nr. 38
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 maart 2006
Naar aanleiding van mijn brief van 13 februari 2006 (kamerstuk 30 00
IV, nr. 24) over de armoedeproblematiek op de Nederlandse Antillen, heeft
u verzocht nader geïnformeerd te worden over de ontwikkelingen op het
terrein van de aanpak van de armoede op de Nederlandse Antillen, de ontwikkelingen
rond de AMFO en over de mogelijke onderuitputting op Hoofdstuk IV in 2006.
Met deze brief breng ik u op de hoogte van de recente ontwikkelingen op deze
terreinen.
Acute armoedebestrijding
Omdat ik veel belang hecht aan het aanpakken van de acute nood op de Antillen,
heb ik toegezegd 4 miljoen euro ter beschikking stellen voor acute armoedebestrijding.
Bij mijn brief van 30 januari 2006 (kamerstuk 30 300 IV, nr. 22)
over actuele ontwikkelingen in de Koninkrijksrelaties heb ik u hierover geïnformeerd.
Op dit moment wordt met de uitvoeringsorganisatie van de Stichting Ontwikkeling
Nederlandse Antillen (USONA) gesproken over de wijze van besteding van deze
gelden. Overigens zal het van de UNDP teruggevorderde voorschot voor hetzelfde
doel, acute armoedebestrijding, worden aangewend.
AMFO
U vraagt tevens naar de actuele stand van zaken met betrekking tot de
AMFO (Antilliaanse Medefinancierings Organisatie). De operationele audit,
die in mijn opdracht, is uitgevoerd naar aanleiding van geconstateerde gebreken
in de jaarrekeningen 2004 ten aanzien van het rechtmatig en doelmatig besteden
van Nederlandse middelen, is afgerond. Hierbij bied ik u het eindrapport en
het jaarverslag 2004 van de AMFO aan1.
Hoofdconclusie uit de operationele audit is dat de huidige governance-structuur van de AMFO niet werkt en ook overigens niet
kan werken. Het ontbreekt aan de juiste checks and balances om binnen de organisatie van AMFO adequaat op te kunnen treden en
fouten te corrigeren.
Andere belangrijke constateringen zijn:
– Het toezicht op de AMFO functioneert niet toereikend als gevolg
van een te afstandelijke feitelijke inrichting van het toezicht op het niveau
van de donor (Nederland en de Nederlandse Antillen) en het ontbreken van adequate
interventiemogelijkheden (in het bijzonder het aanstellen/ontslaan van de
Raad van Toezicht). Daarnaast is sprake van een kwalitatief ontoereikende
invulling van toezichtstaken door de Raad van Toezicht.
– Procedures en richtlijnen zijn door de AMFO niet (geheel) gevolgd.
Door kwantitatieve en kwalitatieve onderbezetting van het uitvoeringsapparaat
en een slechte governance-structuur van de organisatie
is de enorme machtsconcentratie bij de éénhoofdige directie
van de AMFO niet gecorrigeerd. Hierdoor zijn functiescheidingen in het proces
van beoordelen van financieringsaanvragen tot en met monitoring en afrekening,
doorbroken.
– Er vindt belangenverstrengeling plaats tussen de financieringsorganisatie
en de NGO platforms (en NGO’s). De interafhankelijke relatie uit zich
onder meer in de benoemingswijze van de leden van de Raad van Toezicht, de
advisering door de NGO Platformen, zowel naar AMFO als naar de afzonderlijke
NGO’s op het gebied van financieringsverzoeken, en de taak van de AMFO,
namelijk het ondersteunen van de NGO Platformen.
Het rapport spreekt niet van concrete fraudegevallen en of misstanden,
maar constateert dat bestaande procedures in het geheel niet of in een verkeerde
volgorde zijn doorlopen. Tevens zijn de projectdossiers niet altijd compleet.
Op basis van de bevindingen van de operationele audit, heb ik besloten
dat de AMFO opnieuw vorm gegeven dient te worden, waarbij in ieder geval de
donor Nederland, voldoende interventiemogelijkheden dient te krijgen, cfm.
scenario 1 uit het rapport, alvorens verantwoord tot verdere financiering
kan worden besloten.
Dat houdt onder andere in het formuleren en implementeren van een toezichtbeleid
door de donor (Nederland), inclusief een brede set interventiemogelijkheden,
het versterken van de kwaliteit en onafhankelijke positie van de Raad van
Toezicht en het expliciet beleggen van de dagelijkse bestuurdersfunctie bij
de directie. De planning is dat eind juni het nieuwe raamwerk en de randvoorwaarden
voor de nieuwe organisatie zijn afgerond, zodat er dan een professionele en
duurzame organisatie kan ontstaan die haar taak optimaal kan uitvoeren.
Voor de korte termijn ben ik voornemens, als overbrugging, beperkte financiële
middelen ter beschikking te stellen voor apparaatskosten en lopende projecten.
Daartoe heb ik de AMFO gevraagd om mij inzage te geven in de huidige liquiditeitspositie én
aan te geven hoe de financiële en projectadministratie kwalitatief geborgd
wordt. Deze informatie heb ik zeer recent ontvangen en ik zal deze op zeer
korte termijn beoordelen. Tevens is in overleg met mij door de AMFO een interim-manager
aangesteld, die zich met name richt op het weer «op poten zetten»
van de organisatie op de korte termijn. Aan mijn kant bestaat het vertrouwen
dat deze manager de problemen in de AMFO organisatie voortvarend aan het oplossen
is.
Ik kies overigens nadrukkelijk niet voor het in het operationele audit
rapport genoemde scenario 2, waarbij alle activiteiten belegd worden bij de
Stichting Ontwikkeling Nederlandse Antillen (SONA) en haar uitvoeringsorganisatie
(USONA).
Ik acht vermenging van taken tussen AMFO (ontwikkeling door non-gouvernementele
organisaties) en SONA (ontwikkeling door overheidsorganisaties) niet wenselijk.
Daarnaast acht ik bij een explosieve groei, die onvoldoende kan worden beheerst,
van de SONA organisatie het risico te groot dat zij niet meer adequaat en
slagvaardig kan functioneren.
Onderuitputting
Onderuitputting kan zich voordoen aan het eind van een begrotingsjaar.
Dan kan blijken dat beleidsvoornemens zoals deze in de ontwerpbegroting zijn
neergelegd niet of slechts ten dele kunnen worden gerealiseerd waardoor er
onderuitputting optreedt. De Najaarsnota/tweede suppletore wet is de eerste
gelegenheid waarbij eventuele onderuitputting wordt gemeld. Thans is er geen
zicht op onderuitputting. Binnen de begroting van H IV heb ik overigens de
middelen moeten vinden ter dekking van de kosten van de Nederlandse bijdrage
aan de invoering van de sociale vormingsplicht. Deze en andere begrotingsmutaties
zullen in de eerste suppletore wet 2006 worden toegelicht.
De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
A. Pechtold