30 303
Staat van de Europese Unie 2005–2006

nr. 16
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN DE STAATSSECRETARIS VOOR EUROPESE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 november 2005

Onder dankzegging voor uw brief in referte (05-EU-B-033) doe ik u een inventarisatie toekomen van artikelen in het Grondwettelijk Verdrag, die tot een verbetering van het functioneren van de EU kunnen leiden en die in beginsel zonder verdragswijziging uitgevoerd kunnen worden.

Er zijn drie redenen waarom het kabinet het evenwel niet opportuun acht zijn eigen visie op deze strikt juridische inventarisatie van verdragsartikelen te geven. In de eerste plaats is het GV op 1 juni 2005 integraal door een meerderheid van de kiezers verworpen en heeft de regering daarop de goedkeuringswet ingetrokken. Daarnaast wil het kabinet de Europese bezinningsperiode gebruiken om een beter beeld te krijgen van de opvattingen van burgers over waar we met Europa naar toe moeten. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de uitkomst hiervan.

Ten tweede kan het kabinet geen oordeel vellen over uw vraag welke artikelen in het GV al dan niet «onomstreden» zijn. Onomstreden is immers een subjectief begrip. Wat voor de ene lidstaat onomstreden is, is dat voor een andere lidstaat uitdrukkelijk niet. Als voorbeeld mag dienen het tweede protocol bij het Grondwettelijk Verdrag waarin nationale parlementen een expliciete rol krijgen toebedeeld bij de toepassing van subsidiariteit op wetgevingsvoorstellen van de Unie («gele kaart procedure»).

Dit was voor veel lidstaten en voor de instellingen van de EU alleen aanvaardbaar in samenhang met de invoering van meerderheidsbesluitvorming als hoofdregel in het GV en de grotere invloed die het EP daardoor krijgt.

Tot slot wil het kabinet ervoor waken tegenstrijdige signalen aan de EU partners af te geven. Het Grondwettelijk Verdrag zal, zoals u weet, door de regering niet opnieuw ter goedkeuring bij het parlement worden ingediend. De regering is daar tegenover de andere lidstaten heel duidelijk in. Instemmen met uw verzoek zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat Nederland, ondanks de negatieve uitslag van het referendum, dit GV nog bespreekbaar acht.

Het kabinet acht een waardeoordeel over individuele artikelen in het GV daarom niet op zijn plaats. Wel is het mogelijk uw commissie ter informatie een feitelijke lijst artikelen aan te bieden die, strikt juridisch beschouwd, uitgevoerd kunnen worden zonder verdragswijziging. Deze lijst beperkt zich tot deel I van het Grondwettelijk Verdrag, waartoe de institutionele vernieuwingen behoren die specifiek in uw brief vermeld worden.

Democratisch functioneren
Art. I-10(2)Petitierecht burger verzoeken tot instellingen EU te richten. In minder dwingende termen al vastgelegd in Art. 21, 194, 195 EGV.
Art. I-42(2)Rol nationale parlementen bij evaluatie RVVR en toezicht Europol / Eurojust. Raad kan via Art. 208 EGV jo. Art. 41 VEU een studie verzoeken. Commissie kan middels zelfbinding nationale parlementen hierbij betrekken.
Art. I-47(1/2), I-48, I-52(3)Dialoog met maatschappelijk middenveld. Middels zelfbinding van de instellingen of een interinstitutioneel akkoord.
Art. I-47(4)Burgerinitiatief jegens Commissie door één miljoen burgers. Middels zelfbinding Commissie (eventueel in Reglement van Orde). Alsdan niet juridisch verbindend.
Art. I-11(3) jo.Subsidiariteitsprotocol Rol nationale parlementen bij subsidiariteitstoets. Middels zelfbinding Commissie en afspraken met de parlementen in COSAC.
  
Transparantie
Art. I-24(6)Openbaarheid vergaderingen Raad v.w.b. wetgeving. Middels wijziging Reglement van Orde van de Raad.
Art. I-50Toegang burger tot documenten. Betreft een aanscherping van Art. 207 EGV (of wijziging RvO).
Protocol 1Informatieplicht Commissie jegens nationale parlementen. Middels zelfbinding Commissie en een nadere afspraak in COSAC.
  
Slagvaardigheid
Art. I-28Vaste voorzitter Raad van Buitenlandse Zaken. Twijfelachtig zonder verdragwijziging. Nieuw figuur. Strookt niet met Art. 203 EGV (roulatie voorzitterschap).
Art. I-24(7)Teamvoorzitterschap voor de overige raadsformaties. Raad kan zelfstandig clusters van drie landen 18 maanden instellen. Dat is niet in strijd met Art. 203 EGV.

De slagvaardigheid van de Unie neemt ook toe door materiële bepalingen in deel III van het Grondwettelijk Verdrag die de samenwerking verdiepen. Dit geldt met name voor de Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR) en voor het externe optreden van de Unie. Bespreking van deze bepalingen uit deel III van het GV is om dezelfde redenen als hierboven voor het kabinet echter niet aan de orde.

Wat betreft het terugleggen van bevoegdheden van Europees niveau op nationaal niveau bevat het GV in art. I-12 de mogelijkheid voor lidstaten exclusieve bevoegdheden van de Unie uit te oefenen, indien zij daartoe door de Unie worden gemachtigd. In dit artikel wordt t.a.v. de gedeelde bevoegdheden bepaald dat de Unie kan besluiten deze niet langer zelf uit te oefenen waarmee ze terugvallen aan de lidstaten. In de huidige situatie kunnen de exclusieve bevoegdheden van de Gemeenschap (o.a. handelspolitiek en monetair beleid) via een verdragswijziging van Europees op nationaal niveau worden teruggelegd. Echter, in de jurisprudentie (Donckerwolcke, Bulck Oil) is al bepaald dat lidstaten op het terrein van exclusieve bevoegheid kunnen optreden als zij daarvoor machtiging van de EG (meestal de Raad) krijgen. Voor gedeelde bevoegdheden (o.a. landbouwbeleid en structuurbeleid) is dat niet noodzakelijk.

Door secundaire EG-regelgeving op die gebieden ongedaan te maken valt de bevoegdheid in de praktijk terug aan de lidstaten, zij het dat de EG bevoegd blijft op dit terrein in de toekomst weer op te treden. Onder art. I-12 is nieuw dat de Unie de bevoegdheid «voorgoed» kan teruggeven.

De Minister voor Europese Zaken,

B. R. Bot

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

A. Nicolaï

Naar boven