Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630171 nr. 6

30 171
Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Justitie (Reparatiewet II Justitie)

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 17 oktober 2005

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Onder vernummering van artikel I tot artikel Ia wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL I

De Algemene wet bestuursrecht wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 3:1, tweede lid, wordt «de afdelingen 3.2 tot en met 3.5» vervangen door: de afdelingen 3.2 tot en met 3.4.

B

In de artikelen 7:14 en 7:27 van de Algemene wet bestuursrecht wordt «de afdelingen 3.4 en 3.5» vervangen door: afdeling 3.4.

2

Artikel Ia (nieuw) wordt gewijzigd als volgt:

a. Na het opschrift «ARTIKEL Ia» wordt ingevoegd:

De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 16, zesde en zevende lid, komen te luiden als volgt:

6. In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een jeugdige kan de selectiefunctionaris, met inachtneming van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, bepalen dat de jeugdige naar een psychiatrisch ziekenhuisals bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om daar zolang als dat noodzakelijk is te worden verpleegd.

7. Onze Minister stelt nadere regels vast omtrent de procedure van plaatsing en overplaatsing en overbrenging, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk het zesde lid, en omtrent de wijze waarop het vervoer van de jeugdige plaatsvindt.

B

b. In onderdeel B (nieuw) vervalt: van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

3

Artikel XI wordt gewijzigd als volgt:

Na de aanhef worden drie onderdelen ingevoegd, luidende:

aA

In artikel 18, tweede lid, tweede volzin, wordt «het aanvraag» vervangen door: de aanvraag.

bA

Artikel 21 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt na «artikel 3:12, eerste lid,» ingevoegd: van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Het derde en vierde lid, komen te luiden:

3. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. In afwijking van artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden zienswijzen naar voren gebracht bij een commissie, ingesteld door gedeputeerde staten van de provincies, bedoeld in artikel 19, tweede lid. Gedeputeerde staten van de provincies, bedoeld in artikel 19, tweede lid, wijzen gezamenlijk de voorzitter van de commissie aan. De commissie bestaat voorts uit:

a. een lid van elk van die colleges van gedeputeerde staten door hen aangewezen;

b. één vertegenwoordiger, aangewezen door Onze Minister;

c. twee vertegenwoordigers, aangewezen door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

d. twee door burgemeester en wethouders van elke gemeente als bedoeld in artikel 19, tweede lid, aan te wijzen vertegenwoordigers, waarvan tenminste een als vertegenwoordiger van de omwonenden van het betrokken luchtvaartterrein kan worden beschouwd.

4. Gedeputeerde staten kunnen verzoeken dat in voorkomende gevallen ook andere ministers deskundigen als lid aanwijzen.

cA

In artikel 22, eerste lid, wordt «de ontwerpbesluit» vervangen door: het ontwerpbesluit.

4

Na artikel XI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIa

In artikel 5, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 wordt «artikel 54, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie» vervangen door: artikel 54, derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

5

Artikel XIII komt te luiden:

ARTIKEL XIII

De onteigeningswet wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 57, eerste lid, wordt «arrondissementsrechtbank» vervangen door: rechtbank.

B

In artikel 72a, derde lid, onderdeel 3°, wordt «overlegd» vervangen door: overgelegd.

6

Artikel XIV wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel B komt als volgt te luiden:

B

Artikel 4 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «uitvaardigende autoriteit» vervangen door: uitvaardigende justitiële autoriteit.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt:

2. Met het oog op de opsporing en aanhouding in een lidstaat van de Europese Unie die geen toegang heeft tot het Schengen-informatiesysteem kan de uitvaardigende justitiële autoriteit eveneens besluiten de opgeëiste persoon te signaleren via Interpol.

3. In het derde lid wordt na «eerste» toegevoegd: en tweede.

b. Na onderdeel C wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ca

In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, wordt «een feit als onder 1° en 2°» vervangen door: een feit als onder 1° of 2°.

c. Onderdeel G komt te luiden:

G

In artikel 16 wordt in de de eerste volzin na «artikel 4, eerste» ingevoegd: en tweede en wordt in de tweede volzin «artikel 16, tweede lid,« vervangen door: artikel 16, eerste en derde lid,.

d. Onderdeel H komt als volgt te luiden:

H

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vijfde lid wordt «voorlopige aanhouding» vervangen door: aanhouding.

2. In het zevende lid wordt «vierde» vervangen door: vijfde

e. Na onderdeel H wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Ha

In artikel 22, vierde lid, wordt «uitvaardigende autoriteit» vervangen door: uitvaardigende justitiële autoriteit.

f. Onderdeel I komt als volgt te luiden:

I

Artikel 23 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «uitvaardigende autoriteit» vervangen door: uitvaardigende justitiële autoriteit.

2. In het vierde lid wordt «tweede» vervangen door: derde.

g. Onderdeel J komt als volgt te luiden:

J

Artikel 28 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «zeven» vervangen door: veertien.

2. In het vijfde lid wordt «uitvaardigende autoriteit» vervangen door: uitvaardigende justitiële autoriteit.

7

Na artikel XIV wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIVa

De Penitentiaire beginselenwet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 36, vierde lid, wordt gewijzigd als volgt:

1. De onderdelen b en c worden geletterd c en d.

2. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

b. de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid;.

B

Artikel 38 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, tweede volzin, wordt na «de toelating» ingevoegd: en weigering.

2. In het derde lid, tweede volzin, wordt «drie» vervangen door: twaalf.

C

Artikel 39 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid, tweede volzin, wordt «drie» vervangen door: twaalf.

2. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken.

8

Na artikel XV wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XVa

In artikel 41, vijfde lid, onderdeel b, van de Reconstructiewet concentratiegebieden vervalt: van de Algemene wet bestuursrecht.

9

Artikel XVII wordt als volgt gewijzigd:

a. Na het opschrift «ARTIKEL XVII» wordt ingevoegd:

De Uitleveringswet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 13a wordt in de tweede volzin «artikel 16, tweede lid,» vervangen door: artikel 16, eerste en derde lid,.

B

b. In onderdeel B (nieuw) vervalt: van de Uitleveringswet.

10

Artikel XXII komt te luiden:

ARTIKEL XXII

De Wet bescherming persoonsgegevens wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 25, vierde lid, komt te luiden:

4. Een beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Op de voorbereiding ervan is afdeling 3.4 van die wet van toepassing.

B

In artikel 32, vierde lid, tweede volzin, wordt «dertien weken» vervangen door: twintig weken.

C

In artikel 53, tweede lid, wordt «arrondissementsrechtbank» vervangen door: rechtbank.

D

In artikel 66, eerste lid, wordt de zinsnede «bij of krachtens artikel 27 of 28 is bepaald» vervangen door: bij of krachtens artikel 27, 28 of 79, eerste lid, is bepaald.

11

In artikel XXIV wordt na onderdeel A een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In artikel 33, zevende lid, wordt na «8a»in gevoegd: , 9, vijfde lid,.

12

Na artikel XXVI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXVIa

In artikel 1 van de Wet van 24 februari 1955, houdende regeling van gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken en beschikkingen van de Europese gemeenschappen wordt «het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap» vervangen door: het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

13

In artikel XXXII wordt «artikel 180» vervangen door: artikel 179.

14

De artikelen XXXX tot en met XXXXIX worden aangeduid als onderscheidenlijk de artikelen XL, XLI, XLII, XLIII, XLIV, XLV, XLVI, XLVII, XLVIII en XLIX.

15

Na artikel XLIII (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XLIIIa

Indien het bij koninklijke boodschap van 22 juli 2002 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (28 484) tot wet is verheven en in werking treedt of in werking is getreden, wordt in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering «artikel 175, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994» vervangen door: artikel 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994.

16

In de aanhef van artikel XLVII (nieuw) wordt «in werking treedt en tot wet is of wordt verheven» vervangen door «tot wet is verheven en die wet in werking treedt of is getreden» en wordt na «artikel 4a» ingevoegd: , tweede lid,.

17

Na artikel XLVII (nieuw) wordt een artikel toegevoegd, luidende:

ARTIKEL XLVIIa

Indien het bij koninklijke boodschap van 29 oktober 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Wet OM-afdoening) (29 849) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt of is getreden, worden de hierna te noemen wetten als volgt gewijzigd:

A

In artikel 76, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt «de artikelen 257a en 257b» vervangen door: de artikelen 257a, 257b en 257ba.

B

De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens als volgt gewijzigd:

1. Artikel 8, derde lid, komt te luiden:

3. Aan lichamen of personen aan wie krachtens artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid is toegekend een strafbeschikking uit te vaardigen, worden ten behoeve van de uitoefening van die bevoegdheid justitiële gegevens verstrekt met betrekking tot de delicten waarop hun bevoegdheid betrekking heeft.

2. Artikel 39e, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

c. lichamen of personen aan wie krachtens artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid is toegekend een strafbeschikking uit te vaardigen;.

18

Na artikel XLV (nieuw) wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XLVa

Indien het bij koninklijke boodschap van 9 juli 2004 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand houdende aanpassing van het inkomens- en vermogensbegrip aan het fiscale inkomens- en vermogensbegrip tot wet wordt verheven en in werking is getreden wordt in de laatste zin van artikel 34d, derde lid, de zinsnede «telkens onder d» vervangen door: telkens onder e.

19

Na artikel XLI (nieuw) wordt een nieuw artikel ingevoegd, dat luidt:

ARTIKEL XLIa

Indien het bij koninklijke boodschap van 8 juli 1999 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie (computercriminaliteit II) (26 671) tot wet is of wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel K betreffende de wijziging van artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt de zinsnede «een betaalpas, waardekaart of enige andere voor het publiek beschikbare kaart en voor het publiek beschikbare drager van identiteitsgegevens» vervangen door: een betaalpas, waardekaart, enige andere voor het publiek beschikbare kaart of een voor het publiek beschikbare drager van identiteitsgegevens.

B

In artikel II, onderdeel K betreffende de wijziging van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, wordt in onderdeel 2 «tweede lid» wordt vervangen door «derde lid», in onderdeel 3 «derde lid» door «vierde lid» en in onderdeel 4 «vierde lid» door «vijfde lid».

Toelichting

1. Algemene wet bestuursrecht

Ingevolge de op 1 juli 2005 in werking getreden Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zijn de afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) samengevoegd tot een nieuwe afdeling 3.4. Abusievelijk zijn enkele verwijzingen naar de daarmee vervallen afdeling 3.5 Awb in enkele artikelen van de Awb nog niet aangepast. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

2. Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen

Door middel van deze wijziging wordt een onvolkomenheid hersteld in de wijziging van artikel 16 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen zoals die is aangebracht ingevolge de wet van 7 april 2005 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en enige andere wetten onder meer naar aanleiding van evaluatieonderzoeken (Stb. 2005, 194).

3. Luchtvaartwet

Via deze wijzigingen worden enkele onvolkomenheden hersteld in wijzigingen van de artikelen 18, 21 en 22 van de Luchtvaartwet zoals deze zijn aangebracht ingevolge de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb.

4. Militaire Ambtenarenwet 1931

Deze wijziging herstelt een foutieve verwijzing in artikel 5, eerste lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 die is ontstaan bij de wijziging van die bepaling ingevolge de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie. Daarbij was geen rekening gehouden met de vernummering van de leden van artikel 54 (in de voorlopige nummering: artikel 2.3.3.5) van de Wet op de rechterlijke organisatie ingevolge onderdeel A.r van de eerste nota van wijziging bij het wetsvoorstel organisatie en bestuur gerechten (Kamerstukken II 2000/01, 27 181, nr. 7).

5. onteigeningswet

De wijziging van artikel 72a, derde lid, onderdeel 3°, onteigeningswet is nieuw. Hiermee wordt alsnog een wijziging doorgevoerd die in de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb foutief was weergeven omdat het te wijzigen onderdeel niet juist was aangeduid.

6. Overleveringswet

Het betreft hier herstel van redactionele fouten en foutieve verwijzingen.

7. Penitentiaire beginselenwet

De artikelen 38 en 39 van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) bevatten regels omtrent het toelaten van bezoek aan gedetineerden en het recht van de gedetineerde om telefoongesprekken te voeren. Voor zowel het bezoek als het telefoneren geldt dat de directeur van de penitentiaire inrichting de toelating tot de gedetineerde van een bepaald persoon of bepaalde personen resp. de gelegenheid tot het voeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken kan weigeren. De directeur kan dit doen indien dit noodzakelijk is met het oog op een van de belangen genoemd in het vierde lid van artikel 36, te weten: de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, de voorkoming of opsporing van strafbare feiten, de bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven. Voorgesteld wordt aan deze belangen toe te voegen: de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid. Het toevoegen van deze grond dient ertoe zeker te stellen dat contacten tussen de gedetineerde en een bepaalde persoon of bepaalde personen, door middel van bezoek of telefoneren, ook kunnen worden geweigerd indien deze contacten uit een oogpunt van de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid onwenselijk worden geacht. Het huidige vierde lid van artikel 36 Pbw onderkent dat bepaalde contacten van een gedetineerde een gevaar kunnen opleveren voor de orde of de veiligheid in de inrichting. Onvoldoende wordt echter onderkend dat contacten van een gedetineerde met de buitenwereld ook gevaar kunnen opleveren voor de samenleving. Weliswaar kan contact geweigerd worden met het oog op de voorkoming of opsporing van strafbare feiten en ter bescherming van slachtoffers van of anderszins betrokkenen bij misdrijven, maar deze gronden zullen niet in alle gevallen voldoen. Indien bijvoorbeeld een gedetineerde is veroordeeld voor een terroristisch misdrijf, is het ontoelaatbaar dat hij via (geestverwante) bezoekers een boodschap van radicalisering en het niet aanvaarden van Nederlandse fundamentele waarden en normen blijft verspreiden, terwijl er geen aanwijzingen behoeven te zijn dat door het weigeren van het bezoek ook strafbare feiten kunnen worden voorkomen. Verder dient te worden voorkomen dat de gedetineerde contact kan onderhouden met personen omtrent wie aanwijzingen bestaan, bijvoorbeeld op grond van informatie van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, dat zij op enigerlei wijze betrokken zijn bij de voorbereiding van ernstige misdrijven, zonder dat sprake is van verdenking in strafrechtelijke zin. Door het toevoegen van de bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid als grond voor het weigeren van bepaalde contacten van de gedetineerde met de buitenwereld is verzekerd dat in alle gevallen waarin dat noodzakelijk wordt geacht deze contacten kunnen worden geweigerd.

Met de voorgestelde wijziging van artikel 36 komt deze bepaling ook meer in lijn met artikel 40, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet, waarin het belang van de bescherming van de openbare orde thans al is opgenomen (onderdeel b).

De weigering van bepaald bezoek en bepaalde telefoongesprekken geldt thans voor ten hoogste drie maanden. Voorgesteld wordt de maximale termijn te verhogen tot twaalf maanden. De reden hiervoor ligt in het verlengde van het voorgaande. Met betrekking tot bepaalde gedetineerden kan worden vastgesteld dat bepaalde contacten met bepaalde personen buiten de inrichting voor langere tijd onwenselijk worden geacht. In dergelijke gevallen is er geen noodzaak om iedere drie maanden te bekijken of een bepaalde persoon wel als bezoeker tot een gedetineerde kan worden toegelaten dan wel of een telefoongesprek dient te worden toegestaan. Te denken valt aan het hiervoor genoemde voorbeeld van de gedetineerde veroordeelde wegens een terroristisch misdrijf. Ook valt te denken aan gevallen waarin de gedetineerde die veroordeeld is voor bijvoorbeeld een zedenmisdrijf contact zou willen opnemen met een of meer slachtoffers. Het spreekt voor zich dat dergelijke contacten ook na verloop van drie maanden onwenselijk zijn.

De vraag rijst in dit verband of niet mogelijk zou moeten worden gemaakt om bepaalde contacten voor onbepaalde tijd te weigeren. Dit wordt niet voorgesteld. De reden hiervoor is niet dat ondenkbaar is dat bepaalde contacten voor onbepaalde tijd (tot aan de gehele duur van de detentie) zouden worden geweigerd, maar heeft er mee te maken dat ook in het geval dat bepaalde contacten voor onbepaalde tijd zouden zijn geweigerd het de gedetineerde vrij staat om na verloop van tijd opnieuw de toelating van eerder geweigerd bezoek of het toestaan van een eerder geweigerd telefoongesprek te verzoeken. Tegen een nieuwe weigering van de directeur om deze contacten toe te staan, kan de gedetineerde in beklag gaan bij de beklagcommissie van de inrichting. Hiermee is een periodieke toetsing van de weigering van bepaalde contacten gegeven. Bij gebrek aan een wettelijke termijn zal de penitentiaire beklagen beroepsrechter genoodzaakt zijn een antwoord te geven op de vraag na welk verloop van tijd de gedetineerde een nieuw verzoek mag doen met betrekking tot eerder geweigerde contacten.

Voorgesteld wordt derhalve om de weigering van bepaalde contacten te verbinden aan een termijn van ten hoogste twaalf maanden. De keuze voor een periode van twaalf maanden betekent een aanzienlijke verruiming ten opzichte van de bestaande termijn van ten hoogste drie maanden. Daarnaast geeft deze keuze de mogelijkheid om in verreweg de meeste gevallen bepaalde contacten voor de duur van de gehele detentie te verbieden. Ruim 80% van de opgelegde vrijheidsstraffen betreft immers straffen met een duur van niet meer dan een jaar.

In een ministeriële regeling zal nader worden aangegeven in welke gevallen bezoek van en telefonisch contact met een bepaald persoon of bepaalde personen voor de maximale termijn kan worden geweigerd. In de meeste gevallen zal het toepassen van de maximale termijn niet nodig zijn en kan worden volstaan met de bestaande termijn van drie maanden. In de gevallen die hiervoor zijn genoemd en die de reden vormen voor de onderhavige wijziging is weigering van bepaalde contacten voor de maximale termijn uiteraard wel aan de orde.

Voor de voornoemde ministeriële regeling biedt artikel 38, eerste lid, Pbw de grondslag. In dit lid is onder meer bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de toelating van bezoek. Om iedere onduidelijkheid te vermijden, wordt voorgesteld om deze bepaling in die zin te wijzigen dat de nadere regels niet alleen betrekking kunnen hebben op de toelating van bezoek, maar ook op de weigering bepaalde personen tot de gedetineerde toe te laten.

Artikel 39 Pbw betreffende het voeren van telefoongesprekken door de gedetineerde kent geen grondslag voor een ministeriële regeling omtrent het weigeren van een bepaald telefoongesprek of bepaalde telefoongesprekken. Voorgesteld wordt deze grondslag aan het derde lid van artikel 39 toe te voegen.

8. Reconstructiewet

Bij de wijziging van artikel 41, vijfde lid, onderdeel b, van de Reconstructiewet ingevolge de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb is abusievelijk de zinsnede «van de Algemene wet bestuursrecht» niet geschrapt. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

9. Uitleveringswet

Een foutieve verwijzing wordt thans hersteld.

10. Wet bescherming persoonsgegevens

De wijziging in de onderdelen A, B en D zijn nieuw.

Met onderdeel A wordt alsnog op de juiste wijze een wijziging aangebracht in artikel 25, vierde lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) die foutief was weergegeven in de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb.

Met onderdeel B wordt een omissie hersteld in artikel 32 Wbp in verband met de invoering van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (nieuwe afdeling 3.4 Awb) per 1 juli 2005. Deze procedure is van toepassing geworden op verklaringen van het College bescherming persoonsgegevens omtrent de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de zin van artikel 32 Wbp. Anders dan bij de toepassing van de voorheen geldende openbare voorbereidingsprocedure (oude afdeling 3.4 Awb) het geval was, dient ingevolge de nieuwe procedure steeds een ontwerpverklaring ter inzage te worden gelegd, waarover belanghebbenden vervolgens gedurende zes weken zienswijzen naar voren kunnen brengen. Deze ontwerpverklaring zal pas kunnen worden opgesteld na het zogeheten nader onderzoek in de zin van artikel 32 Wbp, waar voorheen na het nader onderzoek de verklaring zelf kon worden vastgesteld. Dit betekent dat de voorheen geldende beslistermijn van 13 weken, gerekend vanaf de start van het nader onderzoek, niet meer kan worden toegepast. Derhalve wordt de beslistermijn aangepast, waarbij rekening is gehouden met de zienswijzeprocedure na afronding van het nader onderzoek. Aangezien dit gevolg van de toepasselijkheid van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure eerst thans is onderkend, was deze aanpassing niet opgenomen in de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb.

In onderdeel D wordt een wijziging voorgesteld van artikel 66. In haar uitspraak van 21 september 2005, zaaknummer 200 504 372/1, stelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vast dat artikel 79, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) een zelfstandige norm stelt voor verwerkingen die op het moment van inwerkingtreding van de Wbp reeds bestonden, te weten: binnen een jaar na inwerkingtreding in overeenstemming brengen met deze wet en melden bij het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) of de functionaris. De enkele verwijzing in artikel 79, eerste lid, van de Wbp naar artikel 27 van die wet brengt niet met zich dat bij het achterwege blijven van de vereiste melding artikel 27 als zodanig is overtreden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan die bepaling, gelet op de tekst daarvan, alleen betrekking hebben op nieuwe gegevensverwerkingen. Dientengevolge is het Cbp ook niet bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen op grond van artikel 66, eerste lid, van de Wbp in geval van overtreding van artikel 79, eerste lid, van die wet. Artikel 66 Wbp kent aan het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) in bepaalde gevallen de bevoegdheid toe om een bestuurlijke boete op te leggen. Het gaat om sanctionering van overtredingen van de Wbp die alle betrekking hebben op de verplichting om verwerkingen bij het Cbp te melden. Artikel 79, eerste lid, Wbp bevat een (soortgelijke) verplichting om gegevensverwerkingen die op het moment van inwerkingtreding van de Wbp reeds plaatsvonden te melden bij het Cbp of de functionaris voor de gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 Wbp. Evenals de feiten in de artikelen 27 en 28, zijn ook de feiten in artikel 79, eerste lid Wbp, geschikt om door middel van een boete bestuursrechtelijk te worden afgedaan. Zij voldoen evenzeer aan de voorwaarden die in het kabinetsbeleid inzake bestuurlijke boeten worden gesteld om voor bestuursrechtelijke afhandeling in aanmerking te komen. Het betreft hoofdzakelijk verplichtingen van administratieve aard. Het gaat derhalve niet om feiten die vanwege hun morele lading van een strafrechtelijke sanctionering moeten worden voorzien. Evenmin bestaat er een sterke behoefte aan toepassing van ingrijpende dwangmiddelen in welk geval handhaving van de bestaande strafrechtelijke sanctionering eveneens zou zijn aangewezen. De omvang van de aanmeldingsplicht zal in beginsel zodanig duidelijk uit de regelgeving, dan wel de daaruit voortvloeiende toepassingspraktijk, zijn af te leiden dat meestal gemakkelijk kan worden vastgesteld of een overtreding heeft plaatsgevonden. In het overgrote deel van de gevallen zal het Cbp een overtreding van de meldingsverplichting betrekkelijk eenvoudig kunnen constateren. Een uitgebreid onderzoek zal in dergelijke gevallen niet nodig zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt in haar uitspraak van 21 september 2005, zaaknummer 200504372/1, evenwel vast dat artikel 79, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) een zelfstandige norm stelt. Dit betekent dat de enkele verwijzing in artikel 79, eerste lid, van de Wbp naar artikel 27 van die wet niet met zich brengt dat bij het achterwege blijven van de vereiste melding artikel 27 als zodanig is overtreden. Die bepaling kan, gelet op de tekst daarvan, alleen betrekking hebben op nieuwe gegevensverwerkingen. Het Cbp is gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State thans niet bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen op grond van artikel 66, eerste lid, van de Wbp in geval van overtreding van artikel 79, eerste lid, van die wet. Gelet hierop en aangezien de feiten in artikel 79, eerste lid Wbp, evenzeer geschikt zijn om door middel van een boete bestuursrechtelijk te worden afgedaan, zijn wij van mening dat het dringend gewenst is om de Wbp te wijzigen en de bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen op grond van artikel 66, eerste lid, van de Wbp, uit te breiden tot overtredingen van artikel 79, eerste lid, van die wet.

Door in het eerste lid van artikel 66 de zinsnede «bij of krachtens artikel 27 of 28 is bepaald» te vervangen door «bij of krachtens artikel 27, 28 of 79, eerste lid, is bepaald», wordt de werkingssfeer en daarmee de bevoegdheid van het eerste lid uitgebreid tot de gegevensverwerkingen, bedoeld in artikel 79, eerste lid, Wbp. Met als gevolg dat het Cbp ook bevoegd is een bestuurlijke boete op te leggen op grond van artikel 66, eerste lid, van de Wbp in geval van overtreding van artikel 79, eerste lid, van die wet.

11. Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen kent een aantal vormen van beschikkingen die op verzoek door de rechter kunnen worden genomen. Tegen dergelijke beschikkingen staat in het stelsel van deze wet geen hoger beroep open maar slechts beroep in cassatie. Dit is geregeld in artikel 9, vijfde lid, en in andere artikelen van die wet waarin deze bepaling van overeenkomstige toepassing is verklaard. Dit laatste is abusievelijk verzuimd bij de regeling van de zogenaamde rechterlijke machtiging op eigen verzoek. Deze omissie wordt thans hersteld door in artikel 33, zevende lid, de bepaling van artikel 9, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing te verklaren.

12. Wet van 24 februari 1955, houdende regeling van gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken en beschikkingen van de Europese gemeenschappen

Deze voorgestelde wijziging betreft een technische wijziging in verband met de naamswijziging bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht), van de Europese Economische Gemeenschap naar de Europese Gemeenschap. Het Verdrag van Maastricht trad in werking op 1 november 1993. Met de onderhavige wijziging wordt de naamswijziging alsnog in de wet doorgevoerd.

13. Wet op de identificatieplicht

De wijziging beoogt een foutieve verwijzing te herstellen.

14 en 16. Wetboek van Strafrecht

Hiermee worden enkele redactionele onvolkomenheden in het wetsvoorstel hersteld.

15. Wetsvoorstel 28 484

In het wetsvoorstel herijking strafmaxima wordt voorgesteld artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijzigen. Omdat het om een omvangrijke wijziging gaat is dat wetsartikel in het wetsvoorstel herijking strafmaxima opnieuw uitgeschreven. Het bepaalt welke wettelijke strafmaxima zijn verbonden aan welke gevallen van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994: het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood dan wel lichamelijk letsel wordt toegebracht. Bij deze, materieelrechtelijke, wijziging van artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 is niet beoogd om veranderingen aan te brengen in de gevallen waarin overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 gevallen van voorlopige hechtenis opleveren in de betekenis van artikel 67, eerste lid, Sv. Bij deze wijzigingsoperatie is evenwel een van de gevallen waarin thans voorlopige hechtenis kan worden toegepast onbedoeld buiten de werking van artikel 67, eerste lid, Sv komen te vallen. In het navolgende wordt dit verduidelijkt.

De bestaande regeling is als volgt. Het door schuld veroorzaken van eenverkeersongeval waardoor een ander wordt gedood dan wel zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, is op zichzelf geen geval van voorlopige hechtenis. Op deze gevallen is in artikel 175, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geen maximale gevangenisstraf voorzien van vier jaren of meer, terwijl deze gevallen ook niet afzonderlijk in artikel 67, eerste lid, Sv zijn genoemd als gevallen waarin desalniettemin voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Gaat het feit evenwel gepaard met de strafverzwarende omstandigheden van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 dan is van een geval van voorlopige hechtenis sprake, wat betreft ongevallen met dodelijke afloop, omdat de maximale gevangenisstraf meer dan vier jaren bedraagt (namelijk: negen), en wat betreft verkeersongevallen met lichamelijk letsel als gevolg, omdat dit geval afzonderlijk in artikel 67, eerste lid, Sv is genoemd als een geval waarin, ondanks het feit dat het maximum van de gevangenisstraf minder dan vier jaren bedraagt (namelijk: drie) toch voorlopige hechtenis kan worden toegepast.

De in het wetsvoorstel herijking strafmaxima voorgestelde regeling is in essentie dezelfde, met dien verstande dat in het voorgestelde artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 een nieuwe strafverzwarende omstandigheid wordt voorgesteld, en de bestaande strafverzwarende omstandigheden verschuiven naar het derde lid van dat wetsartikel. De nieuwe strafverzwarende omstandigheid, opgenomen in het voorgestelde tweede lid, houdt in dat de schuld aan het verkeersongeval bestaat in roekeloosheid. Gaat het feit gepaard met roekeloosheid, dan is van een geval van voorlopige hechtenis sprake, wat betreft ongevallen met dodelijke afloop, omdat de maximale gevangenisstraf meer dan vier jaren bedraagt (namelijk: zes), en wat betreft verkeersongevallen met lichamelijk letsel als gevolg, omdat dit geval afzonderlijk in artikel 67, eerste lid, Sv is genoemd als een geval waarin, ondanks het feit dat de maximale gevangenisstraf minder dan vier jaren bedraagt (namelijk: drie) toch voorlopige hechtenis kan worden toegepast. In het voorgestelde artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn als gezegd de strafverzwarende omstandigheden overgenomen uit het bestaande artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en is bepaald dat onder die omstandigheden de maximale gevangenisstraffen van het eerste en tweede lid met de helft worden verhoogd. Dit werkt als volgt uit. In gevallen waarin de verkeersdeelnemer door roekeloosheid een verkeersongeval veroorzaakt, als bedoeld in artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en zich tevens een van de strafverzwarende omstandigheden uit het derde lid voordoet, worden de strafmaxima uit dat tweede lid met de helft verhoogd tot negen jaren bij dodelijke afloop en tot vier jaren en zes maanden indien door het verkeersongeval lichamelijk letsel is ontstaan. Dit zijn in gevolgde artikel 67, eerste lid, Sv alle gevallen van voorlopige hechtenis omdat de maximale gevangenisstraf meer dan vier jaren beloopt. In de gevallen waarin de verkeersdeelnemer door schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt in de zin van artikel 175, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994, waarbij het geen vereiste is dat deze schuld in roekeloosheid bestaat, en dit feit gepaard gaat met een van de strafverzwarende omstandigheden uit het derde lid, worden de maximale gevangenisstraffen uit het eerste lid met de helft verhoogd tot vier jaren en zes maanden bij dodelijk afloop en tot twee jaren en drie maanden indien door het verkeersongeval lichamelijk letsel is ontstaan. Het eerste geval (dodelijke afloop) is ingevolgde 67, eerste lid, Sv een geval van voorlopige hechtenis omdat de maximale gevangenisstraf meer dan vier jaren bedraagt. Het tweede geval (zwaar lichamelijk letsel) is geen geval van voorlopige hechtenis, omdat de maximale gevangenisstraf onder de vier jaren ligt en dit geval ook niet met zoveel woorden in artikel 67, eerste lid, Sv is genoemd als een geval waarin desondanks voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Dat laatste is een onbedoelde – en onwenselijke – inperking van de bestaande mogelijkheden om dwangmiddelen toe te passen in bijvoorbeeld de situatie dat de verkeersdeelnemer door schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, terwijl hij onder invloed reed. De voorgestelde wijziging herstelt deze omissie door deze categorie van gevallen alsnog aan artikel 67, eerste lid, Sv toe te voegen.

17. Wetsvoorstel 28 484

Als gevolg van het aangenomen amendement-Van Haersma Buma (Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 18) is in het gewijzigde wetsvoorstel OM-afdoening (Kamerstukken I 2004/05, 29 849, A) voorgesteld om aan het Wetboek van Strafvordering (Sv) een artikel 257ba toe te voegen en om artikel 37 van de Wet op de economische delicten te laten vervallen. Dit maakt een aantal wijzigingen van louter technische aard noodzakelijk.

Onderdeel A verduidelijkt dat de regeling inzake de fiscale strafbeschikking, zoals deze in (het in het wetsvoorstel OM-afdoening omgezette) artikel 76, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is opgenomen, niet alleen afwijkt van de in het wetsvoorstel OM-afdoening voorgestelde artikelen 257a en 257b Sv, maar ook van het daarin voorgestelde artikel 257ba Sv.

Onderdeel B verwijdert uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens de verwijzingen naar artikel 37 van de Wet op de economische delicten en voegt aan de eerstgenoemde wet verwijzingen naar artikel 257ba Sv toe.

18. Wetsvoorstel 29 685

Bij de derde nota van wijzing bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand houdende aanpassing van het inkomens- en vermogensbegrip aan het fiscale inkomensen vermogensbegrip zijn de inkomenscategorieën van vier naar vijf uitgebreid. Abusievelijk is deze uitbreiding niet doorgevoerd in artikel 34d, derde lid. Dit wordt thans hersteld.

19. Wetsvoorstel 26 671

Onderdeel A betreft een redactionele correctie in de opsomming van gegevensdragers waarvan in dit artikel van het Wetboek van Strafrecht de vervalsing is strafbaar gesteld. Deze opsomming is aangevuld bij amendement op het wetsvoorstel computercriminaliteit II (Kamerstukken II, 26 671, nr. 19). Het woordje «en» tussen de laatste twee genoemde gegevensdragers wordt vervangen door de woorden «of een». Zo wordt de betekenis van de bepaling dat de vervalsing van elk van de genoemde gegevensdragers strafbaar is, gehandhaafd en redactioneel tot uitdrukking gebracht.

Onderdeel B betreft een wijziging in de nummering van de artikelleden van artikel 552a Wetboek van Strafvordering. In het wetsvoorstel computercriminaliteit II (26 671) was een wijziging voorzien van enkele leden van dat artikel. Na de indiening van dat wetsvoorstel werd evenwel door middel van de wet van 18 maart 2004 (Vorderen gegevens financiële sector) (Stb. 109) een nieuw tweede lid toegevoegd aan het artikel, met vernummering van de daarop volgende artikelleden. Deze vernummering dient nog te worden verwerkt in wetsvoorstel 26 671, hetgeen hierbij wordt gedaan.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner