30 111
Topinkomens

30 300
Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 december 2005

In aanvulling op de openbaarmaking van topinkomens, heeft de Tweede Kamer uitgesproken dat een normering van salarisniveaus in de semi-publieke sectoren gewenst is. Om de urgentie te benadrukken is de motie 30 300, nr. 53 (motie Bakker) aangenomen.

Net als de Kamer heeft het kabinet zorgen over sommige topsalarissen en de negatieve beeldvorming die hierdoor ontstaat. Daarom heeft het kabinet ook bij indiening van de motie aangegeven dat het deze wil uitvoeren. Tegelijkertijd heeft het kabinet aangegeven dat het realiseren van een effectieve, gedifferentieerde en zorgvuldige normering veel inspanningen zal vergen.

Onder normering verstaat het kabinet dat er per sector binnen het semi-publieke domein een salarisnorm gedefinieerd wordt, waarboven de salarissen in beginsel niet uitstijgen. Het kabinet staat daarbij een aanpak in drie fasen voor ogen:

1. Normering vastgelegd in sectorspecifieke topinkomens codes

2. Wettelijke instrumenten om codes een verplichtend karakter te geven

3. Naleving sectorale normering wettelijk sanctioneren.

Het vraagstuk van normering is bestuurlijk, juridisch en organisatorisch buitengewoon complex. Bovendien gaat het om grote aantallen organisaties die eerder bewust bestuurlijk op afstand zijn geplaatst, waarbij bevoegdheden door de wetgever zijn gedelegeerd. Ook kunnen decentrale overheden betrokken zijn. Normering is daardoor ingewikkelder dan zomaar een maximumsalaris vaststellen. De wens tot zorgvuldige regelgeving en de complexiteit van de juridische en economische consequenties van normering noopt het kabinet om op die punten externe deskundigen om een rapportage te vragen.

In de bijlage bij deze brief1 geef ik aan op welke wijze het kabinet uitvoering wil geven aan de motie. Vanwege de urgentie van de problematiek is met de uitwerking al een begin gemaakt, maar op deze korte termijn zijn de gedetailleerde uitwerkingen vanzelfsprekend nog niet gereed. Ook de bevindingen uit de gevraagde rapportage moeten in de gedetailleerde uitwerking worden verdisconteerd.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven