30 143
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces

nr. 17
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN WOLFSEN EN TEEVEN TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 12

Ontvangen 29 november 2007

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

In de beweegreden wordt de zinsnede «dat het wenselijk is aanvullende bepalingen op te nemen in het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces» vervangen door: dat het wenselijk is aanvullende bepalingen op te nemen in het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces.

II

In artikel I wordt na onderdeel H een onderdeel ingevoegd, dat luidt:

Ha

Aan artikel 361, tweede lid, onderdeel b, wordt na «feit» ingevoegd: of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.

III

Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

ARTIKEL IA

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 36f, eerste lid, wordt na «veroordeeld» ingevoegd: of waarbij door de rechter bij de strafoplegging rekening is gehouden met een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht.

IV

Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

ARTIKEL IIIA

Artikel I, onderdeel Ha, en artikel IA zijn niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan voor het moment van inwerkintreding van deze wet. Ten aanzien van die feiten blijft het recht van toepassing zoals het gold voor inwerkingtreding van deze wet.

Toelichting

Dit amendement beoogt de positie van slachtoffers van ad informandum gevoegde feiten te versterken.

Naar huidig recht is voeging alleen mogelijk ter zake van een feit dat aan de verdachte ten laste is gelegd. Het belang van het slachtoffer bij het op eenvoudige wijze geldend maken van zijn civielrechtelijke vordering is in de praktijk echter ondergeschikt aan het belang van een doelmatige strafrechtspleging, dat grenzen stelt aan het aantal ten laste te leggen feiten. Een hernieuwde afweging tussen proceseconomische belangen enerzijds en het belang van het slachtoffer anderzijds, brengt naar de mening van ondergetekenden mee, dat ook diegene die slachtoffer is geworden van een feit dat niet aan de verdachte ten laste wordt gelegd, maar slechts ad informandum wordt gevoegd, de mogelijkheid moet hebben zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen.

De rechter kan een ad informandum gevoegd feit alleen bij de strafoplegging betrekken, indien de verdachte dit ter terechtzitting heeft erkend of, ingeval van verstek, uit de stukken aannemelijk is dat de verdachte het feit heeft begaan. Voeging ad informandum, in plaats van formele tenlastelegging, van door de verdachte erkende feiten komt de proceseconomie ten goede. Vanwege de eis van erkenning van het feit, zal de behandeling van de vordering van de benadeelde partij bovendien niet veel tijd in beslag nemen. Indien, zoals wordt voorgesteld, het slachtoffer zich als benadeelde partij kan voegen ter zake van een ad informandum gevoegd feit, stelt dat het openbaar ministerie dan ook in staat die feiten, die naar zijn mening voor vervolging/bestraffing in aanmerking komen, af te doen op een wijze die recht doet aan beide belangen: de door verdachte betwiste feiten legt het openbaar ministerie formeel ten laste, de door verdachte erkende feiten voegt het – naast een of meer ten laste gelegde feiten – ad informandum, terwijl het slachtoffer in beide gevallen zijn recht kan halen in het strafproces.

Opmerking verdient dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de officier van justitie de verdachte hetzij bij het uitbrengen van de dagvaarding hetzij anderszins tijdig vóór de aanvang van de terechtzitting op de hoogte moet brengen van de voeging ad informandum. Ondergetekenden stellen voor de mogelijkheid van voeging van de benadeelde partij te beperken tot het geval dat de officier van justitie de verdachte bij de dagvaarding in kennis heeft gesteld van de voeging ad informandum. Dat voorkomt dat op de terechtzitting discussie kan ontstaan over de vraag of de verdachte tijdig op de hoogte was of had kunnen zijn. Tot een verkorting van de rechten van het slachtoffer hoeft deze beperking niet te leiden, omdat het voor het Openbaar Ministerie mogelijk moet zijn om al in de dagvaarding melding te maken van de ad informandum gevoegde feiten.

Omdat toewijzing van de vordering van de benadeelde partij veelal gepaard gaat – en naar de mening van ondergetekenden gepaard dient te gaan – met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, stellen ondergetekenden voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ook mogelijk te maken, indien de rechter een ad informandum gevoegd feit bij de strafoplegging heeft betrokken. Naar huidig recht geldt ook hier dat het slachtoffer van een feit dat ad informandum wordt gevoegd, buiten de boot valt.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zal de schadevergoedingsmaatregel niet kunnen worden opgelegd voor een ad informandum gevoegd feit dat is gepleegd vóór de inwerkingtreding van onderhavige wet. Vanwege de nauwe samenhang tussen toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel komt het ondergetekenden dienstig voor ook de voeging als benadeelde partij ter zake van vóór de inwerkingtreding van de wet gepleegde feiten uit te sluiten. Indien dit amendement wordt aangenomen, komt het opschrift als volgt te luiden: Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces.

Wolfsen

Teeven

Naar boven