30 111 Topinkomens

Nr. 110 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 mei 2018

Tijdens het Algemeen Overleg van 19 april 2018 over de Wet normering topinkomens heb ik toegezegd nader antwoord te geven op een vraag van het lid Middendorp (VVD) inzake de relatie tussen het ministersalaris en het WNT-maximum.

Over de wijze van het bepalen van het ministersalaris en de hoogte hiervan heeft destijds de commissie Dijkstal geadviseerd. Het advies van deze commissie was om het ministersalaris te verhogen met 30%, waarmee het ministersalaris zou uitkomen op € 230.000. Dit bedrag is als uitgangspunt genomen voor het bezoldigingsmaximum in de WNT-1. Nadat was afgezien van de voorgenomen verhoging van het ministersalaris, heeft het kabinet Rutte/Asscher hieraan in 2015 de consequentie verbonden om met de WNT-2 het algemeen WNT-bezoldigingsmaximum te verlagen van € 230.000 (130% van het ministersalaris) naar € 178.000 (100% van het ministersalaris).

Met ingang van 2016 wordt, zoals in de Wet normering topinkomens is vastgelegd, het algemeen bezoldigingsmaximum jaarlijks geïndexeerd op basis van de loonontwikkeling in de publieke sector in het jaar ervoor, zoals vastgesteld door het CBS. Dit bedrag wordt naar boven afgerond. Het ministersalaris volgt de loonstijging van de CAO Rijk. Het WNT-bezoldigingsmaximum en het ministersalaris zijn hierdoor ongeveer gelijk, maar kunnen door de verschillende wijzen van indexering iets uit elkaar lopen. Indien het ministersalaris op enig moment tenminste € 500 euro hoger is dan het WNT-bezoldigingsmaximum, heeft de Minister van BZK sinds vorig jaar de bevoegdheid het WNT-bezoldigingsmaximum gelijk te trekken met het ministersalaris.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

Naar boven