B
nr. 2
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 13 oktober
2003 en het nader rapport d.d. 2 juni 2005, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State
is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 11 september 2003, no. 03.003715, heeft
Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede
namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij de Raad
van State ter overweging aanhangig gemaakt het Verdrag tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Republiek Ecuador inzake de export en handhaving van
socialezekerheidsuitkeringen, Quito, 27 december 2002 (Trb.2003, 108),
met toelichtende nota.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 11 september
2003, no. 03.003715, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit
advies, gedateerd 13 oktober 2003, nr. W12.03.0375/IV, bied ik U
hierbij aan.
Het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Ecuador
inzake de export en handhaving van socialeverzekeringsuitkeringen (hierna:
het Verdrag) bevat onder meer handhavingsafspraken die nodig zijn ingevolge
de Wet beperking export uitkeringen. De Raad van State maakt naar aanleiding
van het Verdrag een opmerking met betrekking tot artikel 10, aanhef en onder
b. Hij is van oordeel dat in verband met deze opmerking niet kan worden geadviseerd
het Verdrag ter goedkeuring aan de beide kamers der Staten-Generaal voor te
leggen.
Op grond van artikel 10, aanhef en onder b, van het Verdrag kan het bevoegde
orgaan van een Verdragsluitende partij weigeren een uitkering toe te kennen
of de betaling ervan opschorten of intrekken indien het bevoegde orgaan van
de andere Verdragsluitende partij heeft verzuimd binnen een tijdvak van drie
maanden de informatie over te leggen of een onderzoek te verrichten zoals
vereist ingevolge de artikelen 5, 6, tweede lid, en 7, eerste lid, van dit
Verdrag. Deze bepaling maakt het mogelijk dat een uitkering wordt geweigerd,
opgeschort of ingetrokken op grond van omstandigheden die buiten de gerechtigde
om tot stand zijn gekomen. Een soortgelijke bepaling is in de interne Nederlandse
wetgeving op het gebied van de desbetreffende uitkeringen niet voorhanden.
De Raad is van oordeel dat artikel 10 als zodanig strijd oplevert met het
bepaalde in artikel 5, eerste lid, juncto artikel 4, van het Verdrag betreffende
de gelijke behandeling van onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de
sociale zekerheid uit 1962 (ILO-verdrag 118). Dit verdrag is zowel
door het Koninkrijk der Nederlanden als door de Republiek Ecuador geratificeerd,
zij het dat Ecuador daarbij het voorbehoud heeft gemaakt dat het Verdrag alleen
van toepassing is op zes van de negen in artikel 2, eerste lid, genoemde terreinen
van sociale zekerheid, te weten medische zorg, ziektekosten, moederschap,
invaliditeit, overlijden en arbeidsongevallen. Genoemde verdragsbepaling brengt
mee dat onderdanen van de Verdragsluitende partijen in ieder geval op de zojuist
genoemde terreinen niet slechter mogen worden behandeld dan de eigen onderdanen.
In dit verband wijst de Raad op een recente uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep van 14 maart 2003 in een zaak tussen het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en tien partijen met de Turkse nationaliteit.1In deze uitspraak heeft de Centrale Raad als zijn oordeel
uitgesproken dat artikel 5, eerste lid, van het ILO-verdrag 118 een nauwkeurige
en onvoorwaardelijke verplichting oplegt om aan de eigen onderdanen en aan
onderdanen van de andere Verdragsluitende partijen export van prestaties te
verzekeren in het kader van de desbetreffende takken van sociale zekerheid.
Naar het oordeel van de Raad zal bekrachtiging van het Verdrag Nederland in
strijd brengen met het ILO-verdrag 118.
De Raad van State merkt op dat de in artikel 10, aanhef en onder b, van
het verdrag opgenomen sanctiebepaling in strijd is met het op 28 juni
1962 te Geneve tot stand gekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling
van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid
(Trb. 1962, 122) (hierna: ILO 118). De Raad wijst erop dat Ecuador ILO 118
heeft geratificeerd op een aantal terreinen van sociale zekerheid, te weten:
medische zorg, ziektekosten, moederschap, invaliditeit, overlijden en arbeidsongeschiktheid.
Dit leidt ertoe dat onderdanen van Ecuador niet slechter mogen worden behandeld
dan de eigen onderdanen op deze terreinen. Artikel 10, aanhef en onder b,
van het verdrag maakt het mogelijk dat een uitkering wordt geweigerd, opgeschort
of ingetrokken op grond van omstandigheden die buiten de gerechtigde om tot
stand zijn gekomen. Een soortgelijke bepaling is in de Nederlandse wetgeving
op het gebied van de desbetreffende uitkeringen niet voorhanden. Op grond
van het bovenstaande adviseert de Raad het verdrag niet te laten goedkeuren.
De regering blijft van mening dat er voldoende grond is om het onderhavige
verdrag ter goedkeuring aan de Staten-Generaal te overleggen. ILO 118 is namelijk
door Nederland opgezegd. Deze opzegging zal per 20 december 2005 van
kracht zijn, waardoor de door de Raad gesignaleerde strijdigheid per die datum
zal zijn opgeheven.
Daarnaast heeft de regering bij brief van 7 juni 2004 de Tweede Kamer
der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2003–2004, 29 005, nr. 8)
geïnformeerd dat aan sanctiebepalingen in bilaterale socialezekerheidsverdragen
geen uitvoering meer zal worden gegeven. In dezelfde brief is aangegeven dat
indien de gelegenheid zich voordoet, de sanctiebepalingen uit de bilaterale
socialezekerheidsverdragen zullen worden geschrapt. Er zal derhalve wat het
Koninkrijk betreft geen uitvoering aan artikel 10, aanhef en onder b, van
het Verdrag worden gegeven.
De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen de inhoud van het Verdrag
en geeft U in overweging dit niet over te leggen aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Aldus is de Regering aan de bezwaren van de Raad tegemoet gekomen en is
de toelichtende nota aangepast. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt
de toelichting op enkele punten te actualiseren.
Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag
vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring
over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot