Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200530171 nr. 4

30 171
Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Justitie (Reparatiewet II Justitie)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 15 september 2005

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de regering de vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslagingen over dit voorstel van wet voldoende voorbereid.

1. Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zoals ook de regering opmerkt, is het in het wetgevingsproces onvermijdelijk dat men wel eens steekje laat vallen. Deze leden steunen het voornemen van de regering onvolkomenheden op het terrein van de justitiewetgeving te rectificeren in reparatiewetten per ministerie. Zij hebben vooralsnog alleen vragen naar aanleiding van de voorgestelde wijzigingen van de Overleveringswet (artikel XIV).

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het ministerie van justitie. Zij blijven echter met enkele vragen zitten. De regering geeft aan dat op het moment dat het wetsvoorstel van de leden Dittrich en Van Haersma Buma tot wet wordt verheven de bewaartermijn van de strafvorderlijke gegevens van een overledene van 18 jaar dient te worden aangepast. De regering kiest voor een verjaringstermijn van 20 jaar, omdat een langere termijn doorgaans in redelijkheid geen opsporings- en vervolgingsbelang meer heeft. Waarom moet de termijn dan wel met twee jaar worden verlengd en waar blijft het argument van de regering voor de bewaarplicht van strafvorderlijke gegevens na het overlijden van een veroordeelde, te weten dat na de dood van de veroordeelde, bekend kan worden dat niet de overleden verdachte maar een ander verantwoordelijk is voor het plegen van een misdrijf. Deze conclusie kan ook na bijvoorbeeld 21 jaar worden getrokken en leiden tot de veroordeling van een andere verdachte omdat de verjaringstermijn voor dat misdrijf dan is afgeschaft. De aan het woord zijnde leden vragen de regering hierop uitgebreider in te gaan.

De regering geeft aan dat de bewaartermijn voor DNA-profielen en vingerafdrukken op 30 jaar is gesteld en wil de bewaartermijn van strafvorderlijke gegevens gelijk stellen aan deze termijn. De leden van de VVD-fractie vragen of het hierdoor feitelijk onmogelijk wordt na 30 jaar nog delicten op te sporen die een langere verjaringstermijn hebben, hoe dit in verhouding staat met het wetsvoorstel van Dittrich en Van Haersma Buma en of er geen uitzondering dient te komen voor misdrijven waarvoor na invoering van voornoemd wetsvoorstel niet langer een verjaringstermijn geldt. Tot slot vragen de aan het woord zijnde leden waarom DNA-profielen en vingerafdrukken niet langer worden bewaard? Heeft een bewaartermijn van 30 jaar niet tot gevolg dat een dader die na 31 jaar opnieuw een misdrijf pleegt niet direct aan de hand van, anders wel aanwezig, DNA-profiel of vingerafdrukken geïdentificeerd kan worden?

2. Artikelsgewijs

Artikel XIV

Algemeen

Alvorens in te gaan op de specifieke voorstellen, nemen de leden van de PvdA-fractie de gelegenheid te baat enige algemene vragen te stellen over de Overleveringswet.

Zij hebben kennisgenomen van het «report from the Commission based on Article 34 of the Framework Decision of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States» van 23 februari 2005 en van de «Annex» bij dat rapport. De Europese Commissie constateert daarin dat de Overleveringswet zich op een aantal punten niet verdraagt met het kaderbesluit van 13 juni 2002, zoals

– de cumulatie van de eisen van strafbedreiging en opgelegde vrijheidsstraf, ingeval het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf (Annex, p. 6)

– de onschuldbewering (Annex, p. 8)

– de toets van dubbele strafbaarheid bij overname van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk aan een Nederlander opgelegde vrijheidsstraf (Annex, p. 11)

– de toets van dubbele strafbaarheid in het kader van de terugkeergarantie van Nederlanders (Annex, p. 12)

De leden van de PvdA-fractie zouden graag vernemen of de regering het met de kritiek van de Europese Commissie eens is. Zo ja, dan zouden deze leden graag horen welke maatregelen zij denkt te treffen en binnen welke termijn. Zo nee, dan vernemen zij graag waarom de regering het niet met die kritiek eens is.

In de Annex wordt verder vermeld dat Nederland een kennisgeving ex artikel 28, derde lid Europees Verdrag betreffende uitlevering zou hebben gedaan bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van Europa. Op de website van het Treaty Office van de Raad van Europa hebben deze leden die kennisgeving nog niet aangetroffen. Zij zouden dan ook graag vernemen of de kennisgeving al is gedaan dan wel wanneer die alsnog zal worden gedaan. Verder zouden zij graag vernemen welke gevolgen het achterwege laten van de kennisgeving heeft voor de toepasselijkheid van genoemd verdrag in de relatie met (andere) lidstaten die de kennisgeving (nog) niet hebben gedaan. Kunnen het kaderbesluit en de nationale maatregelen ter uitvoering van dat kaderbesluit wel gelden als eenvormige wet in de zin van artikel 28, derde lid, van genoemd Verdrag, zolang de kennisgeving niet is gedaan?

Onderdelen A en B

De leden van de PvdA-fractie zouden graag vernemen welke lidstaten van de EU op dit moment nog geen toegang hebben tot het SIS en binnen welke termijn deze lidstaten die toegang alsnog zullen verkrijgen. Verder zijn zij benieuwd naar het antwoord op de vraag of – ondanks het gebrek aan een wettelijke grondslag – in Nederland toch voorlopige aanhoudingen hebben plaatsgevonden op basis van een signalering anders dan in het SIS en zo ja, welke gevolgen daaraan zijn verbonden. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het beginsel «nemo debet bis vexari», waarvan wel wordt gesteld dat het niet geldt in het uitleveringsrecht, evenmin geldt in het overleveringsrecht, zouden zij in dit verband graag vernemen of een eerdere onrechtmatige vrijheidsbeneming – bijvoorbeeld op grond van zo een signalering – in de weg staat aan hernieuwde vrijheidsbeneming ter zake van dezelfde feiten.

Deze leden lezen in de formulering van het voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 4 Overleveringswet dat een signalering via Interpol, afkomstig van een lidstaat die op het moment van die signalering al toegang heeft tot het SIS, geen grondslag meer kan vormen voor voorlopige aanhouding. Is deze lezing juist, zo vragen deze leden. Wat is dan de status van eerder gedane signaleringen via Interpol, nadat de betrokken lidstaat toegang heeft gekregen tot het SIS? Moeten deze signaleringen alsnog worden vervangen door signaleringen in het SIS, zo zouden deze leden graag vernemen.

Onderdeel E

De leden van de PvdA-fractie menen in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b Overleveringswet een soortgelijke tekstuele fout te bespeuren. Zien deze leden het goed, dan vereist de huidige tekst («..de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier maanden, of van langere duur, door de opgeëiste persoon op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat te ondergaan wegens een feit als onder 1° en 2° bedoeld») voor overlevering ten behoeve van executie van een vrijheidsstraf cumulatie («en») van de eisen die gelden voor een zogenaamd «lijst»-feit («een feit als onder 1°») met de eisen die gelden voor een feit waarvoor dubbele strafbaarheid nodig is (»een feit als onder ... 2°»). Zij veronderstellen dat dit niet bedoeld zal zijn en vragen dan ook of het woordje «en» niet zou moeten worden vervangen door het woordje «of».

Onderdeel G

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in de voorgestelde wijziging van artikel 16 Overleveringswet, maar hebben nog een vraag over de huidige redactie van dit artikel. De laatste volzin van het artikel verklaart artikel 61, tweede lid Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing. Die bepaling handelt echter sinds de inwerkingtreding van de Wet van 1 november 2001 (Stb. 2001, 532) over de verlenging van de strafvorderlijke ophouding, indien deze «met het oog op de vaststelling van de identiteit plaatsvindt». Deze verwijzing komt hun vreemd voor. Zou het kunnen zijn dat bedoeld werd te verwijzen naar het oude tweede lid van artikel 61 Wetboek van Strafvordering, dat vóór de inwerkingtreding van de genoemde wet inhield dat de ophouding niet langer dan zes uren mocht duren en dat de tijd tussen middernacht en negen uur 's ochtends daarbij niet werd meegerekend? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zouden dan artikel 15 Overleveringswet en artikel 13a Uitleveringswet, waaraan artikel 15 is ontleend, niet in deze zin moeten worden gewijzigd?

Onderdeel H

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich vinden in de voorgestelde wijziging van artikel 21 Overleveringswet, maar hebben nog een vraag over de huidige redactie van dit artikel. Zien deze leden het goed, dan ziet artikel 21, vijfde lid Overleveringswet op het geval dat de opgeëiste persoon vóór de aanhouding (op grond van artikel 21, eerste lid Overleveringswet) niet voorlopig is aangehouden. Deze leden vragen dan ook of de zinsnede «te rekenen vanaf het tijdstip van de voorlopige aanhouding» niet zou moeten luiden «te rekenen vanaf het tijdstip van de aanhouding».

Onderdeel J

In de voorgestelde wijziging kunnen de leden van de PvdA-fractie zich vinden, zeker nu die geen verlenging van de procedure zal meebrengen. Wat betreft de huidige redactie van artikel 28 veroorloven deze leden zich nog de vraag of , waar in het huidige vijfde lid sprake is van door de «uitvaardigende autoriteit» afgegeven garanties, daar niet bedoeld wordt de «uitvaardigende justitiële autoriteit».

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de commissie,

Coenen


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), van Heemst (PvdA), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (Groep Wilders), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), Ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Van der Laan (D66), Visser (VVD), Azough (GL), Van Egerschot (VVD), Vacature (LPF) en Vacature (SP).

Plv. leden: Jonker (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Lambrechts (D66), Van Schijndel (VVD), Karimi (GL), Örgü (VVD), Hermans (LPF) en Vergeer (SP).