Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200530238 nr. 3

30 238
Wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten en enige andere wetten (Verzamelwet sociale verzekeringen 2006)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).

In dit wetsvoorstel (Verzamelwet sociale verzekeringen 2006) worden in diverse socialeverzekeringswetten verbeteringen aangebracht. Een groot deel van de wijzigingen houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en de intrekking van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) met ingang van 1 januari 2006. Er wordt voorts al rekening gehouden met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet in die gevallen waarin in het voorstel van Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet (Kamerstukken 30 124) met de wijzigingen in dit wetsvoorstel geen rekening kon worden gehouden.

Voorts bevat het wetsvoorstel onder meer taalkundige verbeteringen en correcties van onjuiste verwijzingen. Ook wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat artikelleden of onderdelen daarvan vervallen omdat deze overbodig bleken te zijn. Deze voorgestelde technische wijzigingen worden nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting van deze memorie.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een aantal aanpassingen van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) voor te stellen met het oog op vereenvoudiging en deregulering. Voorstellen met aanmerkelijke betekenis voor de systematiek van uitvoering of verantwoording worden niet gedaan in afwachting van de komende integrale evaluatie van de Wet SUWI.

Het wetsvoorstel voorziet tevens in een eenvoudigere procedure voor de teruggaaf van teveel betaalde premies voor de werknemersverzekeringen en teveel betaalde inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Als een werknemer meerdere dienstbetrekkingen heeft (bijvoorbeeld twee parttime banen), kan het voorkomen dat er in een kalenderjaar in totaal meer premie of bijdrage is betaald dan het premiemaximum of het bijdragemaximum. Tot nog toe kon het teveel betaalde alleen op verzoek worden teruggekregen. Dit wetsvoorstel regelt dat de inspecteur het teveel betaalde ambtshalve gaat vaststellen.

Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat een toelichting in beginsel achterwege blijft bij (onderdelen van) artikelen die strekken tot correctie van onjuiste verwijzingen, onjuiste benaming en of fouten in de schrijfwijze of interpuncties in artikelen van wetten.

Naast genoemde technische wijzigingen worden ook enkele beleidsinhoudelijke voorstellen gedaan, die hierna kort worden toegelicht. Deze wijzigingen zijn te kenschetsen als «klein beleid» nu het hier niet om majeure beleidswijzigingen gaat. Om redenen van «wetgevingseconomie» heeft de regering besloten deze beleidswijzigingen en de voorgestelde technische wijzigingen in één wetsvoorstel aan het parlement aan te bieden.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State)

2. «Klein beleid»

Het wetsvoorstel bevat de volgende «klein beleid»-onderwerpen.

A. Grensoverschrijdende reïntegratie met behoud van WW-uitkering

Op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van de Werkloosheidswet (hierna: WW) is het de uitkeringsgerechtigde niet toegestaan om buiten Nederland te wonen of verblijf te houden anders dan wegens vakantie. Door deze bepaling is het niet mogelijk voor mensen met een WW-uitkering om bijvoorbeeld een reïntegratietraject of opleiding in het buitenland te volgen met behoud van die uitkering.

Op dit punt is er een verschil met de WAO, aangezien de WAO geen bepaling kent op grond waarvan het niet is toegestaan in het buitenland verblijf te houden. Op grond van Europese wetgeving, Verordening 1408/71, is het wel reeds mogelijk om in het buitenland met behoud van WW-uitkering naar werk te zoeken (= solliciteren) gedurende een periode van drie maanden. Het volgen van scholing en reïntegratie valt echter niet onder de reikwijdte van de Verordening.

Signalen vanuit Eures1 en de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) geven aan dat de huidige wet- en regelgeving tot ongewenste situaties leidt. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer mensen die in de grensstreek wonen een baan in het buitenland aangeboden krijgen waarvoor ze eerst een korte bedrijfsopleiding moeten volgen. Op dit moment zouden ze hun recht op WW kwijt raken aangezien het niet toegestaan is om in het buitenland te verblijven om een reïntegratietraject te volgen met behoud van hun WW-uitkering. Voor deze mensen zou het een oplossing zijn om met behoud van hun WW-uitkering gedurende een bepaalde periode in het buitenland te mogen reïntegreren.

Daarnaast zijn de arbeidsmarkt en het bijbehorende beleid steeds meer gericht op de Europese Unie. Het is gemakkelijker geworden voor werknemers binnen de EU om in een ander land te gaan werken. In deze context zou het dan ook vanzelfsprekend moeten zijn dat het mogelijk is voor een WW-gerechtigde in het kader van het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie zijn reïntegratieactiviteiten – indien noodzakelijk – in het buitenland te verrichten.

Door onderhavige wijziging van artikel 19 van de WW wordt het mogelijk gemaakt in het buitenland met behoud van een WW-uitkering een reïntegratietraject te volgen. Onder reïntegratietraject wordt ook noodzakelijke opleiding of scholing verstaan. Het UWV kan in dergelijke situaties afwijken van het vereiste om in Nederland verblijf te houden. Om misbruik te voorkomen wordt een aantal voorwaarden gesteld aan het verblijf en het reïntegratietraject dat in het buitenland gevolgd zou kunnen worden.

Reïntegratie met behoud van uitkering wordt mogelijk gemaakt voor alle werklozen met een Nederlandse WW-uitkering binnen de EU/EER/Zwitserland1 voor een periode van maximaal zes maanden. Er zal sprake moeten zijn van activiteiten die blijkens een intentieverklaring van een mogelijk toekomstig werkgever een reëel uitzicht bieden op een aansluitende dienstbetrekking voor ten minste 6 maanden.

Het bedrag dat het UWV maximaal is verschuldigd terzake van de reïntegratieactiviteiten, mag niet hoger zijn dan het op grond van artikel 4.2, derde lid, van het Besluit SUWI door het UWV in het Besluit beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst vastgestelde bedrag met betrekking tot de Individuele Reïntegratie Overeenkomst (IRO). Dit maximumbedrag is, evenals met betrekking tot de IRO, een bedrag inclusief reis- en verblijfskosten. De kosten van een reïntegratietraject zouden meer kunnen bedragen dan het betreffende maximumbedrag (€ 5 000). Het eventuele meerdere komt dan voor rekening van de (toekomstige) werkgever.

B. AKW

Naar aanleiding van een verzoek van de Sociale verzekeringsbank (SVB) wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat recht op kinderbijslag bestaat voor een kind van 16 of 17 jaar, dat als rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om 55% te verdienen van hetgeen een lichamelijk en geestelijk gezond kind, dat overigens in gelijke omstandigheden verkeert, kan verdienen. Voorwaarde daarbij is dat het kind daartoe gedurende een periode van zes maanden niet in staat is geweest of naar verwachting zal zijn.

In de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is geregeld dat recht op kinderbijslag bestaat voor een kind van 16 of 17 jaar, dat arbeidsongeschikt is, indien die arbeidsongeschiktheid een jaar heeft bestaan, dan wel indien die arbeidsongeschiktheid vermoedelijk een jaar zal bestaan. Verder bestaat recht op kinderbijslag voor een studerend kind van die leeftijd. Als de studie wegens ziekte/arbeidsongeschiktheid is onderbroken, bestaat tijdens die studie-onderbreking ook recht op kinderbijslag mits die onderbreking niet langer dan zes maanden duurt. Duurt de studie-onderbreking wegens ziekte/arbeidsongeschiktheid langer dan zes maanden, maar is het kind nog niet één jaar ziek/arbeidsongeschikt (en zal het dat ook niet vermoedelijk een jaar zijn), dan bestaat over de twee tussenliggende kwartalen geen recht op kinderbijslag. De SVB heeft in verband hiermee verzocht de AKW te wijzigen in die zin, dat in het vervolg voor een kind als hier bedoeld wel recht op kinderbijslag bestaat.

3. Financiële gevolgen en administratieve lasten

In dit wetsvoorstel wordt een groot aantal technische punten geregeld. De regelingen van deze verschillende punten hebben geen invloed op de uitvoeringskosten.

De wijzigingen met betrekking tot de Wfsv en de Wet op de loonbelasting 1964 hebben geen gevolgen voor de uitkeringslasten. De wetswijziging van de AKW zal slechts in een zeer beperkt aantal gevallen tot recht op kinderbijslag leiden. Deze extra uitkeringslasten zullen dan ook te verwaarlozen zijn. Evenmin zal deze wetswijziging extra uitvoeringskosten met zich meebrengen.

Een deel van de voorstellen voor vereenvoudiging en deregulering van de Wet SUWI biedt perspectief voor vermindering van administratieve lasten bij de uitvoeringsorganisaties. Voorgesteld wordt te voorzien in de mogelijkheid om de uitvoeringsorganisaties te ontheffen van de verplichting een kwartaalverslag over het vierde kwartaal op te stellen. Het voornemen bestaat bij ministeriële regeling van deze mogelijkheid gebruik te maken.

De wijziging in de WW met betrekking tot grensoverschrijdende reïntegratie en scholing met behoud van uitkering zal kostenneutraal zijn. De voorgestelde wijziging is slechts van toepassing op een kleine groep WW-gerechtigden die, met zicht op een dienstverband, een (reïntegratie-)traject in het buitenland volgen. Vermoedelijk zullen de trajecten zich vooral richten op werknemers die gaan werken in België of Duitsland. In 2004 werkten circa 15 000 personen woonachtig in Nederland, in België of Duitsland. Het aantal WW-gerechtigden dat zich, na een traject in het buitenland, bij deze grensarbeiders zal voegen is naar verwachting gering. Deze personen komen zonder dit wetsvoorstel ook in aanmerking voor een reïntegratietraject maar dan binnen Nederland. Dit voorstel leidt dus niet tot extra trajecten. Een en ander zal dus ook niet leiden tot een mutatie in de administratieve lasten van uitvoeringsinstanties of bedrijven.

De invoering van de ambtshalve teruggaaf of verrekening van te veel betaalde premies voor de werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet leidt tot inkomstenderving. Van de mogelijkheid om op verzoek te veel betaalde premies terug te krijgen, werd tot dusver weinig gebruik gemaakt. Hierdoor werd in de praktijk te veel premie betaald. Door de invoering van de ambtshalve teruggaaf krijgt iedereen de te veel betaalde premies en inkomensafhankelijke bijdragen automatisch terug. De invoering van de ambtshalve teruggaaf leidt naar schatting tot een premiederving werknemersverzekeringen in de orde van grootte van € 90 tot 100 miljoen. Er zal ook € 175 miljoen minder aan inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet worden geheven. Het effect op de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet is groter doordat het bijdragemaximum lager is dan het premiemaximum. De effecten zijn verwerkt in de ramingen van de premieinkomsten en het Emu-saldo.

Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van bedrijven en nauwelijks voor de administratieve lasten van burgers. Door dit wetsvoorstel vervalt alleen de verplichting voor werknemers om informatie te leveren over te veel betaalde premie die moet worden verrekend met het UWV. Slechts weinig burgers maakten gebruik van deze mogelijkheid.

4. Gevolgen voor de rechterlijke macht

Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de belasting van de rechterlijke macht. De regeling van de technische punten levert verbetering van de wetgeving op. De wijziging van de AKW is begunstigend voor belanghebbenden en zal derhalve niet tot geschillen leiden.

5. Commentaar op toetsen

Dit wetsvoorstel is door de Minister en de Staatssecretaris aan de toetsende instanties voorgelegd. Door de CWI, het UWV, de SVB, de IWI, de RWI en de Stichting Inlichtingenbureau en zijn toetsen uitgebracht.

CWI

De CWI heeft geen opmerkingen bij het wetsvoorstel.

UWV

Naar het oordeel van het UWV zijn de in het wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen uitvoerbaar. Het UWV kan zich met de voorgestelde wijzigingen verenigen.

De door het UWV voorgestelde (wets)technische wijzigingen zijn in het wetsvoorstel verwerkt.

SVB

De SVB heeft kennisgenomen van het besluit de kwartaalrapportages niet te vervangen door viermaandrapportages en het betrekken van deze vereenvoudigingsoptie bij de Evaluatie SUWI 2006. De SVB voorziet slechts marginale gevolgen voor de uitvoeringskosten en de uitkeringslasten als gevolg van de wijziging van de AKW. Deze wijziging komt overeen met het voorstel van de SVB. De overige wijzigingen op het terrein van de SVB hebben naar het oordeel van de SVB geen gevolgen voor de uitvoeringskosten of uitvoeringslasten.

IWI

De IWI heeft het wetsvoorstel beoordeeld op de mogelijkheden van het houden van toezicht op de rechtmatigheid en de doelmatigheid. Het wetsvoorstel geeft de IWI geen aanleiding tot inhoudelijke op- en/of aanmerkingen. De technische opmerkingen van de IWI zijn in overwegende mate overgenomen.

RWI

De RWI gaat akkoord met de voorstellen, voorzover betrekking hebbend op de RWI. Wel geeft de RWI aan van oordeel te zijn dat het achterwege blijven van het vierde kwartaalverslag niet alleen voor de CWI, de SVB en het UWV, maar ook voor de RWI zou moeten gelden. Dit is in het wetsvoorstel nu ook zo tot uitdrukking gebracht.

Inlichtingenbureau

De toets van de Stichting Inlichtingenbureau heeft geen aanleiding gegeven tot wijzigingen in het wetsvoorstel.

Actal

Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en marginale gevolgen voor burgers. Gegeven de selectiecriteria van Actal heeft dit college het wetsvoorstel niet geselecteerd voor een toets op de gevolgen voor de administratieve lasten.

II. ARTIKELSGEWIJS

II.1. Inleiding

In het hiernavolgende worden per materiewet de gewijzigde artikelen nader toegelicht. In een aantal gevallen wordt een aantal materiewetten op eenzelfde wijze gewijzigd. De toelichting daarop staat vermeld in de paragrafen II.2, II.3, II.4, II.5 en II.6.

Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat een toelichting in beginsel achterwege blijft bij die onderdelen van artikelen tot wijziging van de verschillende materiewetten die strekken tot correctie van onjuiste verwijzingen, onjuiste benamingen of fouten in de schrijfwijze of interpuncties in artikelen van die wetten.

II.2. Wijziging van delegatiebepalingen in verschillende wetten

Omdat de mogelijkheid van subdelegatie in de artikelen van de volgende wetten overbodig is, wordt in die artikelen de zinsnede «bij of krachtens algemene maatregel van bestuur» vervangen door «bij algemene maatregel van bestuur.

Voorts is er sprake van wetstechnische omissies in een aantal van onderstaande wetten. Het herstellen van deze omissies zal geen verandering teweeg brengen in de huidige uitvoeringspraktijk.

De oorzaak van deze omissies is dat de Veegwet SZW 1998 (hierna: Veegwet) abusievelijk eerder in werking is getreden dan de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen (hierna: Invoeringswet OSV).

In de Invoeringswet OSV werden leden van artikelen van een aantal van onderstaande wetten vervangen en in de Veegwet werden leden van diezelfde artikelen vernummerd.

Doordat de Veegwet eerder in werking is getreden dan de Invoeringswet OSV, zijn niet de juiste leden van de artikelen vervangen. Dit had twee omissies tot gevolg.

Ten eerste zijn hierdoor leden vervangen die niet vervangen dienden te worden. En ten tweede bevatten de artikelen nu nog steeds leden die wel al vervangen hadden moeten worden.

Met deze wijziging worden de bedoelde omissies gecorrigeerd. Het betreft de volgende artikelen.

Artikel I

Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

Artikel 17a

Artikel II

Algemene nabestaandenwet (ANW)

Artikel 39

Artikel III

Algemene Ouderdomswet (AOW)

Artikel 17c

Artikel XI

Toeslagenwet (TW)

Artikel 14a

Artikel XII

Werkloosheidswet (WW)

Artikel 27a

Artikel XVIII

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ),

Artikel 48

Artikel XVIX

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG)

Artikel 40

Artikel XXXI

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

De artikelen 29a en 65

Artikel XXXIV

Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA)

Artikel 46

Artikel XLV

Ziektewet (ZW)

Artikel 45a

II.3. Wijziging van verschillende wetten in verband met de intrekking van artikel 9 van de CSV

Met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (Iwfsv) wordt de CSV ingetrokken. Het equivalent van artikel 9 van de CSV wordt dan opgenomen in artikel 17 van de Wfsv. In artikel 17 van de Wfsv wordt de loondagensystematiek vervangen door een systematiek van loontijdvakken. Het loontijdvak is het tijdvak waarover de werknemer loon geniet. Dit loontijdvak kan bijvoorbeeld een dag zijn, maar ook vier weken of een maand.

Omdat artikel 17 van de Wfsv uitgaat van een systematiek van loontijdvakken, moet geregeld worden dat het in de gevallen waarin nu nog wordt gesproken over maximum dagloon, loontijdvakken betreft van een dag. Daarom wordt in de onderstaande artikelen toegevoegd «met betrekking tot een loontijdvak van een dag». Voorts is de verwijzing naar artikel 17 Wfsv in plaats van de verwijzing naar artikel 9 CSV in een aantal materiewetten nog niet meegenomen in de Iwfsv. Dit verzuim wordt tevens hersteld.

Het betreft de volgende artikelen:

Artikel VI

Burgerlijk Wetboek (BW)

Artikel 629, eerste lid, van boek 7

Artikel XV

Wet van 3 april 1985, houdende overgangsmaatregel met betrekking tot loonbetalingen tijdens ziekte en aanvullingen op de wettelijke ziekengelduitkering (Stb. 215)

Artikel 2, eerste lid, onderdeel a,

Artikel XII

Werkloosheidswet (WW)

Artikel 45

Artikel XVII

Wet arbeid en zorg (WAZO),

Artikel 5:6, eerste lid

Artikel XXIX

Wet medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,

De artikelen 1 en 2

Artikel XXXI

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

Artikel 84

Artikel XXXIV

Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA)

Artikel 28

Artikel XXXV

Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

De artikelen 5, vierde lid, 14, derde lid, 24, vierde lid, en 33, elfde lid,

Artikel XXXVI

Wet privatisering spoorwegpensioenfonds

Artikel 10, tweede lid,

Artikel XXXVII

Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders,

Artikel 5, eerste lid,

Artikel XXXIX

Wet van 1 mei 1987, houdende verhoging van een aantal daglonen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet Werkloosheidsvoorziening en de Werkloosheidswet voor bepaalde categorieën werknemers (Stb. 242)

Artikel 3

Artikel XXXX

Wet terugdringing ziekteverzuim

Artikel XV

Artikel XLV

Ziektewet (ZW)

De artikelen 15, eerste lid, en 68, eerste lid, onderdeel a

II.4. Wijziging van het eerste lid van de artikelen 45 WW, 14 WAO en 15 ZW in verband met de vervanging van loonopgavetijdvak door aangiftetijdvak

In het eerste lid van de artikelen 45 van de WW, 14 van de WAO en 15 van de ZW (zie de artikelen XII, XXXI en XLV van deze wet) wordt met de inwerkingtreding van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (WALVIS) per 1 januari 2006 gesproken over loonopgavetijdvakken. Per die datum zal evenwel ook de Wfsv in werking treden, op grond waarvan een aangiftesystematiek zal worden toegepast. Deze aangifte zal niet uitsluitend zien op het loon, maar ook op andere gegevens. In verband hiermee wordt in bovengenoemde materiewetten «loonopgavetijdvak» vervangen door «aangiftetijdvak».

II.5. Wijziging van het tweede lid van de artikelen 45 WW, 14 WAO en 15 ZW met betrekking tot de herziening van het dagloon

In het tweede lid van de artikelen 45 WW, 14 WAO en 15 ZW (zie de artikelen XII, XXXI en XLV van deze wet) zoals deze komen te luiden indien WALVIS in werking treedt, wordt verwezen naar de vaststelling en herziening van het dagloon in het eerste lid van die artikelen. In dat eerste lid wordt evenwel niet gesproken over een herziening. Het tweede lid van die artikelen moet daarom komen te luiden: «Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.»

II.6. Vervanging van bedragen door rekenregels

In de Wet van 23 december 2004 tot wijziging van enkele sociale verzekeringswetten en enige andere wetten in verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen (Stb.728) (Vereenvoudigingswet SV) zijn de artikelen 9 en 29 van de AOW in die zin gewijzigd, dat de bedragen van de bruto-AOW-uitkeringen en vakantie-uitkeringen niet meer in de wet zijn opgenomen en deze artikelen zich beperken tot de rekenregels. Er wordt in de Huursubsidiewet, de Wet bevordering eigenwoningbezit bezit en de drie buitengewone pensioenwetten voor verzetsdeelnemers en zeelieden-oorlogsslachtoffers en twee uitkeringswetten voor vervolgings- en burger-oorlogsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog nog verwezen naar de bedragen en vervallen artikelleden (artikel 9, tiende lid, van de AOW heeft een andere inhoud gekregen). Bij de wijziging van artikel 17 van de Wet op de huurtoeslag (de voormalige Huursubsidiewet) is rekening gehouden met de wijziging van dit artikel in de Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen met ingang van 1 september 2005. Tevens worden in de uitkeringswetten voor slachtoffers en in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verwijzingen opgenomen naar de Wfsv in verband met de overheveling van de bepalingen over de premies naar de Wfsv. Een materiële wijziging wordt hier niet beoogd. Het betreft de volgende artikelen:

Artikel VIII

Wet op de huurtoeslag

Artikel 17, eerste lid, onderdelen c en d

Artikel XX

Wet bevordering eigenwoningbezit

De artikelen 11, eerste lid, onderdeel b, onder 3 en 4, en 28, onderdelen c en d

Artikel XXI

Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet

De artikelen 16, derde lid, 35b, onderdeel b, en 43, derde lid

Artikel XXII

Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers

De artikelen 11, vijfde lid, 28f, onderdeel b, en 32, derde lid

Artikel XXIII

Wet buitengewoon pensioen 1940–1945

De artikelen 11, vijfde lid, 28f, onderdeel b, en 32, derde lid

Artikel XXVI

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Artikel 10, eerste en tweede lid

Artikel XXVII

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

Artikel 10, eerste en tweede lid

Artikel XLII

Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945

De artikelen 23, eerste lid, 26, eerste en derde lid, en 28, zesde lid

Artikel XLIII

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945

De artikelen 17, eerste lid, 19, eerste en achtste lid, en 19a, eerste lid

II.7. Overige artikelsgewijze toelichtingen

Artikel I. Wijziging van Algemene Kinderbijslagwet

Onderdeel A (artikel 7, tweede lid)

Recht op kinderbijslag bestaat voor kinderen van 16 of 17 jaar die schoolgaand, arbeidsongeschikt of werkloos zijn. Om als arbeidsongeschikt te worden aangemerkt, moet worden vastgesteld dat het kind als gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om 55% te verdienen van hetgeen een lichamelijk en geestelijk gezond kind in overigens gelijke omstandigheden kan verdienen. De arbeidsongeschiktheid moet een jaar hebben bestaan, danwel zal vermoedelijk een jaar bestaan.

Volgens vaste jurisprudentie doet een tijdelijke onderbreking van de studie als gevolg van vakantie of studie-overgang het recht op kinderbijslag niet verloren gaan, mits de onderbreking niet te lang duurt. Met een dergelijke onderbreking kan een periode van ziekte worden gelijkgesteld.

Volgens SVB-beleid kan een dergelijke onderbreking minder dan zes maanden duren, zonder dat het recht op kinderbijslag verloren gaat. De beroepsrechter acht het hanteren van een termijn van zes maanden verenigbaar met een juiste wetsuitleg. Een termijn van een jaar acht de beroepsrechter te lang om van een tijdelijke onderbreking van de studie te kunnen spreken.

Voorts is in artikel 7, zevende lid, bepaald, dat indien een werkloos kind ten gevolge van ziekte niet beschikbaar is voor arbeid als werkloos wordt aangemerkt voor zolang de ziekte voortduurt voor een periode van ten hoogste zes maanden.

Indien een kind in deze situatie langer dan zes maanden, maar korter dan een jaar arbeidsongeschikt is, en indien ook niet vastgesteld kan worden dat de arbeidsongeschiktheid vermoedelijk een jaar zal bestaan, zal voor dat kind over twee kwartalen geen recht op kinderbijslag bestaan. Daarmee sluit de regeling in artikel 7, tweede lid, onderdeel b, niet aan bij de genoemde jurisprudentie en de bepaling in het zevende lid. Het tweede lid, onderdeel b, is nu zo aangepast, dat voor deze kinderen wel recht op kinderbijslag kan bestaan.

De wijziging betekent, dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AKW op de gebruikelijke wijze zal plaatsvinden, met dien verstande, dat in deze gevallen arbeidsongeschiktheid reeds na zes maanden wordt vastgesteld.

Artikel III. Wijziging van de Algemene Ouderdomswet

Onderdelen C en D (artikelen 37 en 39, tweede lid)

Met de wijziging artikel 37 van de AOW met de inwerkingtreding van de Vereenvoudigingswet SV is het tweede lid van dat artikel komen te vervallen. Verzuimd is «1.» in artikel 37 te schrappen en de verwijzing naar het tweede lid in artikel 39, tweede lid, aan te passen. Dit wordt in dit wetsvoorstel alsnog gedaan.

Artikel IV. Wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

In de artikelen 65c, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en 83c, tweede lid van de Ziekenfondswet (ZFW) wordt verwezen naar artikel 16a van de CSV. Met de inwerkingtreding van de Iwfsv vervalt die wet. Omdat de mede-werkgever, bedoeld in artikel 16a van de CSV dezelfde is als de inlener, bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet 1990, wordt de verwijzing overeenkomstig aangepast.

Artikel V. Wijziging van de Beroepswet

Aangezien de CSV wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van de Iwfsv, kan de vermelding van de CSV op bijlage C bij de Beroepswet vervallen.

Artikel VII. Wijziging van de Coördinatiewet Sociale Verzekering

De nieuwe formulering van artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de CSV stemt overeen met hetgeen voorheen al was geregeld in die wet. Dergelijke aanspraken waren namelijk vrijgesteld op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van die wet. In dat artikel werden aanspraken vrijgesteld die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge sociale verzekeringswetten. De wijziging van artikel 4 van de CSV (die immers met inwerkingtreding van de Iwfsv vervalt) is noodzakelijk aangezien deze bepaling terugwerkt tot 1 januari 2005.

Artikel IX. Wijziging van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen

Onderdeel A (artikel 5, onderdeel D)

Artikel 5, onderdeel D, van de Iwfsv voegt aan artikel 30, eerste lid, van de Wet SUWI een onderdeel n toe op basis waarvan het UWV tot taak heeft «het verrichten van diensten in opdracht van de SVB en de CWI in verband met de uitvoering van aan die bestuursorganen bij of krachtens deze wet of enige andere wet opgedragen taken». Bij nader inzien blijkt de nieuwe bepaling, die per 1 januari 2006 in werking zou treden, geen meerwaarde te hebben en kan dus vervallen. Onderlinge dienstverlening van SUWI-ketenpartners past binnen de geldende kaders. Afhankelijk van de context en vormgeving kan voor de «opdrachtgevende» partij, indien dit één van de «SUWI-zbo's» is, sprake zijn van uitbesteding (die op grond van artikel 5.5 van de Regeling SUWI in het jaarplan moet worden opgenomen), terwijl voor de «opdrachtnemende» partij sprake kan zijn van een «andere taak», die de goedkeuring van de minister behoeft op grond van artikel 13 van de Wet SUWI. Om zicht en invloed te houden op de (feitelijke) taakverdeling kan dit goedkeuringsvereiste niet worden gemist. Hiertoe wordt het in dit onderdeel van de Iwfsv opgenomen nieuwe onderdeel o in artikel 30, eerste lid, van de Wet SUWI met deze wijziging als onderdeel n in artikel 30, eerste lid van de Wet SUWI opgenomen.

Onderdeel B (artikel 44, tweede lid)

Aan artikel 44, tweede lid, is een onderdeel f toegevoegd op grond waarvan de beschikkingen die het UWV op grond van artikel 78 van de WAO heeft genomen, gelden als een beschikking op grond van artikel 37 van de Wfsv.

Onderdeel C (artikel 47)

Artikel 47 bepaalt dat op aanvragen voor beschikkingen die voor de datum van inwerkingtreding zijn ingediend nog door UWV en niet door de inspecteur wordt beslist met toepassing van het oude recht en dus op grond van de bepalingen zoals ze golden voor opname daarvan in de Wfsv. In artikel 44 van de Invoeringswet is geregeld, dat beschikkingen genomen voor de datum van inwerkingtreding van Wfsv door bijvoorbeeld UWV die nog werking hebben na die datum gelden als beschikkingen op grond van de Wfsv. Vervolgens is in artikel 45, tweede lid, bepaald dat het bezwaar wordt afgehandeld door de inspecteur. Dit regime geldt ook voor de beschikkingen die met toepassing van artikel 47 zijn genomen. Voor de duidelijkheid is daarom een tweede lid aan artikel 47 toegevoegd.

Onderdeel D (artikel 48a)

Door de onderhavige wijziging wordt de inhoud van artikel 53 van de Wet financiering volksverzekeringen opgenomen in de Invoeringswet Wfsv bij wijze van overgangsbepaling. In dit artikel is geregeld dat artikel 30 van de WFV, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van de wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurend zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 274) van toepassing blijft voor de duur van de periode waarin op grond van artikel IXa van die wet recht bestaat op een financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg. De lasten die gepaard gaan met deze financiële tegemoetkoming komen dus nog ten laste van het Nabestaandenfonds en worden vervolgens door de SVB overgeheveld naar het UWV ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.

Onderdeel D (artikel 48b)

In artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocollen (Trb. 2001, 136), zijn compensatieregelingen opgenomen voor inwoners van Nederland die uit België bepaalde beloningen ontvangen. In dit artikel 27 wordt op diverse plaatsen de Wet financiering volksverzekeringen genoemd. Idealiter zouden in artikel 27 van het Verdrag de verwijzingen naar de Wet financiering volksverzekeringen moeten worden vervangen door verwijzingen naar de (premies volksverzekeringen die worden geheven krachtens de) Wet financiering sociale verzekeringen. Een dergelijke aanpassing van artikel 27 kan echter alleen via aanpassing van het Verdrag worden gerealiseerd. Normaal gesproken ligt er geruime tijd tussen het moment van opstarten van (her)onderhandelingen over een belastingverdrag en het moment van effectief worden van de (nieuwe) bepalingen die in zo'n verdrag zijn opgenomen (dit vindt mede zijn oorzaak in het feit dat in gevallen waarbij de ene verdragspartner een of enkele aanpassingen van het verdrag voorstelt, de andere verdragspartner vaak ook enkele punten aan de orde wil stellen), Hierdoor is het niet mogelijk om voor 1 januari 2006 een aanpassing van artikel 27 van het Verdrag te bewerkstelligen. De invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen behoort echter geen invloed te hebben op de toepassing van deze compensatieregelingen. Net als voorheen is de premie voor de volksverzekeringen van belang voor de berekening van de eventuele compensatie. Ter voorkoming van ieder misverstand wordt voorgesteld dit ook in de Nederlandse wetgeving neer te leggen. Daartoe strekt het nieuwe artikel 48b. Deze bepaling is zodanig geformuleerd dat zij haar belang verliest zodra genoemd artikel 27 in verband met de Wet financiering sociale verzekeringen wordt aangepast. Nederland zal op de voet van artikel 28, paragraaf 3, van het Verdrag in overleg treden met België om in een briefwisseling vast te leggen dat België (voor de toepassing van het Verdrag) instemt met deze wetswijziging.

Artikel X. Wijziging van de Invorderingswet 1990

Onderdeel A (artikel 2, eerste lid)

In artikel 34, derde en vierde lid, en artikel 35, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt het begrip «sociale verzekeringspremies» gehanteerd, zonder dat dit begrip is gedefinieerd. Om over dit begrip geen misverstand te laten ontstaan, is in artikel 2, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 vastgelegd wat wordt verstaan onder het begrip «sociale verzekeringspremies».

Onderdeel B (artikel 7, tweede lid)

Na inwerkingtreding van de Iwfsv zullen, als zowel loonbelasting als premies werknemersverzekeringen en premie voor de volksverzekeringen worden nageheven, de na te heffen bedragen gespecificeerd worden opgenomen in één naheffingsaanslag.

In artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, zoals die wordt gewijzigd met de Iwfsv, wordt in verband daarmee bepaald dat toerekening van betalingen op een belastingaanslag naar evenredigheid plaatsvindt aan de belasting, aan de premies voor de werknemersverzekeringen, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende interesten, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boeten, aan de toeslagen en aan de opcenten. In de situatie dat de heffing van de premie voor de volksverzekeringen gelijktijdig geschiedt met die van de loonbelasting, worden betalingen echter eerst toegerekend aan de loonbelasting en vervolgens aan de premie voor de volksverzekeringen. Gebleken is dat deze bepaling verduidelijking behoeft, omdat in de tekst niet éénduidig naar voren komt dat als wordt betaald op een belastingaanslag, deze betaling eerst naar evenredigheid wordt toegerekend aan de op het aanslagbiljet vermelde in te vorderen bedragen (waaronder belasting en premies werknemersverzekeringen) en in de laatste plaats aan de premie voor de volksverzekeringen. Daarnaast dient in artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 rekening te worden gehouden met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet. De heffing van de in het kader van die wet verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zal ook zoveel gecombineerd gaan plaatsvinden met de loonbelasting. De voorgestelde wijziging van artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 strekt daartoe. Daarbij wordt tevens een vereenvoudiging van de tekst aangebracht.

Onderdeel C (artikel 34, derde lid)

Omdat de CSV wordt ingetrokken, vervalt de verwijzing naar die wet in artikel 34, derde lid, van de Invorderingswet 1990.

Artikel XII. Wijziging van de Werkloosheidswet

Onderdeel B (artikel 19, eerste lid, onderdeel l, en artikel 19, zesde lid)

In artikel 19, eerste lid, onderdeel l, van de WW is bepaald dat geen recht op WW-uitkering bestaat indien de werkloosheid het gevolg is van werkstaking of uitsluiting. Op grond van artikel 19, zesde lid, van de WW is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bevoegd in bijzondere gevallen ten aanzien van een werknemer of een groep werknemers hiervan af te wijken. Met de Regeling aanwijzing bijzondere gevallen bij werkloosheid als gevolg van werkstaking of uitsluiting (hierna: de Regeling) is van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Op grond van de Regeling staat het feit dat de werkloosheid het gevolg is van werkstaking of uitsluiting aan het recht op WW-uitkering niet in de weg als aan de werknemer een ontheffing is verleend op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. Op grond van de onderhavige wijziging wordt in artikel 19, eerste lid, onderdeel l, zelf opgenomen dat het feit dat een werknemer werkloos is ten gevolge van werkstaking of uitsluiting geen uitsluitingsgrond is voor het recht op uitkering, als aan de werknemer een dergelijke ontheffing is verleend. Dit betekent dat de Regeling kan komen te vervallen. Aangezien er van wordt uitgegaan dat door de betreffende toevoeging aan artikel 19, eerste lid, onderdeel l, geen behoefte meer bestaat aan een mogelijkheid om het betreffende onderdeel voor bijzondere groepen buiten toepassing te verklaren, kan artikel 19, zesde lid komen te vervallen. Hiermee ontvalt de grondslag aan de Regeling. Vanaf de datum waarop artikel 19, zesde lid, vervalt, vervalt dus ook automatisch de Regeling.

Onderdeel B (toevoeging van twee nieuwe leden aan artikel 19)

Op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel f, van de WW bestaat geen recht op WW-uitkering als een werknemer buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie. Onderdeel C, onder 3, voegt aan artikel 19 een lid toe, op grond waarvan in afwijking van het eerste lid, onderdeel f, onder bepaalde voorwaarden wel het recht op uitkering bestaan ten aanzien van de werknemer die buiten Nederland verblijf houdt anders dan vanwege vakantie. De werknemer behoudt wel zijn WW-recht als hij gedurende dat verblijf meewerkt aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, bedoeld in de hoofdstukken VI en XA. Onder activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid wordt onder meer verstaan deelneming aan noodzakelijke scholing of opleiding als bedoeld in artikel 76, eerste lid, WW, aangezien dat artikel onderdeel uitmaakt van hoofdstuk VI. Het bedrag dat het UWV is verschuldigd terzake van de betreffende activiteiten mag niet hoger zijn dan het door het UWV op grond van artikel 4.2, derde lid, van het Besluit SUWI vastgestelde bedrag. Dat bedrag heeft betrekking op het maximale bedrag dat aan een IRO besteed mag worden door het UWV. Dit maximum is op dit moment op grond van het Besluit beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst vastgesteld op een bedrag van € 5000. Datzelfde maximum wordt dus gesteld met betrekking tot activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid in het buitenland. Aan de betreffende activiteiten is nog een aantal aanvullende eisen gesteld: het mag niet langer duren dan zes maanden, het moet plaatsvinden in een lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland en het moet volgens een intentieverklaring een reëel uitzicht bieden op een aansluitende dienstbetrekking voor ten minste 6 maanden. Onderdeel B voegt aan artikel 19 nog een lid toe, waarin de definitie van het begrip intentieverklaring is opgenomen. Het moet gaan om een ondertekende verklaring waarin de ondertekenaar aangeeft dat hij het voornemen heeft om de betreffende werknemer aansluitend op het reïntegratietraject in dienst te nemen voor een periode van ten minste 6 maanden. De intentieverklaring wordt dus ondertekend door de persoon die waarschijnlijk de nieuwe werkgever is van de betreffende werknemer.

Onderdeel F (Artikel 52i)

Met de inwerkingtreding van de Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering (Stb. 546) per 1 januari 2004 is hoofdstuk IIA, afdeling III, van de WW vervallen. Artikel 52i van de WW kent nog een aantal verwijzingen naar artikelen uit die afdeling. De onderhavige wijziging regelt dat artikel 52i van de WW wordt aangepast voor zover verwijzingen waren opgenomen naar de betreffende artikelen. Het betreft geen inhoudelijke wijziging, maar slechts het integraal opnemen van de inhoud van die artikelen in artikel 52i van de WW zelf. Deze wijziging zal plaatsvinden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004, de datum van inwerkingtreding van de Wet van 19 december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering. Dit betekent een bestendiging van de huidige uitvoeringspraktijk. De in het derde lid opgenomen rekenregel voorkomt dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer die arbeidsuren heeft verloren uit dezelfde dienstbetrekking als waarop de WAO-uitkering is gebaseerd, naast een gedeeltelijke WAO-uitkering een volledige WW-uitkering ontvangt. Ter verduidelijking het volgende voorbeeld. Stel een werknemer is na de wachttijd 45–55% arbeidsongeschikt. Zijn WAO-uitkering is dan 35% van het loon. Als de werknemer zijn resterende verdiencapaciteit niet benut, komt hij na de wachttijd ook in aanmerking voor WW. Zonder deze regel zou de WW-uitkering 70% van het minimumloon (of het dagloon) bedragen. Met de rekenregel wordt de WW-uitkering 35% van het minimumloon. Deze situatie kan zich alleen voordoen met betrekking tot de WAO (niet met betrekking tot de WAZ en de Wajong). Een Wajong of WAZ-uitkering wordt immers niet toegekend vanwege arbeidsongeschiktheid uit dienstbetrekking.

Onderdelen G en H (artikelen 79 en 80)

In de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 2005, 274) wordt een wijziging aangebracht in artikel 97b, derde lid, van de WW. Met inwerkingtreding van de Iwfsv is artikel 97b echter vervangen door artikel 79 van de WW. Door middel van de onderhavige wijziging worden de artikelen 79 en 80 van de WW technisch aangepast aan de Wet van 28 april 2005.

Onderdeel I (artikel 130l)

Dit onderdeel wijzigt het overgangsrecht zoals opgenomen in de wet van 16 juli 2005 houdende wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het preventief inzetten van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de reïntegratietaak aan overheidswerkgevers, het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden bij scholing, het subsidiëren van scholing in het kader van de WAJONG en enkele andere wijzigingen in wetten die de reïntegratie-instrumenten betreffen (Stb. 382) ten aanzien van de artikelen 72 en 72a van de WW. De wijziging in taakverdeling met betrekking tot de reïntegratie van overheidswerknemers zal alleen gelden ten aanzien van personen met een recht op WW-uitkering, welk recht op of na 1 juli 2005, de dag van inwerkingtreding van voornoemde wet, is ontstaan. Het UWV blijft dan dus verantwoordelijk voor de reïntegratie van overheidswerknemers die voor 1 juli 2005 werkloos zijn geworden, tenzij de overheidswerkgever het UWV had verzocht of alsnog verzoekt de taak om de inschakeling in de arbeid te bevorderen aan hem over te dragen. Het oude artikel 72a WW blijft voor die gevallen immers van toepassing. Het voorgestelde vierde lid bepaalt dat de door het UWV aan de overheidswerkgever te betalen vergoeding slechts ziet op reïntegratie-inspanningen die zijn verricht tot een jaar na inwerkingtreding van voornoemde wet.

Artikel XIII. Wijziging van de Wet van 23 december 2004, houdende wijziging van de Werkloosheidswet in verband met maximering van de ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector en wijziging van enige andere wetten in verband met de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003

In de Wet van 23 december 2004, houdende wijziging van de Werkloosheidswet in verband met maximering van de ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector en wijziging van enige andere wetten in verband met de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (hierna: Wet maximering ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector) is in artikel VI de Wfsv gewijzigd. Aangezien de artikelen van de laatstgenoemde wet bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid conform Aanwijzing 251 voor de regelgeving opnieuw zijn genummerd, is ervoor gekozen om de betreffende wijzigingen in de Wet maximering ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector opnieuw te formuleren in de onderhavige wijziging. In verband daarmee kan artikel VI van de Wet maximering ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector vervallen.

Artikel XIV. Wijziging van de Wet van 26 februari 1992, houdende wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede een regeling voor het overheidspersoneel in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen

In artikel II, onderdeel P, van de Wet van 26 februari 1992, houdende wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede een regeling voor het overheidspersoneel in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen (terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume, Stb. 82) (verder Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume) is een voorstel opgenomen om artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering te vervangen. Tijdens de behandeling van de Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume in de Eerste Kamer op 25 februari 1992 is aangegeven het niet wenselijk te achten om artikel II, onderdeel P, in werking te laten treden. Dit is dan ook niet gebeurd. Het bewuste wijzigingsartikel is echter nooit vervallen waardoor er onduidelijkheid kan bestaan of het artikel ooit nog in werking zal treden. Om deze onduidelijkheid weg te nemen is besloten het bewuste artikel alsnog te laten vervallen.

Artikel XV. Wijziging van de Wet van 3 april 1985, houdende overgangsmaatregel met betrekking tot loonbetalingen tijdens ziekte en aanvullingen op de wettelijke ziekengelduitkering

Artikel 2 van de Overgangsmaatregel bovenwettelijke uitkeringen bepaalt onder meer dat voor 1 november 1984 overeengekomen of op grond van gewoonte gebaseerde rechten op loondoorbetaling gedurende het eerste ziektejaar, vervallen voor zover deze inhouden dat de door de werknemer op grond van de WW, de ZW, de ZFW of de WAO verschuldigde premies geheel of gedeeltelijk voor rekening van de werkgever komen. Aangezien met de inwerkingtreding van de Wfsv per 1 januari 2006 de premieheffing vanaf die datum niet meer in die materiewetten geregeld is, maar in de Wfsv, moet de verwijzing in het eerste lid, onderdeel b, naar de WW, de ZW en de WAO vervangen worden door een verwijzing naar de Wfsv en de ZFW.

Artikel XVI. Wijziging van de Wet aanpassing daglonen wet overgangsregeling arbeidsongeschiktheidsverzekering

Met de inwerkingtreding van de Iwfsv vervalt de CSV. In de Iwfsv is de verwijzing naar artikel 9a van de CSV ten onrechte niet meegenomen. Het onderhavige artikel herstelt dit verzuim door te verwijzen naar het dienovereenkomstige artikel in de Wfsv, te weten artikel 18, dat betrekking heeft op de herziening van het maximum premieloon.

Artikel XVIII. Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Met de Iwfsv is aan het eerste lid van artikel 1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen een onderdeel n toegevoegd. Dit onderdeel kan bij nader inzien vervallen omdat geen behoefte meer is aan een definitie van «inspecteur».

Artikel XXIV. Wijziging van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP

De wijzigingen in de artikelen 28, 29 en 67 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP worden alle ingegeven door de intrekking van de CSV per 1 januari 2006. De verwijzingen aldaar naar onderdelen (artikelen en paragrafen) van de CSV, worden vervangen door verwijzingen naar de dienovereenkomstige onderdelen van de Wfsv (artikelen en hoofdstukken). Het betreft dus geen inhoudelijke wijziging.

Artikel XXV. Wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen

Onderdeel A (artikel 8, tweede lid)

Deze aanpassing betreft het premie-inkomen voor de heffing van premie volksverzekeringen bij wijze van inhouding. Naast spaarloon wordt ook een geschenk in natura ingevolge de zogenaamde geschenkenregeling, voorzover dit geschenk voor de heffing van loonbelasting als eindheffingsbestanddeel wordt aangemerkt, niet tot het premie-inkomen gerekend. Voor de werknemer geldt derhalve een vrijstelling voor spaarloon en geschenken ter gelegenheid van een feestdag, terwijl van de werkgever 25% (spaarloon) of 15% (geschenken) loonbelasting wordt geheven. Dit zijn voor de premieheffing volksverzekeringen de enige uitzonderingen op het loonbegrip van de loonbelasting, afgezien van enkele uitzonderingen die onder meer verband houden met internationale regelingen. Het betreft geen materiële wijziging aangezien op grond van artikel 9 van de Wet financiering volksverzekeringen de eindheffingsbestanddelen spaarloon en geschenken niet tot het premie-inkomen werden gerekend.

Onderdelen B, M en N (artikelen 14, 15, 85, eerste lid, en 90, eerste lid)

Per 1 januari 2001 is met de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 het systeem van belastingvrije sommen vervangen door een systeem van heffingskortingen en het arbeidskostenforfait door een arbeidskorting. Sindsdien komen de kortingen ten laste van de opbrengst voor de premies volksverzekeringen en de belastingen naar de verhouding van de premie- en belastingtarieven in de eerste schijf. Om de effecten van de belastingstelselherziening voor de fondsen te compenseren is in 2001 een rijksbijdrage, de Bikk (Bijdrage in de kosten van kortingen), geïntroduceerd voor de fondsen van de volksverzekeringen.

In de wet is geen einde voorzien van de Bikk. Inmiddels is deze specifieke rijksbijdrage vanuit fondsoverwegingen overbodig geworden. Het is mogelijk om het ongewenste effect van de belastingstelselherziening eenvoudiger op te lossen door afschaffing van de Bikk voor de AOW, Anw en AWBZ en door de creatie van een rijksbijdrage Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten en rijksbijdrage Nabestaandenfonds.

Met de onderhavige wijziging van de Wfsv verdwijnt de rijksbijdrage Bikk en wordt de mogelijkheid gecreëerd om naast de al bestaande mogelijkheid van de rijksbijdrage voor het Ouderdomsfonds, bedragen vast te stellen die als rijksbijdrage ten gunste komen van het Nabestaandenfonds (artikel 14) en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (artikel 15).

In het Ouderdomsfonds is de rijksbijdrage Bikk overbodig geworden omdat daarnaast ook jaarlijks een algemene rijksbijdrage, de rijksbijdrage Ouderdomsfonds, gestort wordt die het tekort van dit fonds tot nul terugbrengt. Voor het Nabestaandenfonds wordt de rijksbijdrage Bikk geschrapt en vervangen door de rijksbijdrage Nabestaandenfonds. Omdat bij de verwachte teruglopende uitgaven in de toekomst geen tekorten bij dit fonds worden verwacht, is het de verwachting dat deze rijksbijdrage Nabestaandenfonds de komende jaren op nul zal worden vastgesteld. Voor het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten wordt de rijksbijdrage Bikk vervangen door de rijksbijdrage Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

Het afschaffen van de Bikk heeft geen gevolgen voor de hoogte van de premies en derhalve ook geen inkomensgevolgen.

De rijksbijdrage Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten vormt onderdeel van de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De rijksbijdrage Nabestaandenfonds en Ouderdomsfonds vormt onderdeel van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Voorts is in verband met de onderhavige aanpassing een onderdeel toegevoegd aan artikel 85, eerste lid, van de Wfsv en is artikel 90, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv opnieuw geformuleerd.

Onderdeel C (artikel 16, eerste lid, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, onderdeel a)

In het eerste lid van artikel 16 wordt nu verwezen naar het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964. Bij nader inzien was het niet noodzakelijk de verwijzing naar het loon, bedoeld in de Wet op de loonbelasting1964, tot hoofdstuk II van die wet te beperken. Voorts wordt thans in het eerste lid, onderdeel b, verwezen naar de bedragen die worden ingehouden op grond van hoofdstuk 3 van de Wfsv in plaats van naar bedragen ingehouden op grond van Werkloosheidswet aangezien met inwerkingtreding van de Wfsv de bepalingen inzake premieheffing in hoofdstuk 3 van de Wfsv zijn opgenomen. Tenslotte was het niet meer noodzakelijk apart te verwijzen naar het loon en de gage die artiesten en beroepssporters wordt betaald.

Met de wijziging van artikel 16, tweede lid, onderdeel b, wordt geen materiële wijziging beoogd maar wordt de bepaling aangepast in verband met de vernummering in artikel 31 van de Wet op de loonbelasting 1964 bij de Iwfsv en in verband met de per 1 januari 2006 bestaande eindheffingsbestanddelen. Nieuw in het tweede lid, onderdeel c, is dat ook aanspraken op grond van ziektekostenregelingen in eigen beheer van de werkgever niet tot het loon behoren. Dit stemt overeen met hetgeen was geregeld in de CSV. Dergelijke aanspraken waren namelijk vrijgesteld op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van die wet. In dat artikel werden aanspraken vrijgesteld die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge sociale verzekeringswetten. De wijziging van het derde lid, onderdeel a, is van technische aard.

Onderdeel D (artikel 17, vierde lid)

De wijziging van artikel 17, vierde lid, leidt ertoe dat de inspecteur aan de hand van de beschikbare gegevens in de polisadministratie ambtshalve de teveel betaalde premie vaststelt en teruggeeft. Tot 1 januari 2006 werd de premie alleen op verzoek teruggegeven.

Onderdelen E, Q en R (artikelen 28, 104 en 105)

In de Wet maximering ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de uitzendsector is in artikel VI de Wfsv gewijzigd. Aangezien de artikelen van laatstgenoemde wet bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid conform aanwijzing 251 van de Aanwijzingen voor de regelgeving opnieuw zijn genummerd, is er voor gekozen om de wijzigingen krachtens de Wet maximering ziekengeldlasten voor de uitzendsector opnieuw te formuleren. Verder is door het toevoegen van «categorieën» in artikel 28, eerste lid, verduidelijkt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ook nadere regels kunnen worden gesteld die betrekking hebben op een specifieke categorie van werkgevers of werknemers. De wijziging van artikel 28, tweede lid, is tekstueel van aard.

Onderdelen F, G, I, K en S (artikelen 32, 38, 46 en 107 alsmede afdeling 7 van hoofdstuk 3, met inbegrip van artikel 56)

In de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR is in artikel IVA de Wfsv gewijzigd. Aangezien de artikelen van laatstgenoemde wet bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid conform aanwijzing 251 van de Aanwijzingen voor de regelgeving opnieuw zijn genummerd, is er voor gekozen om de wijzigingen krachtens de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR opnieuw te formuleren.

Onderdeel H (artikel 43, tweede en derde lid)

De technische wijziging van het tweede lid houdt verband met de wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. De taken waarvoor deskundig bijstand moet worden verleend door een gecertificeerde deskundige of een arbodienst zijn namelijk nu opgenomen in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Het derde lid is gewijzigd met het oog introductie van de zogenaamde maatwerkregeling die het onder voorwaarden mogelijk maakt dat de bijstand bij de taken, bedoeld in artikel 14, eerste, wordt verleend door deskundige personen die in het bezit zijn van een certificaat als bedoeld in artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

Onderdeel J (artikel 55, tweede lid)

De delegatiebepaling van dit artikellid wordt verruimd, zodat bij opeenvolgende dienstverbanden bij dezelfde dan wel een andere werkgever niet alleen geregeld kan worden wanneer de korting op grond van paragraaf 2 niet geldt, maar dat ook aangegeven kan worden hoe een eenmaal verleende korting toegerekend kan worden aan opeenvolgende werkgevers bij overgang van onderneming als bedoeld in artikel 663 van boek 7 van het BW.

Onderdeel L (artikel 59)

De toevoeging aan het tweede lid van artikel 59 maakt het mogelijk in het collectieve deel van de loonaangifte mede opgave te verlangen van de premielonen ter vaststelling van de premiepercentages, bedoeld in de artikelen 27, 28, 31, 36, 37 en 38. Artikel 124 maakt de verstrekking van deze gegevens door de Belastingdienst aan de Minister van SZW en het UWV mogelijk.

Met de aanpassing van het negende lid wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd maar wordt gestreefd naar meer eenheid in gebruikte terminologie. Door de overeenkomstige toepassing voor de premieheffing werknemersverzekeringen van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels is ook artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) voor de premieheffing werknemersverzekeringen van toepassing. Zonder nadere regelgeving zou het tweede lid van genoemd artikel 20 tot gevolg hebben dat een naheffingsaanslag met betrekking tot premies werknemersverzekeringen onder omstandigheden ook aan de werknemer kan worden opgelegd. Dit zou een onbedoelde wijziging ten opzichte van de huidige situatie met zich brengen. De aanpassing in artikel 59 door de toevoeging van het elfde lid heeft tot gevolg dat met betrekking tot premies werknemersverzekeringen geen naheffingsaanslag aan de werknemer kan worden opgelegd. Dit is conform het standpunt van de regering zoals is verwoord in de memorie van antwoord bij de Wfsv en de Iwfsv (Kamerstukken I 2004/05, 29 529 en 29 531, c, p. 4).

Onderdelen M, O, P, T en V (artikelen 85, 99, 100, 108 en 117)

In de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb. 2005, 274) zijn wijzigingen aangebracht in artikelen van de WW, de Wet Financiering Volksverzekeringen (WFV) en de WAO, die met inwerkingtreding van de Wfsv en de Iwfsv in de Wfsv zijn opgenomen. Het betreft de bepalingen in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg over loopbaanonderbreking en de tegemoetkomingen die verstrekt worden indien de verlofganger een uitkeringsgerechtigde is. Deze regeling van loopbaanonderbreking is met deze wet komen te vervallen. Ook de bepalingen over de financiering zijn als gevolg daarvan vervallen. Door middel van de onderhavige wijziging worden de betreffende bepalingen van de Wfsv technisch aangepast aan de Wet van 28 april 2005. De wijziging van artikel 79 en 80 van de WW heeft dezelfde achtergrond. Op grond van de de overgangsbepalingen die de Wet van 28 april 2005 toevoegt aan de WW, de WFV en de WAO is echter wel geregeld dat in die overgangsbepalingen genoemde artikelen zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van de Wet van 28 april 2005 van toepassing blijven voor de duur van de periode waarin op grond van artikel IXa van de Wet van 28 april 2005 recht bestaat op een financiële tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg. Aangezien artikel 108 van de Wfsv behalve door middel van de onderhavige wijziging ook in de Wet van 16 juli 2005 tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met het preventief inzetten van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de reïntegratietaak aan overheidswerkgevers, het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden bij scholing, het subsidiëren van scholing in het kader van de WAJONG en enkele andere wijzigingen in wetten die reïntegratie-instrumenten betreffen en de wetsvoorstellen inzake de Zorgverzekeringswet en de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt gewijzigd, is ervoor gekozen om artikel 108 opnieuw integraal vast te stellen.

Onderdeel U (artikel 114)

In artikel 114, onderdeel f, wordt ten onrechte verwezen naar artikel 115, eerste lid, onderdeel b. Bedoeld was te verwijzen naar artikel 15, eerste lid, onderdeel c. Bepaald is nu dat de rijksbijdrage, ter hoogte van een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geraamd bedrag aan kosten die gepaard gaan met uitkeringen tijdens verlof wegens zwangerschap en bevalling voor alfahulpen en overige personen met een arbeidsovereenkomst op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, van de Wet arbeid en zorg alsmede de uitkeringen op grond van artikel 3:30 van die wet, ten gunste komt van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Onderdeel W (artikel 124a)

Door de samenwerking tussen het UWV en de Belastingdienst verzamelt het UWV niet meer zelf alle gegevens die het UWV nodig heeft voor de uitvoering van zijn wettelijke taken. De Belastingdienst verstrekt aan het UWV gegevens onder meer op basis van artikel 124 van de Wfsv en de artikelen 33, vijfde lid, en 54, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Uit artikel 9 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vloeit voort dat persoonsgegevens niet mogen worden verwerkt voor een doel dat niet verenigbaar is met het doel waarvoor ze zijn verkregen (doelbindingsbeginsel). Dit betekent concreet dat gegevens die de Belastingdienst aan het UWV verstrekt door het UWV – als de verantwoordelijke in de zin van de Wbp – worden verwerkt voor de genoemde doelen van de polisadministratie (artikel 33, tweede lid, onderdelen a, b en c van de Wet SUWI) en meer in het algemeen voor de uitvoering van de wettelijke taken van het UWV. Een doorlevering van die gegevens aan private instanties is niet verenigbaar met de doelen waarvoor die gegevens door de Belastingdienst zijn verstrekt. Daarom is een aanvullende bepaling – vergelijkbaar met bijvoorbeeld artikel 5, derde lid, van het Besluit overgang Arbeidsvoorziening – nodig.

Met het nieuwe artikel 124a van de Wfsv wordt het mogelijk gemaakt dat het UWV de van de Belastingdienst verkregen gegevens zonodig kan doorleveren aan private instanties. Dit geldt alleen voor de in de algemene maatregel van bestuur – gebaseerd op artikel 13, vierde lid, artikel 73, vierde lid, of artikel 73, zevende lid juncto eerste en tweede lid, van de Wet SUWI – genoemde gegevens. Het UWV kan deze gegevens uitsluitend doorleveren aan de in de krachtens artikel 13, vierde lid, of artikel 73, vierde lid, uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur en in artikel 73, eerste en tweede lid, van de Wet SUWI genoemde derden, ten behoeve van de daarbij behorende doelen. Op grond van het eerder genoemde doelbindingsbeginsel mogen deze derden de doorgeleverde gegevens uitsluitend verwerken voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt.

De SVB en de CWI blijken geen gegevens afkomstig van de Belastingdienst door te leveren aan derden.

Artikel XXVIII. Wijziging van de Wet kinderopvang

In artikel 6, eerste lid, onderdeel i, van de Wet kinderopvang wordt verwezen naar personen die werkzaamheden op een proefplaats verrichten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet REA. Met de inwerkingtreding van de Vereenvoudigingswet SV is de afzonderlijke regeling voor proefplaatsing van een arbeidsgehandicapte werkloze in de Wet REA vervallen. De verwijzing naar artikel 23 van de Wet REA in artikel 6, eerste lid, onderdeel i, van de Wet kinderopvang dient dus te vervallen.

Tegelijkertijd is met de inwerkingtreding van de Vereenvoudigingswet SV het aanvankelijk bij wijze van experiment in de WW ingevoerde recht op werkloosheidsuitkering tijdens proefplaatsing voor de duur van ten hoogste drie maanden structureel in de WW opgenomen en van toepassing op alle werklozen met een werkloosheidsuitkering door het opnemen van artikel 76a in die wet. Daarom voegt het onderhavige artikel in onderdeel h van de Wet kinderopvang na «in het arbeidsproces» de zinsnede «of onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in artikel 76a van die wet bij een werkgever verricht» in.

Artikel XXX. Wijziging van de Wet medezeggenschap werknemers

Als het bij koninklijke boodschap van 5 oktober 2004 ingediende voorstel van wet houdende bepalingen over de medezeggenschap van werknemers (Wet medezeggenschap werknemers, 29 818) tot wet wordt verheven en in werking treedt zal de onderhavige wijziging toepassing kunnen krijgen. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel XXXIII (wijziging van de Wet op de ondernemingsraden)

Artikel XXXI. Wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Onderdeel B (Artikel 19, zesde lid)

In artikel 19, zesde lid van de WAO wordt onder meer verwezen naar 42 van de ZW. Aangezien dat artikel niet meer bestaat, kan die verwijzing komen te vervallen.

Onderdelen B (Artikel 19, zevende lid) en G (Artikel 71b, tweede lid)

Met de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wet arbeid en zorg zijn de leden van artikel 29a ZW vernummerd. In de artikelen 19, zevende lid, en 71b, tweede lid, van de WAO wordt daarom de verwijzing naar het derde en zevende lid van artikel 29a van de ZW gewijzigd in een verwijzing naar het eerste en vierde lid van dat artikel.

Onderdeel E (Artikel 40, tweede lid)

Artikel V, onderdeel C, van WALVIS vervangt het huidige artikel 40, tweede lid, van de WAO. Dit artikel verwijst evenwel naar artikel 14, eerste lid, van de WAO, zoals dat aanvankelijk in artikel V, onderdeel A, van het wetsvoorstel WALVIS was opgenomen. Bij nota van wijziging (Kamerstukken II, 2003/04, 28 219, nr. 8) is dat onderdeel gewijzigd. Het voorgestelde artikel 40, tweede lid, is hieraan evenwel niet aangepast. De onderhavige wijziging corrigeert dit. Artikel V van WALVIS zal per 1 januari 2006 in werking treden. Inwerkingtreding per 1 januari 2006 van deze wijziging wordt daarom ook beoogd.

Onderdeel F (Artikel 59c)

In artikel 59c van de WAO wordt verwezen naar artikel 52 van de WAO, dat vervallen is. Het equivalent van dat artikel is neergelegd in artikel 65 van de WAO. In artikel 59c moet «artikel 52» daarom worden vervangen door: artikel 65.

Onderdeel G (artikel 61)

In artikel 61 van de WAO is een dagloongarantie opgenomen voor de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van de WAO en de leeftijd van 45 heeft bereikt. Die garantie is opgenomen om de reïntegratie van oudere arbeidsongeschikten te bevorderen. In plaats van de datum van werkaanvaarding dient de datum van beëindiging van de WAO-uitkering bepalend te zijn voor de ingang van de periode van vijf jaar waarin de dagloongarantie geldt.

De loondoorbetalingsplicht van de werkgever bij ziekte van de werknemer is verlengd van één naar twee jaar. Daarmee is niet beoogd de periode van vijf jaar, waarin de dagloongarantie geldt, met één jaar te bekorten. Met de voorgestelde wijziging van artikel 61 van de WAO wordt dit voorkomen.

Op grond van artikel 44 van de WAO wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien zolang niet vaststaat dat de arbeid die de uitkeringsgerechtigde is gaan verrichten algemeen geaccepteerde arbeid is waartoe de werknemer gezien zijn krachten en bekwaamheden in staat is. De datum van beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is mede om deze reden het juiste tijdstip voor ingang van de periode van vijf jaar waarin de dagloongarantie geldt.

Onderdeel J (Artikel 75a)

Artikel VIII van de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen regelt dat in artikel 75a, derde lid, laatste zin, van de WAO de zinsnede «vervanger als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg, indien de verlofganger die hij vervangt in de verlofperiode arbeidsongeschikt is geworden en terzake van die ongeschiktheid recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft verkregen, of indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend aan een» vervalt. Deze wijziging is niet juist. Het is de bedoeling dat de volledige laatste zin vervalt. Voor de duidelijkheid wordt daarom het derde lid opnieuw geformuleerd. Bij koninklijk besluit zal geregeld worden dat deze wijziging terugwerkt tot en met 1 juni 2005, de datum waarop de onjuiste wijziging in werking is getreden.

Onderdeel K (Artikel 76f)

Artikel VIII van de Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op langdurig zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen regelt dat de laatste zin van artikel 76f, vijfde lid, van de WAO vervalt. Bedoeld was de laatste zin van het zesde lid te laten vervallen. De onderhavige wijziging corrigeert dit. Hiertoe worden het vijfde en zesde lid van artikel 76f integraal weergegeven. Bij koninklijk besluit zal geregeld worden dat deze wijziging terugwerkt tot en met 1 juni 2005, de datum waarop de onjuiste wijziging in werking is getreden.

Onderdeel L (artikel 80a)

De onderhavige wijziging ziet erop een onjuiste nummering van bepaalde leden van artikel 80a van de WAO te corrigeren. Dit betreft een louter technische wijziging.

Artikel XXXII. Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964

Onderdeel A (artikel 11)

Met deze wijziging wordt een verwijzing aangepast. Het betreft hier geen wijziging van materiële aard.

Onderdeel B (artikel 27c)

In verband met de intrekking van de Ziekenfondswet komt het tweede lid van artikel 27c, zoals dat artikel door de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt ingevoegd, te vervallen.

Onderdeel C (invoeging van een nieuw artikel 27d)

Met het voorgestelde artikel 27d wordt bewerkstelligd dat de heffing en de invordering van de ingevolge de Zorgverzekeringswet over het loon verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gecombineerd plaatsvindt met de heffing van de over het loon verschuldigde loonbelasting en dat kan worden volstaan met één aangifte. Bij de vormgeving van dit artikel is aangesloten bij artikel 27c, zoals dat door de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt ingevoegd. Bij een samenloop van de in artikel 27c bedoelde situatie met de in artikel 27d bedoelde situatie geschiedt de toerekening naar evenredigheid aan de belasting, aan de premies werknemersverzekeringen en aan de ingevolge de Zorgverzekeringswet verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage.

Onderdeel D (artikel 28)

Ingevolge de Iwfsv is in artikel 28, onderdeel f, van de Wet LB bepaald dat de inhoudingsplichtige vóór de datum van aanvang van de werkzaamheden aan de inspecteur opgave moet verstrekken van bij ministeriële regeling te bepalen gegevens waarvan kennisneming voor de heffing van belasting van belang kan zijn, de zogenoemde eerstedagsmelding (verder: EDM). Gebleken is dat deze bepaling verfijning behoeft1, omdat in sommige gevallen de inhoudingsplichtige niet kan voldoen aan de verplichting die is opgenomen in artikel 28, onderdeel f. Dit is het geval indien een inhoudingsplichtige plotseling (bijvoorbeeld door ziekte of onverwachte drukte) vervangende of extra arbeidskrachten nodig heeft. Indien die arbeidskrachten op dezelfde dag nog aan de slag gaan als de dag waarop de dienstbetrekking is overeengekomen, hetgeen dan meestal het geval zal zijn, is het voor de inhoudingsplichtige onmogelijk een EDM in te leveren vóór de datum van aanvang van de werkzaamheden. Dit zou een beperking van flexibiliteit betekenen bij het inhuren van vervangende of extra arbeidskrachten. Om die reden wordt een wijziging voorgesteld van artikel 28, onderdeel f, van de Wet LB, waarin wordt bepaald dat ingeval de dienstbetrekking is overeengekomen op dezelfde dag als de dag waarop de werkzaamheden terzake van die dienstbetrekking een aanvang nemen, de EDM gedaan kan worden op die dag, maar vóór de aanvang van de werkzaamheden.

Onderdeel E (artikel 28a)

De vervanging van het vierde lid van artikel 28a van de Wet LB strekt tot verruiming van de in dat lid opgenomen delegatiebepaling. Bij deze bepaling is tot nu toe gedacht aan het stellen van nadere regels met betrekking tot het indienen van correctieberichten bij lange aangiftetijdvakken, met betrekking tot de situatie dat geen aangifte wordt gedaan omdat de inhoudingsplicht is geëindigd en met betrekking tot de situatie dat voor het indienen van de aangifte uitstel is verleend (Kamerstukken II 2003/04, 29 531, nr. 8, blz. 15). De regeling in artikel 28a, eerste en tweede lid, van de Wet LB kan voor dergelijke situaties niet toereikend zijn. Het wettelijke criterium voor het door de inhoudingsplichtige moeten indienen van een correctiebericht is dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Met betrekking tot iedere onjuiste of onvolledige aangifte moet een correctiebericht worden ingediend. Door de voorgestelde wijziging kan de wettelijke verplichting van de inhoudingsplichtige tot het indienen van correctieberichten niet alleen worden aangevuld, zoals in de hiervoor al aangeduide situaties, maar zonodig ook worden beperkt. De voorgestelde delegatiebepaling is ruim geformuleerd om, mocht dat nodig zijn, snel met regelgeving te kunnen reageren op eventueel in de praktijk met betrekking tot de nieuwe verplichting opkomende vragen.

De voorgestelde toevoeging aan het zesde lid van artikel 28a van de Wet LB wordt als volgt toegelicht. Bij de correctieberichten voorziet de AWR er al in dat over bij te betalen bedragen over voorgaande jaren in de regel heffingsrente in rekening wordt gebracht, ook zonder dat een naheffingsaanslag wordt opgelegd (artikel 30f, tweede lid, onderdeel b, laatste zin, van de AWR) en dat in de regel heffingsrente wordt vergoed in de situatie dat er een teruggaaf plaatsvindt (artikel 30f, tweede lid, onderdeel b, eerste zin, van de AWR). Heffingsrente wordt niet in rekening gebracht bij een betaling door de inhoudingsplichtige binnen drie maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de te laat betaalde belasting betrekking heeft. Bij een teruggaaf aan de inhoudingsplichtige wordt heffingsrente vergoed over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het laatste tijdvak van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft (artikel 30f, derde lid, onderdeel b, onder 3°, van de AWR). De AWR voorziet wat betreft de heffingsrente echter niet in een regeling voor de in artikel 28a, zesde lid, van de Wet LB neergelegde situatie dat de over een eerder tijdvak teveel betaalde belasting in mindering wordt gebracht op de over het tijdvak waarvoor aangifte wordt gedaan af te dragen belasting. Voorgesteld wordt aan genoemd zesde lid toe te voegen dat in een dergelijke situatie over het bedrag van het correctiebericht heffingsrente wordt vergoed overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VA van de AWR. Normaliter eindigt het tijdvak waarover de heffingsrente wordt berekend op de dag van de dagtekening van de naheffingsaanslag dan wel de teruggaaf. Indien de inhoudingsplichtige de financiële gevolgen van het correctiebericht zelf verrekent met de aangifte waarbij het bericht wordt gevoegd, is er echter geen sprake van een dagtekening. Voor een dergelijke situatie wordt voorgesteld aan het zesde lid van artikel 28a van de Wet LB toe te voegen dat het tijdvak waarover de heffingsrente wordt berekend, eindigt op de dag van ontvangst van het correctiebericht. De overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VA van de AWR brengt onder meer mee dat het tijdvak waarover heffingsrente aan de inhoudingsplichtige wordt vergoed, aanvangt drie maanden na het einde van het laatste tijdvak van het kalenderjaar waarop het correctiebericht betrekking heeft. Voor de duidelijkheid wordt in genoemd zesde lid vastgelegd dat de inspecteur het bedrag van de heffingsrente vaststelt bij voor bezwaar vatbare beschikking. De inhoudingsplichtige mag het bedrag van de heffingsrente niet in het correctiebericht verwerken. Het correctiebericht verschaft de inspecteur de gegevens om het bedrag van de heffingsrente geautomatiseerd te doen vaststellen.

Onderdeel F (artikel 31)

Met de wijziging in het vijfde lid wordt een onjuiste verwijzing gecorrigeerd. Het betreft hier geen wijziging van materiële aard.

Onderdelen G en I (Artikel 35 en artikel 35 g)

Met deze wijzigingen worden verwijzingen naar de WW vervangen door verwijzingen naar de Wfsv in verband met de overheveling van de bepalingen over de premies ingevolge de WW van de WW naar de Wfsv. Een materiële wijziging wordt hier niet beoogd.

Onderdelen H en J (artikel 35e en artikel 35m)

In de Iwfsv is verzuimd de verplichting van het indienen van een loonbelastingkaart met betrekking tot artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen te laten vervallen. Met deze wijziging wordt dit gecorrigeerd.

Artikel XXXIII. Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden

De heffing van de Sociaal-Economische Raad (SER) ter bevordering van de scholing en vorming van ondernemingsraadleden bedraagt volgens de bij de Iwfsv vastgestelde tekst van artikel 46a, tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) een percentage van het bij de betrokken ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar genoten loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze zogenoemde WOR-heffing wordt na de inwerkingtreding van de Iwfsv namens de SER door de Belastingdienst bij wege van aanslag geheven. Voor het doelmatig opleggen van deze aanslagen is het belangrijk dat de Belastingdienst in beginsel uit kan gaan van het loon van de werknemers dat in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst is opgenomen. Bij de zogenoemde eindheffingsbestanddelen is dat echter niet het geval. Daarvan worden in deze systemen alleen de bedragen aan loonbelasting/premie volksverzekeringen geregistreerd, zonder dat herleiding tot het loon van de werknemers mogelijk is. Daarom wordt voorgesteld deze eindheffingsbestanddelen van de grondslag voor de WOR-heffing uit te zonderen. Voor de inwerkingtreding van de wijziging krachtens de Iwfsv van genoemd artikel 46a, tweede lid, behoren deze eindheffingsbestanddelen overigens ook niet tot de grondslag voor de WOR-heffing. Uitgangspunt daarbij is thans namelijk het loon waarnaar de premies ingevolge de WAO of de WW worden geheven.

Artikel XXXVIII. Wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Onderdeel A (artikel 7)

Artikel 7 van de Wet SUWI bepaalt dat een zelfstandig bestuursorgaan (hierna: zbo) – met goedkeuring van de minister – commissies kan instellen. Dit artikel kan vervallen. Aan artikel 7 lag onder andere als motief ten grondslag te voorkomen dat er onduidelijkheid zou kunnen ontstaan over de vraag of de zbo's de bevoegdheid hebben om commissies in te stellen en aan de leden van deze commissies een vergoeding toe te kennen. Het instellen van commissies is echter in beginsel een uitvoeringsaangelegenheid, waarvoor bij nader inzien geen regelgeving noodzakelijk is. De bestuursbevoegdheden blijven altijd bij de Raad van bestuur; het instellen van een commissie kan de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden niet doorkruisen. Mocht er overigens een zwaarwegende commissie worden ingesteld dan is het vanzelfsprekend dat het zbo de minister daarvan mededeling doet. Het vervallen van artikel 7 laat onverlet dat de bevoegdheid om commissies in te stellen en aan deze een vergoeding toe te kennen, blijft bestaan. Hetzelfde geldt voor artikel 18, dat een overeenkomstige regeling bevat voor het instellen van commissies door de Raad voor werk en inkomen (RWI).

Onderdeel B (artikel 18)

Voor de toelichting bij onderdeel B wordt verwezen naar de toelichting bij onderdeel A (artikel 7) van het onderhavige artikel.

Onderdelen C, E, onder 1, en F (artikelen 21, onderdeel j, 30, eerste lid, onderdeel i en 34, eerste lid, onderdeel e)

In de artikelen 21, 30 en 34 van de Wet SUWI worden de taken van respectievelijk de CWI, het UWV en de SVB op hoofdlijnen beschreven. Het geven van een «uitvoeringsopdracht» betreffende een besluit of regeling kan tevens bij ministeriële regeling geschieden. Zo is het telkens in deze artikelen vastgelegd. Abusievelijk is niet in de mogelijkheid voorzien dat uitvoering van besluiten bij algemene maatregel van bestuur (in plaats van uitsluitend bij ministeriële regeling) kan worden opgedragen. Dit vergt een beperkte aanpassing van genoemde artikelen. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt in de Wet SUWI vast te leggen dat, indien gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om bij ministeriële regeling uit te voeren algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen aan te wijzen, deze aanwijzing door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dient plaats te vinden dan wel in overeenstemming met hem.

Onderdeel D (artikel 26, tweede lid)

Artikel 26, tweede lid, schrijft voor dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de administratieve indeling (de fase-indeling) van werkzoekenden. De wijze waarop de afstand tot de arbeidsmarkt wordt bepaald en uitgedrukt, kan in beginsel aan de CWI zelf worden overgelaten, ervan uitgaande dat de CWI daarbij de andere SUWI-partners betrekt. In het licht van de sturingsrelatie tussen minister en zbo is gebruik van deze regelstellende bevoegdheid niet vanzelfsprekend. Het geheel schrappen van het lid is – gelet op de systeemverantwoordelijkheid van de minister – niet aan de orde. Maar de zinsnede «Bij ministeriële regeling worden regels gesteld» kan worden vervangen door: Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld. In de Regeling SUWI komen de uitgebreide regels over de administratieve indeling van werkzoekenden te vervallen en worden vervangen door de verplichting voor CWI om periodiek te overleggen met het UWV en de VNG over de nadere invulling van de uniforme landelijke methode met betrekking tot de administratieve indeling werkzoekenden en deze zonodig aan te passen.

Onderdeel H (artikel 36)

Artikel 36, tweede lid, regelt dat het toezicht op de CWI, het UWV en de SVB onder gezag van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen (IWI). Vervolgens zijn in artikel 37 de taken van de IWI opgesomd. Daarbij valt op dat in artikel 37, onderdeel a, ook het Inlichtingenbureau en de RWI worden genoemd. Een vergelijkbare bepaling als artikel 36, tweede lid, ontbreekt echter ten aanzien van die organisaties (voor wat betreft het toezicht op de uitvoering van Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) door burgemeester en wethouders zijn met artikel 36, tweede lid, van de Wet SUWI vergelijkbare bepalingen opgenomen in de desbetreffende wetten). Uit oogpunt van duidelijkheid en consistentie is het gewenst alsnog het Inlichtingenbureau en de RWI te noemen in artikel 36, tweede lid Wet SUWI. De omvang van het toezicht op het Inlichtingenbureau en de RWI is volgens artikel 37, onderdeel a, dezelfde is als bij de CWI, het UWV en de SVB. Deze aanpassing van artikel 36, tweede lid, van de Wet SUWI, heeft materieel geen gevolgen voor de reikwijdte van het toezicht.

Onderdeel I (artikel 38)

Op grond van artikel 38, derde lid, stelt de IWI eens per twee jaar een verslag op over de naleving en de effectiviteit van de artikelen 22 en 31 van de Wet SUWI. Uit oogpunt van vereenvoudiging is het wenselijk de verantwoording en rapportage over de naleving van de non-discriminatiecode mee te laten lopen in de reguliere jaarplancyclus van het zbo. De tweejaarlijkse rapportage van de IWI (artikel 38, derde lid, van de Wet SUWI) kan dan vervallen. Door het onderwerp onder te brengen in de reguliere verantwoording van de zbo's, kan het jaarlijks door IWI beoordeeld worden en zo nodig aan de orde komen in het jaarverslag van IWI. Tevens is in het tot derde vernummerde lid de verwijzing naar het derde lid geschrapt.

Onderdeel J (artikel 45, tweede en derde lid)

In verband met de regeling van de fondsen in de Wfsv is verzuimd artikel 45 van de Wet SUWI aan te passen conform artikel 30, eerste lid, en 34, eerste lid over de taken van het UWV en de SVB. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt tevens de onjuiste vermelding van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen te schrappen. Sinds de inwerkingtreding van de Wet einde toegang verzekering WAZ worden de uitkeringen op grond van de WAZ gefinancierd ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Onderdeel K (artikel 49)

Artikel 49, derde lid, schrijft voor dat de CWI, het UWV, de SVB en de RWI in hun jaarrekening rapporteren over de doelmatigheid. De praktijk is dat over doelmatigheid in het jaarverslag wordt gerapporteerd in plaats van in de jaarrekening. Zo is het ook in de verantwoordingsmodellen opgenomen. Dit is mede in verband met de andersoortige verklaring van de accountant bij het onderdeel doelmatigheid (verslag van bevindingen in plaats van verklaring omtrent de getrouwheid, zie in dat verband artikel 49, zesde lid, van de Wet SUWI). Het ligt dan ook voor de hand om artikel 49, tweede lid, van de Wet SUWI aan te passen, inhoudende dat over de doelmatigheid in het jaarverslag wordt gerapporteerd (in plaats van in de jaarrekening).

Op grond van de wijziging van artikel 49, negende lid, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het kwartaalverslag van het vierde en laatste kwartaal in de daarbij omschreven gevallen achterwege kan blijven. Het voornemen bestaat dit voor de CWI, het UWV, de SVB en de RWI ook daadwerkelijk zo te regelen dat deze verplichting komt te vervallen. Het opleveren van een vierde kwartaalverslag in de periode dat ook het jaarverslag moet worden afgerond legt een grote druk op de organisaties. Bovendien is er inhoudelijke overlap tussen beide documenten. De zogeheten «VBTB-informatie» (de prestatie-indicatoren en kengetallen die nodig zijn voor het jaarverslag van SZW), die bij de wijziging van de Regeling SUWI van 15 december 2003 (Stcrt. 2003, 249) is geïntegreerd in het kwartaalverslag, dient wel gehandhaafd te blijven (dit kan in een apart artikel van de Regeling SUWI, conform het tot eerdergenoemde wijziging bepaalde in artikel 5.13, eerste en tweede lid, van de Regeling SUWI) en dient op hetzelfde moment beschikbaar te komen.

Onderdeel L (artikel 55, eerste lid)

In de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is artikel 55 van de Wet SUWI gewijzigd. Ten onrechte is toen in artikel 55, eerste lid, geen verwijzing opgenomen naar artikel 1, eerste lid, onder 3°, van de Wet op de identificatieplicht. Deze omissie wordt thans hersteld. De wijziging van het tweede lid is van technische aard.

Onderdeel M (artikel 62)

In artikel 62, derde lid, van de Wet SUWI wordt aangegeven dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld omtrent het gebruik van de in het tweede lid bedoelde infrastructuur (het Suwinet) door minister en de IWI in verband met de toepassing van de artikelen 42, 43, 54 en 72 van deze wet. Het eventuele gebruik in verband met de toepassing van artikel 43 van de Wet SUWI roept vragen op. Dit artikel vormt de basis voor de kennisgeving van besluiten van het UWV, de CWI, de SVB en aan de IWI. In artikel 5.23 van de Regeling SUWI is dit nader uitgewerkt in die zin dat besluiten van algemene strekking van de eerste drie instanties ter kennis van de inspectie dienen te worden gebracht, behoudens indien die besluiten de goedkeuring van de minister behoeven. Ten aanzien van dergelijke besluiten ligt gebruik van het Suwinet niet voor de hand. Om die reden kan artikel 43 van de Wet SUWI worden geschrapt uit de opsomming in artikel 62.

Daarnaast kent artikel 62 op dit moment twee vijfde leden. De onderhavige wijziging corrigeert deze onjuiste nummering. Dit betreft een louter technische wijziging.

Onderdeel N (artikel 68)

Artikel 68 van de Wet SUWI schrijft voor dat de CWI, het UWV, het Inlichtingenbureau en het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) jaarlijks een verslag opstellen van de uitwisseling van gegevens met behulp van Suwinet. Dit vereiste kan vervallen, met dien verstande dat de verplichting – uitsluitend ten aanzien van het BKWI als juridisch onderdeel van de CWI, die het volledige overzicht met betrekking tot het gegevensverkeer heeft – wél gehandhaafd blijft. Verantwoording door het BKWI is al praktijk. Deze verantwoording betreft louter kwantitatieve beleidsinformatie.

Onderdeel O (artikel 73, vijfde lid)

Met de wijziging van het vijfde lid van artikel 73 van de Wet SUWI wordt een grondslag gegeven voor gegevensverstrekking door Onze Minister aan bestuursorganen. Het gaat hierbij om gegevens, die de minister bij de uitoefening van zijn taken verwerkt bijvoorbeeld voor zijn taak een bijzondere opsporingsdienst in stand te houden (SIOD). Hiermee kan in het Besluit SUWI aan de gegevensverstrekking door de SIOD aan andere bestuursorganen dan het UWV, CWI en de SVB een nadere inhoud worden gegeven. Deze gegevensverstrekking sluit aan bij die van artikel 54 van de Wet SUWI, dat gaat over de gegevensverstrekking aan de minister.

Onderdeel P (artikel 86)

Artikel 86, tweede lid, van de Wet SUWI bevat een opsomming van onderwerpen die in elk geval in de eerste evaluatie van de Wet SUWI moeten worden meegenomen. Nu deze evaluatie is geweest, heeft de bepaling geen betekenis meer en kan het tweede lid van artikel 86 vervallen.

Artikel XLI Wijziging van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR

De artikelen IVa en IVb van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR komen te vervallen. In artikel IVa was een wijziging opgenomen van de Wfsv en in artikel IVb was geregeld dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vóór plaatsing in het Staatsblad van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR conform aanwijzing 251 van de Aanwijzingen voor de regelgeving de nummering van de in artikel IVa te wijzigen artikelen van de Wfsv in overeenstemming zou brengen met de op grond van artikel 8.4 van de Wfsv vastgestelde nieuwe nummering van die wet. Omdat de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR eerder in het Staatsblad is geplaatst dan de Wfsv kunnen de artikelen IVa en IVb niet worden toegepast en is ervoor gekozen om de wijzigingen in de Wfsv op grond van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR opnieuw te formuleren in dit wetsvoorstel.

Artikel XLIV. Wijziging van de Ziekenfondswet

Onderdeel A, onder 2 (artikel 16, vierde lid)

In artikel 59, elfde lid, van de Wfsv is geregeld dat naheffingsaanslagen waarin premies voor de werknemersverzekeringen zijn begrepen niet aan werknemers kunnen worden opgelegd. Door in artikel 16, vierde lid, van de ZFW, artikel 59, elfde lid, van de Wfsv van overeenkomstige toepassing te verklaren, geldt dit ook ten aanzien van naheffing van ziekenfondspremies.

Onderdeel B (artikel 83c, tweede lid)

De wijziging van artikel 83c, tweede lid, van de ZFW op grond van dit onderdeel is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij artikel IV (wijziging van de AWBZ).

Artikel XLV. Wijziging van de Ziektewet

Onderdeel B (artikel 32)

Nu de maximale uitkeringsduur van de ZW is verlengd tot 104 weken, terwijl de wachttijd voor de WAZ en de WAJONG 52 weken is gebleven, is er ook samenloop mogelijk van een recht op toekenning van ziekengeld en een recht op herziening van een WAZ- of WAJONG-uitkering bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid. Artikel 32 ZW, dat de gevolgen van deze samenloop regelt, moet om die reden worden uitgebreid met verwijzingen naar artikel 13 van de WAZ en artikel 12 van de WAJONG. Daarnaast is het wenselijk dat de op artikel 32, vierde lid, ZW gebaseerde ministeriële regelingen die de gevolgen van een dergelijke samenloop regelen ook kunnen worden toegepast in de gevallen genoemd in artikel 32a ZW. Artikel 32, vierde lid, ZW wordt hiertoe uitgebreid met een verwijzing naar artikel 32a van de ZW.

Onderdeel C (artikel 38, vijfde en achtste lid)

Op grond van artikel 38, tweede lid, ZW is het niet de werkgever, maar de werknemer die het reïntegratieverslag desgevraagd aan het UWV verstrekt. Op grond van het huidige vijfde lid van dat artikel moet het reïntegratieverslag betreffende een vangnetwerknemer als bedoeld in dit vijfde lid toch nog door de werkgever aan het UWV worden verstrekt. De onderhavige wijziging regelt dat de verplichting voor de werknemer om het reïntegratieverslag te verstrekken ook geldt met betrekking tot de vangnetwerknemer, door te bepalen dat ook de derde zin van het tweede lid wel van toepassing is. De verplichting voor de werkgever van de vangnetwerknemer om het reïntegratieverslag aan het UWV te verstrekken kan hiermee komen te vervallen. Uiteraard moet de werkgever nog wel in overleg met de werknemer bij einde dienstverband het reïntegratieverslag opstellen en een afschrift hiervan aan de werknemer verstrekken. Daarnaast wordt aan artikel 38 een achtste lid toegevoegd. Dit achtste lid regelt dat het UWV ook aan de werknemer een termijn mag stellen waarbinnen het reïntegratieverslag moet worden verstrekt of aangevuld als hij niet aan zijn verplichting op grond van het tweede lid voldoet. Dit is het equivalent van artikel 38, zevende lid, dat aan het UWV dezelfde bevoegdheid geeft ten aanzien van de werkgever.

Onderdeel D (artikel 39a, eerste lid)

Dit onderdeel voegt een zin toe aan artikel 39a ZW op grond waarvan ziekengeldlasten die op grond van de eerste drie zinnen van dat artikel in beginsel door het UWV op de werkgever verhaald zouden worden, niet verhaald worden. Op grond van de nieuwe vierde zin van artikel 39a ZW worden de ziekengeldlasten ten aanzien van een ziekteperiode die volgt op een periode van ten minste vier weken waarin de werknemer niet ziek is geweest, niet verhaald op de werkgever. Op grond van deze wijziging wordt bereikt dat bij een onderbreking van de ziekte (door geschiktheid tot werken) van meer dan vier weken het verhaal eindigt en dus niet doorloopt als de werknemer opnieuw uitvalt. In die situatie wordt ervan uitgegaan dat sprake is van een nieuw ziektegeval, waarbij de kosten van ziekengeld niet meer aan de werkgever worden toegerekend. Is de bedoelde onderbreking van de ziekte korter dan vier weken dan is sprake van een doorlopend ziektegeval en loopt het verhaalstijdvak, zoals dit oorspronkelijk is vastgesteld, door. Met deze wijziging wordt aangesloten bij de samentellingsregeling inzake onderbroken ziekteperioden die thans ook elders in de ZW en de WAO bestaat, bijvoorbeeld ter bepaling van de wachttijdperiode voor de WAO. De wijziging heeft geen negatieve effecten voor werkgevers en evenmin op de positie van de werknemer. Zoals eerder vermeld heeft de voorgestelde wijziging namelijk tot gevolg dat ziekengeldlasten niet worden verhaald indien de ziekte binnen het verhaalstijdvak langer dan vier weken wordt onderbroken.

Onderdeel E (artikel 45)

Het niet voldoen aan de verplichting tijdig een volledig reïntegratieverslag in te dienen, leidt op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel n, van de ZW tot het opleggen van een maatregel. Bij de overeenkomstige tekortkoming in de WAO is het mogelijk om in plaats van een maatregel te volstaan met een schriftelijke waarschuwing (artikel 28, lid 1, onder f, en artikel 29, lid 2, WAO). Het is wenselijk dat ook bij het reïntegratieverslag in het kader van de ZW die mogelijkheid bestaat. De onderhavige wijziging van artikel 45, derde lid, ZW voorziet hierin.

Onderdeel G (artikel 64, eerste lid, onderdeel c)

Op grond van artikel 64, eerste lid, onder c, van de ZW wordt tot de vrijwillige verzekering toegelaten degene die «als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen». Deze terminologie spoort echter niet meer met de aanduiding van de zelfstandige, zoals die elders krachtens die wetten wordt gehanteerd. Het gaat hierbij om art. 8, lid 1, onder a, van het besluit van 24 december1986, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 5 van de Ziektewet en artikel 5 van de Werkloosheidswet (Stb. 655) (het zogenaamde«Rariteitenbesluit»). Het aldaar opgenomen zelfstandigheidsbegrip wijst naar het – fiscale – zelfstandigheidsbegrip in art. 4 van de WAZ. Het is in deze constellatie niet onmogelijk, dat iemand fiscaal als zelfstandige te boek staat (en dus van verzekeringsplicht voor bijvoorbeeld de ZW geen sprake is), maar toch niet als zelfstandige in de zin van bijvoorbeeld art. 64 van de ZW wordt aangemerkt, zodat vrijwillige verzekering niet mogelijk is. Om dit te voorkomen dient de terminologie in artikel 64 ZW te worden aangepast aan de terminologie van artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van het Rariteitenbesluit. Hiertoe wordt «een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen, of als echtgenoot van de zelfstandige in dat bedrijf of beroep meewerkt of gaat meewerken» vervangen door: als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken in diens onderneming.

Artikel XLVI. Wijziging Zorgverzekeringswet

Onderdeel B (artikel 40, vijfde, tiende en elfde lid)

Met de wijziging van artikel 40, vijfde, tiende en elfde lid, wordt de bevoegdheidstoedeling met betrekking tot het stellen van regels omtrent het in rekening-courant aanhouden door het College voor zorgverzekeringen van de financiële middelen van het Zorgverzekeringsfonds bij de Minister van Financiën in de Zorgverzekeringswet in overeenstemming gebracht met de Wet financiering sociale verzekeringen.

Onderdeel C (artikel 43, tweede en derde lid)

Met de wijziging van artikel 43, derde lid, wordt het mogelijk gemaakt om de systematiek van voortschrijdend cumulatief rekenen als bedoeld in de Wet financiering sociale verzekeringen toe te passen in de situatie dat de inkomensafhankelijke bijdrage bij wijze van inhouding wordt geheven.

Onderdeel D (artikel 50, eerste lid)

De wijziging van artikel 50, eerste lid, leidt ertoe dat de inspecteur aan de hand van de beschikbare gegevens in de polisadministratie ambtshalve de teveel betaalde inkomensafhankelijke bijdrage vaststelt en teruggeeft of verrekent. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd de inkomensafhankelijke bijdrage alleen op verzoek teruggegeven of verrekend.

Onderdeel E (artikel 69, eerste en vijfde lid)

De voorliggende twee wijzigingen van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet beogen een via artikel 2.4.2, onderdeel U, subonderdeel 1, van de Invoerings- en aanpassingswet ZVW aangebrachte wijziging in eerstgenoemd artikel redactioneel te vervolmaken.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XNoot
1

Eures Maas-Rijn is een samenwerkingsverband waarin o.a. de volgende partijen zitting hebben: de Belgische en Nederlandse werknemersorganisaties, UWV, RVA, Bureau voor Belgische Zaken, Belastingdiensten en arbeidsvoorzieningsdiensten (CWI, VDAB en FOREM).

XNoot
1

Hieronder vallen dan de volgende landen: België, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Liechtenstein, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Zweden, Zwitserland.

XNoot
1

Kamerstukken I 2004/05, 29 529 en 29 531, C, blz. 7.