werknemersverzekeringen wordt in verband daarmee altijd bij de werkgever opgelegd. Het is echter onwenselijk om de werkgever met een naheffingsaanslag te confronteren in het geval de werknemer de auto van de zaak op meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Dit kan alleen worden voorkomen door de auto van de zaak uit te zonderen van het loonbegrip voor de werknemersverzekeringen. Op deze manier wordt de werkgever in alle gevallen gevrijwaard van het risico op een naheffingsaanslag.

Dit voorstel betekent dat de bij het Belastingplan 2005 gemelde effecten op de premie-inkomsten en uitkeringsuitgaven niet op zullen treden.

De Staatssecretaris van Financiën,

J. G. Wijn