nr. 21
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 juli 2008
Mede namens de Minister-President, minister van Algemene Zaken, deel ik
u het volgende mede naar aanleiding van de aanvaarding van de motie-Duyvendak
c.s. inzake de Leidraad externe contacten rijksambtenaren1.
Op 12 maart 2008 heb ik in het debat naar aanleiding van het algemeen
overleg over de Nationale Conventie met uw Kamer van gedachten gewisseld over
de contacten tussen rijksambtenaren en Kamerleden (Handelingen der Kamer II,
vergaderjaar 2007–2008, nr. 62, blz. 4432–4437). Hierin heb
ik toegezegd mijn collega’s nog eens op het bestaan van de Leidraad
externe contacten rijksambtenaren te wijzen en hen te verzoeken daar op een
uniforme manier mee om te gaan. Ik heb u daarbij een afschrift van die brief
toegezegd, die ik als bijlage bij deze brief heb gevoegd2.
Op 25 maart 2008 werd in uw Kamer voorts de gewijzigde motie-Duyvendak
c.s. inzake de Leidraad externe contacten rijksambtenaren met algemene stemmen
aanvaard. De motie constateert dat «in de nieuwe leidraad van een versoepeling
geen sprake is» en «verzoekt de regering de leidraad zo aan te
passen dat van daadwerkelijke versoepeling in de contacten tussen rijksambtenaren
en individuele leden van de Staten-Generaal sprake is». In deze brief
gaat het kabinet nader in op de aanvaarding van deze motie.
De Leidraad externe contacten rijksambtenaren3
is naar aanleiding van de beraadslagingen in het debat over de aanbevelingen
van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten4
tot stand gekomen in januari 2007. De Leidraad betreft een concrete uitwerking
van de Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren5 en beoogt, binnen het kader van de Aanwijzingen, een welwillende en
zakelijke omgang met verzoeken van Kamerleden om functionele contacten met
rijksambtenaren. Daartoe is in de Leidraad neergelegd dat verzoeken om feitelijke
informatieverstrekking door ambtenaren welwillend en zakelijk worden beoordeeld,
tegen de achtergrond van enerzijds de bijzondere wens van het parlement en
anderzijds de ministeriële verantwoordelijkheid.
Uiteindelijk gaat het om de toepassing in de praktijk van deze beslissingsbevoegdheid
van de minister. Naar het ons voorkomt stelt de Kamer ook met name deze concrete
toepassing ter discussie als zij spreekt over «een daadwerkelijke versoepeling
van contacten tussen rijksambtenaren en individuele leden van de Staten-Generaal».
Om te komen tot een uniforme toepassing van deze bevoegdheid en discussies
over de welwillendheid uit te sluiten, is het kabinet van opvatting dat de «welwillende
en zakelijke» beoordeling moet worden opgevat als de bereidheid tot
inwilliging van een verzoek, mits het gaat om feitelijke informatie en met
inachtneming van de wettelijke geheimhoudingsplichten. Het kabinet komt met
deze interpretatie zijns inziens tegemoet aan de breed levende wens binnen
de Kamer om tot een daadwerkelijke versoepeling te komen en overweegt daartoe
nog het volgende.
Onverkort geldt dat de leden van het kabinet te allen tijde bereid zijn
de Kamer de gevraagde inlichtingen te geven waarvan het verstrekken niet in
strijd is met het belang van de staat en zodoende verantwoording af te leggen
over de aangelegenheden waarvoor de betreffende minister verantwoordelijk
is. Het recht op informatie van de Kamer staat dan ook niet ter discussie.
Van belang is wel op welk moment de gevraagde informatie door een ambtenaar
kan worden verstrekt in plaats van door de minister. Het is immers de minister
die een verantwoordingsrelatie heeft met de Kamer en niet de ambtenaar; bij
uitlatingen van een ambtenaar in het kader van zijn functievervulling handelt
deze onder de volledige ministeriële verantwoordelijkheid.
In het licht van deze verantwoordelijkheidsverdeling, en het daarmee samenhangende
uitgangspunt dat de minister de Kamer informeert, blijft er evenwel ruimte
voor informatieverstrekking door de ambtenaar aan Kamerleden. Openbare informatie
kan in alle gevallen rechtstreeks door de ambtenaar worden verstrekt, zonder
tussenkomst van de minister. In de Aanwijzingen en de Leidraad is voorts neergelegd
dat niet-openbare informatie – informatie die verstrekt kan worden met
inachtneming van wettelijke geheimhoudingsplichten, kan worden verstrekt door
een ambtenaar, mits de minister het niet nodig acht zelf de informatie te
verstrekken en het vast staat dat het alleen om de verstrekking van feitelijke
gegevens gaat. De minister is hierbij dus beslissingsbevoegd en kan in alle
gevallen vooraf bepalen of hij een dergelijk contact tussen ambtenaar en Kamerlid
toestaat.
Uit bovenstaande kan in de eerste plaats worden geconcludeerd dat de verstrekking
van niet-openbare informatie zoals hiervoor toegelicht, door ambtenaren beperkt
is tot feitelijke informatie. Het kabinet acht het onderscheid tussen feitelijke
en beleidsinformatie van belang. Bij beleidskeuzes is het altijd de minister
die de informatie verstrekt en zodoende verantwoording aflegt, terwijl bij
technische en feitelijke vragen in plaats van de verantwoordelijke bewindspersoon
ambtenaren niet-openbare informatie rechtstreeks kunnen verstrekken.
In de tweede plaats kan worden geconcludeerd dat, ingevolge de ministeriële
verantwoordelijkheid, de minister vooraf beslissingsbevoegd is over verzoeken
om contact met ambtenaren. In de Leidraad is het positieve uitgangspunt neergelegd
dat verzoeken welwillend en zakelijk worden beoordeeld, tegen de achtergrond
van enerzijds de bijzondere wens van het parlement en anderzijds de ministeriële
verantwoordelijkheid. Hierboven is voorts uiteengezet dat het kabinet dit
principe zal toepassen op een wijze dat van een daadwerkelijke versoepeling
sprake is.
Het kabinet acht langs bovenstaande lijnen een soepele omgang in de contacten
tussen Kamerleden en ambtenaren mogelijk binnen de kaders van
de ministeriële verantwoordelijkheid en geeft op die wijze uitvoering
aan de door de Kamer aanvaarde motie. Mocht niet volgens de Aanwijzingen en
de Leidraad worden gehandeld, dan ben ik te allen tijde bereid concrete voorbeelden
van de Kamer te vernemen.
Ik hoop u met bovenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst