30 150
Stadsverwarming

nr. 4
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 14 juni 2007

De vaste commissies voor Rijksuitgaven1 en voor Economische Zaken2 hebben een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Economische Zaken over het rapport van de Algemene Rekenkamer «Tariefstelling Stadsverwarming» (Kamerstuk 30 150, nr. 2).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 14 juni 2007. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie voor Rijksuitgaven,

Aptroot

De voorzitter van de commissie voor Economische Zaken,

Kraneveldt-van der Veen

De wnd. griffier van de commissie,

Noordsij

1

Kan de regering inzicht verschaffen in de subsidies waarmee sinds de jaren zeventig stadsverwarming gestimuleerd wordt door de overheid?

In het rapport «Stadsverwarming» (Kamerstukken 30 150, nrs. 1–2) dat de Algemene Rekenkamer in 2005 heeft uitgebracht is een overzicht van de belangrijkste beleidsinstrumenten opgenomen (blz. 13 en 14). Kortheidshalve verwijs ik hiernaar.

2

Is het de regering bekend dat SenterNovem eerder heeft aangegeven geen rentabiliteitsbijdrage te accepteren als onderdeel van het NMDA-tarief? Waarom kan deze bijdrage nu wél worden opgenomen in het NMDA-tarief? Is dit voor alle stadsverwarmingprojecten het geval, of geldt dit alleen voor de projecten waar SenterNovem geen toezicht op houdt?

De huidige rentabiliteitsbijdrage in het tariefadvies van EnergieNed is geen nationaal gestandaardiseerde uitwerking van het zogenaamde EPN-effect (EPN: Energie Prestatie Norm) en is daarom door SenterNovem buiten de beoordeling gelaten.

Volgens SenterNovem is het echter in beginsel wel mogelijk om, met een nationale standaard, het NMDA zo in te richten dat rekening wordt gehouden met het EPN-effect.

Het toezicht van SenterNovem betreft projecten waarmee nog een financiële relatie bestaat en deze projecten hebben aangegeven dat geen rentabiliteitsbijdrage in rekening is gebracht.

3

Zou het niet beter zijn als in plaats van de brancheorganisatie (EnergieNed) een onafhankelijke partij de tarieven zou vaststellen? Welke partijen zouden hiervoor geschikt zijn?

De tarieven die energiebedrijven of andere warmteleveranciers bij consumenten van stadsverwarming in rekening brengen, worden niet door EnergieNed vastgesteld. EnergieNed brengt jaarlijks een tariefadvies uit. Dit advies is niet bindend voor de energiebedrijven.

Onafhankelijk toezicht op de wijze waarop stadsverwarmingtarieven tot stand komen is wenselijk. In het voorstel van wet van de leden Ten Hoopen, Hessels en Spies tot het stellen van regels omtrent de levering van warmte aan verbruikers (Warmtewet) wordt aan de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit een belangrijke rol toegekend op het gebied van tariefvaststelling en handhaving. Ik acht dit een geschikte partij.

4

Wat is de rol van de gemeenten in de afspraken over de invulling van het NMDA-principe? Hoe verhoudt zich dit tot hun eventuele rol als eigenaar van het energiebedrijf?

Gemeenten kunnen met energiebedrijven afspraken maken over de invulling van het NMDA-principe. Dit is met name relevant bij de ontwikkeling van nieuwe locaties voor woningbouw. Gemeenten hebben hierin een eigen verantwoordelijkheid.

5

Is de regering van mening dat het NMDA-principe moet gelden als «gemiddeld niet meer dan anders»? Is een gemiddeld tarief, waarbij sommigen duurder en sommigen goedkoper uit zijn, volgens de regering eerlijk? Mag het wel zo zijn dat sommige klanten van stadsverwarming duurder uit zijn dan ze bij verwarming met gas zouden zijn, terwijl ze hier geen vrije keus in hebben? Of is de regering van mening dat het NMDA voor iedere specifieke woning, of zelfs elke afzonderlijke warmteafnemer of groep van warmteafnemers, moet worden bepaald?

Het huidige NMDA-principe gaat uit van gemiddelden. Daarbij zijn bepaalde aannames onvermijdelijk om niet tot een zeer gedifferentieerde tariefstelling te komen. Dit impliceert dat er in individuele gevallen sprake kan zijn van enig voor- of nadeel. Ik acht dit op zich niet onredelijk, temeer daar een individuele tariefstelling per warmteconsument – het betreft honderdduizenden afnemers – niet goed doenlijk is. Voor het overige wijs ik op het onder 3 genoemde voorstel van wet.

6

Ziet de regering een mogelijkheid om meer concurrentie te introduceren in de warmtemarkt, bijvoorbeeld zoals reeds in Rotterdam gebeurd? Verwacht de regering dat door concurrentie de tarieven voor warmte zullen dalen?

Concurrentie in de warmtemarkt is in toenemende mate in ontwikkeling. Deze speelt zich af tijdens de fase van projectontwikkeling. De belangen van toekomstige klanten worden daarbij veelal door gemeenten behartigd.

Naast de grootschalige benutting van rest- en afvalwarmte zijn decentrale opties, zoals de inzet van warmtepompen, de benutting van aardwarmte en micro-wkk, in opkomst.

Naarmate de prestaties van alternatieven verbeteren is het niet onaannemelijk dat daardoor een neerwaartse druk op de warmtetarieven ontstaat door de NMDA-systematiek. Door het geven van stimulansen in het traject van ontwikkeling tot markttoepassing wordt concurrentie op de warmtemarkt bevorderd.

7

Klopt het dat de verplichting voor stadsverwarmingprojecten om een NMDA-tarief te hanteren een einddatum kent?

In de subsidieovereenkomsten met energiebedrijven is een voorwaarde opgenomen over het hanteren van het NMDA-principe. Het is juist dat deze voorwaarde eindigt bij het bereiken van de einddatum van deze overeenkomsten. Warmteleveranciers hanteren ook zonder de genoemde verplichting het NMDA-principe, mede omdat dit principe vaak in andere overeenkomsten (bijvoorbeeld met gemeenten) is vastgelegd.

8

Op welke wijze zou de regering een afweging willen maken tussen de milieuvoordelen en het nadelige financieel rendement van een stadsverwarmingproject?

De bedrijfseconomische resultaten van een stadsverwarmingproject worden in grote mate bepaald door een aantal projectspecifieke factoren. Relevante elementen bij de afweging zijn o.a. de uitgangspunten bij de rentabiliteitsbepaling, de kosteneffectiviteit van de CO2 reductie alsmede de economische en milieuprestaties van alternatieven. Aangezien de karakteristieken van warmteprojecten sterk uiteen kunnen lopen (o.a. warmtebron, schaalgrootte), zullen deze per individueel warmteproject moeten worden bezien.

Het is voornamelijk aan marktpartijen om een afweging te maken tussen de economische- en milieuprestaties van een stadsverwarmingproject en de alternatieven. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de vigerende stimuleringsinstrumenten.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), ondervoorzitter, Vendrik (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot (VVD), voorzitter, Dezentjé Hamming (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Irrgang (SP), Van der Veen (PvdA), Kalma (PvdA), Van Gerven (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (CU), Kortenhorst (CDA), Van Dijck (PVV), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Heijnen (PvdA) en Tang (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Depla (PvdA), Van Gent (GL), Roemer (SP), Van der Burg (VVD), Jonker (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), De Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Van Beek (VVD), Boekestijn (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van der Ham (D66), Gerkens (SP), Vermeij (PvdA), Kuiken (PvdA), Van Gijlswijk (SP), Vacature (CDA), Anker (CU), Mastwijk (CDA), De Roon (PVV), Luijben (SP), Thieme (PvdD), Heerts (PvdA) en Besselink (PvdA).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Crone (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Vendrik (GL), Ten Hoopen (CDA), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), ondervoorzitter, Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Aptroot (VVD), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), voorzitter, Irrgang (SP), Jansen (SP), Biskop (CDA), Ortega-Martijn (CU), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Graus (PVV), Zijlstra (VVD), Besselink (PvdA), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Kalma (PvdA), Van Dijk (CDA), Duyvendak (GL), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Kortenhorst (CDA), De Rouwe (CDA), Koşer Kaya (D66), Ulenbelt (SP), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Weekers (VVD), Van Dam (PvdA), Karabulut (SP), Luijben (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Cramer (CU), Atsma (CDA), Schippers (VVD), Madlener (PVV), Neppérus (VVD), Blom (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Heerts (PvdA).

Naar boven