30 175 Luchtkwaliteit

AE VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 mei 2026

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de Monitoring luchtkwaliteit 2025. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 3 februari 2026.

  • De antwoordbrief van 7 mei 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT / VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat

Den Haag, 3 februari 2026

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft kennisgenomen van de rapportage «Monitoring luchtkwaliteit 2025. Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland» van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).2 De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen voor de regering. De leden van de fractie van de PVV stellen de regering een drietal vragen over de rapportage. De leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA wensen de regering naar aanleiding hiervan gezamenlijk een aantal vragen voor te leggen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB hebben kennisgenomen van de rapportage «Monitoring luchtkwaliteit 2025. Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland» van het RIVM dat de stand van zaken van de luchtkwaliteit in Nederland weergeeft en prognoses richting de jaren 2030 en 2035 bevat, waarbij wordt getoetst aan aangescherpte Europese luchtkwaliteitsnormen. Deze normen kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor vergunningverlening, landbouw, woningbouw en regionale ontwikkeling, met name in het landelijk gebied. De leden van de fractie van de BBB achten het van belang dat beleid op dit terrein uitvoerbaar, proportioneel en rechtvaardig is en deze leden stellen daarom de volgende vragen aan de regering.

  • 1. Heeft de regering kennisgenomen van bedoelde rapportage van het RIVM en deelt zij de conclusie dat de aangescherpte Europese luchtkwaliteitsnormen vanaf het jaar 2030 grote gevolgen kunnen hebben voor beleid en vergunningverlening?

  • 2. Hoe beoordeelt de regering de uitvoerbaarheid en proportionaliteit van deze nieuwe normen, mede in het licht van de zorgen die door de leden van de fractie van de BBB in de Tweede Kamer zijn geuit over de stapeling van Europese milieuregels?

  • 3. Hoe wordt voorkomen dat Nederland verder gaat dan vanuit Europese regelgeving is verplicht, onder meer door een rigide toepassing van rekenmodellen en toetspunten?

  • 4. Welke concrete gevolgen voorziet de regering van de verwachte overschrijdingen van fijnstofnormen nabij veehouderijen voor vergunningverlening en ontwikkelruimte van agrarische bedrijven?

  • 5. Hoe weegt de regering het verschil tussen vergunde emissies en feitelijke emissies en gezondheidsrisico’s, zoals door de leden van de fractie van de BBB in de Tweede Kamer is benadrukt?

  • 6. Is de regering bereid om regionaal maatwerk toe te passen in gebieden met hoge achtergrondconcentraties? Dit om te voorkomen dat individuele boeren of dorpen onevenredig worden geraakt.

  • 7. Hoe wordt voorkomen dat onzekerheden in modellen en datakwaliteit leiden tot ingrijpende juridische of bestuurlijke consequenties?

  • 8. Is de regering bereid metingen meer gewicht te geven dan berekeningen, met name bij handhaving en vergunningverlening?

  • 9. Hoe beoordeelt de regering de samenloop van luchtkwaliteitseisen met het stikstofbeleid en kan zij uitsluiten dat luchtkwaliteit een nieuw belemmerend vergunningendossier wordt?

  • 10. Hoe waarborgt de regering dat luchtkwaliteitsbeleid haalbaar, proportioneel en rechtvaardig blijft voor het landelijk gebied, in lijn met de uitgangspunten van de leden van de fractie van de BBB in zowel de Eerste als Tweede Kamer?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de fractie van de PVV hebben de volgende vragen voor de regering.

  • 1. Kan de regering aangeven welke beperkende consequenties de strengere (Europese) normen hebben voor Nederland en dan met name voor het verkeer, de agrarische sector en de industrie?

  • 2. Kan de regering aangeven welke Europese maatregelen Nederland kan verwachten als de normen niet worden gehaald?

  • 3. Kan deze regering – in wellicht de korte tijd die haar in de huidige samenstelling nog rest en gelet op haar ambities – nog voorkomen dat Nederland straks verder gaat in regelgeving dan door Brussel wordt vereist?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA gezamenlijk

De leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA hebben gezamenlijk enkele vragen naar aanleiding van de aan de orde zijnde rapportage van het RIVM.

  • 1. Kan de regering bevestigen dat uit de rapportage blijkt dat op meerdere locaties nog steeds sprake is van (dreigende) overschrijdingen van luchtkwaliteitsnormen voor onder andere stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀ en PM2,5)?

  • 2. Deelt de regering de conclusie uit de rapportage inhoudende dat de luchtkwaliteit in Nederland – ondanks verbeteringen – volgens de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op veel plekken nog altijd onvoldoende is om de gezondheid van mensen en natuur te beschermen? Zo nee, waarom niet?

  • 3. Kan de regering aangeven wat volgens de rapportage de gezondheidsgevolgen zijn van deze aanhoudende luchtvervuiling, met name voor kwetsbare groepen zoals kinderen, ouderen en mensen met luchtwegaandoeningen?

  • 4. Kan de regering toelichten waarom in gebieden met intensieve veehouderij nog steeds verhoogde concentraties fijnstof worden gemeten?

  • 5. Is de regering bereid om aanvullende maatregelen te nemen om emissies uit de veehouderij te verminderen, waaronder het afbouwen van de intensieve veehouderij en het stimuleren van natuurinclusieve landbouw? Zo ja, op welke termijn en met welke concrete doelen?

  • 6. De leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA constateren dat de rapportage uitgaat van verdere emissiereductie door elektrificatie van het wagenpark. Welke garanties zijn er dat deze reducties daadwerkelijk en tijdig worden gerealiseerd? Wat gebeurt er als deze aannames niet uitkomen?

  • 7. Erkent de regering dat houtstook door huishoudens een significante bijdrage levert aan de uitstoot van schadelijk fijnstof (PM₂,₅), zoals ook blijkt uit eerdere RIVM-analyses?

  • 8. Kan de regering aangeven in hoeverre houtstook lokaal bijdraagt aan overschrijdingen of verslechtering van de luchtkwaliteit, met name in woonwijken en tijdens winterse perioden?

  • 9. Acht de regering het verantwoord dat houtstook nog steeds wordt toegestaan terwijl omwonenden zich hier nauwelijks tegen kunnen beschermen, zelfs niet wanneer zij aantoonbare gezondheidsklachten ondervinden?

  • 10. Welke concrete maatregelen neemt de regering op dit moment om de uitstoot van schadelijke stoffen door houtstook terug te dringen? Waarom zijn deze maatregelen naar de mening van de regering tot nu toe onvoldoende gebleken?

  • 11. Is de regering bereid over te gaan tot strengere landelijke regelgeving voor houtstook, zoals een verbod bij ongunstige weersomstandigheden, strengere emissie-eisen of het uitfaseren van particuliere houtkachels? Zo nee, waarom niet?

  • 12. Kan de regering de leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA toelichten hoe de kwaliteit en betrouwbaarheid van de gegevens in de aan de orde zijnde rapportage worden geborgd, nu lokale overheden een grote rol spelen in de aanlevering en correctie van data?

  • 13. Deelt de regering de mening van de leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA inhoudende dat informatie over luchtkwaliteit volledig openbaar en begrijpelijk moet zijn voor burgers en maatschappelijke organisaties? Zo ja, waarom zijn veel monitoringsgegevens momenteel alleen toegankelijk voor specialisten?

  • 14. Acht de regering het wenselijk dat de definitieve resultaten van de monitor pas relatief laat beschikbaar komen, terwijl luchtvervuiling een acuut gezondheidsrisico vormt? Is de regering bereid te kijken naar versnelling van dit proces?

  • 15. Wat leert de rapportage over de effectiviteit van bestaand beleid, zoals het Schone Lucht Akkoord? Ligt Nederland op koers om de gestelde doelen te halen?

  • 16. Kan de regering aangeven welke extra maatregelen worden genomen indien blijkt dat Nederland ook in de toekomst niet zal voldoen aan de aangescherpte Europese normen en de WHO-advieswaarden?

  • 17. Welke mogelijkheden hebben burgers momenteel om op te komen tegen situaties waarin de luchtkwaliteit hun gezondheid aantoonbaar schaadt?

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 mei 2026

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen van de fracties in de Eerste Kamer van de BBB, PVV, PvdD en GroenLinks-PvdA naar aanleiding van de rapportage «Monitoring luchtkwaliteit 2025. Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland».

Vragen en opmerkingen van de fractie van de BBB:

1.

Heeft de regering kennisgenomen van bedoelde rapportage van het RIVM en deelt zij de conclusie dat de aangescherpte Europese luchtkwaliteitsnormen vanaf het jaar 2030 grote gevolgen kunnen hebben voor beleid en vergunningverlening?

Antwoord:

De rapportage «Monitoring Luchtkwaliteit 2025 – Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland» is bekend. Deze rapportage van het RIVM is op 16 december 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd3.

De monitoringsrapportage laat zien dat er in 2024, net als in 2023, geen overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) langs wegen zijn geconstateerd. Maatregelen zoals uit het Schone Lucht Akkoord (SLA) hebben effect gehad. Veehouderijen zorgen lokaal nog voor een beperkt aantal overschrijdingen van de daggemiddelde fijnstofnorm (PM10). Vanaf 2030 gelden er nieuwe grenswaarden, op grond van de herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit. De rapportage van het RIVM geeft een beeld van de aard en omvang van de opgave. Zonder aanvullend beleid zullen we niet overal tijdig voldoen aan de nieuwe grenswaarden. Er zijn aanvullende maatregelen nodig. Onder andere elektrificatie van het wagenpark zorgt voor een verdere daling van NO2-emissies en -concentraties richting 2030 en daarna. Voor fijnstof is de daling ook aanwezig, maar minder sterk. Momenteel wordt de opgave in samenwerking met decentrale overheden scherper in beeld gebracht en wordt gekeken naar een aanpak om te kunnen voldoen aan de grenswaarden, bovenop wat er al gebeurt in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) en de aanpak van de energietransitie en de stikstofdepositie op natuurgebieden. Op plekken waar niet tijdig wordt voldaan aan de grenswaarden, kan dit gevolgen hebben voor vergunningverlening, beleid en planvorming.

2.

Hoe beoordeelt de regering de uitvoerbaarheid en proportionaliteit van deze nieuwe normen, mede in het licht van de zorgen die door de leden van de fractie van de BBB in de Tweede Kamer zijn geuit over de stapeling van Europese milieuregels?

Antwoord:

Wat betreft de uitvoerbaarheid zijn in ons land al goed werkende structuren en netwerken aanwezig, vanwege de nu al bestaande monitorings- en rapportageverplichtingen onder de eerdere richtlijn Luchtkwaliteit. Nederland voldoet aan alle eisen. Emissies en concentraties in Nederland zijn al jaren aan het dalen als gevolg van maatregelen genomen in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) en bijvoorbeeld de verduurzaming van mobiliteit en industrie. De extra lastendruk voor burgers en bedrijven zal daardoor in het algemeen beperkt zijn. Het bevoegd gezag zal in vergunningverlening, toezicht en handhaving vanaf 2030 rekening moeten houden met nieuwe grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen. Indien Nederland niet voldoet aan de grenswaarden, of wanneer deze situatie dreigt, zullen er luchtkwaliteitsplannen opgesteld moeten worden met aanvullende maatregelen en zal Nederland hierover, zoals nu ook al gebeurt, moeten rapporteren aan de Europese Commissie. Indien dat zou leiden tot extra kosten voor het Rijk, zijn daarvoor op dit moment geen middelen beschikbaar. Er volgt nog een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) om de precieze gevolgen voor provincies en gemeenten in kaart te brengen.

Met de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit wordt ingezet op luchtkwaliteitsnormen, die voor alle lidstaten bindend zijn. Luchtvervuiling houdt zich niet aan grenzen en op deze manier is er sprake van een gelijk speelveld voor burgers en bedrijven. De nieuwe grenswaarden voor 2030 vormen een belangrijke tussenstap op weg naar de Europees geformuleerde Zero Pollution Ambition voor 20504. In dat jaar moeten inwoners van de EU en het milieu geen negatieve gevolgen meer ondervinden van luchtverontreiniging. Voorafgaand aan de totstandkoming van deze nieuwe grenswaarden is op Europees niveau een impactassessment uitgevoerd, die liet zien dat de gezondheidsbaten ruimschoots de kosten van maatregelen overtreffen5. De nieuwe grenswaarden voor concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen voor 2030 zijn wat het kabinet betreft geschikt en proportioneel om de noodzakelijke, verdere verbetering van de luchtkwaliteit te bewerkstelligen. Dit is ook aangegeven in het BNC-fiche dat aan de Tweede Kamer is gezonden direct na het uitkomen van het voorstel voor de herziene richtlijn van de Europese Commissie in oktober 20226.

3.

Hoe wordt voorkomen dat Nederland verder gaat dan vanuit Europese regelgeving is verplicht, onder meer door een rigide toepassing van rekenmodellen en toetspunten?

Antwoord:

Met de herziene EU-richtlijn zijn voor heel Europa aangescherpte grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen en bijvoorbeeld ook nieuwe verplichtingen op het terrein van meten en modelleren afgesproken, zoals de hoeveelheid meetpunten. Het is vervolgens aan de lidstaten om beleid te formuleren om overal aan de nieuwe grenswaarden te kunnen voldoen, en via meten en modelleren de effectiviteit van beleid en maatregelen aan te tonen. Op welke plaatsen een lidstaat moet toetsen, hoe en waaraan, is voorgeschreven in de richtlijn. Lidstaten hebben vervolgens een bepaalde mate van vrijheid, die past bij hun specifieke situatie. Het systeem van meten en modelleren zoals Nederland dat in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld is van hoge kwaliteit. Dit systeem zal ook onder de herziene richtlijn gebruikt worden.

4.

Welke concrete gevolgen voorziet de regering van de verwachte overschrijdingen van fijnstofnormen nabij veehouderijen voor vergunningverlening en ontwikkelruimte van agrarische bedrijven?

Antwoord:

Door in de komende jaren onder andere via het Schone Lucht Akkoord (SLA) al gezamenlijk te werken aan het verder laten dalen van fijnstofemissies en -concentraties, worden overschrijdingen zo veel mogelijk voorkomen. Als er nabij veehouderijen toch (dreigende) overschrijdingen van de fijnstofnormen zijn, dan is het aan het bevoegd gezag om beleid en maatregelen te formuleren om deze weg te werken. Dit gebeurt op dit moment ook al op basis van de huidige fijnstofnormen. Maatregelen omvatten onder andere technische maatregelen, zoals het plaatsen van luchtwassers, of het uitkopen van veehouderijen of woningen in de nabijheid van veehouderijen waar zich de overschrijding voordoet. Vergunning voor ontwikkelingen, zoals uitbreiding van een veehouderij, kunnen worden verleend als dit binnen de normen past.

5.

Hoe weegt de regering het verschil tussen vergunde emissies en feitelijke emissies en gezondheidsrisico’s, zoals door de leden van de fractie van de BBB in de Tweede Kamer is benadrukt?

Antwoord:

Bij het vaststellen van de luchtkwaliteit, worden kaarten met concentraties gemaakt op grond van een combinatie van gegevens. Gegevens van stallen en aanwezige maatregelen om de luchtkwaliteit te waarborgen, geleverd door bevoegde gezagen, worden gecombineerd met modellering en metingen die gedaan worden binnen het luchtmeetnet. Voor het bepalen van de achtergrondconcentratie vindt er kalibratie aan meetresultaten plaats. Deze aanpak is gevalideerd en levert representatieve resultaten op. Dit betekent dat het beeld dat verkregen kan worden voor de gezondheidsrisico’s ook representatief is. Voor de toetsing in het kader van de monitoring luchtkwaliteit leveren de lokale bevoegde gezagen gegevens aan over de emissies van stallen. Het RIVM berekent dan de bijdragen van die stallen in hun omgeving en toetst die aan de grenswaarden. Hierbij wordt uitgegaan van vergunde of te vergunnen aantallen dieren. Er kunnen zowel overschattingen zijn, als er minder dieren zijn dan vergund, als onderschattingen, bijvoorbeeld als luchtwassers niet (goed) zouden werken.

6.

Is de regering bereid om regionaal maatwerk toe te passen in gebieden met hoge achtergrondconcentraties? Dit om te voorkomen dat individuele boeren of dorpen onevenredig worden geraakt.

Antwoord:

In de komende tijd wordt bekeken hoe de samenwerking met decentrale overheden vorm gaat krijgen, en welke maatregelen mogelijk zijn. Hierbij zal oog zijn voor de verhoudingen tussen de achtergrondconcentratie en lokale pieken daarbovenop, die samen potentieel kunnen leiden tot een overschrijding. In gebieden met een hoge achtergrondconcentratie is het totaal aan emissies te hoog. Deze zullen moeten worden teruggebracht. Overal in Nederland zullen de nieuwe grenswaarden gehaald moeten worden. Dit kan met een combinatie van generieke maatregelen, gericht op het verlagen van de achtergrondconcentratie over een groter gebied, en locatiespecifieke maatregelen. Daarbij zal wel oog zijn voor een gebalanceerde en zo rechtvaardig mogelijke aanpak en een lage lastendruk voor burgers en bedrijven. Het verbeteren van de luchtkwaliteit is een gezamenlijke inspanning. Indien dat zou leiden tot extra kosten voor het Rijk, zijn daarvoor op dit moment geen middelen beschikbaar.

7.

Hoe wordt voorkomen dat onzekerheden in modellen en datakwaliteit leiden tot ingrijpende juridische of bestuurlijke consequenties?

Antwoord:

De onzekerheden in de modellen worden regelmatig beoordeeld en voldoen aan de gestelde eisen. Modellen worden gekalibreerd aan metingen. Er is geen sprake van onevenredige juridische of bestuurlijke consequenties door het gebruik van modellen.

8.

Is de regering bereid metingen meer gewicht te geven dan berekeningen, met name bij handhaving en vergunningverlening?

Antwoord:

Gedragen meetgegevens vergroten begrip en vertrouwen van omwonenden en bevoegde gezagen, zonder dat er extra regelgeving nodig is. De modellen die Nederland gebruikt voor het bepalen van de luchtkwaliteit, worden gekalibreerd op basis van metingen op representatieve plaatsen. Onzekerheden in de modellen worden regelmatig beoordeeld. De modellen voldoen wat onzekerheden betreft aan de eisen. Daarmee kunnen de uitkomsten van modelberekeningen goed gebruikt worden bij handhaving en vergunningverlening. Dat zal ook wel moeten, want er zijn veel minder meetlocaties dan locaties waar getoetst moet worden. Er kan voor de zekerheid altijd extra gemeten worden door het bevoegde gezag als de lokale situatie daar aanleiding toe geeft, al is het niet eenvoudig om daarmee een goed en representatief beeld te krijgen, zeker niet in korte tijd.

9.

Hoe beoordeelt de regering de samenloop van luchtkwaliteitseisen met het stikstofbeleid en kan zij uitsluiten dat luchtkwaliteit een nieuw belemmerend vergunningendossier wordt?

Antwoord:

Het aanpakken van klimaatverandering, de energietransitie en stikstofdepositie op natuurgebieden, zal ook bijdragen aan het verder terugdringen van luchtvervuiling en het verbeteren van de luchtkwaliteit. Het is daarom doelmatig om beleid en maatregelen op al deze terreinen in samenhang te ontwikkelen. Op die manier kunnen aanzienlijke resultaten worden bereikt met lage lasten voor burgers en bedrijven.

De inzet is dat Nederland tijdig voldoet aan de eisen die de herziene richtlijn Luchtkwaliteit stelt. Dit zal extra inzet vragen in de vorm van beleid en maatregelen. De ervaring uit het verleden leert dat de luchtkwaliteit succesvol verbeterd kan worden met maatregelen, zoals elektrificatie van het wagenpark. Vergunningverlening kan dan gewoon doorgaan. De vergelijking met het stikstofprobleem gaat niet op. Het is desondanks niet uit te sluiten dat er op sommige plaatsen beperkingen zullen optreden in welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Door het gezamenlijk treffen van maatregelen beperken we dit zo veel mogelijk en zorgen we er voor dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. Indien dat zou leiden tot extra kosten voor het Rijk, zijn daarvoor op dit moment geen middelen beschikbaar.

10.

Hoe waarborgt de regering dat luchtkwaliteitsbeleid haalbaar, proportioneel en rechtvaardig blijft voor het landelijk gebied, in lijn met de uitgangspunten van de leden van de fractie van de BBB in zowel de Eerste als Tweede Kamer?

Antwoord:

Het is niet uit te sluiten dat ook in het landelijk gebied maatregelen genomen zullen moeten worden die extra verplichtingen met zich mee brengen en/of ontwikkelruimte beperken. Dit kan gaan om maatregelen in alle relevante sectoren, en zowel om generieke maatregelen die erop gericht zijn de achtergrondconcentratie te verlagen, als om locatiespecifieke maatregelen. Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven, zal het kabinet oog hebben voor een gebalanceerde en zo rechtvaardig mogelijk aanpak met lage lasten voor burgers en bedrijven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

1.

Kan de regering aangeven welke beperkende consequenties de strengere (Europese) normen hebben voor Nederland en dan met name voor het verkeer, de agrarische sector en de industrie?

Antwoord:

Het kabinet kan dat nog niet volledig aangeven. De rapportage van het RIVM7 geeft al wel een beeld van de aard en de omvang van de opgave. Daaruit blijkt ten eerste dat potentiële overschrijdingen kunnen optreden van de stikstofdioxide (NO2-)norm langs snelwegen en in een aantal binnensteden. Daarnaast zijn er potentiële overschrijdingen van de fijnstofnormen nabij veehouderijen en in enkele sterk geïndustrialiseerde gebieden. Om deze dreigende overschrijdingen te voorkomen zijn maatregelen nodig, bovenop wat al succesvol gebeurt in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) en bij de aanpak van de energietransitie, klimaatverandering en de stikstofdepositie op natuurgebieden. Momenteel wordt in overleg met decentrale overheden bekeken welke maatregelen dat kunnen zijn. Dit is een gezamenlijke inspanning. Het gaat hierbij zowel om generieke maatregelen, gericht op het verlagen van de achtergrondconcentratie, als om locatiespecifieke maatregelen, gericht op het voorkomen van een situatie van een of meerdere lokale overschrijdingen.

2.

Kan de regering aangeven welke Europese maatregelen Nederland kan verwachten als de normen niet worden gehaald?

Antwoord:

Als Nederland in 2030 de aangescherpte normen voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen van de herziene richtlijn Luchtkwaliteit niet haalt, kan de Europese Commissie inbreukprocedures starten. In een dergelijk geval krijgt een lidstaat een waarschuwing en de mogelijkheid door het nemen van maatregelen alsnog aan de normen te gaan voldoen. Als dat niet tot resultaat leidt, kan de Commissie naar het Europese Hof stappen, wat kan leiden tot boetes.

3.

Kan deze regering – in wellicht de korte tijd die haar in de huidige samenstelling nog rest en gelet op haar ambities – nog voorkomen dat Nederland straks verder gaat in regelgeving dan door Brussel wordt vereist?

Antwoord:

Vervuilende stoffen houden zich niet aan grenzen. Brede uitrol van normen, schone producten en productiewijzen, zoals in EU-verband gebeurt, zorgt voor een gelijk speelveld en brengt een gezonde, schone en veilige leefomgeving dichterbij.

Nederland zal bij de implementatie van de herziene richtlijn Luchtkwaliteit niet verder gaan dan de Europees afgesproken wet- en regelgeving vereist. Op die manier wordt invulling gegeven aan de in het coalitieakkoord uitgesproken ambitie om onnodige nationale koppen op EU-regelgeving te voorkomen. In het algemeen stelt EU-wetgeving de kaders vast, waarna het aan de lidstaten is om de precieze invulling te bepalen. Het is de inzet van Nederland om wat betreft milieu tegelijk een ambitieus en toekomstgericht beleid voeren. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het Schone Lucht Akkoord, waarbij de aangesloten overheidspartijen op vrijwillige basis een hogere ambitie nastreven en daarmee gezamenlijk succesvol zijn in het verbeteren van de luchtkwaliteit en het behalen van gezondheidswinst.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA gezamenlijk

1.

Kan de regering bevestigen dat uit de rapportage blijkt dat op meerdere locaties nog steeds sprake is van (dreigende) overschrijdingen van luchtkwaliteitsnormen voor onder andere stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀ en PM₂,₅)?

Antwoord:

De monitoringsrapportage luchtkwaliteit 2025 van het RIVM laat zien dat er in 2024, net als in 2023, geen overschrijdingen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) langs wegen zijn geconstateerd. Maatregelen zoals uit het Schone Lucht Akkoord (SLA) hebben effect gehad. Veehouderijen zorgen lokaal nog voor een beperkt aantal overschrijdingen van de daggemiddelde fijnstofnorm (PM10). Ook laat de monitoringsrapportage zien dat er op meerdere locaties sprake is van dreigende overschrijdingen van de aangescherpte grenswaarden voor luchtkwaliteit voor 2030.

2.

Deelt de regering de conclusie uit de rapportage inhoudende dat de luchtkwaliteit in Nederland – ondanks verbeteringen – volgens de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op veel plekken nog altijd onvoldoende is om de gezondheid van mensen en natuur te beschermen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

De normen uit de herziene richtlijn, waaronder de aangescherpte grenswaarden voor de belangrijkste luchtvervuilende stoffen, zijn de weerslag van een compromis, op Europees niveau, tussen wat gezondheidskundig wenselijk is en de mate waarin we als samenleving bereid en in staat zijn om ons handelen aan te passen. De nieuwe grenswaarden zijn ambitieus, maar met maatregelen haalbaar. Het halen daarvan betekent echter nog niet dat er geen gezondheidsschade meer optreedt. De advieswaarden van de WHO uit 20218 liggen lager dan de Europese grenswaarden, maar ook onder deze advieswaarden kan er nog gezondheidsschade optreden. Elke verbetering van de luchtkwaliteit levert gezondheidswinst op. De grenswaarden voor 2030 vormen een belangrijke tussenstap richting het halen van de advieswaarden van de WHO in 2050. Daarmee zijn deze grenswaarden een belangrijke stap op weg naar meer gezondheidswinst.

3.

Kan de regering aangeven wat volgens de rapportage de gezondheidsgevolgen zijn van deze aanhoudende luchtvervuiling, met name voor kwetsbare groepen zoals kinderen, ouderen en mensen met luchtwegaandoeningen?

Antwoord:

Volgens de laatste Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2024 van het RIVM9, zijn luchtverontreinigende stoffen verantwoordelijk voor ongeveer 3,4% van het totale gezondheidsverlies in Nederland. Dit maakt luchtvervuiling de milieufactor met het grootste negatieve effect op de volksgezondheid in Nederland10. Nederlanders leven gemiddeld ongeveer 10 maanden korter door de effecten van luchtvervuiling. Bij elkaar opgeteld, hoort ongeveer de helft van mensen in Nederland tot de groep die hoog gevoelig is voor luchtvervuiling (kinderen, ouderen, zwangeren, mensen met een luchtwegaandoening, etc.)11. Deze groepen kunnen nog meer negatieve gezondheidseffecten ondervinden door luchtverontreiniging. In Nederland is 1 op de 7 gevallen van astma bij kinderen en 1 op de 15 hartinfarcten die voor komen toe te schrijven aan luchtverontreiniging12. Met de dalende concentraties van luchtvervuilende stoffen, blijven deze cijfers gelukkig wel dalen.

4.

Kan de regering toelichten waarom in gebieden met intensieve veehouderij nog steeds verhoogde concentraties fijnstof worden gemeten?

Antwoord:

De intensieve veehouderij kan een belangrijke lokale bron van fijnstof zijn. Zo leveren veren en huiddeeltjes van pluimvee en het opwervelen daarvan van de bodem fijnstof. Door chemische processen in de buitenlucht leidt ook ammoniakuitstoot van koeien en varkens tot de vorming van fijnstof, waardoor emissies van landbouw ook bijdragen aan de achtergrondconcentraties van fijnstof. De bijdrage van dit soort bronnen komt bovenop de lokale achtergrondconcentratie, die bestaat uit nationale en buitenlandse bijdragen. Al deze bijdragen bij elkaar kunnen vlak bij locaties met intensieve veehouderij optellen tot een verhoogde concentratie, die lokaal kan leiden tot overschrijding van de grenswaarde.

5.

Is de regering bereid om aanvullende maatregelen te nemen om emissies uit de veehouderij te verminderen, waaronder het afbouwen van de intensieve veehouderij en het stimuleren van natuurinclusieve landbouw? Zo ja, op welke termijn en met welke concrete doelen?

Antwoord

Het rapport van RIVM toetst de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in Nederland langs wegen en de concentraties van fijnstof nabij veehouderijen aan de omgevingswaarden. Zoals in de Kamerbrief van 16 december 2025 naar aanleiding van de monitoringsrapportage13 is aangegeven, zorgen veehouderijen lokaal nog voor een beperkt aantal overschrijdingen van de daggemiddelde fijnstofnorm (PM10). In 2024 is het aantal overschrijdingen licht gestegen naar acht, veroorzaakt door acht veehouderijen in vijf gemeenten. Dit is op een totaal van 5.065 toetslocaties in de buurt van 1.392 veehouderijen. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit op te nemen in hun programma’s om deze overschrijdingen aan te pakken.

Los daarvan zet het kabinet, zoals aangegeven in het coalitieakkoord, in op het verminderen van de stikstofuitstoot langs vier sporen: landelijke emissiereductie, gebiedsgerichte inzet, natuurbehoud- en natuurherstel en gerichte ondersteuning. De komende periode wordt, in overleg met betrokken partijen, een samenhangend pakket nader uitgewerkt.

6.

De leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA constateren dat de rapportage uitgaat van verdere emissiereductie door elektrificatie van het wagenpark. Welke garanties zijn er dat deze reducties daadwerkelijk en tijdig worden gerealiseerd? Wat gebeurt er als deze aannames niet uitkomen?

Antwoord:

Door de elektrificatie van het wegverkeer neemt ook uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals stikstofoxiden en fijnstof af. Dat heeft een positieve invloed op de concentraties van deze stoffen in de lucht die we inademen. Verdere elektrificatie is geborgd via een combinatie van Europese en nationale regelgeving. Zo treedt in 2028 een nieuw Europees emissiehandelssysteem in werking voor onder andere wegvoertuigen en gelden er vanaf 2035 strengere Europese CO2-normen voor nieuwe voertuigen. Daarnaast dienen op basis van de Nederlandse Klimaatwet de emissies van broeikasgassen in 2030 met minstens 55% te worden verminderd ten opzichte van 1990. Met de Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen, die elke twee jaar worden geactualiseerd, wordt het effect van wet- en regelgeving op emissies gemonitord. Als desondanks blijkt dat de reducties niet tijdig gerealiseerd worden en uit de monitoring van de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof blijkt dat dat gevolgen heeft wat betreft dreigende overschrijdingen, zullen extra maatregelen moeten worden genomen.

7.

Erkent de regering dat houtstook door huishoudens een significante bijdrage levert aan de uitstoot van schadelijk fijnstof (PM2,5), zoals ook blijkt uit eerdere RIVM-analyses?

Antwoord:

Ja, uit rapportages blijkt dat houtstook een belangrijke bron van luchtvervuiling is, met name fijnstof. Van de totale emissies van fijnstof (PM2,5) in Nederland is 23% afkomstig van haarden kachels in huis, en 2% van de verbranding van hout buitenshuis14. Dit is meer dan de uitstoot uit de industrie, en ruim drie keer meer dan de uitstoot door het wegverkeer. In de afgelopen 30 jaar zijn fijnstofemissies uit andere bronnen, zoals verkeer en industrie, sneller gedaald dan de emissies afkomstig van houtverbranding. Dit heeft tot gevolg dat het relatieve aandeel fijnstof afkomstig van kachels en haarden in de totale emissies is toegenomen van 10% in 1990 tot 23% in 2023.

8.

Kan de regering aangeven in hoeverre houtstook lokaal bijdraagt aan overschrijdingen of verslechtering van de luchtkwaliteit, met name in woonwijken en tijdens winterse perioden?

Het RIVM heeft op basis van de beschikbare data afgeleid dat houtstook door consumenten in Nederland voor ruim 5% bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM2,5-fractie) in Nederland. In stedelijk gebied kan deze bijdrage oplopen tot ongeveer 8%. Als ook de bijdrage van houtstook in het buitenland wordt meegenomen, dan is de relatieve bijdrage van houtstook aan de totale jaargemiddelde fijnstofconcentratie hoger. Met de «lokale GCN-tool» kan per gemeente de bijdrage van verschillende typen bronnen aan emissies en concentraties luchtvervuilende stoffen worden opgezocht15. Omdat houtstook voornamelijk in de wintermaanden plaatsvindt, kan de concentratiebijdrage op een winteravond lokaal toenemen tot ruim 30%. De kortdurende bijdrage van houtstook op lokale schaal wordt niet apart door het RIVM berekend. Daarmee kan niet exact worden bepaald in hoeverre houtstook bijdraagt aan eventuele lokale overschrijdingen van de daggemiddelde grenswaarde voor fijnstof.

9.

Acht de regering het verantwoord dat houtstook nog steeds wordt toegestaan terwijl omwonenden zich hier nauwelijks tegen kunnen beschermen, zelfs niet wanneer zij aantoonbare gezondheidsklachten ondervinden?

Antwoord:

Emissies van houtstook hebben vooral lokaal effect. Daarom vraagt de aanpak van deze emissies om lokale oplossingen. Het is, net als vele andere bronnen, onderwerp van gesprek als het gaat om het reduceren van emissies en het verbeteren van de luchtkwaliteit, en daarmee het reduceren van gezondheidsschade. Veel mensen zijn zich niet bewust van het feit dat de inzet van houtkachels niet duurzaam is, en de uitstoot nadelige effecten heeft op de gezondheid en het leefmilieu16. Daarom zet het kabinet zich in om mensen meer bewust te maken over de gevolgen van houtstook op de gezondheid, met het advies om geen hout te stoken als de Stookwijzer17 code oranje of rood aangeeft. Dit betreft situaties waarin de luchtkwaliteit reeds slecht is door hoge concentraties fijn stof en/of het niet of weinig waait.

10.

Welke concrete maatregelen neemt de regering op dit moment om de uitstoot van schadelijke stoffen door houtstook terug te dringen? Waarom zijn deze maatregelen naar de mening van de regering tot nu toe onvoldoende gebleken?

Antwoord:

Naast een landelijke bewustwordingscampagne over de gezondheidseffecten van houtstook door Milieu Centraal, zijn er via het Schone Lucht Akkoord (SLA) producten ontwikkeld om gemeenten te ondersteunen in hun lokale aanpak van overlast door houtstook, zoals juridische stappenplannen, handhavingsblauwdrukken en communicatietoolkits. Daarnaast is het ook belangrijk dat de Stookwijzer bekender wordt. Als mensen de Stookwijzer meer gaan gebruiken en (vrijwillig) minder of niet gaan stoken tijdens ongunstige weersomstandigheden, zal dat de overlast van houtstook voor de omgeving sterk verminderen.

11.

Is de regering bereid over te gaan tot strengere landelijke regelgeving voor houtstook, zoals een verbod bij ongunstige weersomstandigheden, strengere emissie-eisen of het uitfaseren van particuliere houtkachels? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Overlast door houtstook is vooral een lokaal probleem en vraagt om lokale oplossingen. De situatie in steden is anders dan in een dorpskern, en een dorpskern is weer anders dan een buitengebied. De inzet van het Rijk is gericht op het informeren van burgers, en het adviseren om bij ongunstige weersomstandigheden (code oranje/rood stookwijzer) niet te stoken. In het kader van het Schone Lucht Akkoord heeft het Ministerie van IenW voorbeeldregels voor houtstook in het omgevingsplan laten opstellen, evenals een handreiking gericht op handhavingsmogelijkheden voor gemeenten. Gemeenten kunnen via hun Omgevingsvisie en Omgevingsplan lokaal doelen stellen ten aanzien van de leefomgeving en daarop handhaven. Hieronder valt ook de luchtkwaliteit en dus ook het gebruik van onder andere kachels en haarden. Een landelijk algeheel verbod op het stoken van hout bij ongunstige weersomstandigheden of het actief uitfaseren van houtkachels, is op dit moment niet aan de orde.

12.

Kan de regering de leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA toelichten hoe de kwaliteit en betrouwbaarheid van de gegevens in de aan de orde zijnde rapportage worden geborgd, nu lokale overheden een grote rol spelen in de aanlevering en correctie van data?

Antwoord:

Lokale overheden spelen al sinds 2010 een grote en belangrijke rol bij het aanleveren van data voor de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Sinds 2024 is dat de Monitoring Luchtkwaliteit. De lokale overheden zijn zelf eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de data. Met de herziene richtlijn verandert deze werkwijze niet.

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat staat de lokale overheden bij met een helpdesk, het bij Rijkswaterstaat gevestigde Informatiepunt Leefomgeving (IPLO), en met het RIVM. Ook het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) maakt het voor de bevoegde gezagen inzichtelijk waar nog onvolkomenheden zijn in de ingevoerde gegevens. Dit wordt samen met de overige functionaliteit van CIMLK regelmatig verbeterd en van updates voorzien.

Het RIVM geeft ook zelf in de analyse feedback aan de bevoegde gezagen. In een hoofdstuk van de rapportage staan ook elk jaar enkele van de bevindingen van het RIVM benoemd die de bevoegde gezagen mee kunnen nemen om de kwaliteit van hun gegevens te verbeteren.

13.

Deelt de regering de mening van de leden van de fracties van de PvdD en GroenLinks-PvdA inhoudende dat informatie over luchtkwaliteit volledig openbaar en begrijpelijk moet zijn voor burgers en maatschappelijke organisaties? Zo ja, waarom zijn veel monitoringsgegevens momenteel alleen toegankelijk voor specialisten?

Antwoord:

Ja, openbaarheid van milieudata is belangrijk. De monitoringsgegevens van de monitoring luchtkwaliteit worden daarom gelijktijdig met de toelichting in de monitoringsrapportage openbaar gemaakt op de website van het CIMLK18 waar iedere burger en maatschappelijk organisatie deze kan raadplegen.

Het RIVM werkt samen met het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) continu aan de duiding van luchtkwaliteitsdata, zodat deze inzichtelijker en begrijpelijker zijn, en voor het grote publiek toegankelijk. Het kabinet deelt dan ook niet de stelling dat veel van deze informatie enkel voor specialisten toegankelijk zou zijn.

14.

Acht de regering het wenselijk dat de definitieve resultaten van de monitor pas relatief laat beschikbaar komen, terwijl luchtvervuiling een acuut gezondheidsrisico vormt? Is de regering bereid te kijken naar versnelling van dit proces?

Antwoord:

Voor een goede monitoringsrapportage zijn in samenwerking met medeoverheden intensieve kwaliteitscontroles nodig. Versnellen van het proces brengt het risico met zich mee dat de kwaliteit minder wordt of dat toelichting bij de data ontbreekt.

Voor acute situaties waarbij sprake is van matige of ernstige smog geldt dat de bevolking direct gewaarschuwd wordt. In de richtlijn Luchtkwaliteit is dit ook verankerd. In Nederland is het RIVM gemandateerd om deze waarschuwingen af te geven en deze te verspreiden. Dit doet het RIVM op basis van luchtkwaliteitsverwachtingen en actuele metingen19. Verdere informatie over hoe de waarschuwing verspreid wordt, is te vinden op de website van het Informatiepunt Leefomgeving en in het Modeldraaiboek Smog20. Met de herziening van de richtlijn zijn de eisen aan deze waarschuwingen aangescherpt. Onder andere zijn verhoogde concentraties van fijnstof nu ook opgenomen als reden voor een waarschuwing. Iets wat in Nederland al het geval was.

15.

Wat leert de rapportage over de effectiviteit van bestaand beleid, zoals het Schone Lucht Akkoord? Ligt Nederland op koers om de gestelde doelen te halen?

Antwoord:

In de monitoringsrapportage luchtkwaliteit 2025 toetst het RIVM aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Bijna overal voldoet Nederland aan de huidige grenswaarden voor luchtkwaliteit. Maatregelen uit het Schone Lucht Akkoord (SLA), maar ook maatregelen die genomen worden in het kader van de energietransitie, en de aanpak van klimaatverandering en de stikstofdepositie, hebben daaraan bijgedragen.

Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 202421, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen). Belangrijke kanttekening bij deze resultaten is dat hierbij wel ervan uit wordt gegaan dat het beleid dat zowel in het SLA als in de klimaat- en stikstofaanpak is geformuleerd, doorgang vindt. In 2026 komt er weer een nieuwe voortgangsmeting uit.

16.

Kan de regering aangeven welke extra maatregelen worden genomen indien blijkt dat Nederland ook in de toekomst niet zal voldoen aan de aangescherpte Europese normen en de WHO-advieswaarden?

Antwoord:

Het kabinet kan op dit moment nog niet aangeven welke extra maatregelen genomen zullen worden om dreigende overschrijdingen in 2030 van de grenswaarden uit de herziene richtlijn Luchtkwaliteit te voorkomen. Voor sommige plaatsen zijn extra maatregelen nodig. Momenteel wordt in overleg met decentrale overheden overlegd welke maatregelen dat kunnen zijn. Het gaat hierbij zowel om generieke maatregelen, gericht op het verlagen van de achtergrondconcentratie, als om locatiespecifieke maatregelen, gericht op het voorkomen van een of meerdere lokale overschrijdingen.

De aangescherpte normen voor 2030 vormen een belangrijke tussenstap richting de advieswaarden van de WHO. De richtlijn bevat hiervoor een stappenplan, in de vorm van de verplichtingen om de gemiddelde blootstelling te verminderen: na 2030 zullen de gemiddelde concentraties in stedelijke gebieden geleidelijk moeten dalen, totdat de advieswaarden van de WHO bereikt zijn. Het grote voordeel van deze Europese aanpak is dat de landen om ons heen ook verplicht zijn concentraties te laten dalen met dit tempo, waardoor de kans dat de advieswaarden in zicht komen een stuk groter is dan als Nederland dit alleen zou doen.

17.

Welke mogelijkheden hebben burgers momenteel om op te komen tegen situaties waarin de luchtkwaliteit hun gezondheid aantoonbaar schaadt?

Antwoord:

Burgers en maatschappelijke organisaties die menen rechtstreeks te worden getroffen door de overschrijding van de grenswaarden kunnen bij de bevoegde rechterlijke instanties het bevoegd gezag verzoeken om een luchtkwaliteitsplan met maatregelen op te stellen. Als dat uitblijft kunnen zij in beroep gaan. Onder specifieke voorwaarden is daarnaast een verzoek om schadevergoeding mogelijk.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 175, nr. 481

X Noot
6

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 246, nr. 5

X Noot
7

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 175, nr. 481

X Noot
13

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 175, nr. 481

X Noot
16

Zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 30 175, nr. 448

X Noot
19

Meer informatie hierover staat op: www.luchtmeetnet.nl

X Noot
21

Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 30 175, nr. 464


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 175, nr. 481

X Noot
6

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 246, nr. 5

X Noot
7

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 175, nr. 481

X Noot
13

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 175, nr. 481

X Noot
16

Zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 30 175, nr. 448

X Noot
19

Meer informatie hierover staat op: www.luchtmeetnet.nl

X Noot
21

Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 30 175, nr. 464

Naar boven