nr. 139
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 06 september 2006
Tijdens het algemeen overleg van 23 mei jl. (kamerstuk 30 300
X, nr. 111) heeft u mij gevraagd om een analyse van de vertrekredenen van
militair personeel van Defensie. Met deze brief doe ik mijn toezegging gestand
u nader te informeren.
1. Inleiding
Een belangrijke doelstelling van het personeelsbeleid is de organisatie
te voorzien van voldoende, goed opgeleid en gemotiveerd personeel. Het afgelopen
jaar en ook dit jaar is aan de werving van militair personeel een stevige
impuls gegeven, noodzakelijk om de aanstellingsopdracht te behalen. Naast
instroom zijn ook doorstroom en behoud van personeel belangrijke thema’s
van de personeelvoorziening, te meer nu het aanbod op de arbeidsmarkt krapper
lijkt te worden en de concurrentie gaat toenemen. Het behoud van personeel
is niet alleen van belang vanuit kwantitatief oogpunt, maar zeker ook vanuit
kwalitatief oogpunt. Het verlies van goed opgeleid en ervaren personeel kan
de continuïteit van de bedrijfsvoering nadelig beïnvloeden. Om die
reden is het voor Defensie van belang inzicht te hebben in de vertrekredenen
van haar personeel. In deze brief zal ik een algemeen beeld schetsen van de
vertrekredenen van militair personeel
2. Op welke wijze verkrijgt Defensie inzicht in de
vertrekredenen?
Sinds langere tijd wordt onderzoek gedaan naar de uitstroom van personeel
bij Defensie. Voorheen deden de krijgsmachtdelen hier afzonderlijk onderzoek
naar, elk vanuit een eigen probleemanalyse en onderzoeksvraag. Nu gebeurt
dat gecentraliseerd, waarbij het dienstencentrum gedragswetenschappen (DCGW)
van het commando dienstencentra (CDC) een centrale rol speelt bij de uitvoering
hiervan. Het DCGW monitort aan de hand van verschillende onderzoeken de vertrekredenen
van het defensiepersoneel.
3. Vertrekredenen
Hieronder wordt dieper ingegaan op de vertrekredenen van personeel met
aanstellingen voor onbepaalde tijd (BOT) en bepaalde tijd (BBT), met extra
aandacht voor het vrouwelijke BOT-personeel.
a. BOT-personeel
Bij het vertrek van BOT-personeel uit de organisatie gaat het om een vrijwillig
vertrek na afloop van de periode van de dienverplichting (i.c. de.verplichting
om gedurende een bepaalde periode deel uit te maken van het beroepspersoneel).
De belangrijkste redenen om vroegtijdig bij Defensie te vertrekken zijn de
wens meer invloed uit te oefenen op de inrichting van de eigen loopbaan en
betere loopbaanperspectieven. Met andere woorden: men zoekt naar meer transparantie
in het functietoewijzings-proces, meer duidelijkheid in de plaatsingsmogelijkheden
en meer maatwerk bij de uitvoering van het personeelsbeleid.
Daarnaast spelen ook andere factoren, vaak ingegeven door ontwikkelingen
op de arbeidsmarkt of in de privé-sfeer, een belangrijke rol bij vroegtijdig
vertrek van het BOT-personeel.
Het afgelopen jaar is de «verloopintentie» onder BOT-personeel
stabiel gebleven. Deze verloopintentie is het grootst onder mannelijke militairen
in de leeftijdscategorie 35 tot 44 jaar (16 procent daarvan heeft gesolliciteerd).
Dit percentage is vergelijkbaar met de verloopintentie bij andere Nederlandse
bedrijven.
b. Vrouwelijk BOT-personeel
Voor vrouwelijk BOT-personeel kunnen privé-omstandigheden, zoals
een vaste relatie, het moederschap c.q. de zorg voor kinderen, als belangrijkste
redenen voor verloopintentie worden aangemerkt. Andere redenen zijn de matige
loopbaan-mogelijkheden en de werkomgeving.
Onder vrouwelijke BOT-personeel is de verloopintentie het grootst in de
leeftijdscategorie 25 tot 34 jaar, namelijk 12 procent. Uit onderzoek kwam
naar voren dat mannen gemiddeld meer dienstjaren achter de rug hebben wanneer
ze Defensie verlaten dan vrouwen, namelijk vijftien tegenover zeven jaren.
c. BBT-personeel
Voor de categorie BBT-personeel gaat het niet om de verloopintentie, maar
om de «verlengintentie», dat wil zeggen de bereidheid om het contract
na de overeengekomen periode te verlengen. De verlengintentie komt bij het
BBT-personeel vooral voort uit de werkbeleving. Werkgerelateerde aspecten
die een indirecte rol spelen zijn onder meer werkinhoud, loopbaanmogelijkheden
bij Defensie en de mogelijkheid om BOT-er te worden. De betrokkenheid van
het BBT-personeel bij de eenheid is van invloed op de verlengintentie.
Maar bij BBT-personeel spelen ook andere, meer externe factoren, zoals
loopbaanmogelijkheden buiten Defensie en privé-omstandigheden, een
rol bij de verlengintentie. Ook de leeftijd is van belang; hoe ouder de BBT-er,
hoe groter de bereidheid om de aanstelling te verlengen. De reden hiervan
is dat met het ouder worden de behoefte aan baanzekerheid toeneemt.
Uit onderzoek blijkt dat de verlengintentie onder mannen hoger is (39
procent) dan onder vrouwen (23 procent). Bij vrouwen valt op dat de verloopintentie
in de leeftijdscategorie 25–35 jaar het hoogst is, namelijk 57
procent. Onder het mannelijke BBT-personeel is de verloopintentie in de leeftijdscategorie
24 jaar en jonger en tussen 25 en 34 jaar vrijwel even hoog, respectievelijk
38 en 41 procent. Ook voor het BBT-personeel blijkt dat het aantal dienstjaren
die men bij defensie doorbrengt samenhangt met de toekomstplannen. De verloopintentie
is vooral groot rondom het vierde dienstjaar. Zowel mannen als vrouwen hebben
omstreeks dezelfde tijd de neiging om de aanstelling niet (verder) te verlengen.
4. Afronding: inzicht in vertrekredenen geeft richting
aan het personeelsbeleid van Defensie
In de personeelsplanning wordt rekening gehouden met een verloop van personeel.
Hierbij gaat het om zowel het natuurlijke verloop als het vrijwillig en gedwongen
vertrek van militair personeel. Uitstroom van personeel hoeft dan ook niet
direct tot tekorten te leiden; het hangt af van de categorie personeel en
de voorziene bestandsopbouw in die categorie. De uitkomsten van de onderzoeken
van DCGW geven een beeld van de vertrekredenen van het defensiepersoneel.
Dit inzicht is van belang voor de bijstelling en de ontwikkeling van het personeelsbeleid,
zoals de inzet van het bindingsinstrumentarium of maatregelen op het gebied
van arbeid en zorg.
De Staatssecetaris van Defensie,
C. van der Knaap