Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200530095 nr. 5

30 095
Raming der voor de Tweede Kamer in 2006 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Vastgesteld 10 juni 2005

Inhoudsopgave

Efficiencymaatregelen2
Artikel 2 Uitgaven ten behoeve van leden en oud-leden Tweede Kamer, alsmede leden van het Europees Parlement3
 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1969, 594) en outplacement3
Artikel 3 Wetgeving en controle tweede Kamer3
 2.Begrotingsvoorstellen3
 3.Operationele doelstellingen en prestatiegegevens9
 Zelfstandige begrotingsautoriteit9
 Samenwerking met de Eerste Kamer9
 De ondersteuning van de kerntaken van het parlement (medewetgeving en controle)10
 Controle12
 Papierarm parlement/E(lectronic)-parlement/Parlis12
 Managementstijl en personeelsbeleid19
 Huisvesting20
 Prestatiegegevens22
 4.Budgettaire gevolgen van beleid26
 Artikelonderdeel 01 apparaatuitgaven26
04 Staten-Generaal Algemeen30
Artikel 4 Wetgeving en controle Eerste Kamer en Tweede Kamer30
 1.Algemene doelstelling30
 3.Operationele doelstellingen en prestatiegegevens31
 De samenwerking met de Eerste Kamer31

Efficiencymaatregelen

Met betrekking tot de vraag van de fractie van het CDA naar het realiteitsgehalte van de (hoogte van de) Raming merkt het Presidium, zich daarbij baserend op de door de auditdienst van het ministerie van BZK vastgestelde cijfers, op dat de uitgaven over 2004 € 102,8 mln bedroegen. De relatie tussen hoogte van de (initiële) Raming, de verwerking hiervan in hoofdstuk IIa, het budget na 2e suppletore wijziging en de uiteindelijke uitgaven, is daarbij als volgt:

ArtikelRamingBegroting IIaStand bij NajaarsnotaUitgaven
227 04627 82429 41128 047
366 93668 53072 87572 349
47 0717 2033 5272 407
Totaal101 053103 557105 813102 803

Gelet op de begrotingsrealisatie over 2004 en het ramingstotaal in 2005 (€ 105,6 mln), bestaat bij het Presidium niet de indruk dat met het voor 2006 geraamde totaal van € 102,5 mln. uitvoeringsrisico's worden gelopen.

De leden van de PvdA-fractie hebben ook enkele opmerkingen gemaakt over het burgerinitiatief en gevraagd uit welke post dit betaald gaat worden. De stand van zaken is momenteel als volgt.

Op 31 maart 2004 is door de Kamer de motie Dubbelboer e.a. aangenomen over het burgerinitiatief. Naar aanleiding van deze motie zijn door de commissie voor de Werkwijze voorstellen opgesteld om analoog aan de regelingen voor burgerinitiatief op lokaal en provinciaal niveau en zoals voorgesteld in het Europees Grondwettelijk Verdrag, burgers bepaalde rechten toe te kennen op landelijk niveau. Het Presidium heeft onlangs besloten om deze voorstellen die een wijziging van het Reglement van Orde van de Kamer en het Reglement van de Commissie voor de Verzoekschriften naar de Kamer behelzen, door te geleiden. Aangezien dit geen wijzigingen van eenvoudige aard betreft zal de Commissie voor de Werkwijze worden verzocht de beraadslagingen over de voorstellen voor te bereiden door het opstellen van een verslag. De verwachting is dat de plenaire behandeling na het zomerreces zal plaatsvinden. De vraag uit welke post het burgerinitiatief betaald moet worden kan pas worden beantwoord als de Kamer een keuze heeft gemaakt of, en zo ja, op welke wijze en met ingang van welke datum het burgerinitiatief moet worden ingevoerd.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de fracties van de VVD en D66 aangaande het niet-verhuizen van ambtelijke diensten, merkt het Presidium het volgende op.

De Kamer heeft de in de Raming van 2005 voorgestelde bezuiniging door beperking van de verhuizingen van ambtelijke diensten aanvaard onder de toevoeging dat het hier niet om een absoluut gegeven gaat, maar om een uitgangspunt. Als mocht blijken dat hierdoor bijvoorbeeld fracties ten gevolge van zetelwinst of -verlies niet passend gehuisvest zouden kunnen worden, dan zal hiermee met de nodige soepelheid worden omgegaan. Die toezegging blijft van kracht.

Artikel 2 Uitgaven ten behoeve van leden en oud-leden Tweede Kamer, alsmede leden van het Europees Parlement

Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1969, 594) en outplacement

Met betrekking tot vragen bij de fracties van CDA en PvdA ten aanzien van de outplacementregeling, merkt het Presidium het volgende op.

De omvang van het geraamde budget van € 0,2 mln vindt zijn oorzaak in de hoogte van de uitgaven in het eerste raming van raming 2003, namelijk € 0,176 mln. Ofschoon de uitgaven nadien substantieel afnamen, lijkt de verwachting gewettigd dat na Kamerverkiezingen weer van een toename sprake zal zijn.

In de «Vrijwillige outplacementregeling voor ( oud) leden van de Tweede Kamer» is het maximum budget voor een outplacementtraject bepaald op € 15 000 ( inclusief btw). De uitgaven in het jaar 2004 hebben betrekking op drie outplacementtrajecten, zodat de gemiddelde uitgaven per traject € 9 000 bedragen. Zowel de vraag of voldoende gebruik gemaakt wordt van de beschikbare mogelijkheden, als de vraag of er een directe relatie is te leggen tussen het verminderen van de aanspraken op wachtgelden en de uitgaven voor outplacement is niet te beantwoorden zonder een nader onderzoek. Het Presidium wil daarom deze vragen meenemen met de evaluatie van de outplacementregeling waarvan de bevindingen beschikbaar zullen zijn ruim vóór de Tweede Kamerverkiezingen in 2007. Deze evaluatie zal met name gericht zijn op het meten van de effecten van alle afgesloten trajecten sinds de introductie van de regeling en de ervaringen van de (oud) leden met de verschillende outplacementbureaus.

De verwachting is niet dat in 2005 een groot beroep op de outplacementregeling zal plaatsvinden, omdat een beroep op deze faciliteit mogelijk is tot uiterlijk twee jaar na de datum van beëindiging van het Kamerlidmaatschap. Op dit moment behoren leden die de Kamer na 1 juni 2003 hebben verlaten tot de doelgroep. Daarnaast kunnen leden die de Kamer op korte termijn gaan verlaten gebruik maken van de faciliteit.

Op 1 april 2005 bedroeg het aantal wachtgelduitkeringen aan oud-leden tweeënzeventig. Hiervan vloeien zevenendertig uitkeringen voort uit de verkiezingen in 2002 en vier uit de verkiezingen in 2003. Het verloop van het vervallen van deze (actieve) aanspraken is als volgt:

 Aanspraken vervallen in 
Verkiezingenaantal200520062007200820092010201120122014
20023711511421111
20034   4     

Artikel 3 Wetgeving en controle tweede Kamer

2. Begrotingsvoorstellen

Met betrekking tot de posten elektrische sloten en ARSG, dit in antwoord op een vraag uit de fractie van het CDA, merkt het Presidium op dat uit een oogpunt van veiligheid de cilindersloten op de deuren van de technische ruimten worden vervangen door elektrische sloten. De budgetten zijn doorgeschoven vanuit 2004, omdat het project dat jaar niet kon worden uitgevoerd.

Bij de modernisering van de arbeidsvoorwaarden van medewerkers van de Tweede Kamer zoals geregeld in het ARSG en die een neerwaartse bijstelling inhielden om ze meer in de pas te laten lopen met wat rijksbreed gebruikelijk is, is een aflopende overgangsregeling getroffen. De financiering hiervan is voor een deel geregeld in het jaarlijkse budget. Het ontbrekende moet worden «gespaard» binnen het budget voorafgaand aan het jaar van uitgaaf.

Budgettair kreeg dit in beide gevallen gestalte door budgetverlaging in 2004 bij gelegenheid van de Najaarsnota, waarna het benodigde bij gelegenheid van het eerste wijzigingsvoorstel voor 2005 weer is opgevoerd. De overheveling in het kader van de ARSG vond ook al eerder plaats in de periode 2003–2004.

Ten aanzien van de vraag van de fractie van het CDA naar de kosten van de beveiliging, licht het Presidium het volgende toe.

De structurele uitbreiding met 1,5 fte zal naar verwachting maar ten dele de uitbreiding van de noodzakelijke inzet van de Beveiligingsdienst in 2006 kunnen opvangen. De reden om nu een beperkte uitbreiding voor te stellen heeft te maken met diverse ontwikkelingen:

Ten eerste heeft de Tweede Kamer de AIVD eind 2004 gevraagd om een zogenoemd weerbaarheidsonderzoek uit te voeren. Daarbij was het de vraag of de beveiligingsmaatregelen die de Tweede Kamer getroffen heeft, adequaat en in balans zijn. Dit heeft geresulteerd in een aantal adviezen dat door de Tweede Kamer is overgenomen, in afwachting van een veelomvattender onderzoek naar de risico's en bedreigingen die van invloed zijn op het functioneren van de Tweede Kamer. Deze rapportage zal binnenkort worden afgerond. Daarna moet beoordeeld worden of het geheel van beveiligingsmaatregelen dat de Tweede Kamer heeft getroffen, past bij het geheel van risico'en bedreigingen. Dit kan de noodzaak tot aanpassingen betekenen van de organisatie, de bouwkundige voorzieningen en de formatie.

Ten tweede staat de Beveiligingsdienst aan de vooravond van een reorganisatie met als doel de werkwijze van de dienst beter te laten aansluiten bij de eisen die er aan gesteld worden. Ook hierbij zal bekeken dienen te worden of een andere opzet en werkwijze gevolgen heeft voor de formatie.

Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is er voor de tijdelijke inhuur van externe beveiligers gekozen. Zodra alle formatieve gevolgen duidelijk zijn, zal er een definitief formatieplan worden opgesteld. Of het bedrag van € 0,480 mln dat nu beschikbaar is voor de tijdelijke inhuur van extra menskracht dan toereikend is, moet vervolgens beoordeeld worden.

In antwoord op een vraag van de leden van de factie van het CDA naar de financiering van de Raad van Economisch Adviseurs (REA), stelt het Presidium vast dat de raad is ingesteld voor een periode van een jaar, welke periode loopt van 1 maart 2005 tot 1 maart 2006. Aan de hand van de voorgenomen evaluatie zal de Tweede Kamer besluiten of het wenselijk is langer gebruik te maken van deze raad. De raming van de kosten voor 2006, dit betreft de doorwerking van de Voorjaarsnota 2005, ziet toe op de eerste twee maanden van het jaar. Indien de Tweede Kamer besluit tot continuering van de raad, zullen bij suppletore begroting extra middelen aan de begroting worden toegevoegd.

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd om een inschatting en om een nadere onderbouwing, bijvoorbeeld aan de hand van een of enkele scenario's van de mogelijke consequenties die de vertaling van de aanbevelingen van de Tijdelijke commissie onderzoek infrastructuurprojecten en de subsidiariteitstoets voor de Raming kunnen hebben. De leden van D66 vragen ook naar de alternatieven om aan het grotere beroep op deskundigheid over Europese wet- en regelgeving te kunnen beantwoorden.

Het Presidium heeft over de aanbevelingen van de Tijdelijke commissie onderzoek infrastructuurprojecten advies gevraagd aan de commissie voor de Rijksuitgaven. Een eerste ambtelijke verkenning heeft de volgende vier scenario's opgeleverd:

1. oprichten Kennis en Controlecentrum (KCC);

2. samenvoegen bestaande ambtelijke diensten;

3. versterken bestaande ambtelijke diensten, en

4. op projectbasis opstellen van ondersteuning.

In de eerste variant wordt naast de bestaande ambtelijke diensten een nieuw KCC opgericht. De Tijdelijke commissie Onderzoek Infrastructuurprojecten heeft aangegeven dat de gedachten uitgaan naar een dienst van 15 tot 20 personen.

In de tweede variant worden bestaande ambtelijke diensten samengevoegd. Uitgangspunt bij deze variant is dat alle inhoudelijke ondersteuning die de Tijdelijke commissie noemt, in beginsel aanwezig is. Het gaat dan om het OVB, de staf Rijksuitgaven, een aantal medewerkers van de DCO's en van de Dienst Informatievoorziening.

In de derde variant, het versterken van reeds bestaande ambtelijke diensten, wordt invulling gegeven aan de aanbevelingen van de commissie door de bestaande ambtelijke diensten uit te breiden. Deze uitbreiding leidt waarschijnlijk tot een bijstelling van de Raming.

Tenslotte de vierde variant. In deze variant wordt per afzonderlijk groot project bepaald hoeveel extra ondersteuning nodig is. Deze ondersteuning wordt voor de duur van het gehele grote project aangeboden aan de Kamer. Per project gaat het om enkele extra medewerkers met specifieke expertise die voor enkele dagen per week of maand verbonden zijn aan de Tweede Kamer. Ook deze variant leidt waarschijnlijk tot een bijstelling van de Raming.

Vooralsnog heeft geen besluitvorming plaatsgevonden over de meest wenselijke vorm.

Ten aanzien van de subsidiariteitstoets heeft de Gemengde Commissie Toetsing Subsidiariteit (GC) een aanbeveling gedaan tot en forse uitbreiding (15 tot 16 fte) van het aantal medewerkers. Duidelijk is nu al dat opvolging van het advies van de Gemengde commissie leidt tot bijstelling van de Raming.

Met het Franse en Nederlandse «nee» tegen het Europees Grondwettelijk Verdrag is het onduidelijk op welke wijze de Eerste en Tweede Kamer hun werkwijze op EU-terrein zullen moeten aanpassen ten aanzien van de voorgestelde subsidiariteitstoets. In afwachting van verdere besluitvorming over de toekomst van het Grondwettelijk verdrag ligt het echter in de rede de ingezette koers naar kwaliteitsverbetering van de EU-ondersteuning voort te zetten. De Tweede Kamer heeft immers de wens te kennen gegeven om ook, los van de mogelijke consequenties van de aanvaarding in de toekomst van een al dan niet gewijzigde Europese Grondwet, te komen tot een meer zelfstandige en pro-actieve oordeelsvorming inzake EU-voorstellen. In de rapportage van het lid van Baalen getiteld «Op tijd is te laat» uit 2002 is hiertoe een reeks voorstellen geformuleerd.

De GC heeft onderzoek gedaan naar de wijze van parlementaire behandeling van Europese wetsvoorstellen bij het in werking treden van de Europese Grondwet. Volgens het mandaat van de GC beperkt het advies zich echter niet hiertoe en worden er tevens voorstellen gedaan hoe het Nederlands parlement zich beter van zijn controlerende taak kan kwijten, waardoor de legitimiteit van de Europese instellingen toeneemt.

In haar advies aan het Presidium (GC064) concludeert de GC dat voor een effectieve parlementaire toetsing van nieuwe EU-voorstellen op subsidiariteit, uitbreiding van de ambtelijke ondersteuning noodzakelijk is.

Het Presidium heeft op 24 november 2004 ingestemd met het advies van de GC, met de kanttekening dat een nader onderbouwde inschatting van de toekomstige ambtelijke werkbelasting en de financiële en personele consequenties van de te introduceren procedure noodzakelijk is. Hierbij dient tevens te worden betrokken het idee om de ondersteuning van Eerste en Tweede Kamer op het terrein van EU-beleid gezamenlijk vorm te geven.

Mei 2005 is een projectleider EU-ondersteuning aangesteld, die medio 2006 een advies zal opstellen met voorstellen ter verbetering van de EU-ondersteuning. De daarvoor benodigde ambtelijke ondersteuning en de wijze waarop deze zo efficiënt mogelijk kan worden georganiseerd maken onderdeel uit van de advisering. Dit mede in antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie od het Presidium uitbreiding van de formatie op dit punt ziet. De bovengenoemde rapportage van het lid Van Baalen zal hierbij worden betrokken. In afwachting van meer duidelijkheid over de toekomst van de Grondwet zullen de werkzaamheden van de projectleider zich in de eerste fase in het bijzonder richten op de verdere verbetering van de bestaande EU-ondersteuning. Inmiddels is het kabinet verzocht de toezending aan de Kamer van de (concept-)agenda's voor de verschillende Raden zo veel mogelijk te vervroegen. Ook zal de tot nu toe gevolgde procedure m.b.t. het gebruik van de zgn. «BNC-fiches» bij de beoordeling van voorstellen van de Europese Commissie nader worden bezien.

De leden van de fractie van het CDA stellen dat de uitvoering van de motie Rambocus nauwelijks serieus wordt uitgevoerd en vragen van het Presidium een visie om te komen tot een daadwerkelijke uitvoering van de motie Rambocus. Ook de fracties van de VVD, de ChristenUnie en D66 hebben hierover vragen gesteld.

Bij de vaststelling van de Raming voor de Kamer in 2005 heeft de Kamer de motie Rambocus aanvaard (Kamerstuk 29 527 nr. 21). In de motie verzoekt de Kamer het Presidium bij de voorbereiding van de Raming voor 2006, binnen het beschikbare volume, voorrang te geven aan fractieondersteuning boven ambtelijke ondersteuning. Toch vraagt de Kamer ook nog steeds om uitbreiding van de ambtelijke dienstverlening. Bijvoorbeeld de passage over de Europese ondersteuning die is gebaseerd op aanbevelingen van de GC. En de passage over een mogelijke uitbreiding van het OVB en de staf van de commissie voor de Rijksuitgaven, die is gebaseerd op de aanbevelingen van de Tijdelijke commissie onderzoek Infrastructuurprojecten te komen tot de oprichting van een Kennis en Controlecentrum (KCC). Deze aanbevelingen zijn door de Kamer aanvaard door de motie van Hijum. Het Presidium wil invulling geven aan de uitvoering van zowel de motie Rambocus als aan de motie Van Hijum, hoewel de intenties ervan met elkaar in tegenspraak lijken te zijn. Dit ook nog ondanks de nog steeds groeiende vraag naar dienstverlening in bijna alle geledingen. Zoals bij de Beveiliging (steeds meer verzoeken om en noodzaak tot controle, bediening van bagagescans e.d.), het Restaurantbedrijf (een grote groei in de vraag naar ontvangsten en evenementen en een toenemend aantal vergaderingen), Communicatie (de groei van het internet en de intranetsite) en automatisering (de vraag naar dienstverlening lijkt hier soms onbegrensd te zijn).

Het Presidium heeft besloten de, op basis van het regeerakkoord Balkende II aanvaarde bezuinigingen, die op het totale budget van de Kamer zijn aangebracht, geheel ten laste te brengen van de uitgaven voor de ambtelijke ondersteuning. Dit is geen eenmalige opgave, maar een structurele bezuiniging van € 1,774 mln. Daarmee is een versterking van de positie van de fractieondersteuning ten opzichte van het ambtelijke apparaat voor een deel gerealiseerd.

Bovenstaande betekent wel dat de rek uit de Raming, voor zover die nog beperkt aanwezig was, nu bijna geheel is verdwenen. Iedere substantiële vraag naar aanvullende dienstverlening en bestedingen leidt dan ook onvermijdelijk tot bijstelling van de Raming.

Het Presidium stelt voorop dat, dit naar aanleiding van vragen op dit punt van de fracties van CDA en PvdA, de vraag naar de verhouding tussen de ambtelijke ondersteuning en de fractie-ondersteuning zich inderdaad toespitst op de inhoudelijke ondersteuning. Inhoudelijke ondersteuning door politieke geestverwanten verdient in het bij uitstek politieke orgaan dat de Kamer is, de voorkeur. Tegelijkertijd zou het een inefficiënte inzet van publieke middelen zijn om alle inhoudelijke ondersteuning volledig over te laten aan de afzonderlijke fracties. Immers, aan de basis van politieke oordeelsvorming ligt ondermeer relevante informatie. De ontsluiting en neutrale analyse daarvan kan het beste centraal georganiseerd worden, zodat de fracties niet elk hun eigen informatiedienst behoeven op te tuigen en alle leden gebruik kunnen maken van dezelfde basisinformatievoorziening. In onze organisatie is die taak opgedragen aan de diensten commissieondersteuning en de Dienst Informatievoorziening. De producten van deze diensten zijn politiek neutraal. Dat geldt voor de informatiedossiers maar ook voor de wetgevingsrapporten, waar de leden van de ChristenUnie over spreken. Die rapporten beogen een neutrale attendering van de leden op belangrijke aspecten van een wetsvoorstel. Uit enquêtes onder leden blijkt dat men deze rapporten nuttig vindt en dat zij ook gebruikt worden bij de voorbereiding van de behandeling. Hetzelfde geldt voor andere ambtelijke notities.

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het aantal te ondersteunen commissies de laatste jaren flink is toegenomen, maar dat dit niet tot intensivering van de ambtelijke ondersteuning moet leiden maar tot verschuivingen, zodat het effect van de toename als het ware neutraal uitwerkt op de totale behoefte aan ambtelijke ondersteuning.

De DCO's leveren echter niet alleen inhoudelijke ondersteuning aan Kamercommissies, maar ook de logistieke: zij voeren alle procedurebesluiten van de commissies uit en geven aan de bijbehorende organisatorische en administratieve taken (zoals het organiseren van algemeen overleggen en rondetafelgesprekken, maar ook het opstellen van verslagen bij wetsvoorstellen) uiteraard voorrang boven de inhoudelijke taken. Deze logistieke ondersteuning wordt aan elke commissie geleverd en een toename van het aantal commissies betekent in de praktijk derhalve dat een verschuiving plaatsvindt van inhoudelijke naar logistieke ondersteuning. Op deze wijze leiden verschuivingen in commissieaantallen vrijwel nooit tot formatieve claims (uitgezonderd in geval van de specialistische kennis die vaak nodig is bij onderzoekscommissies). Overigens wil het Presidium er ook op wijzen dat niet alleen het aantal commissies is toegenomen, maar dat dit ook geldt voor het gebruik door de commissies van een aantal voor de commissiestaf zeer arbeidsintensieve instrumenten, zoals het rondetafelgesprek (in 2002: 8, in 2003: 26, in 2004: 73!).

Het Presidium is ervan overtuigd dat deze ingebouwde flexibiliteit in de commissieondersteuning (logistieke en inhoudelijke ondersteuning zijn als het ware communicerende vaten) budgettaire claims op grond van een toename van de behoefte aan ondersteuning juist voorkomt of althans zeer beperkt houdt.

Op vragen van de fractie van de VVD over enkele bezuinigingen antwoordt het Presidium dat de lastenverzwaring voor de fractie van de VVD als gevolg van het doorberekenen van administratiekosten voor rekeningen van het Restaurantbedrijf € 36 bedraagt. Dat valt in de ogen van het Presidium moeilijk als een (onontkoombare) lastenverzwaring aan te duiden. Overigens heeft ook de VVD-fractie de mogelijkheid te kiezen voor automatisch incasso, zodat de administratiekosten achterwege blijven.

Over de eventuele toename van de kopieerkosten van de fracties, bijvoorbeeld ten gevolge van het papierarme parlement, is met de ambtelijk secretarissen afgesproken dat na de zomer de balans wordt opgemaakt en als dit verschijnsel zich inderdaad substantieel voordoet, er compensatie geboden zal worden.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar een overzicht van de themacommissies die in de loop der jaren ingesteld zijn. Kan tevens aangegeven wat de resultaten en de gebleken meerwaarde is van de commissies die inmiddels zijn afgerond. Daarnaast vragen zij om een onderbouwing van de intensivering. Kan aangegeven worden waarvoor deze intensivering bedoeld is?

De themacommissie is een nieuw instrument van de Tweede Kamer. Taak van de themacommissie is de politieke meningsvorming over belangrijke maatschappelijke vraagstukken te bevorderen. Het gaat hierbij om:

– onderwerpen die meer dan één ministerie aangaan, en

– toekomstgerichte onderwerpen, waarvoor de commissies kaderstellende activiteiten zouden kunnen ontwikkelen.

De themacommissie kan ertoe bijdragen dat het parlement meer dan tot dusver anticiperend, initiërend en daardoor agendabepalend kan optreden bij oordeels- en besluitvorming over (nieuwe) technologische of maatschappelijke ontwikkelingen. Daarmee kunnen nieuwe kaders voor beleid worden gecreëerd.

Bij de instelling van themacommissies zijn er mogelijkheden met nieuwe werkwijzen te experimenteren. De themacommissies kunnen een duidelijke meerwaarde krijgen wanneer groepen uit de samenleving nadrukkelijk betrokken worden bij de visieontwikkeling.

In juni 2003 zijn twee themacommissies ingesteld: de themacommissie Ouderenbeleid en de themacommissie Technologiebeleid. Beide commissies hebben de opdracht om voor hetb einde van deze zittingstermijn van de Kamer te rapporteren aan de Tweede Kamer over de bevindingen. Pas dan kan het Presidium overgaan tot een beoordeling van de resultaten en de meerwaarde van de themacommissies.

Vooral het experimenteren met nieuwe werkwijzen en nieuwe vormen van debat brengt kosten met zich mee. Zo is er geëxperimenteerd met digitale besluitvormingsprocessen in zogeheten group facility rooms, is er een interactieve webdiscussie georganiseerd en is geëxperimenteerd met elektronisch stemmen in de plenaire zaal tijdens een symposium van de themacommissie Ouderenbeleid. De kosten van deze experimenten worden tot op heden vergoed uit de algemene middelen van de Tweede Kamer of uit het onderzoeksbudget. Het Presidium meent dat er, gelet op het structurele karakter van de themacommissies, een structurele voorziening moet worden getroffen. Zo kan inzichtelijk worden gemaakt wat de totale kosten zijn van de afzonderlijke themacommissies en wordt voorkomen dat steeds ad hoc besluitvorming plaats vindt over mogelijke uitgaven.

Aangaande de vraag van de fractie van GroenLinks over de wijze waarop de taakstelling uit het Regeerakkoord Balkenende II op de begroting wordt toegepast, merkt het Presidium op dat het bedrag van de taakstelling structureel wordt gevonden in de opbrengst van een aantal efficiencymaatregelen, enkele extensiveringen, structurele meevallers en een binnen de begroting gereserveerd bedrag aan onverdeelde loon- en prijsbijstelling. Meer specifiek gaat het daarbij om het volgende:

(bedragen x € 1 000)

Efficiencymaatregelen Totaal
– Herziening drukwerkcontract Sdu800 
– Verlaging aantal abonnementen20 
– Administratiekosten rekeninghouders Restaurantbedrijf doorberekenen10 
– Externen laten betalen voor een vaste toegangspas 3 
– Geen verhuizingen meer van ambtelijke diensten15 
– Opgeslagen goederen van de hand doen25873
Extensiveringen  
– STAR331331
Meevallers  
– energie en water234234
Onverdeelde loon- en prijsbijstelling336336
Totaal 1 774

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of inzicht kan worden gegeven in de manier waarop de motie Van Hijum c.s. zal worden uitgevoerd en wat de voortgang ervan is.

Het Presidium heeft in zijn vergadering van 9 maart 2005 besloten over de aanbevelingen 5 (Parlementscommissie artikel 68 Grondwet), 7 (verzwaring van de positie van de commissie voor de Rijksuitgaven) en 8 (instellen van een parlementair kennis- en controlecentrum) uit het rapport van de Tijdelijke commissie onderzoek infrastructuurprojecten, waarnaar de motie Van Hijum c.s. verwijst, advies te vragen aan de commissie herziening Wet op de Parlementaire Enquête en aan de commissie voor de Rijksuitgaven. Het Presidium heeft de commissie voor de Rijksuitgaven tevens verzocht advies uit te brengen vóór het zomerreces 2005. In aansluiting daarop heeft laatstgenoemde commissie het Presidium onlangs geadviseerd voor de vorming van een parlementair kennis- en controlecentrum een groeimodel te hanteren. Leidend daarbij moet de politiek uitgesproken vraag naar ondersteuning bij controlevraagstukken zijn. De commissie beveelt aan die ondersteuning in eerste instantie te realiseren door het beter organiseren van aanwezige kennis en vervolgens door het flexibel en telkens op tijdelijke basis inhuren van niet aanwezige kennis. Uitbreiding van de ambtelijke staf is het eventuele sluitstuk hiervan. De commissie benadrukt overigens dat deze kennisorganisatie politiek dient te worden gedragen. Dit advies van de commissie voor de Rijksuitgaven wordt besproken in de Presidiumvergadering van 15 juni 2005.

3. Operationele doelstellingen en prestatiegegevens

Zelfstandige begrotingsautoriteit

Het Presidium onderschrijft de opvatting van de fractie van de PvdA dat de nu voorliggende wijziging van de Comptabiliteitswet maar zeer ten dele tegemoet komt aan de breed in de Kamer levende wens voor een meer zelfstandige positie van de Kamer bij het vaststellen van de eigen begroting. Het Presidium wacht de behandeling van deze wijziging dan ook met grote belangstelling af.

Samenwerking met de Eerste Kamer

Sinds 2004 hebben de Staten-Generaal een permanente vertegenwoordiger bij het Europese Parlement. Welke ervaringen zijn hiermee zijn opgedaan, in welke mate wordt een beroep gedaan op de permanente vertegenwoordiger, is hiermee afdoende voorzien in de veronderstelde behoefte, vragen de leden van de CDA-fractie. Ook de VVD-fractie heeft deze vraag gesteld.

In antwoord hierop merkt het Presidium op dat sinds september 2004 een permanente vertegenwoordiger van het Nederlands parlement bij de EU werkzaam is in Brussel. De Nederlandse permanente vertegenwoordiger verricht zijn werkzaamheden ten behoeve van beide Kamers, en rapporteert aan de verschillende Kamercommissies over voor hen relevante ontwikkelingen die zich in de Europese Unie voordoen. Aan de vertegenwoordiging is een parttime assistent toegevoegd, afkomstig uit de bestaande commissiestaven. Hiermee zal naar verwachting voor de komende tijd in de capaciteitsbehoefte zijn voorzien.

In de afgelopen periode heeft de permanente vertegenwoordiger een omvangrijk netwerk ontwikkeld in Brussel. De vertegenwoordiger onderhoudt contacten met de verschillende EU-instellingen en met zijn collega's van de andere nationale parlementen. Op onderdelen zullen deze contacten verder worden uitgebouwd, vooral gericht op het verkrijgen van vroegtijdige informatie over nieuwe beleidsontwikkelingen en in nauwe aansluiting op de door de betrokken Kamercommissies gestelde prioriteiten. Zo is in overleg met de vaste commissie Europese Zaken en de vakcommissies een lijst van prioritaire onderwerpen opgesteld die in het bijzonder worden gevolgd. Naast rapportages over specifieke onderwerpen maakt de vertegenwoordiger een wekelijks nieuwsbericht over recente actuele gebeurtenissen die aansluiten op de aangegeven behoefte.

Alle stukken worden gepubliceerd op intranet. Er zal worden bezien of de mogelijkheden van intra- en internet in de toekomst nog beter kunnen worden benut.

Een tweede taak van de vertegenwoordiger is het faciliteren van bezoeken van delegaties en individuele leden uit beide Kamers aan Brussel. In de afgelopen periode is sprake geweest van zeven verschillende werkbezoeken.

Daarnaast vervult de vertegenwoordiger een adviserende functie t.a.v. beide Kamers over de themabijeenkomsten van het Europese Parlement waarvoor delegaties uit de nationale parlementen worden uitgenodigd.

Voorts heeft de vertegenwoordiger de afgelopen periode specifieke functies bekleed binnen de COSAC vanwege het Nederlands Voorzitterschap van de EU.

In het licht van de opdracht van de projectleider EU-ondersteuning1 en in samenspraak met de vakcommissies van beide Kamers zullen de inzet van en de samenwerking met de vertegenwoordiger in de komende tijd verder worden ingevuld.

De ondersteuning van de kerntaken van het parlement (medewetgeving en controle)

De leden van de CDA-fractie hebben veel waardering voor het werk dat de medewerkers van Bureau Wetgeving verrichten. In de Raming wordt onder andere melding gemaakt van de inzet van wetgevingsjuristen van de Academie voor de Wetgeving. Ook worden enkele andere ontwikkelingsmogelijkheden geschetst. Deze worden echter niet vertaald in budgettaire consequenties. De leden van de CDA-fractie willen graag weten of en zo ja, welke consequenties voor de Raming te voorzien zijn.

Het Presidium deelt de waardering van de fractie van het CDA voor de medewerkers van het Bureau Wetgeving. Juristen van de Academie voor de Wetgeving worden ingezet als onderdeel van een stageperiode. Hiervoor wordt slechts een geringe stagevergoeding betaald. De overige ontwikkelingsmogelijkheden zijn nog in een prematuur stadium. Op 25 mei jl. ontvingen alle leden een brief waarin de procedure ondersteuning bij initiatiefwetsvoorstellen wordt geschetst.

De ervaringen met de stagiaires bij Bureau Wetgeving, dit in antwoord op een vraag van de fractie van de PvdA, zijn zeer positief. Zij worden voortdurend ingezet voor verschillende werkzaamheden op het gebied van amendering en initiatief wetsvoorstellen.

Over de juridische expertise van ministeries ontvingen alle leden op 25 mei jl. een brief waarin de procedure rond de ondersteuning bij initiatiefwetsvoorstellen wordt geschetst.

Of deze procedure voldoende ondersteuning zal bieden kan pas over een aantal maanden worden vastgesteld.

De procedure is als volgt:

– leden die voornemens zijn om een initiatiefwetsvoorstel te gaan voorbereiden melden dit bij voorkeur bij het Bureau Wetgeving van de Griffie, waarna een startgesprek wordt gehouden waarin de aard en de omvang van de ondersteuning kan worden vastgesteld; de kamerleden kunnen zelf bepalen of zij gebruik willen maken van departementale ondersteuning, van de diensten van deskundige buitenstaanders, van het eigen apparaat van de partij en de fractie of van het apparaat van de Tweede Kamer; het Bureau Wetgeving heeft bij deze keuze een adviserende rol;

– het kamerlid dat departementale ondersteuning wenst kan zich per brief rechtstreeks tot de bewindspersoon richten; het Bureau Wetgeving kan desgevraagd deze brief voorbereiden;

– bij dit verzoek geeft het kamerlid het onderwerp en zo mogelijk het gewenste tijdpad op;

– de bewindspersoon informeert het kamerlid welke ambtenaar de bijstand verleent, alsmede de mate van inzetbaarheid van deze ambtenaar;

– in geval van capaciteitsgebrek informeert de bewindspersoon het kamerlid over de aard van het beletsel, hoe lang dit zal duren en wanneer de ondersteuning alsnog zal kunnen worden geboden.

Aangaande de vraag van de fractie van GroenLinks naar de rol van Bureau Wetgeving bij het opstellen van initiatiefnota's, merkt het Presidium op dat de ondersteuning bij initiatiefnota's door het Bureau Wetgeving voortkomt uit de gedachte dat initiatiefnota's op dezelfde wijze kunnen worden voorbereid en behandeld als initiatiefwetgeving.

Er zijn overigens nog geen signalen van leden gekomen met betrekking tot behoefte aan ondersteuning bij de voorbereiding. De rol van het Bureau Wetgeving is een bemiddelende tussen de initiatiefnemer en – voorzover de initiatiefnemer daar prijs op stelt – het betrokken ministerie. Er zijn tot op heden 2 initiatiefnota's ingediend, beide van het lid Duyvendak (politieke commissies en wandelbeleid). De initiatiefnota's worden zoveel mogelijk behandeld gelijk aan de procedure bij regeringsnota's. Hiervoor is geen protocol opgesteld. Wel is de procedure geëvalueerd door de vaste commissie voor BZK. De conclusies van deze evaluatie zijn door het Presidium (grotendeels) overgenomen en op 18 februari 2004 aan de leden kenbaar gemaakt, te weten:

– de nota dient een vormgeving en toonzetting te hebben analoog aan een initiatiefwetsvoorstel;

– de behandeling van de nota dient analoog aan die van een initiatiefwetsvoorstel te geschieden;

– de betrokken minister dient altijd te worden geïnformeerd, en krijgt dus automatisch alle commentaren op een initiatiefnota toegezonden;

– per geval dient de Kamer vast te stellen of het wenselijk is om een debat te voeren met of zonder de betrokken minister.

Een punt van aandacht is nog dat er tot nu toe criteria ten behoeve van de kwaliteit en de vormgeving zoals bijvoorbeeld een financiële paragraaf, van een initiatiefnota ontbreken.

Controle

Ten aanzien van de opvatting van de fractie van het CDA dat op het gebied van de ambtelijke ondersteuning sprake moet zijn van een verschuiving en niet van een intensivering, verwijst het Presidium naar het antwoord op een eerdere vraag van deze fractie aangaande de verhouding tussen de ambtelijke ondersteuning en de fractieondersteuning.

De leden van de PvdA-fractie merken op dat de Jaarverslagen van de ministeries over het jaar 2004 erg laat onder embargo zijn aangeleverd. Dit onderwerp zal deel uitmaken van een evaluatie van de derde woensdag in mei (Verantwoordingsdag), van het Algemene Verantwoordingsdebat en van de overleggen van de jaarverslagen door de commissies.

Het Presidium merkt in antwoord op een vraag van de fractie van D66 op dat bij de behandeling van het evaluatierapport van het proces van VBTB (Van Beleidsbegroting tot Beleidsverantwoording) uitgebreid is gesproken over het digitaal beschikbaar stellen door het ministerie van Financiën van het verloop van de aanwending van rijksbegrotingsgelden. Het ministerie is ver gevorderd met een nieuwe site, die dat inzicht van dag tot dag zal kunnen verstrekken. Deze site zal ook raadpleegbaar zijn voor de Tweede Kamer.

De inhoudelijke en procedurele ondersteuning van de controlerende taak van de Tweede Kamer vindt voornamelijk plaats bij de Diensten Commissieondersteuning (DCO's) en bij het Onderzoek- en Verificatiebureau (OVB). Maar ook andere diensten faciliteren deze taak.

De door deze leden bij name genoemde onderdelen beslaan circa 4 fte voor de ondersteuning van de commissie voor de Rijksuitgaven en 5 fte voor het OVB. De hiermee gemoeide personele budgetten bedragen € 0,264 mln, respectievelijk € 0,356 mln.

Papierarm parlement/E(lectronic)-parlement/Parlis

In antwoord op een vraag uit de CDA-fractie met betrekking tot de kwaliteit van de digitale informatievoorziening bij de leden thuis, merkt het Presidium op dat de vervanging van de huidige Kamer Thuis Dienst infrastructuur globaal bestaat uit de volgende onderdelen: het inrichten van het nieuwe koppelpunt voor de laptops in het rekencentrum van de Kamer, de aanschaf en de configuratie van de nieuwe laptops, het migreren van de huidige ISDN-lijnen naar ADSL en het uitleveren van de nieuwe laptops. Het inrichten van het nieuwe koppelpunt is in het laatste kwartaal van 2004 gerealiseerd. Voor de leden was dit merkbaar door de introductie begin december 2004 van de nieuwe dienst mijn.tweedekamer.nl. In datzelfde kwartaal heeft ook de aanbestedingprocedure plaats gevonden voor de aanschaf van de nieuwe laptops. Na het kerstreces is begonnen met de ontwikkeling van de inrichting van de nieuwe laptops. Begin april is, in overleg met het Gebruikers- en Adviesorgaan inzake Automatisering (GAA) besloten twee varianten van de nieuwe Kamer Thuis Dienst te ontwikkelen. Dit zijn de «onbeheerde» versie en de «beheerde». Het De grootste verschil tussen deze versies is dat het op de onbeheerde versie niet mogelijk is om de mail te downloaden naar de laptop. Met deze versie moet er namelijk altijd contact met het internet zijn om de mail te kunnen benaderen. Daartegenover staat dat leden met deze versie wel in staat zijn om zelf software te installeren, iets wat met de beheerde versie niet mogelijk is. Voor het functioneren van de onbeheerde versie zijn de leden straks zelf verantwoordelijk. Voor de beheerde versie, die meer mogelijkheden biedt dan de huidige laptop en die ook sneller werkt, kan men voor ondersteuning steeds een beroep doen op de Dienst Automatisering. Overigens worden de leden nog uitvoerig geïnformeerd over de voor- en nadelen van beide versies, zodat ze een verantwoorde keuze kunnen maken.

Op het moment van schrijven van dit antwoord is de onbeheerde versie in de testfase. Leden van het GAA zijn uitgenodigd om aan deze testfase deel te nemen. Er wordt naar gestreefd de onbeheerde versie in juni 2005 in productie te nemen. Dat wil zeggen dat leden die deze variant wensen en reeds (privé) beschikken over een ADSL-lijn, vanaf dat moment met de nieuwe laptop kunnen werken. Voor alle leden die dat wensen zal de huidige ISDN-lijn van de Kamer, gemigreerd worden naar ADSL. De aanbestedingsprocedure is in volle gang. Direct na de gunning zullen afspraken gemaakt worden met alle leden individueel (en onafhankelijk van hun keuze voor de beheerde of onbeheerde versie), om hun ISDN-lijn te migreren. De leden die de beheerde versie hebben gekozen, zullen vanaf de dag van de migratie kunnen werken met de nieuwe laptop.

In antwoord op de vragen van het CDA over de kosten voor de fracties van papierarm parlement kan worden meegedeeld dat momenteel wordt bijgehouden hoeveel extra kopieën door de fracties worden gemaakt.

De verwachting is dat de fracties inderdaad meer kopieën zullen gaan maken. Dit staat echter in geen verhouding tot de besparingen die het niet meer automatisch verstrekken van kopieën oplevert. Compensatie voor de fracties ligt dus voor de hand. Overigens blijven de leden die op dit moment via de Griffie papieren kopieën ontvangen van alle ontvangen documenten, of daarom verzoeken, deze ontvangen inclusief de bijbehorende bijlagen en nota's. Onlangs is dit nog eens bevestigd door het Presidium aan de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Aantallen sets kopieën per commissie per 30 mei 2005

BuZa4
BZK8
EU4
EZ4
Fin4
Just14
LNV8
NAAZ7
OCW16
SZW7
VROM5
VW4
VWS13
Integratie0

Over de apparatuur kan, mede in antwoord op vragen hierover van de PvdA-fractie, nog worden opgemerkt dat met ingang van 1 juni 2005 de remote print faciliteit bij de Afdeling Repro beschikbaar is. Vanaf dat moment kunnen documenten op eenvoudige wijze elektronisch aan de Repro worden aangeboden om in iedere gewenste vorm snel te worden geprint en zelfs te worden bezorgd op bijvoorbeeld de werkkamer. Overigens is tot op heden nog geen toename geconstateerd van het aantal prints dat de leden thuis maken.

Het e-parlement programma, onderdeel Parlis, biedt vanaf het eerste kwartaal 2006 de mogelijkheid om informatie op maat te ontvangen. Dus niet meer «alle» stukken hoeven te worden geprint. Het gaat dan nog slechts om selecties.

In antwoord op vragen aangaande het streven naar een papierarm parlement door de leden van de fractie van de PvdA, merkt het Presidium op dat sinds januari 2005 de stukken voor Kamerleden niet meer, zoals vroeger, automatisch worden verstuurd. Dit moet leiden tot een besparing van 3 miljoen kopieën bij de afdeling Reprografie op jaarbasis. De Kamerstukken via de Sdu zijn per 1 januari 2005 teruggebracht van 360 naar 175 exemplaren. Hierdoor is het aantal bladzijden afgenomen met 12 miljoen.

De verschillende ministeries sturen nog slechts elektronische versies van hun documenten naar de Kamer. Alle documenten alsmede de informatie over deze stukken, zijn steeds ook verkrijgbaar bij het Centraal Informatie Punt (CIP).

De leden van de fractie van het CDA vragen zich af welke activiteiten onder het project Staten-Generaal Digitaal vallen. Dit beoogt twee zaken. Ten eerste het veiligstellen door verfilming van met name de oude gedrukte Kamerstukken en Handelingen uit de periode 1814–1995, in totaal 2,3 miljoen pagina's, die verloren dreigen te gaan door de slechte kwaliteit van het papier waarop ze zijn gedrukt. Ten tweede het verbeteren van de toegankelijkheid van het materiaal door het te digitaliseren en te indexeren en op een website van de Tweede Kamer beschikbaar te stellen voor iedereen. De Kamerstukken en Handelingen zullen full text beschikbaar zijn zodat op alle woorden uit de tekst kan worden gezocht. Verder kan er op metadata als vetnummers en sprekers worden gezocht.

Het project zal zes jaar in beslag nemen en in fasen worden uitgevoerd. Er wordt begonnen met het actuele materiaal waarna er wordt teruggewerkt tot 1814. In de eerste fase die loopt tot december 2006 wordt het materiaal van 1990 tot 1995 (een zesde deel van het totaal) verfilmd en gedigitaliseerd en op de website van de Kamer beschikbaar gesteld. Vanaf 1995 zijn de Kamerstukken en Handelingen reeds digitaal beschikbaar via Parlando.

De dekking van de huidige mobiele telefoons schiet naar de mening van de leden van de CDA-fractie tekort en zij vragen het Presidium of het zich oriënteert op andere providers dan de huidige. In dat verband merkt het Presidium op dat de aandacht op dit moment meer uitgaat naar de vraag welke nieuwe technologieën en functionaliteit zich op dit gebied aandienen, dan op de oriëntatie op de marktpartijen zelf. Ook wordt er gekeken naar welke aanbestedingsvorm (rijksbreed? zelfstandig?) het meest zinvol is voor de Kamer. Onafhankelijk voor welke vorm wordt gekozen, zullen de aanbestedingsvoorwaarden via het GAA in het Presidium worden besproken.

In antwoord op een vraag van de VVD-fractie naar de afschrijvingstermijn bij mobiele telefoons merkt het Presidium op dat, gelet op de kasbegrotingssystematiek, de Kamer geen afschrijvingsmethodiek hanteert. Er wordt wel een technische afschrijvingstermijn gehanteerd die voor hardware op 36 maanden is gesteld. Vanwege het tempo van de technologische en functionele ontwikkelingen op het gebied van de mobiele telefoons wordt deze termijn in de praktijk meestal echter niet gehaald.

Op de vraag van het CDA over het STOI en het GAA antwoordt het Presidium dat het Strategisch Overleg InformatieVoorziening (STOI), zoals de naam al aangeeft, door het Presidium steeds in de gelegenheid wordt gesteld te adviseren over strategische aangelegenheden die de toekomstige informatievoorziening van de Kamer raken. Overigens moet daarbij worden vastgesteld dat het tot voor enige tijd erg moeilijk was de leden van het STOI bij elkaar te brengen. Nog niet zo lang geleden is het STOI nieuw leven ingeblazen en hebben er enkele personele wisselingen plaatsgevonden. De leden ervan worden betrokken bij nieuwe strategische ontwikkelingen op Informatiseringsgebied.

Het Gebruikers- en Adviesorgaan inzake Automatisering (GAA), dat is ingesteld op initiatief van de ambtelijke leiding van de Tweede Kamer, houdt zich bezig met de advisering over automatiseringsaangelegenheden van meer praktische aard, zoals uitrusting van de leden met laptops, de mobiele telefonie, de uitvoering van de nieuwe fase in het Kamerthuisproject e.d.

Ook van deze advisering blijft het Presidium graag gebruik maken.

De leden van de fractie van de PvdA merken op dat de interactiviteit van het parlement moet worden vergroot. In dat verband vragen zij naar de mogelijkheid digitale debatten te entameren.

Het Presidium stelt vast dat het nu al mogelijk is digitale debatten en vormen van interactiviteit via de bestaande internetsite te realiseren. Een voorbeeld hiervan is de tijdelijke commissie Ouderenbeleid die eind 2004 een interactief debat via het internet heeft gevoerd. Heel concreet zullen vanaf september 2005 jongeren de gelegenheid krijgen om via de educatieve site van het parlement (www.derdekamer.nl) op actuele politieke stellingen te reageren.

Na afronding van de verschillende e-parlement-projecten, begin 2006, komen er meer technologische mogelijkheden voor interactiviteit via de websites beschikbaar. Het realiseren van interactieve communicatie zal echter wel een forse inspanning van de Kamerorganisatie en de fracties vragen.

In oktober 2003 is begonnen met het programma e-parlement. Doel van dit programma is het realiseren van een informatie-infrastructuur die het mogelijk maakt om de kloof tussen «burger» en politiek met digitale middelen te overbruggen. Om die reden zal de transparantie van het politieke proces, de toegankelijkheid van de Tweede-Kamerorganisatie, de innovatieve kracht van de communicatie van de Kamer en de effectiviteit van de gehanteerde applicaties en oplossingen sterk moeten verbeteren. Deze ontwikkelingen zijn extern gericht. Intern richt e-parlement zich op het verbeteren van de ondersteuning van de leden van de Tweede Kamer bij hun werkzaamheden.

Het beleidsmatige kader van e-parlement is vastgelegd in de beleidsvisies zoals opgenomen in de ramingen over 2004, 2005 en 2006.

Het e-parlement programma is opgedeeld in twee fases. Tot en met het eerste kwartaal 2006: definiëren en herinrichten van de Informatie-architectuur (en daaruit afgeleid de automatiseringsarchitectuur). Vanaf begin 2006 het op basis van deze architecturen ontwikkelen van nieuwe vormen van services en producten. Gedacht moet worden aan verschillende vormen en niveaus van interactieve communicatie, persoonlijke portals voor leden, informatie-agents, geïntegreerde informatiedossiers, hoogwaardige ondersteuning bij emailcommunicatie en instant-messaging.

Fase 1 is begin 2005 in volle uitvoering en bevat over de gehele periode (oktober 2004 – maart 2006) 27 projecten. Sommige projecten zijn puur technisch van opzet en doel. Andere projecten richten zich op processen, procedures en organisatievraagstukken. Voorts zijn er verschillende projecten die zich richten op oplossingen en informatie-ontsluiting. Projecten hangen sterk met elkaar samen. Daarom wordt een geïntegreerd planningsmodel gehanteerd. De toepassing van het projectmanagementmodel Prince-2 moet zorgen voor de noodzakelijke kwaliteitsbewaking.

De technologieprojecten betreffen het definiëren en realiseren van een Tweede Kamer XML-beleid1 en bijbehorende database architectuur. Vanuit het XML beleid zijn diverse applicaties onder handen genomen, zoals de content manager, de thesaurus en de zoekmachine. XML maakt verregaande integratie van applicaties en data mogelijk.

De verschillende oplossingen zijn verankerd in de bedrijfsarchitectuur van de Tweede Kamer. Vanuit deze strategische beschrijving wordt gewerkt aan de informatie-architectuur en de automatiseringsarchitectuur 2005–2008. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn: alle oplossingen zijn gebaseerd op open standaarden en waar mogelijk wordt open source toegepast. Ieder initiatief dient toegevoegde waarde te hebben voor de eindgebruiker.

In 2004 zijn verschillende oplossingen gerealiseerd die de informatievoorziening moeten verbeteren. Zeven fracties werken vanaf september met een e-mail management systeem dat de inhoudelijke beantwoording van mails verregaand bevordert. Door het realiseren van commissiepagina's op het intranet is alle relevante commissiedata op een centrale plaats voorhanden. Het nieuwe intranet introduceert een andere manier van informatieontsluiting en is voorbereid op nieuwe toepassingen die momenteel in ontwikkeling zijn. Het intranet zal steeds meer de toegang tot de informatieverzamelingen worden. De fracties kunnen hun eigen pagina's krijgen. Met het nieuwe intranet is ook de nieuwe zoekmachine gerealiseerd die het mogelijk maakt om met open vragen te zoeken in de informatieverzamelingen.

Eind 2005, begin 2006 worden verschillende projecten afgerond. Het Verslaglegging Ondersteunend Systeem (VLOS) zal het mogelijk maken om de Handelingen van de Tweede Kamer direct van meta-data te voorzien waardoor koppelingen met beeld en geluid, agenda, CV's van de leden en andere Kamerstukken direct mogelijk worden. VLOS bereidt duidingsgegevens voor die in het project Duiding Beeld en Geluid (DBG) verder worden uitgewerkt. DBG werkt aan het inhoudelijk ontsluiten van het (opgeslagen) beeld en geluidsmateriaal van de debatten via radio, televisie, digitale televisie, internet, wireless apparaten etc. Om de transparantie van het parlementaire proces te realiseren wordt gewerkt aan een document- en workflowmanagement systeem (PARLIS). Alle 21 processen op het constitutionele gebied worden via deze applicatie actief ondersteund. Bij het afronden van deze applicaties (eind eerste kwartaal 2006) is het mogelijk om op ieder procesmoment in te zoomen en de status van in behandeling zijnde stukken en onderwerpen op te vragen. Daarbij wordt het voor de leden mogelijk om persoonlijke informatieprofielen aan te maken, mede met behulp van de zoekmachine.

Het overbruggen van de kloof tussen politiek en maatschappij wordt ook gerealiseerd door middel van een educatief programma in samenwerking met de Eerste Kamer. Door lesbrieven, rollenspellen en een website wordt de jeugd van Nederland actief in het politieke proces betrokken. Nu eerst nog gericht op de bovenbouw van het basisonderwijs, maar later ook verder uitgewerkt voor andere leeftijdsgroepen.

De Tweede Kamer is voor haar databestanden altijd afhankelijk geweest van derden. Dat betekende dat veel geld moet worden betaald om informatie te bevragen, maar dat er geen volledige zeggenschap over bestaat. In het kader van e-parlement werkt de Tweede Kamer aan het in eigen beheer krijgen van deze data. XML is hierbij leidend.

Op maandag 26 september 2005 wordt «De dag van het E-parlement» georganiseerd. Deze dag, over de invulling waarvan overleg met onder meer het STOI zal plaatsvinden, richt zich op ALLE leden en alle overige Kamerbewoners. Het is de bedoeling deze dag informatie te geven, discussies uit te lokken en presentaties te verzorgen over de ontwikkelingen op het gebied van informatisering en automatisering die van betekenis zijn of worden voor het functioneren van de Tweede Kamer.

In antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie naar de investeringskosten van de mobiele telefoons merkt het Presidium op dat voor de leden sinds begin 2005 de mogelijkheid bestaat in plaats van een standaard mobiele telefoon – onder bepaalde voorwaarden – te kiezen voor een SmartPhone (dat is een mobiele telefoon met enige PDA-functionaliteit waarbij PDA staat voor Personal Digital Assistent), of een SmartPDA (dat is een PDA waarmee men ook mobiel kan bellen). De aanschafkosten die voor deze twee soorten apparaten tot nu toe gemaakt zijn, bedragen ongeveer € 38 000. Daar het met deze toestellen mogelijk is om data uit te wisselen via GPRS, bestaan de «gebruikkosten» van deze apparaten uit een GSM-component en een GPRS-component. Op basis van de laatste factuur van Orange (periode 01–2005), bedragen de gebruikskosten voor leden € 188 346 (incl. btw, excl. vergoeding) per jaar. De verdeling tussen GSM en GPRS is tot nu toe 98% en 2%.

De uitgifte en het beheer van de mobiele telefoons en aanverwante apparaten is erg arbeidsintensief. Daarnaast moet er steeds veel werk worden verzet om de betalingen van de overschrijdingen van het door de Kamer beschikbaar gestelde beltegoed te innen. Het Presidium overweegt dit laatste over te dragen aan de provider. De GSM-voorziening maakt de maandelijkse inzet van twee dagen noodzakelijk. De kosten ervan bedragen jaarlijks € 7 000.

Alle klachten over de bereikbaarheid die bij de helpdesk worden gemeld, worden doorgegeven aan Orange. Dit in antwoord aan de leden van de fractie van de VVD. Hierbij is belangrijk dat de klacht zo concreet mogelijk wordt omschreven. Net als de andere providers plaatst ook Orange regelmatig nieuwe masten bij. Daarnaast zal in het volgende aanbestedingstraject opnieuw veel aandacht worden geschonken aan het bereikbaarheidscriterium.

Het nieuwe intranet (Plein2) van de Kamer is met veel tamtam ingevoerd. Hoe staat het met de uitvoering van een intranet voor fracties, vragen de leden van de VVD-fractie. In antwoord op deze vraag en een soortgelijke vraag van de D66-fractie merkt het Presidium op dat met de introductie van het nieuwe intranet de toon is gezet voor het implementeren en verder ontwikkelen van nieuwe voorzieningen op het gebied van digitale communicatie. Intranet wordt steeds meer HET communicatiemedium van de Tweede-Kamerorganisatie waar ook alle relevante data voor het parlementaire proces ontsloten worden. Dat was de reden om hier meer dan gebruikelijke bekendheid aan te geven.

Doelstelling van de publiciteitscampagne was om de gebruikers duidelijk te maken dat er een nieuwe intranetsite zou komen die de nodige wijzigingen bevatte, niet alleen qua content maar ook qua vormgeving. Aan de hand van schermafbeeldingen en een aantal korte beschrijvingen en opsommingen kregen zij inzicht in wat zij konden verwachten.

De kosten van de publiciteitscampagne – posters, flyers, stickers, demosite, virtueel lint, wegwijzer, evaluatie-enquête – bedroegen inclusief het drukwerk € 29 707. Deze kosten zijn betaald uit het budget van E-parlement.

Plein2 bevat een aantal nieuwe kenmerken zoals een zoekfunctie met persoonlijke attenderingsmogelijkheid; voor alle vaste commissies een eigen commissiepagina met eenzelfde soort informatie; een directe toegang tot alle elektronische informatiedossiers; een directe toegang tot diverse personele en financiële regelingen voor personeel; een prikbord; een forum voor de commissie technologiebeleid. Daarnaast is de oude indeling op intranet grondig herzien van een organisatiegerichte opzet naar een functionele gebruikersgerichte opzet.

Voor de realisatie van fractiepagina's op intranet is voor dit jaar budget opgenomen in het e-parlement programma. Zodra de redactie onder de websites is ingericht zal, in nauwe samenwerking met de fracties die aan een eigen intranetsite behoefte hebben, hieraan uitwerking worden gegeven. Bij het realiseren van het nieuwe intranet zijn reeds technologische voorzieningen getroffen die deze uitbreidingen mogelijk maken. Het vullen en inhoudelijk beheren van deze pagina's zal door de fracties zelf moeten gebeuren.

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat het gebruikersgemak van intranet nog wel iets kan worden verbeterd en stellen in dat verband enkele vragen. Daarover merkt het Presidium het volgende op.

Via de binnen e-parlement ontwikkelde digitale stemmingsbelapplicatie is het niet mogelijk om via de digitale stemmingsbel op intranet ook door te geven tot hoe laat de plenaire vergadering geschorst is en het actuele onderwerp aan te geven aangezien dit systeem enkel een elektronische koppeling mogelijk maakt naar het knoppenpaneel in de zaal (o.a. pauze- en schorsingsknop). Binnen het e-parlement project Duiding, Beeld en Geluid wordt echter momenteel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden via het handmatig duiden van de plenaire vergaderingen, deze op internet en intranet te voorzien van relevante informatie waaronder de naam van de spreker, het actuele agendapunt en tijdstippen van schorsingen. De eerste resultaten van dit project worden eind 2005 verwacht.

Ten aanzien van de vraag van de D66-fractie over de raadpleging van vaste commissies is dat op dit moment nog uitsluitend uitgaande brieven van de commissies via intranet te zien zijn. Dat is een gevolg van het feit dat deze brieven (van burgers) nog worden opgenomen in een bestand dat onder Globit-Dis op de AS 400 draait en er technisch geen verbinding is tussen het intranet en de AS 400. Dit gaat veranderen in 2006 als de AS 400 wordt vervangen door een nieuw postregistratie- en voorgangsbewakingssysteem Parlis.

Op de vraag van de fractie van D66 over de inkomende brieven aan commissies antwoordt het Presidium dat ingekomen brieven aan commissies raadpleegbaar zullen worden via het Intranet zodra Parlis gereed is, medio 2006.

Op de vraag van de fractie van D66 waarom op convocaties voor algemene overleggen de op de agenda staande brieven niet kunnen worden «aangeklikt» om bij het betreffende document te komen, merkt het Presidium op dat hier ook een technisch probleem speelt. De convocaties worden aangemaakt door TWEKIS dat eveneens op de AS 400 draait. Het technische probleem wordt opgelost als de convocaties in 2006 worden aangemaakt met Parlis.

Het is daarentegen – in antwoord aan de D66-fractie – de bedoeling om op zo kort mogelijke termijn tot publicatie op de commissiesites van zowel de conceptverslagen als de vastgestelde verslagen van openbare commissievergaderingen over te gaan. Principieel is daarbij wel de vraag aan de orde of publicatie op het intranet van de Kamer een vorm van openbaarmaking is die het reglement van de DVR verbiedt. Een wens van de Kamer zet uiteraard het reglement van die dienst opzij. Het Presidium zal derhalve namens de Kamer duidelijk toestemming moeten geven.

Op de vraag van de fractie van D66 over het raadplegen van moties via Parlando kan het Presidium antwoorden dat deze in het algemeen de volgende werkdag geraadpleegd kunnen worden in Parlando. Bij de invoering van Parlis in 2006 zal de motie vrijwel direct na de indiening raadpleegbaar zijn via het Intranet.

Het is inderdaad de bedoeling dat, dit in antwoord op een vraag van de fractie van D66, Parlis in 2006 gaat voorzien in het meer toegankelijk maken van documenten via Kameragenda's.

Naar aanleiding van de vraag van de fractie van D66 of het mogelijk is om de fractiesecretarissen te attenderen (bijvoorbeeld via SMS) over het feitelijke tijdstip waarop de regeling van werkzaamheden begint, deelt het Presidium mee dat momenteel alle fractiesecretarissen voorafgaande aan elke regeling een e-mail ontvangen met daarin vermeld het tijdstip en de onderwerpen van de Regeling van werkzaamheden.

De Kamerbode, ook een vraag van de D66-fractie, is niet via het intranet raadpleegbaar. In de oude site stonden er wel wekelijks aankondigingen welke artikelen er verschenen, maar de animo hiervoor was gering. De Kamerbode heeft onder meer de functie om Kamerbewoners over allerhande relevante zaken te informeren. Het bereik van de site is echter niet 100% omdat nogal wat doelgroepen geen vaste werkplek kennen en geen toegang hebben tot intranet ( bijvoorbeeld medewerkers van de schoonmaak en keukenpersoneel).

Managementstijl en personeelsbeleid

Naar aanleiding van vragen van de fractie van het CDA over de kinderopvang, merkt het Presidium het volgende op. De kinderopvang loopt vertraging op door externe factoren. De Rijksdienst Monumentzorg had aanvankelijk grote bezwaren tegen de bouw van een kinderopvang in gebouw Justitie omdat het een aantasting zou betekenen van het monumentale karakter van het gebouw. De Dienst Monumentzorg van de gemeente Den Haag heeft nog steeds grote bezwaren tegen het open zetten van de oorspronkelijke toegangsdeuren van het gebouw. Daarnaast moet het bestemmingsplan naar de mening van de gemeente aangepast worden. De afwikkeling van de vergunningaanvraag, die overigens in handen is van de Rijksgebouwendienst, neemt daardoor veel meer tijd in beslag dan aanvankelijk was gedacht.

De Kamerbewoners die hebben aangegeven gebruik te willen maken van de kinderopvang, zijn van het bovenstaande op de hoogte gesteld. Er bestaat de mogelijkheid om bij de beoogde exploitant van de kinderopvang afspraken te maken over tijdelijke opvang.

Eind juni 2005 is er meer zekerheid over de haalbaarheid en de termijn waarop kinderopvang in de Tweede Kamer kan worden aangeboden. Als dat nodig is zal een alternatieve locatie worden onderzocht.

Het is de wens van het Presidium om fitness faciliteiten aan te bieden aan de Kamerbewoners. Dit in antwoord op vragen vanuit de fractie van de PvdA. Tot 2001 bestond daartoe de mogelijkheid in het gebouw Vijverhof. In 2002 is de haalbaarheid van een fitness ruimte op de zolder van Het Logement onderzocht. Gezien de hoge kosten om dit op die locatie te realiseren, is daar van afgezien. Een andere geschikte locatie binnen het Kamergebouw is niet beschikbaar.

De Kamerbewoners hebben nu de mogelijkheid om gebruik te maken van de voorzieningen van het ministerie van Defensie. Hier zijn 50 plekken beschikbaar maar er is een wachtlijst. Een exact getal van het aantal geïnteresseerden voor een nieuwe accommodatie is niet bekend. De animo zal zeker afhangen van de aard van de voorziening (gratis of een eigen bijdrage) en de beschikbaarheid (tijdens kantooruren in de «tijd van de baas» of na werktijd).

Binnen de Directie Bedrijfsvoering zijn er contacten gelegd met een externe partner, die de mogelijkheid van een fitnessruimte in de nabije omgeving van het Kamergebouw onderzoekt.

Huisvesting

Naar aanleiding van een vraag van de CDA-fractie aangaande kosten van de aanpassingen en verbeteringen van de beveiligingsloges en toegangen zijn voor iedere bewoner en bezoeker van de Kamergebouwen, merkt het Presidum op dat deze kosten voor rekening komen van de Rijksgebouwendienst (Rgd) en zijn betaald uit de meerjarenbegroting van de Rgd. De Tweede Kamer heeft alleen het zitmeubilair in de loges betaald.

De leden van de CDA stellen vragen over de toegankelijkheid van de Kamergebouwen voor gehandicapten.

Over de toegankelijkheid van de gebouwen voor invaliden vindt regelmatig overleg plaats met belangenorganisaties en de daartoe aangewezen instanties. Dat gebeurt ook als er nieuwe bouwdelen in gebruik worden genomen, zoals onlangs het Centraal Informatiepunt. Daarover is bijvoorbeeld gesproken met het Landelijk Bureau toegankelijkheid, dat zich alleszins tevreden betoonde met de voorzieningen voor gehandicapten. Bij de bouwkundige beveiligingsvoorzieningen is ook nadrukkelijk aandacht besteed aan de gevolgen ervan voor gehandicapten. Als na de zomer van 2005 alle voorzieningen zijn gerealiseerd en elektronisch goed zijn ingeregeld, zal opnieuw een zogenoemde IST-keuring worden aangevraagd. Het Presidium gaat ervan uit dat dit opnieuw leidt tot het toekennen van het ITS-symbool. Daarmee wordt aangegeven dat de gebouwen van de Tweede Kamer goed toegankelijk zijn voor gehandicapten.

De leden van de VVD-fractie zijn de mening toegedaan dat de inrichting van de beveiligingscontrole bij de vernieuwde ingang Plein eruit ziet als tijdelijk en niet professioneel.

Dit is geenszins de bedoeling maar heeft te maken met het feit dat de beveiligingscontrole bij ingang Plein meteen is aanpast naar aanleiding van de adviezen in het weerbaarheidsonderzoek van de AIVD. Op het ogenblik werken de architect en een extern bedrijf aan een plan waarmee deze tijdelijke situatie in esthetische en logistieke zin wordt verbeterd. De planontwikkeling, aanbesteding en uitvoering van de verbeteringen van de ingangen Lange Poten en Plein hadden reeds plaatsgevonden of waren tenminste in een vergevorderd stadium voordat werd besloten tot verscherpte toegangscontrole.

Aangaande de vraag van de CDA-fractie naar de aan tijden gekoppelde bezoekerspassen merkt het Presidium op dat de Beveiligingsdienst dient aan te geven hoe lang een pas geldig is voor een bezoeker. Dit is noodzakelijk om oneigenlijk gebruik tegen te gaan omdat de pas toegang geeft tot het gehele beveiligd gebied van de Tweede Kamer. Wat betreft de duur hanteert de Beveiligingsdienst wel een ruime marge. Overigens kan elke bezoeker via tussenkomst van de Beveiligingsdienst de Tweede Kamer verlaten.

Vragen aangaande veiligheidsrisico's vanuit de fractie van de PvdA brengen het Presidium tot het volgende. Op het ogenblik wordt het systeem ingevoerd dat alle werknemers van externe bedrijven dienen te beschikken over een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Deze werkwijze is gericht op het beoordelen van de integriteit van personen/bedrijven aangezien onderzocht wordt of personen/bedrijven een justitieel verleden hebben dat niet past bij de aard van de werkzaamheden die binnen de Tweede Kamer worden uitgevoerd. Zodra er de proef met het uitbesteden van schoonmaakonderhoud wordt gestart, dan zal het onderdeel veiligheid hierin worden meegenomen. Er zijn al contacten gelegd met ministeries, waar de schoonmaak is uitbesteed aan een schoonmaakbedrijf, om hun ervaringen op het gebied van veiligheidsrisico's te vernemen. Overigens zijn er nauwelijks nog rijksinstellingen te vinden die de schoonmaak in eigen beheer laten uitvoeren.

Ook bij het aannemen van personeel wordt om een VOG gevraagd en daarnaast vinden er veiligheidsonderzoeken van de AIVD plaats ten aanzien van specifieke functiegroepen.

Voor wat betreft de scan van vaste pashouders of zelfs de vaste bewoners van het pand zijn er geen voornemens om tot dagelijkse controle van personen en bagage over te gaan. Er zijn ook geen adviezen in die richting van daartoe bevoegde instanties. Zelfs in nog veel zwaarder beveiligde parlementen, zoals de Knesset in Jeruzalem, is dat als regel niet het geval.

Naar aanleiding van een vraag van de fractie van de ChristenUnie merkt het Presidium op dat er screening plaats vindt van externe bedrijven. In dit specifieke geval kan naast het screenen van de individuele medewerkers ook het bedrijf als rechtspersoon worden gescreend.

De fractie van de PvdA stelt een aantal vragen over de aanpassing van de plenaire zaal. In dat verband merkt het Presidium op de directeur Bedrijfsvoering en de Rijksgebouwendienst te hebben verzocht te komen met een voorstel voor aanpassingen in de Plenaire zaal. Het Presidium heeft specifiek gevraagd om een elektronische stemvoorziening aan te leggen en er rekening mee te houden dat de zitplaatsen van de leden kunnen worden uitgerust met ICT voorzieningen. Daarnaast worden alle componenten in de zaal grondig onderzocht en getest. Het Presidium is voornemens het nog vast te stellen definitieve programma van eisen ter advisering voor te leggen aan de Bouwbegeleidingscommissie en het GAA. Dit mede in antwoord op vragen van de leden van de D66-fractie wanneer elektronisch stemmen wordt ingevoerd.

Naar aanleiding van een vraag van de PvdA-fractie over het sluiten van de CIP-balie om 21.00 uur, merkt het Presidium op dat de sluiting zal ingaan na het zomerreces van 2005. Na een jaar zullen de gevolgen van de vervroegde sluitingstijd worden geëvalueerd. Onderzoek in 2004 heeft aangetoond dat er na 21.00 uur nauwelijks gebruik wordt gemaakt van de diensten van het CIP. Na dat tijdstip werden er in 2004 slechts 43 vragen gesteld. Overigens werd de balie in dat jaar tussen 20.00 en 21.00 uur ook maar 27 keer benaderd. Door de bestaande rechtspositionele regelingen zullen de besparingen in de eerste jaren gering zijn. Het grootste deel van de medewerkers dat 's avonds baliedienst verricht, valt namelijk onder de oude regeling van de zogenoemde Kamertoelage.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de vervangingstermijn van het meubilair.

Het meubilair in de meeste gebouwdelen is oud en begint gebreken te vertonen. Vanuit de diverse fracties zijn hier opmerkingen over gemaakt. Het meubilair is niet meer bij te bestellen omdat de desbetreffende meubellijnen uit productie zijn genomen. Hierdoor komen er steeds meer verschillende meubellijnen door elkaar in de gebouwen te staan. Het bestaande meubilair wordt ingeruild en de bruikbare delen worden hergebruikt. Er wordt nu gekozen voor één meubellijn voor alle gebouwen uit het oogpunt van efficiency. Op dit moment beschikt de Kamer over een grote hoeveelheid verschillende reserveonderdelen, die alleen geschikt zijn voor een bepaald type kast of bureau. Eén meubellijn levert ook grote voordelen op bij een verhuizing na verkiezingen. De uitwisselbaarheid van meubilair zal veel eenvoudiger worden.

Deze voornemens werden ook al in de Raming voor 2005 vermeld, toen de meerjarige budgetten voor de vervanging zijn vastgesteld.

De vragen van de leden van de GroenLinks-fractie aangaande de schoonmaakinspanning en de uitbesteding zijn voor het Presidium aanleiding het volgende op te merken.

In 2000 zijn alle gebouwdelen door een extern bedrijf in kaart gebracht en zijn er schoonmaakprocedures opgesteld. Hierbij wordt een marktconforme norm van een aantal vierkante meters per uur gehanteerd. De schoonmaak van de gebouwen is opgesplitst in twee delen. De dagelijkse (hoogfrequente) schoonmaak (afvoer vuil en papier, stofwissen, stofzuigen en toiletten) en de periodieke schoonmaak (kasten, deuren, vloerbedekking en publieke ruimtes). In het budget zijn er geen veranderingen opgetreden door de jaren heen. Mochten er klachten zijn over de schoonmaak, dan verneemt het Presidium deze klachten gaarne.

Een afdoende aanpak van de overlast van muizen blijft een groot probleem, zolang er voedsel op de werkkamers wordt geconsumeerd. In 2004 is een bedrag van € 28 000 uitgegeven aan ongediertebestrijding. Bestrijding heeft echter weinig zin, zolang er door de muizen voldoende voedsel te vinden is. Als er niets meer ligt gaan ze weg of ze zullen van de gel in de lokdoosjes gaan eten.

De proef van het uitbesteden van de schoonmaak, dit in antwoord op een vraag uit de fractie van GroenLinks, vindt mede plaats in het kader van het ouderenbeleid. De gemiddelde leeftijd van de medewerkers is hoog en het ziekteverzuim is hoger dan gemiddeld door het fysieke karakter van de werkzaamheden. De uitbesteding van de schoonmaak begint met een proef. Vervolgens zullen steeds bouwdelen worden uitbesteed, zodra er formatieplaatsen zijn vrijgekomen door vertrek of pensionering van medewerkers. De gehele uitbesteding zal, na het slagen van de proef, 12 tot 15 jaar gaan duren. De uitbesteding van de schoonmaak zal zeker efficiencyvoordelen opleveren. Een exacte berekening moet nog worden gemaakt. De Afdeling Schoonmaakonderhoud telt ongeveer 45 medewerkers en het gaat hierbij om 26 arbeidsplaatsen, exclusief de leiding.

In antwoord op vragen van Groenlinks naar het assortiment van het Restaurantbedrijf deelt het Presidium mee dat in 2004 de directeur Bedrijfsvoering een lijst van EKO producten aan het Presidium heeft voorgelegd en dat daar mee is ingestemd. De koffie in de Tweede Kamer is Max Havelaar koffie en sinds 2004 is de koffie in de koffieautomaten van Fair Trade.

Het afgelopen jaar is er één broodsoort komen te vervallen, omdat de bakkerij dit product uit het assortiment heeft gehaald. Eieren en zuivel zijn voorzien van het EKO-keurmerk. Over het algemeen zijn de biologische producten duurder en is de houdbaarheid korter. Een volledig biologisch assortiment betekent hogere prijzen voor de Kamerbewoners en meer verspilling vanwege de kortere houdbaarheid. Het Presidium laat graag de keuze aan individuele gebruikers. De Tweede Kamer werkt met één totaalleverancier (Europese aanbesteding).

Prestatiegegevens

De leden van de CDA-fractie hebben gevraagd wanneer de resultaten van de evaluatie van de wijziging van het RvO bekend worden.

Het Presidium kan in antwoord hierop mededelen dat de resultaten van de evaluatie van de wijzigingen van het RvO zijn besproken in de vergadering van de commissie voor de Werkwijze van 8 juni 2005. Tijdens deze vergadering is een overzicht gepresenteerd van alle voorstellen ter verandering van de werkwijze van de Tweede Kamer in de periode 2002 tot 2005. Dit overzicht treft u als bijlage (1) bij deze Raming aan. Bij elke wijziging is een korte toelichting opgenomen en wordt aangegeven wat er met de wijziging is gebeurd. De commissie voor de Werkwijze heeft wat betreft de evaluatie van

* het spoeddebat indien dertig leden instemmen;

* de interpellatie indien dertig leden instemmen;

* het vragenuur;

* de openbaarheid van procedurevergaderingen;

* de rapporteur;

* initiatiefnota's van leden;

* het begrotingsonderzoek nieuwe stijl, en

* het hoofdlijnendebat, een onderzoek onder de fractiesecretarissen uit laten voeren. Daarbij waren de criteria:

* de bekendheid met de wijzigingen,

* de bruikbaarheid van de wijzigingen, en

* de noodzaak van eventuele aanpassingen.

De commissie voor de Werkwijze heeft de rapportage en de resultaten van dit onderzoek eveneens besproken in de hierboven genoemde vergadering van 8 juni 2005. De commissie heeft besloten de aanbevelingen uit deze rapportage aan de Kamer voor te leggen (zie bijlage 2).

Voorts vragen deze leden wat de stand van zaken is met betrekking tot de uitvoering van de motie Bruls/Van Beek.

Op 30 augustus 2004 heeft het Presidium in een bijzondere bijeenkomst aan de hand van een concept-handreikingennotitie, gesproken over de cultuur in de Kamer. Aan het slot van deze bijeenkomst zijn de volgende afspraken gemaakt:

1. Een notitie opstellen om het mogelijk te maken dat in AO's leden en bewindslieden niet na elkaar maar om en om spreken.

2. Idem wat betreft het indienen van moties tijdens AO's.

3. De voor- en nadelen van een vast tijdstip voor het houden van spoeddebatten in kaart brengen.

4. In 2005 de 30-leden-regel evalueren. Het resultaat kan dan meegenomen worden bij de discussie over de Raming.

5. Bij de evaluatie ook betrekken het (verwaterende) verschil tussen een interpellatie en een spoeddebat.

6. Uitzoeken hoeveel AO's zijn gesneuveld door (onverwachte) spoeddebatten.

7. Voor volgend jaar het vragenuur evalueren. Eventuele aanpassingen voorleggen aan de commissie voor de Werkwijze.

8. Tijdens het vragenuur het regime APB invoeren in de wandelgangen.

9. Verzoeken voor de Regeling van Werkzaamheden altijd vooraf bij de Griffie aanmelden. De Griffie stuurt deze rond aan de fractiesecretarissen.

10. De verspreiding van het stenografisch verslag van de Regeling van Werkzaamheden (direct na de Regeling) uitbreiden naar de fractiesecretarissen.

11. De voor deze bijeenkomst opgestelde concept-handreikingennotitie herschrijven.

Het eerste punt, de sprekersvolgorde tijdens AO's, heeft het Presidium na advies van de commissie voor de Werkwijze,voorgelegd aan alle commissies.Tot op heden heeft geen enkele commissie hierop positief gereageerd. De commissie voor de Werkwijze heeft ten aanzien van het indienen van moties tijdens AO's en ten aanzien van een vast tijdstip voor het houden van spoeddebatten het Presidium geadviseerd dat de nadelen die aan deze voorstellen kleven groter zijn dan de voordelen. Het Presidium heeft deze adviezen overgenomen. De punten 4 tot en met 7 zijn verwerkt in de hierboven reeds genoemde evaluatie (zie bijlagen 1 en 2).

De besluiten die betrekking hebben op de regeling van werkzaamheden en het wandelgangenregime tijdens het vragenuur zijn inmiddels uitgevoerd.

Na de bijzondere Presidiumbijeenkomst op 30 augustus 2004 is de concept-handreikingennotitie herschreven en op 10 november 2004 door het Presidium besproken met de indieners van de motie, de leden Bruls en Van Beek. In goed overleg is toen besloten om de aangepaste handreikingennotitie als een intern stuk te beschouwen en deze onder de aandacht te brengen van de fracties, kamerleden en van de commissievoorzitters, en om de discussie af te sluiten bij de Raming.

In antwoord op vragen van de VVD over benoeming, taak en werkwijze van het Presidium merkt het Presidium het volgende op:

Artikel 5 van het Reglement van Orde bepaalt dat de Kamer beslist over de omvang en samenstelling van het Presidium. In de praktijk laat de Kamer dit voor een groot deel over aan de fractiesecretarissen, die hierover de Voorzitter adviseren, maar het staat ieder lid vrij de letterlijke naleving van deze bepaling af te dwingen.

De taken van het Presidium zijn tweeledig. Enerzijds beraadslaagt en besluit het over de gang van zaken in de plenaire vergadering en alle daarmee samenhangende activiteiten van de commissies en van de leden. Anderzijds houdt het Presidium toezicht op het functioneren van de Tweede Kamer als bedrijf. Artikel 10 van het Reglement van Orde regelt het mandaat voor de Griffier. Die is, conform artikel 1 van de Wet op de Ondernemingsraden, tezamen met de directeuren bestuurder van het bedrijf Tweede Kamer en als zodanig ook belast met het begrotingsbeheer. Naar de mening van het Presidium past in deze structuur niet een afzonderlijke portefeuilletoedeling van zijn leden. Dit nog afgezien van het feit dat de Voorzitter als enige politieke functionaris geheel is vrijgesteld voor zijn leidinggevende taken.

De fractie van de VVD vraagt of het Presidium kan aangeven hoeveel debatten via de nieuwe-spoeddebatten-regel (30 leden) zijn gehouden en door welke fracties die zijn aangevraagd.

Van 1 april 2004 tot 1 april 2005 zijn 45 spoeddebatten gehouden:

Spoeddebatten per fractie

 2004
CDA2
PvdA13
VVD4
LPF1
SP6
SGP1
GroenLinks14
D661
  
Namens een vaste commissie3

Het valt overigens niet exact vast te stellen welke van deze spoeddebatten niet zouden hebben plaatsgevonden als voor de toestemming ervoor een gewone meerderheid nodig zou zijn geweest.

Voorts vragen de leden van deze fractie naar een uitsplitsing van het aantal gestelde vragen per fractie en verworpen moties.

In 2004 zijn 2 1011 vragen gesteld.

Ingediende schriftelijke vragen per fractie

 2004
PvdA643
SP462
CDA332
VVD312
GroenLinks262
D6696
LPF88
ChristenUnie58
SGP52
Groep Wilders3
Groep Lazrak7
Totaal2 315

Het overzicht van totaal aantal moties ingediend in de jaren 2000 t/m 2004 luidt als volgt:

 20002001200220032004
Ingediende moties9709971 1581 0071 309
Verworpen moties295293371433569

Het aantal verworpen moties per fractie levert het volgende beeld op:

Verworpen moties per fractie

 20002001200220032004
PvdA81285111172
CDA66761835
VVD141711813
D661811462728
GroenLinks908392126143
SP69627895139
CU (rpf/gpv)2218212218
SGP8141084
LPF103341
Groep Wilders6
Groep Lazrak0
Totaal295293371433569

Uit dit overzicht blijkt dat de toename van het aantal verworpen moties in ieder geval samenhangt met de toename van het aantal ingediende moties.

De VVD-fractie vraagt of het Presidium de mening deelt dat een aanzienlijke tijdbesparing en een aanzienlijke efficiency slag mogelijk is als bij AO's moties kunnen worden ingediend. Ook vraagt deze fractie of en zo ja, welke wijzigingen van het RvO hiervoor nodig zijn. Op verzoek van het Presidium heeft de commissie voor de Werkwijze op 28 januari 2005 hierover het volgende advies uitgebracht: «Mede gelet op het grote aantal moties dat nu al wordt ingediend is de commissie van mening dat het indienen van moties niet nog gemakkelijker moet worden gemaakt. Bovendien zou dit naar de mening van de commissie met zich meebrengen dat algemene overleggen een zwaardere prioriteit zouden krijgen. De commissie ontraadt derhalve om het mogelijk te maken om tijdens een algemeen overleg moties in te dienen.» Het Presidium kan zich nog steeds volledig vinden in dit advies.

Het Presidium verwijst, in antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie over de uitvoering van de motie Dijksma (29 267, nr. 8) over verbetering van het vragenuur, naar de hierover door de commissie voor de Werkwijze opgestelde notitie d.d. 8 juni 2005 (bijlage 3).

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Artikelonderdeel 01 apparaatuitgaven

Ten aanzien van het door de CDA-fractie gestelde ontbreken van de uitgaven voor 2005 en 2006 onder de toelichting op artikelonderdeel 01, merkt het Presidium op dat deze jaren ontbreken in het overzicht met gemiddelde kosten gelet op het nog onbekende aantal vergaderuren in die jaren. Gerelateerd aan het aantal kamerzetels is dat overzicht als volgt:

Uitgavenoverzicht

Wetgeving en controle Tweede Kamer20052006
– apparaat (personeel)33 22532 152
gemiddeld per zetel222214
– apparaat (materieel)20 38818 711
gemiddeld per zetel135125
– totaal apparaat53 61350 863
gemiddeld per zetel357339
– onderzoeksbudget511511
– drukwerk2 9502 950
– fractiekosten17 27617 276
– uitzending leden407407
– enquêtesMemorieMemorie
totaal artikel 374 75772 007
gemiddeld per zetel498480

De toerekening van de materiële uitgaven binnen het artikelonderdeel «apparaat» is in de genoemde jaren per organisatorische functie als volgt (bedragen x € 1 000):

Aard20052006
– leiding en staf579598
– personeelszorg en -voorzieningen1 1481 090
– voorlichting en communicatie664665
– informatievoorziening1 5102 018
– exploitatie en logistiek huisvesting6 3085 495
– automatisering5 7894 696
– e-parlement1 336 
– verslaglegging10998
– overige diensten Griffier435250
– overige diensten DBV, F & P2 4793 790
– overige diensten DIB3131
Totaal20 38818 711

Overigens heeft de vraag van de leden van de CDA-fractie geleid tot de vaststelling dat, als gevolg van technische redenen, de bedragen genoemd in de jaarkolommen van het uitgavenoverzicht, zijn gaan «schuiven» zodat, meerjarig, een verkeerd beeld is ontstaan. Het onderstaande overzicht dient dan ook ter vervanging van dat opgenomen in de Raming voor 2006.

Uitgavenoverzicht (bedragen x € 1 000)

Wetgeving en controle Tweede Kamer20002001200220032004
– apparaat (personeel)20 87622 55524 27126 5281 32 092
gemiddeld per zetel139150162177214
per vergaderuur99111613
– apparaat (materieel)14 23216 74518 88617 42317 202
gemiddeld per zetel95112126116115
per vergaderuur678107
totaal apparaat35 10839 30043 15743 95149 294
gemiddeld per zetel234262288293329
gemiddeld per vergaderuur1516192620
– onderzoeksbudget623465122508843
– drukwerk3 7033 9274 1723 7013 517
– fractiekosten14 17115 14819 86618 78318 521
– uitzending leden269427188267170
– enquêtes  1 931611 
– garanties236069107  
totaal artikel 354 23459 33669 54367 82172 345
gemiddeld per zetel362396464452482
gemiddeld per vergaderuur2326314030

1 Het uitgavenverschil ten opzichte van 2003 vindt vooral verklaring in de omstandigheid dat met ingang van 2004 de Dienst Verslag en Redactie onder dit artikel is opgenomen. Voorts spelen de toegenomen beveiligingskosten een rol.

2 Het artikelonderdeel «garanties» is met ingang van 2003 komen te vervallen.

Op de betreffende vraag uit de fractie van het CDA, antwoordt het Presidium dat er één oorzaak is van de ogenschijnlijke uitbreiding in de formatie van het ambtelijk personeel van de Tweede Kamer. Deze is, dat per 1 juli 2004 de Dienst Verslag en Redactie (voorheen Stenografische dienst) toegevoegd is aan de organisatie van de Tweede Kamer der Staten Generaal. Tot die tijd was de Stenografische dienst een gemeenschappelijke dienst voor de Eerste en Tweede Kamer, welke onder de Gemengde Commissie viel. De formatie van de Stenografische dienst is per 1 juli 2004 opgenomen onder de formatie van de Tweede Kamer.

Formatie DVR

De formatie van de Stenografische Dienst bedroeg in 2004: 61,44 fte. Per 1 januari 2005 bedraagt de formatie van DVR: 55 fte.

Formatie Tweede Kamer

In 2004 bedroeg de formatie voor de Tweede Kamer (exclusief Stenografische Dienst): 491,29 fte. In 2005 en 2006 bedraagt de formatie (inclusief DVR) 554,21fte. Er wordt in 2006 geen uitbreiding van de formatie verwacht. Exclusief DVR is de formatie voor 2005 en 2006: 499,21 fte.

Naar aanleiding van de vraag van de fracties van CDA en VVD om een overzicht van het aantal fte's per dienst en per schaal, biedt het Presidium het volgende overzicht aan (zie bijlage 4). Om de formatie te kunnen vergelijken is een overzicht gemaakt van de formatie per 1 januari 2004 en de formatie per 1 januari 2005.

Opgemerkt wordt dat per 1 januari 2005 de organisatie een wijziging in de indeling van de directies en diensten heeft ondergaan.

In antwoord op de vraag van de CDA-fractie preciezer in te gaan op opbouw van de formaties van de Dienst Automatisering en de Dienst informatievoorziening, merkt het Presidium het volgende op.

Dienst Automatisering

De 43,67 fte bij de Dienst Automatisering zijn verdeeld over twee teams en een staf. De 29,5 fte behorend bij Team Uitvoering zijn weer onderverdeeld in de bemensing van de helpdesk (12 fte), het verzorgen van het systeembeheer (12 fte) en het verzorgen van alle logistieke bewegingen van de aanwezige hardware (waaronder ook de vaste en mobiele telefoons). Van de 9,5 fte in het Team Relatiebeheer houden 4 fte zich bezig met het beheren van de relatie tussen de Dienst en haar klanten. De overige verzorgen de ontwikkeling van nieuwe ICT-diensten en nemen deel aan de informatiseringsprojecten die met name vanuit het E-parlement programma worden geïnitieerd. Naast het diensthoofd (1 fte) houden de overige 3,67 fte zich bezig met de financiële administratie, het secretariaat en de communicatie.

DIV

Bij de Dienst Informatievoorziening (DIV) werken 9 medewerkers bij het Centraal Informatiepunt (CIP), 35 bij Documentatie & Research (D&R), 19 bij Bedrijfsbeheer en Archief en 3 bij de afdeling Informatieontwikkeling en -beheer (IOB). De 9 medewerkers aan het CIP verrichten baliediensten waarbij per jaar ca 12 000 vragen worden beantwoord. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de CIP-collecties, de leeszaal en geven zij introducties en cursussen aan nieuwe Leden en Kamermedewerkers. De 35 medewerkers van D&R zijn onderverdeeld in 5 beleidsclusters. Zij selecteren dagelijks kranten en tijdschriftenartikelen en nemen die op in de STAR-bestanden die een grote rol spelen bij de vraagbeantwoording van het CIP. Zij ontsluiten in STAR ook de Kamerstukken, de Handelingen en de Kamervragen. Verder maken zij specifieke producten als de Parlementaria, readers (102 in 2004) over bepaalde beleidsonderwerpen of ter ondersteuning van binnen- en buitenlandse werkbezoeken. Op het intranet plaatsen zij relevante informatie zoals elektro-nische dossiers, de EU-fiches en links naar relevante sites. Daarnaast ondersteunen zij direct de werkzaamheden van onderzoeks-, enquête en themacommissies. De meer gecompliceerde en tijdrovende vragen aan het CIP worden beantwoord door de clusters van D&R. De medewerkers van D&R verrichten in beperkte mate baliediensten aan het CIP. Bedrijfsbeheer en Archief bestaat uit 5 medewerkers bij het Centraal Archief, 3 medewerkers voor personele en financiële administratie en 11 documentatieassistenten. De documentatieassistenten verzorgen de documentleverantie van de Kamerstukken, kranten- en tijdschriftartikelen en verrichten zowel het kopieerwerk aan het CIP als voor de clusters van D&R. Zij scannen de krantenen tijdschriftartikelen die in de elektronische dossiers en het STAR-bestand worden opgenomen. Daarnaast beheren zij de magazijncollecties van DIV bestaande uit kamerstukken, tijdschriften en kranten. IOB is de informatiseringspoot van DIV. Deze afdeling heeft het xml-beleid van de Kamer vorm gegeven en beheert de xml-dtd's. Xml is de uitwisselingstaal die het mogelijk maakt om informatie uit de verschillende Kamerapplicaties aan elkaar te koppelen en er zonodig nieuwe documenten van te maken. Verder beheert IOB functioneel twee eigen applicaties van DIV, STAR en het vraagvolgsysteem Topdesk, evenals de Toezeggingenregistratie. Daarnaast speelt IOB een belangrijke rol in de vele projecten van E-parlement. Bovenstaande opsomming betreft de dagelijkse werkzaamheden van DIV. Leidinggevenden en medewerkers van DIV zijn daarnaast vertegenwoordigd in vele projectgroepen en werkgroepen binnen de Tweede Kamer met name waar het gaat om de informatievoorziening en informatisering in het kader van E-parlement.

Met betrekking tot een vraag van de leden van de fractie van het CDA naar een overzicht van de kosten die de tijdelijke commissie infrastructuur heeft gemaakt en een kostenvergelijking met de commissie die onderzoek heeft gedaan naar de bouwfraude, verwijst het Presidium naar het onderstaande overzicht.

(bedragen x € 1 mln):

 2002200320042005Totaal
Tijdelijke commissie infrastructuur  0,6900,0610,751
Enquête bouwnijverheid1,5640,319  1,883

Met betrekking tot de vraag van de leden van de CDA-fractie op welke wijze de tekortkomingen in het beheer zullen worden opgelost naar aanleiding van de rapportage van de Algemene Rekenkamer, antwoordt het Presidium als volgt. De Rekenkamer, die overigens geen zelfstandig onderzoek heeft verricht maar steunt op de uitkomsten van de jaarcontrole 2004 door de Auditdienst, constateert dat er tekortkomingen zijn vastgesteld die verband houden met het niet voldoende naleven van de administratieve organisatie en met name de werking van de vastgestelde regels contractbeheer. Inmiddels is een aantal zaken aangepakt. Voor de korte termijn is er een matrix opgesteld met 26 onderwerpen die voor een vastgestelde einddatum moeten zijn opgelost. Eén van de punten is het geven van voorlichting aan de diensthoofden en budgethouders over de vastgestelde financiële- en inkoopprocedures en het maken van een flyer met de verkorte procedures. Dergelijke bijeenkomsten hebben reeds plaatsgevonden waarbij tevens tussen de beide direct betrokken diensten( Bureau Inkoop en de Stafdienst FEZ) en de budgethouders afspraken zijn gemaakt over de handhaving van vastgestelde procedures en het verbeteren van het financieel beheer en het inkoopproces. Maatregelen die op lange termijn noodzakelijk zijn worden meegenomen in het jaarplan 2005 voorziene traject herbezinning Stafdienst FEZ .

In reactie op de vraag van de leden van de fractie van de VVD naar de gehanteerde berekeningswijze in het uitgavenoverzicht, merkt het Presidium op dat de binnen artikelonderdeel 01 te onderscheiden kostencategorieën personeel, materieel en de som van onderzoeksbudget, drukwerk, fractiekosten, uitzending leden en, indien van toepassing, kosten enquêtes, zijn gerelateerd aan (gedeeld door) enerzijds het aantal leden en anderzijds het aantal uren gestenografeerde vergadering. Overigens memoreert het Presidium, naar aanleiding van een vraag van de CDA-fractie op dit punt, dat het uitgavenoverzicht zoals opgenomen in de Raming, onjuistheden bevat. De specificatie van de fractiekosten over de periode 2002–2004 is als volgt:

Aard200220032004
– voorschot fractiekosten17 57217 02716 225
– voorschot persoonlijke medewerkers1 4691 1191 956
– nabetaling «oude» jaren825637340
Totaal19 86618 78318 521

De gememoreerde daling bleef dus beperkt tot 1,4%.

Een verklaring voor de daling van de kosten van uitzending leden in 2004 (€ 0,170 mln) ten opzichte van 2003 (€ 0,267 mln), dit in antwoord op een vraag van de fractie van de VVD, steunt met name op een beperkter aantal Presidiumreizen (€ 0,057 mln) en officiële delegaties (€ 0,064 mln).

Naar aanleiding van een vraag van de fractie van de VVD, licht het Presidium toe de kosten van de reis van de uit zeven leden bestaande commissie BuZa naar Mozambique € 51 895,50 bedroegen. Dit vindt met name oorzaak in de kosten van de vliegtickets (€ 27 000) en de huur van een vliegtuig in Mozambique (€ 17 000).

Voor een antwoord op de vraag van de fractie van de VVD naar de formatieve omvang in relatie tot eerdere jaren, verwijst het Presidium naar de beantwoording van soortgelijke vragen van de fractie van het CDA.

04 Staten-Generaal Algemeen

Artikel 4 Wetgeving en controle Eerste Kamer en Tweede Kamer

1. Algemene doelstelling

In antwoord op vragen van leden van de PvdA-fractie over «stroomlijning» van de Griffie Interparlementaire Betrekkingen kan het Presidium het volgende meedelen.

De Griffie voor de Interparlementaire Betrekkingen (IB) verleent thans ondersteuning aan zowel de Eerste als de Tweede Kamer bij het onderhouden van interparlementaire betrekkingen. De Griffie IB wordt aangestuurd door een Gemengde commissie bestaande uit leden van beide Kamers. De Gemengde commissie is tevens formeel de werkgever van de 5 medewerkers van de Griffie IB. Om ook in de toekomst de kwaliteit van de ondersteuning bij het onderhouden van interparlementaire betrekkingen door de Staten-Generaal te kunnen blijven waarborgen, heeft de Gemengde commissie voorgesteld de zorg voor de Griffie IB toe te vertrouwen aan de Tweede Kamer. De inhoudelijke ondersteuning aan individuele leden, delegaties en commissies uit beide Kamers blijft ongewijzigd, maar het bevoegde gezag voor de genoemde 5 medewerkers van de Griffie IB komt niet meer te liggen bij de Gemengde Commissie. De Gemengde commissie wordt slechts belast met de afstemming van de dienstverlening. Bij deze commissie komt dus de verantwoordelijkheid te liggen voor de wijze van dienstverlening en de inhoudelijke aansturing van de griffier voor de interparlementaire betrekkingen, maar de commissie neemt de rol van bevoegd gezag van de Griffier van de Tweede Kamer niet over. Daarnaast kan de Gemengde commissie gevraagd en ongevraagd de leden en de Voorzitters van beide kamers adviseren. De Gemengde commissie verwacht dat hiermee een einde komt aan de geïsoleerde positie van de Griffie IB, dat nieuwe producten en diensten kunnen worden ontwikkeld en dat de mobiliteit en de flexibiliteit van de organisatie worden vergroot.

Het Presidium heeft inmiddels ingestemd met dit voorstel. De verwachting is dat de Huishoudelijke Commissie van de Eerste Kamer binnenkort zal instemmen. De voorstellen zullen vervolgens nadat de betrokken medezeggenschapsorganen conform de WOR advies hebben uitgebracht, worden voorgelegd aan de Eerste en de Tweede Kamer. Er zijn geen kosten verbonden aan deze «stroomlijning». Er wordt naar gestreefd de feitelijke overgang nog voor het einde van dit jaar te laten plaatsvinden.

In antwoord op de vraag van dezelfde leden «wie bepaalt waar en op welke manier verslag wordt gedaan van bijvoorbeeld buitenlandse bezoeken», merkt het Presidium op dat in beginsel van elk buitenlands werkbezoek (dus ook van zogenoemde kleine delegaties, alleen bestaande uit een commissievoorzitter en/of enkele leden) een verslag verschijnt. Het opstellen van dat verslag is een van de taken van de begeleidende griffier. Over de vorm is niets voorgeschreven, doch in de praktijk is het verslag zowel procedureel (bezoekprogramma, gastheren) als inhoudelijk van aard (besproken thema's en conclusies). Het conceptverslag wordt aan de delegatieleden voorgelegd.

3. Operationele doelstellingen en prestatiegegevens

De samenwerking met de Eerste Kamer

De vraag van de fractie van de VVD naar mogelijke besparingen die de samenwerking met de Eerste Kamer zouden opleveren, merkt het Presidium op dat tot nu toe samenwerking met de Eerste Kamer op het gebied van Beveiliging en Automatisering alleen maar efficiencywinst oplevert. Van extra uitgaven is geen sprake. Mochten die zich wel voordoen, dan worden over de compensatie daarvan afspraken gemaakt met de Eerste Kamer.

De Voorzitter,

Weisglas

De Griffier,

Biesheuvel-Vermeijden

BIJLAGE 1

Overzicht van alle voorstellen ter verandering van de werkwijze van de Tweede Kamer in de periode 2002–2005

Aan de Commissie voor de Werkwijze

Den Haag 2 juni 2005

Vanaf juni 2002 wordt gesproken over de vernieuwing en verbetering van de werkwijze van de Tweede Kamer. In dit kader heeft de Voorzitter vanaf 2002 de volgende gesprekken gevoerd:

• op 8 juli 2002 is gesproken met het Instituut voor Maatschappelijke Innovatie;

• op 11 oktober 2002 is een brainstormbijeenkomst in het Kurhaus gehouden met Kamerleden en Kamerambtenaren (notitie Griffier);

• op 14 februari 2003 is gesproken met oud-Kamerleden en hoogleraren;

• op 17 maart 2003 is gesproken met journalisten;

• op 27 maart 2003 is gesproken met jonge Kamerleden.

Tenslotte heeft op 15 maart 2004 een wetgevingsoverleg plaatsgevonden over een aantal voorstellen ter wijziging van het Reglement van Orde. Deze voorstellen zijn, conform de daarvoor vastgestelde procedures, besproken en behandeld in de Commissie voor de Werkwijze.

Van de bovenstaande gesprekken zijn aantekeningen gemaakt en van het wetgevingsoverleg bestaat een stenografisch verslag. Alle voorstellen ter verbetering van de werkwijze van de Kamer die in deze verslagen dan wel in het stenografisch verslag staan, zijn opgenomen in het bijgaande overzicht.

In dit overzicht zijn de wijzigingsvoorstellen gerangschikt naar:

• Voorstellen ter verbetering van de plenaire vergadering

– Agenda, bijeenroeping, regeling van werkzaamheden

– Spreektijden, tijdstippen en interrupties

– Hoofdlijnendebat

– Spoeddebat en interpellatie

– Overige wijzigingen m.b.t. debatten

– Stemmingen

– Vragenuur

– Moties

• Voorstellen ter verbetering van het stellen van schriftelijke vragen

• Voorstellen ter verbetering van de procedure van wetgeving

• Voorstellen ter verbetering van de werkwijze van commissies

– In- en samenstelling

– Bevoegdheden

– Werkwijze

• Voorstellen ter verbetering van de begrotingsbehandeling

• Voorstellen ter verbetering van de onderzoeksfunctie van de Kamer

• Voorstellen ter verbetering van de informatietechnologie van de Kamer

• Overige voorstellen ter verbetering van de

– Relatie burger-politiek

– Cultuurverandering in de Kamer

Elk wijzigingsvoorstel (wijziging) wordt kort toegelicht (toelichting), er wordt aangegeven in welk gesprek de wijziging is genoemd (bron) en wat er met de wijziging is gebeurd (resultaat).

De Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,

J. E. Biesheuvel-Vermeijden

BIJLAGE II

Bijlage 2 bij de nota naar aanleiding van het verslag Raming Tweede Kamer 2006

RAPPORTAGE EVALUATIE WIJZIGINGEN REGLEMENT VAN ORDE

Inleiding

In opdracht van de commissie voor de Werkwijze heeft een ambtelijke werkgroep de wijzigingen van het Reglement van Orde geëvalueerd. Het betrof de wijzigingen die zijn ingevoerd in maart 2004. Deze bijlage bevat de rapportage over de uitkomsten van de evaluatie. Op basis van een cijfermatige analyse en interviews met fractiesecretarissen zijn conclusies getrokken en worden concrete aanbevelingen gedaan. De rapportage is besproken in de vergadering van de commissie voor de Werkwijze op woensdag 8 juni 2005.

Met de volgende personen heeft een interview plaatsgehad:

CDAVan de Camp
PvdAHamer
VVDHofstra
SPKant
GLVan Gent
D66Van der Ham
CUSlob
SGPVan der Staaij

Bevindingen uit het onderzoek

Algemeen

• Het merendeel van de fracties benadrukt dat het bij een nieuwe werkwijze van de Kamer veel meer gaat om de cultuur (qua omgangsvormen en dergelijke) dan om de structuur. Procedures zijn slechts instrumenten.

• De cultuurverandering die met de reglementswijzigingen werd beoogd is grotendeels niet gerealiseerd.

• De bekendheid van het Reglement van Orde is in het algemeen niet groot. De recente wijzigingen zijn zo mogelijk nog minder bekend. Deze bekendheid zou naar de mening van de geïnterviewden vergroot kunnen worden. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan het aanbieden van cursussen aan de Kamerleden.

• In zijn algemeenheid wordt het op prijs gesteld als de voorzitter een actieve en directieve rol speelt tijdens de vergaderingen.

• De 30-ledenregel wordt niet ondersteund door de fractiesecretarissen van CDA, VVD, CU en SGP.

• Wijzigingen of aanvullingen in het Reglement van Orde worden niet nodig geacht.

Specifieke bevindingen

• De 30-ledenregel stuit op weerstand. Het betreft dan niet het principe dat ook aan een minderheid rechten worden toegekend maar met name het intensieve gebruik van de 30-ledenregel.

• Er bestaat ontevredenheid over de invulling van het vragenuur. Het betreft de toekenning van vragen, het ontbreken van debat en het ontbreken van voldoende tijd. Er is sterke verdeeldheid over de wenselijke oplossingsrichting.

• Over het instrument rapporteurschap heerst nog veel onduidelijkheid onder de leden. Dit zou te ondervangen zijn door bij de opdrachtverlening duidelijke afspraken te maken in een afsprakenbrief.

• Voor de aanpak van de begrotingshandeling nieuwe stijl bestaat weinig draagvlak binnen de Kamer. Alle fracties zijn van mening dat een begrotingsoverleg niet ten koste mag gaan van de plenaire behandeltijd van de begroting.

Achtergrond en werkwijze

In april 2004 heeft de Kamer besloten tot een omvangrijke wijziging van het Reglement van Orde. Doel van deze wijzigingen was de verbetering van de werkwijze en van de cultuur van de Tweede Kamer. De belangrijkste wijzigingen betroffen:

1. Besluit tot het houden van een spoeddebat of een interpellatiedebat indien 30 leden daarmee instemmen.

2. Vergroten van de aantrekkelijkheid van het vragenuur.

3. Openbaarheid procedurevergadering.

4. Invoeren van het rapporteurschap.

5. Nota's van leden net als voorstellen van de regering behandelen.

6. Invoeren van begrotingsonderzoek nieuwe stijl.

7. Versterken van de functie van het hoofdlijnendebat over een wetsvoorstel.

Na een jaar is het moment gekomen om na te gaan of de doelstellingen zijn gerealiseerd. Een ambtelijke werkgroep onder leiding van de Griffier heeft hiertoe een onderzoek uitgevoerd in opdracht van de Commissie voor de Werkwijze. De aanpak was tweeledig, allereerst zijn de belangrijkste wijzigingen geïnventariseerd en is in kaart gebracht hoe vaak en wanneer de Kamer de nieuwe instrumenten heeft gebruikt. Deze bevindingen zijn bijgevoegd in een afzonderlijke bijlage. Tweede onderdeel van het onderzoek vormden de gesprekken met fractiesecretarissen. Deze gesprekken hebben eind mei en begin juni 2005 plaatsgehad. In deze gesprekken werden drie punten aan de orde gesteld:

a) de bekendheid met de wijzigingen

b) de bruikbaarheid van de wijzigingen

c) de noodzaak van de eventuele aanpassingen

De gesprekken zijn gevoerd door Steven Oostlander, hoofd van het Onderzoeks en Verificatiebureau van de Tweede kamer en Harmanda Post, adjunct-griffier.

Toelichting op de afzonderlijke maatregelen

1 Het houden van een spoeddebat c.q. interpellatie indien 30 leden met een verzoek daartoe instemmen.

Ervaringen en knelpunten

Met het invoeren van de 30-ledenregel is de mogelijkheid ontstaan dat een minderheid in de Tweede Kamer een debat kan afdwingen. In plaats van een gunst is er sprake van een recht. Vanaf 1 april 2004 tot 1 april 2005 is 45 maal een spoeddebat of een interpellatie gehouden. Dit is een sterke toename in verhouding tot voorgaande jaren. (2002: 12 en 2003: 22). Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat zowel in 2002 als 2003 verkiezingen hebben plaatsgevonden, waardoor er minder debatten zijn gehouden.

Door de volgende fracties zijn spoed- of interpellatiedebatten aangevraagd:

CDA 2
PvdA13
VVD 4
LPF 1
SP 6
SGP 1
GL14
D66 1
Namens een Vaste Commissie: 3
  
Totaal CDA/VVD/D66: 7
Oppostiepartijen: 38

De spreiding van de spoeddebatten is gelijkmatig door het jaar heen. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een daling of stijging in de loop der tijd. In de praktijk heeft er bijna iedere vergaderweek een spoeddebat plaatsgehad.

In de cijfermatige bijlage treft u nadere informatie over de spoeddebatten. Uit de cijfers kan worden opgemaakt dat voor ongeveer de helft van de gehouden spoeddebatten een reguliere meerderheid beschikbaar was. Bij de helft van de debatten is expliciet of impliciet gebruik gemaakt van de 30-ledenregel. Expliciet wanneer bij de regeling van werkzaamheden nadrukkelijk is gesteld dat 30 leden dit verzoek steunden. Impliciet omdat in een aantal situaties niet is nagegaan of meer dan 30 leden dit verzoek steunden, bijvoorbeeld vanwege het feit dat degene die het verzoek deed afkomstig was uit een fractie met meer dan 30 leden.

Geprobeerd is na te gaan of er achteraf gezien sprake is geweest van daadwerkelijke spoed of urgentie. Hiervoor is gekeken naar de tijd die is verstreken tussen het moment van aanvraag en het tijdstip waarop het debat daadwerkelijk plaats vond. Duidelijk is dan dat in een aantal gevallen geen sprake was van een urgente zaak. Dat wil niet zeggen dat het desbetreffende onderwerp daarmee politiek onbelangrijk was. In de commissie voor de Werkwijze is in dit verband geconstateerd dat de benaming spoeddebat verwarring oproept.

Interviews met fractiesecretarissen

De 30-ledenregel geeft veel aanleiding tot discussie. Vooral het grote aantal spoeddebatten dat is gevoerd roept weerstand op bij met name het CDA en de VVD. Het nut en de noodzaak van veel van de debatten wordt door hen betwist. De fractiesecretarissen van de CU en de SGP hebben aangegeven tegen de 30-ledenregel te zijn. Echter, niet vanwege het grote aantal spoeddebatten, maar omdat zij het principieel niet juist vinden dat minderheden hun wensen opleggen aan meerderheden. De overige fractiesecretarissen zijn onverkort voorstander van de 30-ledenregel.

Uit de interviews is duidelijk geworden dat er irritatie bestaat over het gebruik van de mogelijkheid om besluitvorming van een procedurevergadering te overrulen. Het blijkt te zijn voorgekomen dat via het aanvragen van een spoeddebat bij de regeling van werkzaamheden eerdere besluiten van een procedurevergadering terzijde werden geschoven. In dit verband is tijdens de interviews gesproken over oneigenlijk gebruik van het instrument. Door een van de fractiesecretarissen van de oppositiepartijen is opgemerkt dat de procedurevergadering een politiek lichaam is waarin om politieke redenen debatten of overleggen worden aangevraagd of juist tegengehouden.

De fractiesecretarissen van D66 en CDA geven aan dat de groei van het aantal spoeddebatten wellicht ook valt te verklaren vanuit een gebrek in ervaring. Dergelijke nieuwe instrumenten moeten ook groeien; leden moeten ervaring opdoen om te kunnen beoordelen wanneer het wel en wanneer het niet nodig of wenselijk is het instrument te gebruiken.

Het interpellatiedebat wordt nauwelijks meer gevoerd sinds de invoering van de 30-ledenregel voor het spoeddebat. Het onderscheid is voor veel leden en al zeker voor de mensen buiten de Tweede Kamer niet altijd helder. Toch hechten de fractiesecretarissen aan het interpellatiedebat. Er zijn situaties waarop het specifieke karakter van het interpellatiedebat, de een-op-een discussie met een minister, voordelen heeft boven een spoeddebat.

Aanbevelingen

De 30-ledenregel lijkt ter discussie te staan. Voorgesteld wordt om niet al na één jaar deze regel af te schaffen. Nieuwe instrumenten hebben tijd en gewenning nodig om op een juiste en efficiënte wijze gebruikt te worden. Het is te vroeg om al na één jaar te kunnen constateren of deze regel een verbetering of een verslechtering vormt van het parlementaire instrumentarium.

Voorgesteld wordt om tot aan het einde van deze zittingsperiode te blijven registreren in welke mate het instrument wordt gebruikt en op basis van deze meerjarenmeting vóór de komende Tweede Kamerverkiezingen de regel opnieuw te evalueren.

2. Verbeteren aantrekkelijkheid van het vragenuur

Ervaringen en knelpunten

Het afgelopen jaar nam het aantal aangemelde mondelinge vragen toe. In 2004 zijn er in totaal 193 mondelinge vragen aangemeld waarvan 98 zijn goedgekeurd. Ongeveer 50% van de ingediende mondelinge vragen wordt dus daadwerkelijk gesteld. Tijdens de behandeling van de Wijzigingen van het Reglement van Orde is door het lid van der Ham een verzoek gedaan om te experimenteren met het toelaten van meer vragen in het Vragenuurtje. De Voorzitter heeft toegezegd hier positief tegenover te staan.

Interviews met fractiesecretarissen

In zijn algemeenheid wordt opgemerkt dat het op prijs wordt gesteld als de voorzitter directief optreedt tijdens de vergadering. De voorzitter heeft een belangrijke taak. Hij dient ervoor zorg te dragen dat vragen en antwoorden direct en to the point zijn. Bij de beoordeling, of mondelinge vragen kunnen worden doorgelaten, dienen heldere criteria te worden gehanteerd. Hierbij past een behoorlijke beoordelingsvrijheid van de voorzitter.

Ten aanzien van het verbeteren van de aantrekkelijk van het vragenuur valt geen eenduidig beeld te distilleren. Een aantal fracties is van mening dat er te weinig veranderingen zijn doorgevoerd bij de inrichting van het vragenuur. De ene fractie is tevreden met de huidige aanpak van het vragenuur en een andere fractie is van mening dat meer terughoudendheid dient te worden betracht bij het gebruik van het instrument mondelinge vragenuur. Een grote oppositiepartij is zeer kritisch over het huidige vragenuur. Er is in de ogen van deze fractie sprake van onvoldoende debat. Het merendeel van de fracties staat niet afwijzend tegen een verdere ontwikkeling van het vragenuur. Over de precieze vorm lopen de meningen zeer uiteen. Zo is geopperd om per commissie een vragenuur te houden of zoals in het Britse Lagerhuis te debatteren met de minister-president. Het stringent handhaven van het volle uur is belangrijk. Verder is gesuggereerd de Voorzitter «dynamisch» te laten hammeren, waarbij ook de bewindslieden niet ontzien mogen worden.

Aanbevelingen

Er is geen aanleiding voor een wijziging van het betreffende artikel uit het Reglement van Orde. Wel is er onvrede over het verloop van het vragenuur. Het betreft hier veelal «cultuur»-aspecten. De Voorzitter kan in ieder geval veel nadrukkelijker gebruik maken van de ruimte de hem geboden wordt om het vragenuur inhoudelijk te sturen. Hierover bestaat veel overeenstemming tussen de fractiesecretarissen en ook de commissie voor de Werkwijze onderschrijft dit.

3. Openbaarheid Procedurevergaderingen

Ervaringen en knelpunten

De vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Europese zaken hebben van oktober 2004 tot aan het krokusreces van 2005 een experiment in het kader van openbaarheid van procedurevergaderingen uitgevoerd.

Naar aanleiding van de bevindingen van de vaste commissie voor OCW, die de openbaarheid van de procedurevergadering niet als een belemmering heeft ervaren, en die ook heeft aangegeven dat het voorgestelde politiseren van het overleg zich niet heeft voorgedaan, evenmin als het voeren van discussies voor de bühne, of het voeren van (meer) informeel vooroverleg, heeft het Presidium besloten het experiment tot aan het zomerreces voort te zetten. De vaste commissie voor OCW heeft daarop besloten hieraan mee te blijven doen. Vervolgens hebben de commissies NAAZ, EU, BuiZa, Defensie en de themaommissies Technologiebeleid en Ouderenbeleid zich hierbij aangesloten.

Interviews fractiesecretarissen

Enkele fracties waren sowieso al groot voorstander van openbaarheid van procedurevergaderingen en zijn naar aanleiding van het experiment niet van standpunt veranderd.Andere fracties zijn van mening dat het experiment van de vaste commissies voor OCW en voor EU bevredigende ervaringen heeft opgeleverd. Hun (tot dan toe bestaande) bezwaren zijn opgedroogd. Overigens is tot nu toe weinig publiek op de openbare procedurevergadering afgekomen.

Een aantal fracties blijft groot tegenstander van de openbaarheid van procedurevergadering.

Als voornaamste argument wordt hiervoor aangedragen dat naar de mening van deze fracties de procedurevergadering het enige moment is binnen de Tweede Kamer waarop kamerleden ongedwongen en zakelijk met elkaar om kunnen gaan zonder extra publiciteit. Bovendien is men bang dat de procedurevergaderingen te lang gaan duren.

Aanbevelingen

Er is geen aanleiding voor een wijziging van het betreffende artikel in het Reglement van Orde. De commissie voor de Werkwijze stelt voor om ook dit aspect te evalueren voor de komende Tweede Kamerverkiezingen.

4 Invoeren van het rapporteurschap

Ervaringen en knelpunten

Het lid-rapporteur is een nieuw onderdeel binnen het Reglement van Orde. Individuele leden kunnen door een commissie benoemd worden om rapport uit te brengen over een wetsvoorstel. In de afgelopen periode is één maal gebruik gemaakt van deze nieuwe regeling.

De vaste commissie voor Economische Zaken heeft het lid Van Dijk benoemd tot rapporteur, zoals bedoeld in artikel 93a RvO. Naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag (29 474, nr. 6) bestond binnen de commissie behoefte aan een nadere inhoudelijke beschouwing van de voorliggende problematiek en de voorgestelde oplossingsrichting inzake de implementatietermijnen van EU-regelgeving.

Bij deze gelegenheid is onduidelijkheid over de inhoudelijke vereisten voor een rapportage als een knelpunt ervaren. Onduidelijk is wat de positie is van een rapportage in het politieke debat: is het rapport van een lid-rapporteur een advies aan de commissie of moet het rapport worden overgenomen door de commissie? Mag het rapport alleen ingegaan op technische aspecten of kan het tevens een politiek oordeel of advies bevatten?

Interviews fractiesecretarissen

Tijdens de interviews met de fractiesecretarissen is duidelijk geworden dat het instrument rapporteur brede bekendheid geniet. Geen van de respondenten heeft aangegeven het instrument niet te kennen. Breed wordt onderschreven dat het aanstellen van een lid rapporteur meerwaarde kan bieden. Bij de respondenten bestaat wel de behoefte aan meer duidelijkheid over de formele positie van de rapporteur in de dialoog tussen Kamer en regering.

De respondenten geven aan dat het beperkte gebruik van dit nieuwe instrument ingegeven wordt door onduidelijkheid over de status van het rapport van een lid. Breed bestaat het beeld dat de individuele fracties uiteindelijk in staat moeten worden gesteld een eigenstandig politiek oordeel te vellen over een vraagstuk.

De gewenste duidelijkheid kan niet worden verkregen door extra bepalingen toe te voegen aan het Reglement van Orde, zo is het gevoelen.

De tijdens de interviews geconstateerde ervaringen worden ook onderschreven door het eerste lid rapporteur, de heer van Dijk (CDA). Ook hij heeft gepleit in de procedurevergadering van de vaste commissie voor EZ voor een duidelijke procedure voor de behandeling van een rapportage. Hij drong verder aan op een nauwkeurige afbakening van de opdracht en een discussie vooraf over de vraag in hoeverre een politiek oordeel kan worden opgenomen in de rapportage.

Aanbeveling

Gelet op de brede steun voor het instrument is het afschaffen niet opportuun. Ook het toevoegen van extra bepalingen aan het Reglement van Orde vindt geen steun. De gewenste duidelijkheid over de vorm van de rapportage en de positie van het rapport in het politieke debat kan dan het beste vorm te krijgen door bij aanvang van de werkzaamheden van de rapporteur duidelijke, schriftelijke afspraken te maken tussen de commissie en het lid rapporteur over de onderdelen van het op te stellen rapport. Het is de taak van de commissiegriffier het opstellen van deze afspraken te initiëren.

De Commissie voor de Werkwijze stelt voor om ook dit aspect te evalueren voor de komende Tweede Kamerverkiezingen.

5. Nota's van leden worden net als voorstellen van de regering behandeld

Ervaringen en knelpunten

Artikel 119 van het Reglement van Orde is gewijzigd. Initiatiefnota's van leden worden voortaan behandeld als waren het stukken van de regering. Er is twee maal gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. In beide gevallen betrof het nota's van het lid Duyvendak. Beide nota's zijn in behandeling genomen door de desbetreffende vakcommissie. De eerste nota betrof de schaduwmacht van politieke commissies. Deze nota heeft geresulteerd in een adviesaanvraag aan de Raad voor het Openbaar Bestuur, een kabinetsstandpunt, een algemeen overleg en een plenaire afronding waarbij enkele moties zijn ingediend. Na afloop heeft de commissie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de hele procedure geëvalueerd en een aantal criteria opgesteld welke door het Presidium, na advies van de commissie voor de Werkwijze, zijn overgenomen. De tweede nota betrof het wandelbeleid. De behandeling van deze nota is nog niet afgerond maar inmiddels is wel een kabinetsreactie ontvangen.

Interviews fractiesecretarissen

De initiatiefnota is een onbekend instrument. Weliswaar geven de fractiesecretarissen aan dat het instrument bekend is en kent iedereen met name de eerste initiatiefnota maar het instrument maakt nog geen deel uit van het «denken» van de kamerleden. Desgevraagd verklaarden een aantal fractiesecretarissen het een goed instrument te vinden maar dat men het persoonlijk of binnen de fractie «nog niet heeft overwogen» of dat «het er nog niet van gekomen is».

Het kunnen debatteren in de Tweede Kamer zonder dat daar een stuk van de regering aan ten grondslag ligt wordt gezien als nuttig. Het aanpassen van het Reglement van Orde op dit onderdeel wordt niet nodig gevonden.

Aanbevelingen

Er is geen reden voor wijziging van het betreffende artikel van het Reglement van Orde.

6. Invoering van het begrotingsonderzoek nieuwe stijl

Ervaringen en knelpunten

Op instigatie van de commissie voor de Rijksuitgaven is vorig jaar voorgesteld de begrotingsbehandeling te wijzigen, er zou voortaan een begrotingsoverleg komen per commissie. Het Presidium heeft in de zomer van 2004 toen het niet mogelijk bleek alle commissies op één lijn te krijgen, geconcludeerd dat het begrotingsoverleg vooralsnog geen begaanbare was. Bijna alle commissies hebben vervolgens een begrotingsonderzoek in commissieverband gehouden, gevolgd door een plenaire behandeling van de begroting.

Verwacht wordt dat de commissie voor de Rijksuitgaven nog voor het komende zomerreces met een voorstel zal komen voor de komende begrotingsbehandeling.

Interviews fractiesecretarissen

Het is bij de fracties niet goed bekend wat het begrotingsoverleg inhoudt. Dit heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat vorig jaar de begrotingsbehandelingen in «oude stijl» zijn gehouden.

Alle fracties zijn unaniem van mening dat het begrotingsoverleg niet ten koste mag gaan van de «plenaire tijd» voor de behandeling van de begroting. De plenaire begrotingsbehandeling wordt gezien als een politiek hoofdlijnendebat per ministerie.

Op zich heeft het merendeel van de fracties geen bezwaar tegen het houden van een begrotingsoverleg op basis van het nieuw ingevoegde artikel, maar dit heeft wat minder prioriteit vanwege uiteenlopende redenen (weinig publicitair belang, tijdsdruk vanwege kleine fractie, te technisch etc.).

Aanbevelingen

Nu inmiddels duidelijk is dat ten minste vier commissies hebben laten weten de procedure volgens het ingevoegde artikel 39a te willen gaan volgen, lijkt het aanbevelenswaardig de nu opgedane ervaringen nog niet te laten volgen door maatregelen.

7. Versterking functie van het hoofdlijnendebat over een wetsvoorstel

Ervaringen en knelpunten

Het hoofdlijnendebat is een al wat ouder instrument (artikel 91 RvO). Sinds de recente wijzigingen is de aanvraagprocedure voor een hoofdlijnendebat vereenvoudigd. Een hoofdlijnendebat kan door een commissie aangevraagd worden zonder tussenkomst van het Presidium. Er zijn drie hoofdlijnendebatten gevoerd in het afgelopen jaar:

Herziening zorgstelsel (23 619), april 2004

Kinderalimentatie (29 480), september 2004

Schooltijden (29 733), februari 2005

In het afgelopen najaar is een aantal geplande hoofdlijnendebatten van de plenaire agenda afgevoerd wegens gebruik aan ruimte. Een aantal malen heeft vervolgens een algemeen overleg plaatsgevonden.

Interviews fractiesecretarissen

De fractiesecretarissen zijn enthousiast over het instrument van het hoofdlijnendebat. Een hoofdlijnendebat, voorafgaand aan de verdere behandeling van een wetsvoorstel kan de Kamer veel tijd besparen, zo is gesteld. Zonder het formele behandeltraject van een wetsvoorstel in te gaan, kan de Kamer besluiten een wetsvoorstel niet in behandeling te nemen dan wel op voorhand de regering te vragen wijzigingen aan te brengen. Bij de bovengenoemde voorbeelden is dat ook daadwerkelijk gebeurd.

Een hoofdlijnendebat voorafgaand aan ieder wetsvoorstel, als standaardonderdeel voor de wetgevingsprocedure, wordt niet wenselijk gevonden. Niet ieder wetsvoorstel leent zich voor een dergelijk debat, met name als het wetsvoorstel een technisch karakter kent.

Aanbevelingen

Er is geen aanleiding voor een wijziging van het betreffende artikel uit het Reglement van Orde.

Spoeddebatten vanaf 1 april 2004 t/m 28 april 2005

aanvrageronderwerpstemverhouding*datum aanvraaginterpellatiespoeddebatdatum behandeling
Vendrikover witwaspraktijken bij Holland Casinomin6-apr-04 X07-apr-04
Waalkensover uitspraken van het OM over illegale groeihormonen in de veehouderij. min31–3-04 (X)was reeds in procedure bij commissie
Blokover wet tarieven gezondheidszorg ter beheersing van de groei van de AWBZ-uitg.meer6-apr-04 X07-apr-04
Nawijnover oa. Ziekenhuis in emmeloord. min6-apr-04X 07-apr-04
Blomover de scheepsbouw.min7-apr-04 X08-apr-04
Hamerover betrokkenheid minister OCW bij de hogeschool in Rijswijk (hbo fraude)min20-apr-04  21-apr-04
Wildersover boeken in de Ned taal die verkocht worden in de EI Tawheed-moskee in Amst. meer21-apr-04 X28-apr-04
Vendrikover de salariëring van de leden van het kabinet.min18-mei-04X 25-mei-04
Van Dijkenbetreft Valys. min18-mei-04 X19-mei-04
Karimiover samenwerking tussen Ned en Iraëlische militairen buiten medeweten van de politiek. <303-jun-04  niet toegestaan
Halsemaover de uitspraken van de Staatssecretaris Nijs over minister van der Hoeven. meer8-jun-04 X08-jun-04
Halsemaover de hypotheek aftrek.<308-jun-04  niet toegestaan
Halsemaverklaring over het ontslag van de staatsecretaris van OCW, mevr Nijs. meer9-jun-04 X09-jun-04
Koendersover de Militaire inl.- en veiligheidsdienst inzake de aanw. van massavernietigingswapensmeer23-jun-04 X30-jun-04
Kantover eigen bijdragen in de zorg<3015-jun-04  niet toegestaan
Aribover het schip van Women on Waves en de opstelling van de Portugese maritieme autoriteitenmin1-sep-04 X01-sep-04
Hirsi Aliover het achterlaten van vrouwen en kinderen in Marokko. meer2-sep-04X 07-sep-04
Leerdamover de salaristoelage voor topambtenarenmeer9-sep-04 X14-sep-04
Blokover de verpleeghuiszorgmeer15-sep-04 X16-sep-04
Cornieljeover de positie van de minister van OCWmeer30-sep-04 X06-okt-04
Vosover de problematiek doorlevering van gegevens NMa naar de belastingdienstmin5-okt-04 X06-okt-04
Luchtenveldover het uitlekken van Justitiële gegevensmeer7-okt-04X 07-okt-04
Bosover minimumlonen. min14-okt-04 X14-okt-04
Kantover huurbeleid. min12-okt-04 X14-okt-04
Bosover het sociaal akkoordmeer9-nov-04 X18-nov-04
Karimiover het overlijden van de Indonesische mensenrechtenactivist Munirmeer25-nov-04 X30-nov-04
Croneover de liberalisering van de energiemarkten.meer19-jan-05 X19-jan-05
Vendrikover het Nieuwjaarsartikel SG ministerie EZmin19-jan-05 X19-jan-05
Gerkensover softwareoctrooien. min27-jan-05 X27-jan-05
Van Velzenover rapport inventarisatie milieucriminaliteit (veevoeder).min1-feb-05 X02-feb-05
Duyvendakover de Maasvlaktemin1-feb-05 X02-feb-05
Verhagenover terrorismemeer26-jan-05 X09-feb-05
Gerkensover softwareoctrooienmin10-feb-05 X10-feb-05
Albayrakover opvang bedreigde vrouwenmin10-feb-05 X10-feb-05
Lambrechtsover uitzettingen van asielzoekers naar Congomeer22-feb-05 X23-feb-05
Vosover milieucriminaliteit veevoedermeer10-feb-05 X23-feb-05
Duyvendakover de kerncentrale Borsselemeer24-feb-05 X24-feb-05
Örgüover vergoeding doorgiften programma's publieke omroepmeer22-feb-05 X24-feb-05
Gerkensover de brief van de Min EZ inzake softwareoctrooienmin8-mrt-05 X08-mrt-05
Karimiover mariniers Afghanistanmin1-mrt-05 X08-mrt-05
Ormelover de edelherten bij Oostvaarderplassenmin10-mrt-05 X10-mrt-05
Kalsbeekover het onderzoek Inspectie Jeugdzorg in de zaak S.min10-mrt-05 X10-mrt-05
Vosover de openbaarmaking van dossiersmeer15-mrt-05 X16-mrt-05
Bussemakerover de nieuwe arbeidsongeschikheidswetmin15-mrt-05 X23-mrt-05
Deplaover misstanden bij gedwongen huizenverkoop op veilingenmin5-apr-05X 13-apr-05
Kantover koopkracht van chronisch zieken en gehandicaptenmin5-apr-05 X7-apr-05
Aptrootover verplichte advertentie in Staatscourant mbt jaarrekeningenmin12-apr-05X 13-apr-05
Halsemaover experimenten softdrugsproblematiekmin19-apr-05 X27-apr-05
Croneover topinkomensmin26-apr-05  verzoek ingetrokken
Albayrakover experimenten softdrugsproblematiekmin28-apr-05 X28-apr-05

* min = niet geconstateerd dat ondersteuning een meerderheid betreft.

meer = geconstateerd dat ondersteuning een meerderheid betreft.

BIJLAGE 3

Notitie mondeling vragenuur

De motie Dijksma c.s. (29 267, nr. 8), ingediend tijdens het WGO d.d. 15 maart 2004

«verzoekt de commissie voor de werkwijze om uiterlijk vóór 1 juni 2004 de verschillende voorstellen op hun uitvoerbaarheid te beoordelen en te komen tot een voorstel, eventueel met meerdere varianten, waarin dit verbeterde vragenuur nader vorm krijgt..»

De procedure voor het mondeling vragenuur is opgenomen in het Reglement van Orde van de Tweede Kamer (Hoofdstuk XI. Het vragen van inlichtingen aan de regering, paragraaf 3 het mondelinge vragenuur, artikel 136 tot en met 139) Bij de laatste wijziging van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer zijn de bepalingen met betrekking tot het vragen uur als volgt aangepast:

1. De ministers zijn op dit tijdstip steeds beschikbaar behoudens verplichtingen die naar het oordeel van de Voorzitter voor moeten gaan.

Toelichting: Hiermee wordt de beschikbaarheid van alle bewindspersonen voor het Vragenuur uitgangspunt. De Voorzitter zal in de regel afwezigheid wegens internationale verplichtingen, het begeleiden van HM of verplichtingen in de Eerste Kamer aanvaarden. Hij laat het aan de vragensteller over of vervanging door een andere bewindspersoon aanvaardbaar is.

2. De aanmelding van mondelinge vragen kan niet eerder geschieden dan donderdag 12.00 uur in de voorgaande week dan wel, indien dit later is, direct na sluiting van de laatste vergadering in de voorgaande week.

Toelichting: Hiermee wordt gewaarborgd dat tijdens het Vragenuur actuele kwesties aan de orde komen.

3. De Voorzitter beslist welke van de aangemelde (mondelinge) vragen binnen het uur worden gesteld.

Toelichting: Het is de bevoegdheid van de Voorzitter vragen al dan niet toe te laten. Hij beslist op basis van de criteria van actualiteit, gewicht van de kwestie en of de kwestie elders aan de orde is gekomen of zal komen. Tegen zijn beslissing bestaat geen beroep op de Kamer.

Voorts heeft de Voorzitter bij de behandeling van deze voorstellen aangegeven positief te staan tegenover een

4. Experiment met het toelaten van meer dan 4 vragen in het Vragenuur.

Tijdens de behandeling van bovenstaande wijzigingsvoorstellen zijn de volgende voorstellen ook aan de orde gekomen:

5. De Voorzitter motiveert schriftelijk waarom mondelinge vragen niet worden doorgelaten.

Toelichting: Dit voorstel is verworpen.

6. Eens per 4 weken heeft het mondelinge Vragenuur plaats met de minister-president.

Toelichting: Dit voorstel is verworpen.

7. Vragenuur verplaatsen naar de woensdag.

Toelichting: Geen samenloop met de Eerste Kamer; de bewindslieden zijn dus vaker beschikbaar. Geen stemmingen; weliswaar bestaat het risico dat er daardoor minder leden in de zaal zijn, maar daar staat tegenover dat de aanwezige leden betrokken betrokken zijn bij het onderwerp c.q. de onderwerpen.

8. Andere regels voor het Vragenuur, bijvoorbeeld:

• ook de eerste vragensteller neemt plaats achter een interruptiemicrofoon;

• de eerste vraag hoeft niet persé aan het kabinet gesteld te worden, dat kan ook aan medeleden;

• de antwoorden van bewindslieden en leden mogen niet langer dan 3 minuten zijn, er zijn geen vervolgvragen van andere leden;

• variant 1: wel vervolgvragen, maar dan heeft de tweede vragensteller slechts een ½ minuut;

• variant 2: geen vervolgvragen meer toelaten.

9. Vragenuur met de Zeshoek ministers of met de ministers uit de Ruimtelijke Ordeningshoek

Toelichting: Meer debat op hoofdlijnen en minder op details.

10. Tijdens het Vragenuur maximaal 3 vragen toelaten.

Variant: niet meer dan 4 vragen toelaten.

11. Vragenuur duurt maximaal 1 uur.

12. Een vast vragenuur met de MP op dinsdag.

Toelichting: Vragen niet van tevoren aanmelden. Het doel is een reactie geven op de ministerraadsvergadering op de vrijdag voorafgaand aan het vragenuur. De vragenstellers staan achter een interruptiemicrofoon. De vragen mogen niet langer dan 2 minuten duren en de MP antwoordt niet langer dan 3 minuten.

13. Elke fractie kan eens per 2 maanden een onderwerp en een bewindspersoon kiezen om die in een debat van 1 dagdeel te bevragen.

Variant: niet eens per 2 maanden maar elke maand.

14. Een vragenuur zonder kabinet waarin leden elkaar onderling kunnen bevragen over bepaalde onderwerpen.

Toelichting: Meer onderlinge discussie tussen fracties tijdens debatten.

15. Een vast tweede Vragenuur per week.

Toelichting: Omdat zich ook na dinsdag dringende zaken kunnen voordoen die niet 1 week kunnen wachten.

De commissie voor de Werkwijze heeft in haar vergadering van 8 juni 2005, gelet op het evaluatieonderzoek dat op haar verzoek gehouden is onder de fractiesecretarissen en waarbij ook het mondeling vragenuur aan de orde kwam, geconcludeerd dat in de Kamer verschillend wordt gedacht over het mondeling vragenuur. In zijn algemeenheid is door de fractiesecretarissen opgemerkt dat het op prijs wordt gesteld als de voorzitter directief optreedt tijdens de vergadering. De voorzitter heeft een belangrijke taak. Hij dient ervoor zorg te dragen dat vragen en antwoorden direct en to the point zijn. Bij de beoordeling, of mondelinge vragen kunnen worden doorgelaten, dienen heldere criteria te worden gehanteerd. Hier past een behoorlijke beoordelingsvrijheid van de voorzitter.

Ten aanzien van verbeteren van de aantrekkelijkheid van het vragenuur valt geen eenduidig beeld te distilleren. Een aantal fracties is van mening dat er te weinig veranderingen zijn doorgevoerd bij de inrichting van het vragenuur. De ene fractie is tevreden met de huidige aanpak van het vragenuur, een andere fractie is van mening dat meer terughoudendheid dient te worden betracht bij het gebruik van het instrument mondelinge vragenuur. Een grote oppositiepartij is zeer kritisch over het huidige vragenuur. Er is in de ogen van deze fractie sprake van onvoldoende debat. Het merendeel van de fracties staat niet afwijzend tegen verdere ontwikkeling van het vragenuur. Over de precieze vorm verschillen de meningen. Zo is geopperd om per commissie een vragenuur te houden of zoals in het Britse Lagerhuis te debatteren met de minister-president. Het stringent handhaven van het volle uur is belangrijk. Verder is gesuggereerd de Voorzitter «dynamisch» te laten hammeren, waarbij ook de bewindslieden niet ontzien mogen worden.

Gelet op deze bevindingen heeft de commissie besloten te volstaan met toezenden van deze notitie aan de Kamer.

Namens de commissie voor de Werkwijze

J.E. Biesheuvel-Vermeijden

Griffier

BIJLAGE 4

 2004   2005  
Afdeling SchaalFTEAfdeling SchaalFTE
Staf Griffier 93Griffier 93
  101  101
  110  110
  131  131
  150,44  150,44
  191  1 
 totaal 6,44 totaal 6,44
        
Stafdienst Voorlichting41Voorlichting 41
  71  71
  82  82
  102  102
  111  111
  131  131
 totaal 8 totaal 8
        
Staf Directie Constitutioneel Proces71,89Staf Directie Constitutioneel Proces  
  171     
 totaal 2,89    
        
Onderzoek- en Verificatiebureau61Onderzoek- en Verificatiebureau61
  111  111
  122  122
  131  131
 totaal 5 totaal 5
        
Griffie 41,32Griffie 41,32
  55,53  55,53
  61  61
  84,4  82,4
  93  93
  111  101
  124  124
  131  131
 totaal 21,25 totaal 19,25
        
Bestuur en Onderwijs53Bestuur en Onderwijs53
  60,5  60,5
  64,5  74,5
  81  81
  102  102
  113,5  113,5
  123  123
  133  133
  141  141
        
Internationaal en Ruimtelijk60,5Internationaal en Ruimtelijk60,5
  65  75
      93
  103  102
  114,6  114
  123  123
  134  134
      131
  141  141
        
Sociaal en Financieel60,5Sociaal en Financieel60,5
  65,5  75,5
  102  102
  114  114
  123  123
  134  134
  141  141
 totaal DCO's62,6 totaal DCO's65
Bureua Protocol 91Bureau Protocol 91
  111  111
 totaal 2 totaal 2
        
Directie Informatiseringsbeleid  Directie Informatiseringsbeleid71,89
      161
     totaal 2,89
        
Staf Dienst Informatisering71Staf Dienst Informatisering71
  101  101
  141  141
Documentatie en Research  Documentatie en Research  
  814,5  814,5
  911  911
  105  105
  111  111
  86  86
        
Centraal Informatiepunt92Centraal Informatiepunt92
  121  121
        
Bedrijfsbeheer en Archief49,33Bedrijfsbeheer en Archief49
  52  52
  61  61
  62,56  62,56
  81  81
  91  91
  101  101
        
Informatieontwikkeling en -beheer82Informatieontwikkeling en -beheer83
  90,61  90,61
  111  111
 totaal DIV 65 totaal 65,67
        
dienst communicatie30,92dienst communicatie30,92
  33,69  33,69
  41,03  40,18
  52,36  52,36
  71  71
  71  70,94
  80,53  80,53
  80,84  80,84
  90,89  90,89
  90,5  90,5
  91  91
  101  101,88
  101  101
  111  111
 totaal 16,76 totaal 16,73
        
Stenografische Dienst43DVR 53,5
  40,53     
  61  62
  61     
  62,69    
  71  72
  90,22    
  1046 1042,5 
  114 114  
  121    
  131 131 
 totaal 61,44 totaal 55
        
Dienst Automatisering62,5Dienst Automatisering62,5
  61,67  61,67
  711  711
  70,5  70,5
  72  72
  81  81
  81  81
  91  91
  91  91
  98  98
  91  91
  90,5  90,5
  91  91
  103  103
  100,5  100,5
  101  101
  101  101
  113  113
  111  111
  121  121
  131  131
 totaal 43,67 totaal DA 43,67
        
Directie Bedrijfsvoering111Directie Bedrijfsvoering111
  120  120
  140  140
  171  171
 totaal Staf DBW2 totaal 2
        
Bureau Ondersteuning Bedrijfsvoering61Bureau Ondersteuning Bedrijfsvoering61
  71  71
  121  121
 totaal 3 totaal33
        
Beveiligingsdienst423,5Beveiligingsdienst428,12
  42  42
  55  55
  61,5  61,5
  610  69
  70,5  70,5
  71  71
  81  81
  91  91
  111  111
 totaal 46,5 totaal 50,12
        
Bodedienst en Postzaken38Bodedienst en Postzaken38
  422,11  422,11
  41  51
  61  61
  63  63
  61  61
  91  91
 totaal 37,11 totaal 37,11
        
FD/Schoonmaakonderhoud 215,83FD/Schoonmaakonderhoud 218,17
  36,67  36,67
  51  52,66
  51  51
  71  71
FD/Techniek 41FD/Techniek 42
  51  51
  66  66
  63  63
  81    
  91  91
  111  111
 subtotaal  subtotaal   
        
FD/Leiding62FD/Leiding62
  90,5  90,5
  101  101
  131  131
Fd/Bedrijfsbureau45Fd/Bedrijfsbureau45
  61  61
      60,5
  81  81
  81  81
  101  101
FD/Inkoop 71FD/Inkoop 72
  92  92
  101  101
FD/Reprografie 45FD/Reprografie 45
  51  51
  61  61
  71  71
FD/Huisvesting en Magazijn48FD/Huisvesting en Magazijn47
  43  43
  60,5     
  71  71
  71  71
  91  91
 Totaal FD 79,5 totaal FD 83,5
        
Stafdienst Personeel en Organisatie62,5Stafdienst Personeel en Organisatie62,5
  70,88    
  84,8  84,78
  90,78  91
      100,9
  113,6  113,6
  123,5  123,5
  131  141
 totaal 17,06 totaal 17,28
        
Stafdienst FEZ50,47Stafdienst FEZ 50,47
  64,44  66,74
  71     
  82,84  80,84
  92  92
  101  102
  112,5  112,5
  121  121
  141  141
 totaal 16,25 totaal 16,55
        
restaurantbedrijf/leiding32restaurantbedrijf/leiding21
  51     
  51  41
  61  61
      71
      91
  101  121
Restaurantbedrijf/keuken10,92Restaurantbedrijf/keuken  
  22  22
  27,47  210
  41    
  47,5  45
      54
  72  73
  81  91
Restaurantbedrijf/Bediening315,03Restaurantbedrijf/Bediening  
  46,84  49
      510
  64,5  61
      73
  81    
  91  91
 totaal restaurantbedrijf56,26 totaal restaurantbedrijf55
        
        
   552,73 incl. DVR 554,21
   491,29 excl DVR 499,21

XNoot
1

In mei 2005 is een projectleider EU-ondersteuning aangesteld, die medio 2006 een advies zal opstellen met voorstellen ter verbetering van de EU-ondersteuning van de Tweede Kamer.

XNoot
1

XML is een structureringsmethodiek voor het opslaan van documenten en inhoud van documenten. De structurering leidt tot uniformiteit, eenmalige registratie en mogelijkheid van hergebruik van data in verschillende vormen van output. XML is een wereldwijd gebruikte open standaard.

XNoot
1

Het verschil tussen dit aantal en de som van de uitsplitsing vindt verklaring in de gezamenlijke indiening door fracties van één serie vragen.