30 175
Besluit luchtkwaliteit 2005

nr. 24
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 april 2007

Met deze brief wil ik u informeren over de conclusies van het vooronderzoek van TNO naar de mogelijke schadelijke effecten van retroft-roetfilters en wil u informeren hoe ik hier mee om ga.

Roetfilters zijn nodig voor de gezondheid. Zij zijn een essentieel onderdeel uit het maatregelenpakket van de rijksoverheid om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen. Uit alle bekende onderzoeken blijkt dat retrofit-roetfilters effectief zijn om fijn stof te reduceren. Uit het vooronderzoek van TNO blijkt dat de door de TU Delft naar voren gebrachte risico’s op de vorming van zeer fijne deeltjes en nitro-Pak en oxi-PAK vooral gebaseerd zijn op vermoedens, verschijnselen die in theorie kunnen plaatsvinden, en niet op wetenschappelijk onderzoek. Op basis hiervan zie ik geen reden voor ongerustheid.

Het vooronderzoek van TNO is vrijwel afgerond. TNO heeft de conclusies per brief1 al aan mij bekend gemaakt. Op basis van het vooronderzoek concludeert TNO dat bij het gebruik van retrofit roetfilters een afname verwacht wordt van toxische componenten en dat er vooralsnog geen reden is tot het nemen van draconische maatregelen zoals het stopzetten van de subsideregeling voor retrofit roetfilters. Het RIVM trekt dezelfde conclusie: roetfilters zijn naar verwachting per saldo positief voor de gezondheid. Hoewel de uitworp van dit type uitlaatgascomponenten door retrofit roetfilters mogelijk kan toenemen zal de gezondheidsbalans toch positief zijn en de hoeveelheid fijnstof uitgedruk in massa afnemen. Bij de huidige inzichten van de WHO wordt de reductie van de massaconcentratie van fijn stof nog steeds als een «no regret» benadering gezien. Wel adviseren TNO en het RIVM om verder onderzoek uit te voeren om precies te weten wat er in het filter gebeurt. Bij dat onderzoek zal er worden gemeten welke deeltjes er precies uit het filter komen en wat voor een invloed al deze deeltjes op de gezondheid hebben. Het onderzoek dient om het mogelijke effect te kwantificeren en, indien daar toch aanleiding toe blijkt te zijn, eisen te formuleren aan de uitstoot van deze uitlaatgas-componenten.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven