Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 januari 2016
In mijn brief van 15 juli 2015 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voornemens tot
modernisering van het Vervangingsfonds en het Participatiefonds.1 Daarbij is mijn inzet om per 1 januari 2018 de betrokkenheid van de rijksoverheid
bij beide fondsen te beëindigen. Deze beleidsbeëindiging betekent dat de sinds 1992
respectievelijk 1995 bestaande wettelijke status van beide fondsen stopt. Hiermee
vervalt ook de status van privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan aan de huidige
Stichting Vervangingsfonds en bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs en de huidige
Stichting Participatiefonds voor het onderwijs.
In de genoemde brief zijn de contouren van de modernisering van de beide fondsen geschetst.
Daarbij heb ik aangegeven er naar te streven om in overleg met de sociale partners
en de fondsen, eind 2015 aan uw Kamer uitgewerkte voorstellen voor te leggen. Met
deze brief informeer ik u over de voortgang en de reden waarom het tijdpad aanpassing
behoeft. Dit licht ik kort toe voor achtereenvolgens het Vervangingsfonds en het Participatiefonds.
Vervangingsfonds
Aangezien de werkgevers in het toekomstige stelsel zelf volledig verantwoordelijk
zijn voor het ziekteverzuim, het voorkomen daarvan en de zorg voor het beperken van
de duur van het verzuim, hebben de sociale partners (de PO-Raad, AOb en CNVO) op mijn
verzoek het initiatief genomen een voorstel te ontwikkelen voor een voorziening voor
vervanging na het vervallen van de verplichte aansluiting van schoolbesturen bij het
Vervangingsfonds. Het bureau AEF is daarvoor in de arm genomen. De sociale partners
hebben mij laten weten dat er meer tijd nodig is om tot een gezamenlijk voorstel te
komen. Aangezien ik hecht aan een zo breed mogelijk draagvlak, heb ik hiermee ingestemd.
Ik heb aangegeven uiterlijk vóór 1 april 2016 het voorstel te verwachten.
De PO-Raad heeft aangegeven daarbij te garanderen dat er een verzekeringsoptie komt,
waarvan schoolbesturen op vrijwillige basis gebruik kunnen maken om zich te verzekeren
tegen risico’s van ziekteverzuim. De juridische en bestuurlijke vormgeving daarvan
is onderwerp van het overleg tussen de sociale partners. Verder geven zij aan in de
cao PO 2016 afspraken te zullen maken, die borgen dat bij afwezigheid van leerkrachten de werkzaamheden worden overgenomen zonder dat dit leidt tot aantasting van de
onderwijstijd voor leerlingen en zonder dat dit leidt tot een verhoging van de werkdruk
van aanwezige collega’s.
Deze aanpassing in de planning heeft geen gevolgen voor het tijdstip waarop wat mij
betreft de beleidsbeëindiging zal ingaan. Dit blijft 1 januari 2018. Ik ga dan ook
door met de voorbereiding van de noodzakelijke technische wijziging van de WPO en
WEC. Vooruitlopend hierop zal ik uw Kamer dit voorjaar informeren over het resultaat
van het overleg tussen en met de sociale partners. Dan zal er ook duidelijkheid zijn
over de wijze waarop de werkgevers in het primair onderwijs ook na 1 januari 2018
invulling geven aan hun verantwoordelijkheid voor een kwalitatief goede vervanging.
Dat wil zeggen op zo’n manier dat de continuïteit van het onderwijs is verzekerd en
de werkdruk van aanwezige leraren niet toeneemt.
Participatiefonds
Het overleg met sociale partners en het Participatiefonds over een voorstel voor een
gemoderniseerd stelsel voor het opvangen van risico’s van werkloosheidsuitkeringen
in het primair onderwijs, vergt ook meer tijd dan aanvankelijk was voorzien. De vormgeving
van een dergelijk stelsel heeft een relatie met de wijze waarop per 1 juli 2016 de
gevolgen van de Wet werk en zekerheid worden ingepast in het primair onderwijs. Dit
laatste is momenteel onderwerp van gesprek tussen sociale partners op de cao-tafel.
De uitkomst daarvan kan een rol spelen bij de vormgeving van de modernisering. De
verwachting is dat dit in de loop van het voorjaar van 2016 (omstreeks 1 april) aan
de orde is, waarna ik uw Kamer zal informeren over de inhoud van de modernisering.
Bij voorkeur doe ik dit tegelijkertijd met het voorstel inzake het Vervangingsfonds.
Evenals bij het Vervangingsfonds het geval is, is mijn inzet om te komen tot een ook
door sociale partners gedragen modernisering van het Participatiefonds.
In de plannen voor modernisering van het Participatiefonds heeft dit kabinet als uitgangspunt
te komen tot een vereenvoudigd en administratief minder belastend systeem voor de
verevening van risico’s van werkloosheidsuitgaven. In dit systeem moet sprake zijn
van voldoende prikkelwerking om werkloosheid te voorkomen c.q. te bekorten. Verder
worden in het systeem de risico’s evenwichtig verdeeld tussen het collectief van schoolbesturen
en de individuele besturen waar de uitkeringen zich voordoen.
Ook hier blijft het mijn ambitie per 1 januari 2018 de geplande modernisering van
het Participatiefonds te realiseren. De wetswijziging hiervoor wordt nu voorbereid.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker