B
nr. 2
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 17 november
2003 en het nader rapport d.d. 2 juni 2005, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State
is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 4 september 2003, no. 03.003620, heeft
Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede
namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad
van State ter overweging aanhangig gemaakt het Verdrag inzake sociale zekerheid
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Arabische Republiek Egypte; Kaïro,
27 juli 2003, met toelichtende nota.
Het Verdrag bevat handhavingsafspraken waardoor verificatie en controle
mogelijk worden van gegevens die nodig zijn bij de uitvoering van socialeverzekeringswetten.
Deze afspraken zijn op grond van de Wet beperking export uitkeringen (Wet
BEU) noodzakelijk, omdat export van uitkeringen alleen kan plaatsvinden als
de rechtmatigheid ervan kan worden gecontroleerd. De Raad van State maakt
naar aanleiding van het Verdrag een opmerking met betrekking tot artikel 18,
aanhef en tweede lid. Hij is van oordeel dat in verband met deze opmerking
niet kan worden geadviseerd het Verdrag ter goedkeuring aan de beide kamers
der Staten-Generaal voor te leggen.
Op grond van artikel 18, aanhef en tweede lid, van het Verdrag kan het
bevoegde orgaan van een Verdragsluitende partij weigeren een uitkering toe
te kennen of de betaling ervan opschorten of intrekken indien het bevoegde
orgaan van de andere Verdragsluitende partij heeft verzuimd binnen drie maanden
de informatie over te leggen of een onderzoek te verrichten zoals vereist
ingevolge de artikelen 13, 14, tweede lid, en 15, eerste lid, van dit Verdrag.
Deze bepaling maakt het mogelijk dat een uitkering wordt geweigerd, opgeschort
of ingetrokken op grond van omstandigheden die buiten de gerechtigde om tot
stand zijn gekomen. Een soortgelijke bepaling is in de interne Nederlandse
wetgeving op het gebied van de desbetreffende uitkeringen niet voorhanden.
De Raad is van oordeel dat artikel 18 als zodanig strijd oplevert met artikel
5, eerste lid, juncto artikel 4 van het Verdrag betreffende de gelijke behandeling
van onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid uit
1962 (ILO-verdrag 118). Dit verdrag is zowel door het Koninkrijk der Nederlanden
als door de Arabische Republiek Egypte geratificeerd. De Raad verwijst in
dit verband naar zijn eerdere adviezen van 4 augustus 2003 (no. W12.03.0212/IV)
en 24 september 2003 (no. W12.03.0375/IV).
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 4 september
2003, no. 03.003620, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit
advies, gedateerd 17 november 2003, nr. W12.03.0364/IV, bied ik
U hierbij aan.
De Raad van State merkt op dat de in artikel 18, aanhef en tweede lid,
van het verdrag opgenomen sanctiebepaling in strijd is met het op 28 juni
1962 te Geneve tot stand gekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling
van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale zekerheid
(Trb. 1962, 122) (hierna: ILO 118). ILO 118 is zowel door Nederland als door
Egypte geratificeerd. Dit leidt ertoe dat onderdanen van Egypte niet slechter
mogen worden behandeld dan de eigen onderdanen op het gebied van de sociale
zekerheid. Artikel 18, aanhef en tweede lid van het verdrag maakt het mogelijk
dat een uitkering wordt geweigerd, opgeschort of ingetrokken op grond van
omstandigheden die buiten de gerechtigde om tot stand zijn gekomen. Een soortgelijke
bepaling is in de Nederlandse socialezekerheidswetgeving niet voorhanden.
Op grond van het bovenstaande adviseert de Raad het verdrag niet te laten
goedkeuren.
De regering blijft van mening dat er voldoende grond is om het onderhavige
verdrag ter goedkeuring aan de Staten-Generaal te overleggen. ILO 118 is namelijk
door Nederland opgezegd. Deze opzegging zal per 20 december 2005 van
kracht zijn, waardoor de door de Raad gesignaleerde strijdigheid per die datum
zal zijn opgeheven.
Daarnaast heeft de regering bij brief van 7 juni 2004 de Tweede Kamer
der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2003–2004, 29 005, nr. 8)
geïnformeerd dat aan sanctiebepalingen in bilaterale socialezekerheidsverdragen
geen uitvoering meer zal worden gegeven. In dezelfde brief is aangegeven dat
indien de gelegenheid zich voordoet, de sanctiebepalingen uit de bilaterale
socialezekerheidsverdragen zullen worden geschrapt. Er zal derhalve wat het
Koninkrijk betreft geen uitvoering aan artikel 18, aanhef en tweede lid, van
het Verdrag worden gegeven.
Aldus is de Regering aan de bezwaren van de Raad tegemoet gekomen en is
de toelichtende nota aangepast. Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt
de toelichting op enkele punten te actualiseren.
De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen de inhoud van het Verdrag
en geeft U in overweging dit niet over te leggen aan de Kamers der Staten-Generaal.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State,
P. van Dijk
Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag
vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring
over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot