nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I, onderdeel A, vervalt de zinsnede: «dan wel aan de
paragrafen 2.2 en 2.3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten».
B
Artikel II wordt als volgt gewijzigd:
1. Vóór onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
A0
In artikel 2.4, wordt na «op grond van de WVO» ingevoegd:
, de WEB.
2. Onderdeel A komt als volgt te luiden:
A
In artikel 2.19, derde lid, wordt na de eerste volzin ingevoegd: Indien
de verlenging de maanden augustus, september, oktober of november betreft,
heeft de leerling die op grond van hoofdstuk 4 nog geen tegemoetkoming in
de onderwijsbijdrage is toegekend en een opleiding als bedoeld in de artikelen
2.5, 2.6, eerste lid, 2.8 of 2.10, of een opleiding waarvoor aanspraak
op studiefinanciering bestaat, gaat volgen, over die maanden naast een tegemoetkoming
in de zin van hoofdstuk 4 ook aanspraak op een bedrag aan tegemoetkoming in
de onderwijsbijdrage, ter grootte van eentwaalfde van het bedrag, bedoeld
in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet, per maand. Voor de
vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming in die maanden wordt uitgegaan
van het toetsingsinkomen, zoals dat gold op 31 juli van het voorafgaande
schooljaar.
C
Artikel III komt te luiden:
ARTIKEL III
De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3.18 komt te luiden:
Artikel 3.18. Overzicht normbedragen
De bedragen in onderstaande overzichten luiden per maand en zijn uitgedrukt
in euro's naar de maatstaf van 1 januari 2005:
Overzicht 1. Maandbedragen
| | Hoger onderwijs | Beroepsonderwijs |
|---|
| Levensonderhoud | | |
| a. thuiswonend | € 380,95 | € 380,95 |
| b. uitwonend | € 556,72 | € 556,72 |
| Boeken en leermiddelen | € 51,81 | € 45,32 |
Overzicht 2. Financieringsbronnen
| | Hoger onderwijs | Beroepsonderwijs |
|---|
| Basisbeurs (excl. toeslagen) | | |
| a. thuiswonend | € 88,20 | € 69,55 |
| b. uitwonend | € 245,58 | € 226,92 |
| Maximale aanvullende beurs / lening (of veronderstelde ouderlijke
bijdrage) | | |
| a. thuiswonend | € 198,87 | € 283,24 |
| b. uitwonend | € 217,26 | € 301,64 |
| Basislening | € 268,69 | € 151,48 |
| Toeslag partner | € 514,07 | € 514,07 |
| Toeslag één-oudergezin | € 411,37 | € 411,37 |
B
Na de eerste volzin van artikel 8.2, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd,
luidende:
De eerste volzin is tevens van toepassing op een deelnemer die in de periode
na 1 juli voorafgaand aan het betreffende studiejaar de leeftijd van
18 jaren bereikt.
D
In artikel IV wordt na «1 augustus 2005» toegevoegd:
met uitzondering van artikel III, onderdeel A, dat in werking treedt met ingang
van 1 januari 2006.
Toelichting
Onderdeel A en B (punt 1)
Abusievelijk is de zinsnede «dan wel aan de paragrafen 2.2 en 2.3
van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten» in de definitie van «dagschool» blijven staan. De verwijziging
naar de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) is niet
langer nodig, nu voor deelnemers van 16 en 17 jaar in het bekostigd voltijds
beroepsonderwijs niet langer lesgeld hoeft te worden betaald en er voor deze
deelnemers geen tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage op grond van hoofdstuk
3 van de WTOS meer bestaat.
Aan artikel 2.4 van de WTOS wordt de Wet educatie en beroepsonderwijs
(WEB) toegevoegd, om ook de scholieren voortgezet onderwijs aan een agrarisch
opleidingscentrum als bedoeld in 1.3.3. van de WEB, voor een tegemoetkoming
in de schoolkosten in aanmerking te laten komen. Deze groep scholieren volgt
wel voortgezet onderwijs, maar aan een instelling die op grond van de WEB
bekostigd wordt.
Onderdeel B (punt 2)
Indien de tegemoetkoming de maanden augustus, september, oktober of november
betreft, moet voor de berekening van de hoogte van die tegemoetkoming worden
uitgegaan van het lesgeldbedrag (en overigens ook het schoolkostenbedrag)
voor het «nieuwe» schooljaar. De overbrugging is immers bedoeld
studenten of scholieren tegemoet te komen in de kosten die zij maken bij aanvang
van dat nieuwe schooljaar. Omdat overbrugging alleen wordt toegekend als voorafgaand
aan de overbrugging aanspraak op tegemoetkoming bestond, wordt voor de vaststelling
van de hoogte van de tegemoetkoming voor een individu het toetsingsinkomen,
zoals dat in dat voorafgaande schooljaar gold, gebruikt. Er wordt dus geen
nieuwe inkomenstoets gedaan. Bij de opstelling van het wetsvoorstel en de
memorie van toelichting was abusievelijk uitgegaan van het omgekeerde: tegemoetkoming
naar prijspeil van het voorafgaande jaar en inkomenstoets van het toekenningsjaar.
Onderdeel C en D
Met deze wijziging wordt uitvoering gegeven aan de motie van dhr. Dittrich
(TK, 2005–2006, 30 300 nr. 25). Doel van deze motie is studenten
met alleen een basisbeurs te compenseren voor de invoering van het nieuwe
zorgstelsel. Studenten met een aanvullende beurs werden hier reeds voor gecompenseerd
via de aanvullende beurs. Deze compensatie is opgenomen in het wetsvoorstel
Invoerings- en aanpassingswet zorgverzekeringswet (Eerste Kamer, vergaderjaar
2004–2005, 30 124, A1). In de motie wordt voorgesteld de basisbeurs
te verhogen met € 150. In de motie wordt aangegeven dat de kosten
hiervan € 47 mln. bedragen.
Gezien het beschikbare budget van € 47 mln. is het noodzakelijk
tegelijkertijd de aanvullende beurs, ten opzichte van de aanvullende beurs
in het wetsvoorstel invoerings- en aanpassingswet zorgverzekeringswet, met
hetzelfde bedrag te verlagen. Omdat studenten met aanvullende beurs ook profiteren
van het verhogen van de basisbeurs is het netto effect voor hen nul. Op deze
manier worden de studenten die nog niet waren gecompenseerd via de aanvullende
beurs alsnog gecompenseerd via de verhoging van de basisbeurs, waarmee het
doel van motie wordt bereikt. Tevens wordt gezorgd dat studenten die reeds
via de aanvullende beurs werden gecompenseerd nu niet voor een tweede keer
worden gecompenseerd, zodat de kosten beperkt blijven tot het bedrag van € 47
mln., zoals dat werd genoemd in de motie.
Deze toelichting onderteken ik mede namens de Minister van Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
M. J. A. van der Hoeven