Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-200630096 nr. 10

30 096
Wijziging van de Gemeentewet in verband met het afschaffen van het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting (OZB) op woningen en het maximeren van de resterende OZB-tarieven (Afschaffing gebruikersdeel OZB op woningen)

nr. 10
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 26 september 2005

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel D, wordt artikel 220f als volgt gewijzigd:

In het derde lid wordt de tweede volzin vervangen door:

De gemeente die voor een in het eerste lid genoemde belasting een tarief hanteert dat lager is dan het in de vorige volzin voor die belasting genoemde tarief, mag dit tarief verhogen tot maximaal het in de vorige volzin voor die belasting genoemde tarief, met dien verstande dat het in de belastingverordening opgenomen tarief ten minste verhoogd mag worden met het percentage trendmatige BBP-groei na correctie voor inflatie en verminderd met de voor dat jaar geraamde areaalontwikkeling.

B

In artikel I, onderdeel E, wordt artikel 220g als volgt gewijzigd:

Aan het slot van het vijfde lid wordt de volgende tekst toegevoegd:

Voor het jaar na het kalenderjaar waarvoor de ontheffing is verleend, gelden de tarieven zoals die in het jaar van ontheffing op grond van artikel 220f zonder de verleende ontheffing maximaal waren toegestaan, onverminderd de bevoegdheid die tarieven binnen de grenzen van artikel 220f opnieuw te verhogen en opnieuw een ontheffing aan te vragen als bedoeld in het tweede lid.

Toelichting

In de tekst van het wetsvoorstel bleken nog enkele onduidelijkheden die in deze nota van wijziging worden gepreciseerd. Mede namens de Minister en de Staatssecretaris van Financiën licht ik die als volgt toe.

Onderdeel A

Artikel 220f, derde lid, bepaalt in welke mate gemeenten die een tariefhanteren dat lager is dan het op grond van het eerste lid toegestane maximum, dat tarief mogen verhogen. De jaarlijkse stijging mag niet hoger zijn dan het percentage trendmatige BBP-groei na correctie voor inflatie en verminderd met de voor dat jaar geraamde areaalontwikkeling. Een bijzondere situatie bestaat voor gemeenten met een of meer tarieven die lager zijn dan de in de eerste volzin van het derde lid genoemde bedragen. Die gemeenten mogen deze tarieven in een keer laten stijgen tot de in de eerste volzin genoemde bedragen en in de jaren daarna weer volgens de in de eerste volzin genoemde norm. De situatie kan zich echter voordoen dat dit uitgangspunt er toe leidt dat een gemeente de tarieven slechts mag laten stijgen met een percentage dat lager is dan in de in de eerste volzin van het derde lid bedoelde stijging. Dat effect is niet bedoeld. Om die reden is de tweede volzin gewijzigd om zeker te stellen dat de op grond van de tweede volzin van het derde lid bedoelde stijging steeds ten minste het in het eerste lid bedoelde stijgingspercentage mag bedragen.

Onderdeel B

Artikel 220g, vijfde lid, bepaalt dat een ontheffing als in dat artikel bedoeld, slechts voor één kalenderjaar geldt. Uit de tekst blijkt niet duidelijk wat dit betekent voor de tarieven in het daarop volgende jaar. Ter wille van de duidelijkheid is daarom een bepaling toegevoegd die er in voorziet dat in het jaar na het jaar van ontheffing, zonder nader besluit van de gemeenteraad, weer de tarieven gelden die op grond van artikel 220f in het jaar van ontheffing zonder die ontheffing maximaal waren toegestaan. Dat laat onverlet dat de gemeenteraad die laatstbedoelde tarieven weer mag verhogen binnen de grenzen van artikel 220f en opnieuw een ontheffing mag aanvragen als bedoeld in artikel 220g.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes