nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State van het Koninkrijk
d.d. 15 december 2004 en het nader rapport d.d. 22 april 2005, aangeboden
aan de Koningin door de minister van Justitie. Het advies van de Raad van
State van het Koninkrijk is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 15 november 2004, no. 04.004322, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State
van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet
tot goedkeuring en uitvoering van het Protocol tot wijziging van het Europees
Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb.2003, 133), met memorie van toelichting.
Het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb.1977, 63) strekt
tot het uitsluiten van de mogelijkheid tot weigering van uitlevering met een
beroep op het politieke karakter van het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd.
Het Protocol behelst in het bijzonder een uitbreiding van het aantal feiten
terzake waarvan uitlevering niet kan worden geweigerd.2
De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de strekking van het
voorstel van rijkswet, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen met betrekking
tot het voorbehoud om uitlevering te weigeren en met betrekking tot de koninkrijkspositie.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 15 november
2004 machtigde Uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk zijn advies
inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 15 december 2004, nr. W03.04.0544/I/K, bied ik
u hierbij aan.
1. Voorbehoud
Bij de ratificatie van het Verdrag in 1985 heeft de regering zich het
recht voorbehouden om uitlevering te weigeren voor strafbare feiten die worden
beschouwd als politiek delict. Voorgesteld wordt het voorbehoud te handhaven,
omdat – kort gezegd – toetreding tot het Verdrag mogelijk wordt
voor staten die geen lid zijn van of waarnemer bij de Raad van Europa.3 De Raad betwijfelt of het wenselijk is het voorbehoud
te handhaven. In de eerste plaats merkt de Raad op dat het Protocol mede strekt
tot het beperken van de mogelijkheid tot het maken van voorbehouden bij het
Verdrag. Volgens artikel 12 van het Protocol mogen alleen verdragspartijen
voor wie op het moment van inwerkingtreden van het Protocol een voorbehoud
geldt, opnieuw een voorbehoud maken. Ook is een voorbehoud nog slechts tijdelijk
geldig, met de mogelijkheid van verlenging. Op de tweede plaats
betekent elk voorbehoud dat er wederkerigheid ontstaat zodat een door Nederland
verzochte uitlevering van een verdachte van terrorisme op deze grond kan worden
geweigerd. Ten slotte bevat artikel 4 van het Protocol een uitbreiding van
de waarborgen van mensenrechtelijke aard. Zo mag volgens artikel 4, tweede
lid, van het Protocol, niets in het Verdrag zo worden uitgelegd dat het de
aangezochte staat verplicht tot uitlevering, indien de betrokkene het risico
loopt aan foltering te worden blootgesteld. Artikel 4, derde lid, van het
Protocol bevat een soortgelijke garantie met betrekking tot het risico van
oplegging en tenuitvoerlegging van de doodstraf en levenslange gevangenisstraf
zonder mogelijkheid van gratie. Deze waarborgen houden volgens de memorie
van toelichting verband met de openstelling van het Verdrag voor staten die
geen lid zijn van of waarnemer bij de Raad van Europa en die niet zijn gebonden
aan de bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden.1
Mede in het licht van artikel 4 van het Protocol adviseert de Raad in
de memorie van toelichting nader te motiveren waarom het voorbehoud nog altijd
wenselijk is.
1. Op zichzelf is juist, dat de waarborgen uit artikel 4, tweede en derde
lid, van het protocol, verband houden met de openstelling van het Verdrag
voor staten die geen lid zijn van de de Raad van Europa en niet gebonden aan
de bepalingen van het EVRM. Deze aanvullende waarborgen, die door de regering
als van groot belang worden beschouwd, nemen evenwel niet de behoefte weg
aan het maken van een voorbehoud bij de beoogde depolitisering. De reden voor
het handhaven van het voorbehoud is op zich dezelfde als bij het oorspronkelijke
verdrag: voorkomen dat Nederlandse autoriteiten zich hoeven in te laten met
gebeurtenissen die zich tijdens bijzondere interne omstandigheden van politieke
aard binnen een andere staat hebben voorgedaan. Daar komt nu nog bij, dat
de groep van staten die bij het gewijzigde Verdrag partij kunnen worden aanzienlijk
wordt uitgebreid ten opzichte van het oorspronkelijke Verdrag in 1977. Omdat
niet voorspelbaar is wèlke derde staten in de toekomst wellicht zullen
toetreden, kan al evenmin worden voorzien welke bijzondere interne omstandigheden
zich daar nog zouden kunnen voordoen. Door nu het voorbehoud te handhaven
kan worden verzekerd dat in zeer uitzonderlijke gevallen, waarin de rechter
in onafhankelijkheid meent dat de gevraagde uitlevering een politiek delict
betreft, toch de gevraagde uitlevering kan worden geweigerd. Van een verplichting
tot weigeren zal uiteraard geen sprake zijn.
De toelichting is in bovenstaande zin aangevuld.
2. Koninkrijkspositie
Volgens de memorie van toelichting heeft de regering van Aruba gemeld
medegelding van het Protocol wenselijk te achten en beraadt de regering van
de Nederlandse Antillen zich over medegelding.2
De Raad merkt op dat medegelding uitvoeringswetgeving zal vergen. De Raad
adviseert in de memorie van toelichting in te gaan op de perspectieven voor
tijdige totstandkoming daarvan.
2. De paragraaf betreffende de Koninkrijkspositie is geactualiseerd. Het
geven van een tijdpad waarop de uitvoeringswetgeving gereed zal zijn, zoals
de Raad aanbeveelt, is echter niet mogelijk daar het tot stand brengen van
wetgeving van teveel verschillende factoren afhankelijk is.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging het voorstel
van rijkswet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten
van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge u, mede namens mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken, verzoeken
het hierbij gevoegde voorstel van rijkswet en de gewijzigde toelichting aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden, en tevens over te leggen aan
de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner