30 149
Beveiliging van Nederlandse ambassades in het buitenland

nr. 3
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 oktober 2005

De commissie voor de Rijksuitgaven1 en de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken2 en voor Defensie3 hebben een aantal vragen bij brief d.d. 22 september 2005 aan de minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd over het rapport «Beveiliging van Nederlandse ambassades in het buitenland» (kamerstuk 30 149).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 14 oktober 2005.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven,

B. M. de Vries

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

De Haan

De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,

Albayrak

Adjunct-griffier van de commissie voor de Rijksuitgaven,

Erwich-Eisveld Bosch

1

Welke (preventieve) maatregelen neemt het ministerie ten behoeve van de veiligheid van ambassademedewerkers buiten het ambassadeterrein?

Afhankelijk van geconstateerde dreigingen uit gehouden veiligheidsanalyses neemt het ministerie specifieke beveiligingsmaatregelen in de leefomgeving van de ambassademedewerkers, waaronder fysieke beveiliging van de woonomgeving en gepantserd vervoer. In de meest risicovolle situaties wordt tevens persoonsbeveiliging ingezet.

Hiernaast heeft het departement ten behoeve van alle (ambassade-) medewerkers de brochure «veiligheid in de leefomgeving» uitgebracht. Tevens is voorlichting over veiligheid één van de kerntaken van iedere beveiligingsambtenaar (BVA) op een post.

2

Wat is de precieze reden dat vier ambassades niet hebben deelgenomen aan het onderzoek?

Van de 145 benaderde ambassades hebben er 141 deelgenomen aan het onderzoek. De post Abidjan was vanwege de burgeroorlog niet in staat te antwoorden. De andere drie posten, Ankara, Lima en Sao Paulo hebben vanwege capaciteitsproblemen door dienstreizen en overplaatsingen niet kunnen reageren.

3

Welke concrete acties zijn er genomen naar aanleiding van de geuite bedreigingen aan het adres van ambassademedewerkers? Om welke posten gaat het?

De Algemene Rekenkamer heeft tijdens bezoeken aan enkele ambassades geconstateerd dat er bedreigingen zijn geuit aan het adres van sommige ambassademedewerkers. Als er een specifieke bedreiging wordt geuit dan wordt per individueel geval bezien welke beveiligingsmaatregelen genomen dienen te worden. Te denken valt hierbij o.a. aan versterkte samenwerking met lokale autoriteiten, frequentere politiepatrouilles, de inzet van gepantserd vervoer, persoonsbeveiliging en de repatriëring van de desbetreffende medewerker.

4 en 5

Waarom geeft het ministerie niet aan wat het onder een aanvaardbaar minimum van veiligheidsrisico's verstaat?

Kunt u aangeven wat u verstaat onder een aanvaardbaar minimum van veiligheidsrisico's? Verschilt dit per post? Zo ja, waarvan is dit afhankelijk?

Uitgangspunt is dat de ambassade moet kunnen functioneren. Als de situatie daartoe aanleiding geeft wordt individueel maatwerk geleverd waarbij de veiligheidsmaatregelen toegespitst zijn op de lokale veiligheidssituatie van het land waar de betreffende post zich bevindt.

6

Waarom ontbreekt een normatief kader voor de risicoanalyse?

Dreigingen laten zich moeilijk in kaders passen. Er bestaat een grote differentiatie aan dreigingen waar een ambassade aan kan blootstaan, zoals inbraken, berovingen, burgeroorlogen, spionage, gijzelingen, beschietingen en terroristische aanslagen, elk in een oplopend geweldsspectrum en in verschillende verschijningsvormen. Voor de risicoanalyse levert het ministerie maatwerk, specifiek gericht op de bijzondere veiligheidssituatie van een individuele post.

7

Hoe wilt u het structurele probleem dat de AIVD ervaart bij het onderzoek naar lokale medewerkers met een vertrouwensfunctie oplossen?

Einde 2005 wordt de inhaalslag met betrekking tot door de AIVD uitgevoerde veiligheidsonderzoeken naar lokale medewerkers op vertrouwensfuncties afgerond. In dezelfde periode zijn alle lokale vertrouwensfuncties doorgelicht op die elementen die de functie een vertrouwensfunctie maken. Na deze evaluatie beschikt het ministerie over een actuele lijst van lokale vertrouwensfuncties en gescreende lokale medewerkers. Voor de werving van nieuwe lokale medewerkers op vertrouwensfuncties komen voortaan alleen medewerkers in aanmerking die kunnen worden onderzocht door de AIVD.

8

Hoe ziet de veiligheidsaudit er concreet uit?

Het doel van een veiligheidsaudit is om een analyse te maken van de veiligheidssituatie, waarbij wordt gekeken naar zowel het niveau van de dreiging als naar de risico's die daar voor de post uit voortvloeien in het betreffende land. Deze analyse maakt gebruik van een vaststaande systematiek, waarbij de omvang en de voornaamste verschijningsvormen van de volgende dreigingen worden geanalyseerd:

• politieke dreiging, inclusief terrorisme en instabiliteit

• inlichtingendreigingen

• criminaliteit

• integriteit en corruptie

De voorbereiding van een veiligheidsaudit geschiedt via raadpleging van verschillende bronnen. Vervolgens wordt in overleg met de betrokken ambassade een programma samengesteld waarbij de missie van de Veiligheidsdienst Buitenlandse Zaken (VDB) ter plaatse van gedachten wisselt met diverse (veiligheids)deskundigen. Voorts wordt inzicht verkregen in (redenen van) veiligheidsmaatregelen van ambassades van andere landen en organisaties alsmede in de lokale veiligheidssituatie.

9

Deelt u de waarneming dat zich uit de beschrijving van de bevindingen met betrekking tot de veiligheidsaudits en de samenvatting daarvan in vier constateringen een beeld van vrijblijvendheid opdringt? Zo nee, waarom niet?

Nee. Mede naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer is besloten om iedere post waar een audit is uitgevoerd een plan van aanpak te laten opstellen ter opvolging van de aanbevelingen van het auditrapport. Door de Inspectie en Evaluatie Bedrijfvoering (ISB) en de Veiligheidsdienst Buitenlandse Zaken (VDB) van mijn ministerie wordt toezicht gehouden op de opvolging van de conclusies.

Voor verdere toelichting wordt verwezen naar het antwoord bij vraag 10.

10

Welke verbeteringsacties met betrekking tot het veiligheidsplan moeten er volgens u worden geformuleerd in verband met de:

a. actualiteit ervan,

b. vergelijkbaarheid en beoordeelbaarheid ervan qua format,

c. betrokkenheid van de posten bij het opstellen van bedreigingsanalyses,

d. heldere en eenduidige formulering van normen?

Iedere post heeft een beveiligingsplan dat jaarlijks geactualiseerd dient te worden. De ambassadeur wordt als integraal manager erop gewezen dat het zijn verantwoordelijkheid is hierop toe te zien. In het kader van VDB- en ISB-missies en vanaf 2006 door middel van jaarlijkse steekproeven wordt bekeken of de posten inderdaad over een geactualiseerd beveiligingsplan beschikken.

Iedere post kan gebruik maken van het standaard sjabloon dat in het interne Handboek Bedrijfsvoering Buitenlandse Zaken staat. Hierin staan alle onderdelen die in het beveiligingsplan aanwezig moeten zijn. Het sjabloon is beschikbaar gesteld vanaf 1 januari 2005 en is derhalve door de Algemene Rekenkamer niet in haar onderzoek meegenomen.

De posten worden betrokken bij het opstellen van de risico-analyse van de veiligheidsaudits. Daarnaast is het de taak van de ambassadeur om de risico's te vertalen in de benodigde fysieke of organisatorische maatregelen.

De regelgeving met betrekking tot beveiliging van de posten is opgenomen in het interne Handboek Bedrijfsvoering Buitenlandse Zaken. Hierin staat een aantal discretionaire bevoegdheden van de ambassadeur. Het is de verantwoordelijkheid van de ambassadeur om de benodigde maatregelen te treffen. Dit is geen vrijblijvende taak: hij legt hierover verantwoording af aan de departementsleiding.

11

Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat getroffen (fysieke) beveiligingsmaatregelen niet worden gebruikt?

Het toezicht vanuit het departement is verscherpt op het gebruik van fysieke beveiligingsmaatregelen onder andere tijdens bezoeken van ISB en VDB. Daarnaast voert het ministerie een intensieve voorlichtingscampagne om opvolging te geven aan de getroffen (fysieke) beveiligingsmaatregelen. Ook in opleidingen zoals de cursus «Veiligheid voor managers» wordt het belang van beveiligingsmaatregelen onderstreept.

12

Hoe verklaart u dat u pas naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer weet dat het toezicht op de naleving van beveiligingsmaatregelen te wensen over laat?

Het ministerie was zich reeds voor het verschijnen van het rapport ervan bewust dat de naleving van beveiligingsmaatregelen te wensen overliet. Er werden ook toen verbeteringsmaatregelen geïmplementeerd. In het licht van het veranderende dreigingsbeeld is eind jaren negentig een projectgroep Beveiliging Opwaardering Kanselarijen (BOK) ingesteld, om een transparant en op eenduidige normen gebaseerd beveiligingsbeleid te ontwikkelen. Na 11 september 2001 is de aandacht voor het onderwerp veiligheid bij het ministerie nog meer toegenomen.

13

Is het gedrag van individuele medewerkers ten aanzien van de veiligheidspraktijk nu en in de toekomst een terugkerend onderwerp bij functionerings- en/of beoordelingsgesprekken?

Ja. De ambassadeur ziet erop toe dat in functionerings- en beoordelingsgesprekken het gedrag van individuele medewerkers ter zake wordt opgebracht.

14

Worden/zijn er doelstellingen ten aanzien van het veiligheidsbewustzijn geformuleerd?

De doelstelling ten aanzien van het veiligheidsbewustzijn luidt: alle medewerkers van het ministerie bereiken door middel van intensieve en regelmatige voorlichtingscampagnes.

Daarnaast is er specifieke aandacht voor bepaalde doelgroepen zoals beveiligingsambtenaren (BVA's) en leidinggevenden op posten alsmede diplomaten die worden uitgezonden naar een conflictgebied. Voor deze groepen worden regelmatig opleidingen georganiseerd.

15

In hoeverre zijn tijdsbesteding respectievelijk kwalificatieniveau/professionalisering van medewerkers op de posten relevant om het functioneren van de beveiligingspraktijk te beoordelen?

Genoemde indicatoren zijn zeker relevant bij de beoordeling van de beveiligingspraktijk.

Niettemin spelen andere factoren zoals ervaring op voorgaande posten en affiniteit met het onderwerp eveneens een rol.

16

Hoe verklaart u dat de briefing aan verantwoordelijke leiding en beveiligingsambtenaren ter plaatse door het ministerie «vrijblijvend» is?

De vrijblijvendheid hangt ermee samen dat deze briefings nooit formeel verplicht zijn gesteld. De briefings zijn wel situatiegebonden. Ambassadeurs en BVA's van posten worden, als de veiligheidssituatie op hun post daartoe aanleiding geeft, specifiek uitgenodigd voor briefings of andere vormen van overleg. Inmiddels zijn de BVA's voor posten met een verhoogd veiligheidsrisico verplicht gesteld om de BVA-opleiding te volgen voordat ze aan hun werkzaamheden als BVA beginnen.

17

Welk ambitieniveau heeft het ministerie om de door de Algemene Rekenkamer geschetste leemten in het beveiligingsniveau weg te werken?

Zie antwoord vraag 20.

18

Waarom hebben in 2004 lokale medewerkers vertrouwensfuncties van uitgezonden medewerkers overgenomen? Wordt dat proces teruggedraaid na de toezegging van de minister om te voorkomen dat niet-gescreende medewerkers staatsgeheime stukken kunnen inzien (gedaan tijdens wetgevingsoverleg d.d. 15 juni 2005)?

Vanaf het begin van de jaren negentig zijn als gevolg van verschillende zogenaamde «efficiencyoperaties», mede naar aanleiding van financiële taakstellingen van eerdere kabinetten, uitgezonden functies omgezet naar lokale functies. Hiermee zijn aanzienlijke bezuinigingen gerealiseerd. Voor de toezegging van de minister wordt hier verwezen naar het antwoord op vraag 7.

19

Bent u er zich van bewust dat het niet voldoen aan artikel 14, lid 1 juncto, artikel 4, lid 1 en 3 van de Wet op de Veiligheidsonderzoeken kan leiden tot strafbaarheid van de minister van Buitenlandse Zaken in zijn rol als wetgever? Zo ja, welke concrete acties wilt u op dit punt ondernemen?

Ja. Zie het antwoord op de vragen 7 en 20 voor de concrete acties.

20

Kunt u de Kamer concreet aangeven welke substantiële veranderingen er binnen de organisatie van Buitenlandse Zaken in onderhavig dossier zijn doorgevoerd?

Er is een uitgebreid plan van aanpak, waarin binnen vijf aandachtsgebieden (nieuwe) maatregelen zijn c.q. worden ingevoerd:

1. Intensivering van aansturing van posten op veiligheids-/beveiligingsgebied;

2. Veiligheidsonderzoeken en vertrouwensfuncties;

3. Bewustwording;

4. Opleidingen;

5. Het schrijven van een beleidscontext waarin de verschillende onderdelen van het beleid met elkaar in verband worden gebracht.

21

Kunt u de door u geponeerde opvatting, dat posten van vergelijkbare landen geen eenduidig veiligheidsbeleid voor hun ambassades hebben, documenteren?

De posten van qua dreigingsniveau vergelijkbare landen worden eveneens beveiligd op basis van maatwerk. Dit beeld komt naar voren uit veiligheidsaudits op posten en uitwisseling van ervaringen met buitenlandse partners.

22

Hoe verhoudt zich de hantering van standaardnormen tot de door de minister gewenste individuele appreciatie van de lokale situatie?

De standaardnormen betreffen het basisniveau van beveiliging. Daarnaast worden – op de specifieke veiligheidssituatie van de post toegesneden – additionele beveiligingsmaatregelen uitgevoerd.

23

Kunt u aangeven wiens «individuele appreciatie» de belangrijkste basis is voor de vaststelling van het beveiligingsniveau in een specifieke lokale situatie?

De afdeling Analyse en Advies van de Veiligheidsdienst Buitenlandse Zaken verzamelt gegevens over en maakt een inschatting van de veiligheidssituatie op posten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van informatie uit diverse open en vertrouwelijke bronnen. Op basis van deze inschatting wordt in overleg met de ambtelijke leiding van mijn ministerie het beveiligingsniveau vastgesteld.

24

Welke maatregelen zijn er volgens u nodig als minimum vereiste voor goede beveiliging?

Het basisniveau voor fysieke beveiliging van ambassadegebouwen behelst de volgende maatregelen:

• Maatregelen tegen gelegenheidsinbraak

• Maatregelen tegen professionele inbraak

• Maatregelen tegen bedreiging van personeel

• Zonering

Daarnaast gelden onverkort:

• Voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst (Vir)

• Voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – Bijzondere Informatie (Vir-bi)

• Wet Veiligheidsonderzoeken.

25

Kunt u aangeven:

a. waarom het belangrijk is te weten wat het beveiligingsniveau is per post en waarom juist dit niveau?

b. welke doelstellingen en meetpunten horen bij elk specifiek beveiligingsniveau?

Het beveiligingsniveau per post hangt af van de veiligheidssituatie ter plaatse. Positieve, dan wel negatieve ontwikkelingen op dit gebied hebben gevolgen voor het beveiligingsniveau. Kennis over het bestaande veiligheidsniveau per post stelt het ministerie in staat effectief in te spelen op veranderingen in de veiligheidssituatie. Uitgangspunt blijft om op iedere post tegen geconstateerde en reële dreigingen gepaste maatregelen te treffen.

26

Kan worden toegelicht waarom bij het vaststellen van de standaardnormen het ministerie ervan uit is gegaan dat «Nederlandse ambassades geen direct doelwit zijn van bomaanslagen»? Is het, gezien de huidige tijdgeest, realistisch dit te veronderstellen?

In het enkele geval dat een post doelwit zou kunnen vormen van een bomaanslag zal het ministerie zodanig zware beveiligingsmaatregelen treffen dat de kwetsbaarheid van deze post aanzienlijk wordt verkleind.

Zie ook de antwoorden op vragen 5 en 6.

27

Moeten de standaardnormen worden aangepast, nu blijkt dat een aantal posten een doelwit van terroristische aanslagen kan vormen?

Neen. Zie antwoorden op vragen 5, 6 en 26.

28

Hoe concreet is de aanspreekbaarheid en verantwoordelijkheid van de ambassadeur voor:

a. de uitvoering van veiligheidsmaatregelen,

b. de opvolging van resultaten van de veiligheidsaudit?

De ambassadeur is als integraal manager verantwoordelijk voor de beveiliging/veiligheid van de ambassade, dus ook voor de uitvoering van veiligheidsmaatregelen en de opvolging van conclusies en aanbevelingen van de veiligheidsaudits. Zijn functioneren wordt beoordeeld door de ambtelijke leiding van mijn ministerie. Zie ook de antwoorden op de vragen 8, 9 en 10.

29

Welke garanties geeft de minister dat de door hem geschetste maatregelen («vergrote aandacht en toegenomen budget»)

a. van structurele aard zijn?

b. stelselmatig in de organisatie van Buitenlandse Zaken zijn opgenomen?

Het toegenomen budget is van structurele aard; ook de komende jaren zullen de nodige middelen voor beveiliging/veiligheid worden uitgetrokken. De hierboven genoemde opleidingen op veiligheidsgebied zijn opgenomen in het reguliere opleidingsprogramma van mijn ministerie. Medewerkers kunnen worden aangesproken op hun veiligheidsbewustzijn. In dit kader is het tevens van belang te melden dat de formatie van de Veiligheidsdienst Buitenlandse Zaken is uitgebreid.

30

Kan de minister de Kamer toezeggen dat er een veiligheidsbeleid wordt geformuleerd in termen van een heldere afbakening van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden? Zo nee, waarom niet?

Bij de voortgaande ontwikkeling van het beveiligingsbeleid zal extra aandacht worden gegeven aan een heldere afbakening van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het ministerie.

31

Kan worden aangegeven:

a. welke vrijheidsgraden worden toegekend aan de onderscheidene posten om te voorzien in situationeel maatwerk ter zake van de veiligheidspraktijk?

b. waarom deze vrijheidsgraden worden toegekend?

Maatwerk op een post heeft doorgaans betrekking op extra beveiligingsmaatregelen naar aanleiding van een specifieke dreiging. Op deze wijze is de post in staat snel en zelfstandig in te spelen op actuele ontwikkelingen in de veiligheidssituatie ter plaatse. Te denken valt aan het mijden van demonstraties, inschakelen portofoonnetwerk of verhoogde waakzaamheid.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Bakker (D66), ondervoorzitter, Rouvoet (CU), de Vries (VVD), voorzitter, de Haan (CDA), Atsma (CDA), Vendrik (GL), Halsema (GL), Kant (SP), Blok (VVD), ten Hoopen (CDA), de Pater-van der Meer (CDA), van As (LPF), Rambocus (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), de Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Heemskerk (PvdA), Hermans (LPF), Van Dam (PvdA), Schippers (VVD), Vacature (algemeen).

Plv. leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Fierens (PvdA), Dittrich (D66), van der Vlies (SGP), Van Egerschot (VVD), Mosterd (CDA), Kortenhorst (CDA), van Gent (GL), Duyvendak (GL), Vacature (algemeen), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Ferrier (CDA), Eerdmans (LPF), Omtzigt (CDA), Vergeer (SP), de Vries (CDA), Mastwijk (CDA), De Krom (VVD), Smeets (PvdA), van Heemst (PvdA), Smits (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Varela (LPF), Kalsbeek (PvdA), van Beek (VVD), Hofstra (VVD).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Dijksma (PvdA), de Haan (CDA), voorzitter, Koenders (PvdA), Karimi (GL), Timmermans (PvdA), ondervoorzitter, van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Wilders (Groep Wilders), van Baalen (VVD), van As (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GL), Huizinga-Heringa (CU), van Velzen (SP), de Nerée tot Babberich (CDA), Van Dijk (CDA), Nawijn (Groep Nawijn), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Eijsink (PvdA), Van der Laan (D66), Hirsi Ali (VVD), Brinkel (CDA), Szabó (VVD), Jonker (CDA), Vacature (algemeen).

Plv. leden: Dubbelboer (PvdA), Van Fessem (CDA), Samsom (PvdA), Vos (GL), Arib (PvdA), de Wit (SP), Leerdam, MFA (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Van Schijndel (VVD), Varela (LPF), van den Brink (LPF), Haverkamp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GL), van der Staaij (SGP), Kant (SP), Eski (CDA), Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Waalkens (PvdA), Dittrich (D66), Snijder-Hazelhoff (VVD), van Winsen (CDA), Veenendaal (VVD), Kortenhorst (CDA), Oplaat (VVD).

XNoot
3

Samenstelling:

Leden: de Vries (PvdA), Bakker (D66), Koenders (PvdA), van Beek (VVD), Karimi (GL), Timmermans (PvdA), van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), voorzitter, Balemans (VVD), van Baalen (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), van Winsen (CDA), van den Brink (LPF), Mastwijk (CDA), Herben (LPF), ondervoorzitter, Duyvendak (GL), Kortenhorst (CDA), Huizinga-Heringa (CU), van Velzen (SP), Algra (CDA), Haverkamp (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Straub (PvdA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Brinkel (CDA), Szabó (VVD).

Plv. leden: Van Dam (PvdA), Van der Laan (D66), Waalkens (PvdA), Lenards (VVD), Halsema (GL), Fierens (PvdA), Vacature (algemeen), Adelmund (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Visser (VVD), Oplaat (VVD), de Haan (CDA), Kraneveldt (LPF), Smilde (CDA), Hermans (LPF), Vendrik (GL), Knops (CDA), Van der Staaij (SGP), de Wit (SP), de Vries (CDA), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), van Heemst (PvdA), Tichelaar (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Jonker (CDA), Veenendaal (VVD).

Naar boven