Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201230143 nr. 37

30 143 Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces

Nr. 37 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 maart 2012

1. Inleiding

Voor ouders van jeugdigen die wegens verdenking van een strafbaar feit voor de rechter moeten verschijnen geldt sinds 1 januari 2011 de plicht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting van hun minderjarig kind. Deze zogenaamde verschijningsplicht is bij amendement van de leden Wolfsen en Çörüz1 toegevoegd aan het wetsvoorstel ter versterking van de positie van het slachtoffer (Stb. 2010, nr. 1, inwerkingtreding 1 januari 2011). De verschijningsplicht geldt voor de gezaghebbende ouders of de voogd (hierna: de ouders) van een minderjarig kind dat verdacht wordt van een misdrijf. De verschijningsplicht is opgenomen in artikel 496 en 496a van het Wetboek van Strafvordering. Uitgangspunt is dat de rechter de zaak tegen de minderjarige verdachte moet aanhouden wanneer de ouders niet verschijnen. De verschijningsplicht geldt niet voor ouders van een kind dat op de dag van de terechtzitting de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Op 16 februari 2011 heb ik een rapport aan uw Kamer gezonden met een evaluatie van de beleidsconstructie en een overzicht van de verwachte gevolgen en de kosten van de verschijningsplicht voor de uitvoeringsorganisaties2. Daarbij heb ik een evaluatie van de invoering van de verschijningsplicht aangekondigd. Deze procesevaluatie bied ik hierbij aan uw Kamer aan. De evaluatie is in opdracht van het WODC uitgevoerd door onderzoeksbureau Significant en is getiteld: Een plicht met zachte hand; evaluatie van de verschijningsplicht voor ouders bij de kinderrechter 3.

Hieronder volgt een samenvatting van de evaluatie gevolgd door een beleidsreactie met een overzicht van de maatregelen die ik zal treffen om de uitvoering van de verschijningsplicht verder te verbeteren.

2. Procesevaluatie verschijningsplicht

De procesevaluatie van Significant betreft de uitvoering van de verschijningsplicht in vijf arrondissementen (Breda, Groningen, Maastricht, Rotterdam en Utrecht) en een ressort (Den Haag) in de periode van april tot en met november 2011. De procesevaluatie kent hoofdzakelijk een kwalitatieve opzet, vooral waar het de beschouwing van de effecten van de verschijningsplicht betreft. Dit heeft volgens de onderzoekers als consequentie dat niet kan worden gesproken van een toetsing van de beleidstheorie in statistische of kwantitatieve zin. Het kwantitatieve deel van het onderzoek betreft de mate van de aanwezigheid van de ouders ter terechtzitting. Deze is landelijk geregistreerd door de griffies van de negentien rechtbanken en twee gerechtshoven.

Toename aanwezigheid ouders

Na de invoering van van de verschijningsplicht is de aanwezigheid van ouders toegenomen. Uit de landelijke registratie blijkt dat in 86% van de zaken ten minste één ouder ter terechtzitting aanwezig is. In 44% van de zaken zijn beide ouders aanwezig. Aangezien een nulmeting ontbreekt, kunnen geen harde uitspraken worden gedaan over de mate van de toename van de aanwezigheid. In eerder onderzoek van Hepping en Weijers4 is geschat dat de aanwezigheid van ten minste één ouder met 5 procent is gestegen en de aanwezigheid van twee ouders met 25 procent. Overigens blijkt uit dat onderzoek ook dat de aanwezigheid van ouders al toenam in de jaren voor invoering van de verschijningsplicht.

De rechter

Indien de ouders niet verschijnen moet de zaak in principe worden aangehouden. Uit de evaluatie blijkt dat bij afwezigheid van beide ouders meestal wordt aangehouden. In 2011 zijn ruim 250 zaken aangehouden omdat de ouders afwezig waren.

Indien één van de ouders afwezig is, wordt de zaak in de regel niet aangehouden. De rechter beroept zich dan op artikel 496a Sv die de mogelijkheid biedt niet aan te houden indien de aanwezigheid van de ouders niet in het belang is van het kind (art. 496a, derde lid, Sv). Volgens de onderzoekers wordt de verschijningsplicht op dit punt niet geheel uitgevoerd zoals de wetgever heeft bedoeld, aangezien het derde lid ruimer wordt toegepast dan door de wetgever is bedoeld. De rechter kan het onwenselijk achten dat de jeugdige verdachte langer op de behandeling van de zaak moet wachten. Dit argument weegt zwaarder dan het mogelijk positieve effect van de aanwezigheid van de tweede ouder als de zaak zou worden aangehouden en eventueel een bevel tot medebrenging zou worden gelast. De rechter besluit ook tot niet aanhouden omdat hij zoveel aanhoudingen onwerkbaar acht: er zijn onvoldoende jeugdzittingen om de behandeling van de aangehouden zaken binnen korte tijd te kunnen voortzetten.

Als een zaak wordt aangehouden, geeft de rechter alleen een bevel tot medebrenging als hij van oordeel is dat de ouders anders echt niet zullen komen.

Een bevel tot medebrenging van ouders wordt gezien als een laatste noodgreep, vanuit de gedachte dat gedwongen medebrenging -een ingrijpende vrijheidsbenemende maatregel- een positieve houding van de ouders niet zal bevorderen.

De ouders

Dat niet alle ouders naar de terechtzitting komen heeft vooral te maken met het feit dat niet alle ouders het gezag hebben en/of niet alle ouders een verzorgende en opvoedende rol vervullen. In een aanzienlijk deel van de zaken tegen minderjarige verdachten is het niet mogelijk (bijvoorbeeld bij verblijf in het buitenland of werkverplichtingen), niet verplicht (geen gezag) of niet wenselijk (indien ernstig verstoorde relaties bestaan tussen ouders of tussen ouder en kind) dat beide ouders aanwezig zijn.

Beleidstheorie

Volgens de evaluatie is het niet aannemelijk dat de verplichte aanwezigheid leidt tot effectievere opvoedkundige maatregelen van ouders. Volgens de professionals is het te optimistisch te veronderstellen dat meer informatie over het delict of het kort worden aangesproken door een rechter alleen leidt tot betere vaardigheden of mogelijkheden van ouders. Ook blijkt dat de verplichting kan bijdragen aan ondersteuning van het kind, maar ook averechts kan werken op diens participatie aan de zitting. Het merendeel van de jongeren voelt zich gesteund door de aanwezigheid van ouders. Bij een kleinere groep jongeren leidt dit echter tot minder participatie, bijvoorbeeld omdat zij informatie voor hun ouders willen achterhouden of zich voor hen schamen. Een andere categorie zal minder aandachtig participeren, omdat de aanwezigheid van de ouder met wie een sterk verstoorde relatie bestaat, afleidt van de aandacht voor het verhandelde op de zitting. Door de verschijningsplicht is het vaker mogelijk om de visie van beide ouders te horen, hun houding te observeren en met eigen ogen te zien hoe de onderlinge verhoudingen liggen. Vooral in het geval van gescheiden ouders kan de informatie van de aanwezige, niet-verzorgende ouder van meerwaarde zijn voor de definitieve beoordeling van de zaak.

Tot slot wordt in het onderzoek geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een verband tussen verplichte verschijning en een minder positieve of actieve participatie van ouders.

3. Beleidsreactie

De procesevaluatie van Significant geeft een goed beeld van de werking van de verplichte aanwezigheid van de ouders bij het strafproces van hun minderjarig kind en van de wijze waarop de verschijningsplicht door de verschillende organisaties wordt toegepast. Op basis van het onderzoek constateer ik dat de verschijningsplicht na inwerkingtreding (1 januari 2011) geleidelijk en goed is ingevoerd. Volgens het onderzoek wordt de verschijningsplicht niet geheel overeenkomstig de bedoeling van de wetgever uitgevoerd. De wetgeving is echter een levend instrument dat niet alleen wordt gevormd door de bedoeling van de wetgever, maar ook door de wijze waarop de rechter de wet in de concrete omstandigheden interpreteert en door jurisprudentie. Ik stel op basis van het onderzoek vast dat de rechter de verschijningsplicht op een pragmatische wijze toepast. Hij maakt zijn eigen afweging in welke gevallen het belang van het kind zwaarder moet wegen dan de aanwezigheid van beide ouders. De wet laat daartoe ruimte.

Met het op deze wijze uitvoeren van de verschijningsplicht wordt naar mijn oordeel een goede en verantwoorde afweging gemaakt tussen enerzijds de noodzaak om ouders meer bij de strafzaak van hun kind te betrekken, en anderzijds het belang dat het kind bij hun aanwezigheid heeft en zijn belang bij een berechting binnen redelijke termijn, zoals nog nader is gepreciseerd in de zogenaamde Kalsbeeknormen. Ik onderken dat het de voorkeur heeft dat beide ouders aanwezig zijn bij de terechtzitting van hun minderjarig kind, maar het is begrijpelijk dat rechters dit niet in alle gevallen afdwingen. Feitelijke problemen van ouders die niet verschijnen, vanwege verplichtingen op hun werk, zorg voor kleinere kinderen of ziekte, of definitieve verwijdering tussen een ouder en zijn zoon of dochter kunnen niet ontkend worden. Ten slotte moet niet uit het oog worden verloren dat uitstel veelal niet in het belang van het slachtoffer is.

Voor het amendement van Çörüz en Wolfsen dat geleid heeft tot de verschijningsplicht, was geen financiële dekking aanwezig. Dat betekent dat de verschijningsplicht is ingevoerd zonder extra financiële middelen. Het is mogelijk dat het wel beschikken over financiële compensatie tot meer aanhoudingen had geleid omdat door de vergroting van de zittingscapaciteit de negatieve effecten van een lange aanhouding verminderd zouden worden. In het komende jaar wordt de ontwikkeling van de structurele kosten van de verschijningsplicht gemonitord.

Knelpunten

Uit de evaluatie blijkt voorts dat de uitvoeringsorganisaties enkele praktische knelpunten ervaren bij de uitvoering van de verschijningsplicht. Ik acht het van belang de uitvoering van de verschijningsplicht zoveel mogelijk te verbeteren. Mijn inzet is er daarom op gericht een paar belangrijke knelpunten op te lossen.

Twee van de gesignaleerde knelpunten zijn nagenoeg opgelost. Het eerste betreft het raadplegen van het gezagsregister en vertraging in het verwerken van beslissingen omtrent gezag. Dit knelpunt wordt opgelost met een nieuw centraal te raadplegen gezagsregister (voorjaar 2012).

Het tweede knelpunt betreft de communicatie tussen het OM en de Raad voor de kinderbescherming over gezagssituaties en de verstandhouding tussen de gezinsleden. Deze is verbeterd door een aanpassing van het zogenoemde bijzonderhedenformulier van de Raad. Met dit formulier kan de Raad het OM informeren over bijvoorbeeld de noodzaak van een tolk voor de ouders ter terechtzitting of over bijzondere gezinssituaties waarmee het OM in het oproepingstraject rekening kan houden. Hiermee kunnen ongewenste situaties ter zitting worden voorkomen, bijvoorbeeld dat de vader wordt opgeroepen terwijl voor hem een huisverbod geldt ten aanzien van zijn kind en diens moeder.

Het derde knelpunt betreft de communicatie over de verschijningsplicht richting ouders. De meeste ouders zijn tijdens het vooronderzoek al verschillende malen gewezen op de verschijningsplicht. Toch wordt nog niet de hele groep ouders bereikt. Daarom zal de communicatie over de verschijningsplicht met de ouders worden verbeterd door een sluitend voorlichtingskader voor de ketenorganisaties te ontwikkelen. Ook zal worden bezien of betrokken organisaties hun werkprocessen met betrekking tot het bevel tot medebrenging van ouders kunnen aanpassen.

Effectieve ouderparticipatie

Nog voor de verschijningsplicht werd ingevoerd, experimenteerde de rechtbank Utrecht al met het versterken van de betrokkenheid van ouders bij de strafzaak tegen hun kind. In de pilot Versterken betrokkenheid ouders kregen ouders voorlichting van oudercoaches over het strafproces en hun rol daarin. Daardoor waren ze iets vaker ter terechtzitting aanwezig. Daarnaast werden parketsecretarissen, officieren van justitie en rechters getraind in de communicatie met de ouders. Dit leidde tot een grotere participatie van ouders op de terechtzitting.

De verschijningsplicht is een goede stok achter de deur om (onwillige) ouders naar de terechtzitting te laten komen. Hun actieve participatie is nodig om een beter beeld te kunnen krijgen van de opvoedingssituatie en de door hen gevoelde opvoedingsverantwoordelijkheid, en hun betrokkenheid bij de uitvoering van de sanctie te versterken. Het OM en de Rechtspraak zijn van dit belang doordrongen. Aandacht voor effectieve ouderparticipatie wordt dan ook door het OM en de Rechtspraak in hun opleidingsaanbod geïntegreerd.

4. Ten slotte

De terechtzitting is slechts één van de momenten waarop de ouders bij het strafproces worden betrokken. Ouders van minderjarige verdachten worden al eerder in het vooronderzoek betrokken. Dat gebeurt al tijdens het eerste politiecontact, bij de voorgeleiding aan de rechter-commissaris in verband met een vordering tot inbewaringstelling en bij de raadkamer in verband met de gevangenhouding. Ook in het kader van het onderzoek naar de persoon, de omstandigheden en het recidiverisico van de jongere nodigt de Raad voor de kinderbescherming de ouders uit voor een gesprek. Bij schorsing van de preventieve hechtenis onder het stellen van bijzondere voorwaarden, zoekt de Jeugdreclassering doorgaans contact met de ouders. De begeleiding door de Jeugdreclassering kan ook op basis van vrijwilligheid plaatsvinden. Ten slotte nodigt een deel van de advocaten de ouders uit om met de verdachte mee te komen voor een gesprek over de zaak. Voorafgaand aan de terechtzitting bij de rechtbank hebben de meeste ouders dus al op meer momenten contact gehad met een van de ketenpartners of de advocaat.

Tijdens de begrotingsbehandeling 2012 van het ministerie van Veiligheid en Justitie heb ik uw Kamer toegezegd onderzoek te doen naar de rol van de ouders van kinderen die met de politie in aanraking komen. Ik heb toen ook toegezegd mij verder te zullen beraden over het voorstel van het lid van uw Kamer, de heer Marcouch, om ouders bij een eerste strafrechtelijk contact van hun kind, direct al aan te spreken op hun opvoedingsverantwoordelijkheid5. Voor 1 augustus 2012 zal ik uw Kamer informeren over de uitkomst hiervan en of, en zo ja op welke wijze, de ouders nog meer betrokken moeten worden bij het strafproces van hun kind.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Kamerstukken II 2005/06, 30 143, nr. 11.

X Noot
2

Aanwezigheid verplicht; een inventarisatie van de gevolgen van de aanwezigheidsplicht voor ouders bij de kinderrechter, Regioplan (Kamerstukken II 2010/11, 30 143, nr. 36). De uitvoeringsorganisaties zijn de Politie, de Raad voor de kinderbescherming, het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak.

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
4

Effectieve ouderparticipatie in het jeugdstrafproces. Kristien Hepping & Ido Weijers, 2011.

X Noot
5

Motie Marcouch over het sociaal verhoor (Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VI, nr. 62).