Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201430111 nr. 67

30 111 Topinkomens

Nr. 67 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 maart 2014

Ook in de voorbije jaren van economische crisis zijn de beloningen van sommige topbestuurders hard gestegen. De beloning van gewone werknemers bleef daar bij achter. Het kabinet gaat niet over de hoogte van de totale beloning van de bestuurders van individuele bedrijven, dat is een zaak van werkgevers en werknemers. Het kabinet hecht met het oog op de arbeidsverhoudingen wel aan een open en transparante dialoog hierover. Op 21 juni 2013 heb ik Uw Kamer daarom laten weten dat het kabinet de verdere mogelijkheden zal onderzoeken om te bevorderen dat beloningen in de top van het bedrijfsleven in verhouding staan tot het de rest van het loongebouw. In deze brief ga ik in op de voornemens waartoe dat onderzoek heeft geleid.

OR nadrukkelijker in beeld

Het kabinet wil excessieve topbeloningen onder meer tegengaan door versterking van de medezeggenschap. Daarom is onderzocht hoe de rol van ondernemingsraden bij het beloningsbeleid voor bestuurders nadere invulling kan krijgen.

Rapportage over de beloningsverhoudingen kan binnen de onderneming een discussie losmaken over wat passende verhoudingen zijn tussen de bezoldiging van topbestuurders en de rest van het loongebouw. De Wet op de ondernemingsraden (WOR) bevat daartoe in art. 31d een rapportageverplichting. Daarin is geregeld dat de ondernemer schriftelijk informatie moet verstrekken aan de ondernemingsraad over de arbeidsvoorwaardelijke regelingen van de werknemers alsmede van de beloningsafspraken van het bestuur. Daarbij moet inzichtelijk worden gemaakt met welk percentage de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het vorige jaar.

Bij het toekennen van een grotere rol van de ondernemingsraad moet worden meegewogen dat de leden van de ondernemingsraad daarbuiten in een gezagsverhouding staan ten opzichte van de bestuurder. In de dagelijkse praktijk is de bestuurder immers werkgever en/of leidinggevende van diezelfde ondernemingsraadsleden. Het kabinet wil dan ook de OR meer invloed geven zonder dat de relatie tussen de bestuurder en de ondernemingsraadsleden onder druk komt te staan.

Het kabinet zal de WOR zodanig aanpassen dat jaarlijks een gesprek tussen bestuurder en de ondernemingsraad plaatsvindt over de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen, inclusief die van het bestuur. Op basis van de huidige informatieverplichting is een gesprek over de beloningsverhoudingen reeds mogelijk. Dit wordt nu een verplichting. In combinatie met de informatieverplichting kan binnen de onderneming een discussie over de beloningsverhoudingen op gang worden gebracht. De OR kan daarbij de achterban raadplegen, zodat de OR draagvlak heeft voor zijn opstelling in het gesprek met de bestuurder.

In aanvulling op het bovenstaande zal het kabinet de SER-commissie Bevordering Medezeggenschap verzoeken om specifieke voorlichting over de mogelijkheden van OR-en op dit terrein, waaronder ook over het in 2010 geïntroduceerde standpuntrecht. Dit recht houdt in dat de OR zich tijdens de aandeelhoudersvergadering kan uitspreken over het beloningsbeleid van het bestuur.

Beloningsverhoudingen

In mijn brief van 21 juni 2013 heb ik laten weten dat het kabinet denkt aan een verplichting voor bedrijven om in hun (sociaal) jaarverslag inzichtelijk te maken hoe de beloningsverschillen binnen het bedrijf zich hebben ontwikkeld. Het kabinet verwacht dat de Europese Commissie binnenkort met een voorstel zal komen om de richtlijn aandeelhoudersrechten aan te passen, zoals aangekondigd in het Actieplan Europees vennootschapsrecht en corporate governance (COM(2012) 740). Er zullen waarschijnlijk onder meer voorstellen worden gedaan om het beloningsbeleid en de individuele beloning van bestuurders transparanter te maken. Het kabinet wacht dit voorstel af en zal daarna een standpunt bepalen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher