Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201630080 nr. 82

30 080 Planologische kernbeslissing Ruimte voor de rivier

Nr. 82 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 3 juni 2016

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Milieu over de brief van 1 april 2016 inzake Aanbieding van de zevenentwintigste voortgangsrapportage over het programma Ruimte voor de Rivier (Kamerstuk 30 080, nr. 80).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 2 juni 2016. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van Dekken

De adjunct-griffier van de commissie, Stijnen

Vraag 1

Met welke maatgevende afvoer wordt er gewerkt bij Ruimte voor de Rivier?

Antwoord 1

Bij Ruimte voor de Rivier wordt gewerkt met de maatgevende Rijnafvoer van 16.000 m3/s bij Lobith en 3.800 m3/s voor de Maas bij Borgharen. Bij het ontwerp van de maatregelen wordt met een doorkijk naar 18.000 m3/s gewerkt i.v.m. de verwachte toename van de maatgevende rivierafvoer deze eeuw. Zie hiervoor ook de PKB.

Vraag 2

Waarom wordt er bij de maatregelen rond Varik-Heesselt en de Bypass Zwolle uitgegaan van een maatgevende piekafvoer van 18.000 m3/s, terwijl volgens de stukken de piekafvoer in 2001 is vastgesteld op 16.000 m3/s bij Lobith?

Antwoord 2

Voor de maatregelen voor de PKB-Ruimte voor de Rivier verwijs ik naar het antwoord op vraag 1. De mogelijke maatregel Varik-Heesselt vormt geen onderdeel van de PKB-Ruimte voor de Rivier. In het kader van het deltaprogramma wordt met nieuwe maatregelen, zoals Varik-Heesselt, geanticipeerd op verdere toename van de afvoeren op de Rijn. Bij toekomstige maatregelen voor de waterveiligheid aan dijken en rivier houden we rekening met rivierafvoeren van maximaal 18.000 m3/s bij Lobith. Deze afvoer is mede gebaseerd op berekeningen met de methode GRADE, waarover ik u in mijn brief van 25 november 2015 heb geïnformeerd. Bij de overstap naar nieuwe waterveiligheidsnormen wordt overigens niet meer naar één maatgevende afvoer gekeken maar naar afvoeren bij verschillende kansen. Daarbij zijn de piekafvoeren op de Rijntakken begrensd door de situatie in Duitsland.

Vraag 3

In hoeverre kwamen er uit het veldonderzoek van het Q-team opvallende overeenkomsten en/of verschillen tussen de verschillende locaties naar voren op het gebied van ruimtelijke kwaliteit?

Antwoord 3

Over de volle breedte van de tot nu uitgevoerde opleverbezoeken constateert het Q-team dat het werk bij alle projecten goed of met voldoende kwaliteit is uitgevoerd. Ieder project kenmerkt zich door maatwerkinvulling passend bij het desbetreffend gebied en type maatregel.

Vraag 4

Welke partijen werken allemaal samen inzake het toezichthouderschap op initiatiefnemers en realisatoren van het programma Ruimte voor de Rivier? Van waaruit wordt dit aangestuurd?

Antwoord 4

Rijkswaterstaat, programmabureau Ruimte voor de Rivier, voert samen met de control afdelingen van de samenwerkingspartners het toezichthouderschap uit. Aansturing vindt, conform de Regeling Grote Projecten, plaats via de Ruimte voor de Rivier Stuurgroep onder leiding van de directeur-generaal Rijkswaterstaat.

Vraag 5

Kan er inzicht worden gegeven in de wijze waarop de samenwerking tussen het NURG-programma (programma voor de Nadere Uitwerking Rivierengebied) en Ruimte voor de Rivier in de tweede helft van 2015 verliep?

Antwoord 5

De NURG projecten, zoals opgenomen in de VGR 27 van Ruimte voor de Rivier, leveren een bijdrage aan totale waterstandsdaling die voorzien is in de PKB. De afstemming tussen het NURG programma en het programma Ruimte voor de Rivier (bestaande uit de realisatie van de projecten met een bijdrage aan het programma Ruimte voor de Rivier) verloopt constructief.

Vraag 6

Waarom zijn maar drie van de zeven NURG-projecten gereed, terwijl voor alle zeven aanvankelijk werd gesteld dat zij vóór eind 2015 afgerond zouden zijn? Zit er een correlatie tussen de factoren die hieraan hebben bijgedragen? Zo ja, welke?

Antwoord 6

Er is geen correlatie tussen de factoren die hebben bijgedragen aan uitloop van de projecten.

Bij de uiterwaardvergraving Welsumerwaarden en Fortmonderwaarden is vertraging opgelopen omdat voor het verkrijgen van gronden via onteigening een langere procedure vereist was dan voorzien.

Bij het project de uiterwaardvergraving Rijnwaardense uiterwaarden is de vertraging te wijten aan de stagnatie in de vergunningverlening. Het onderdeel Oevergeul Bovenrijn zal niet worden uitgevoerd (zoals in VGR25 vermeld: o.a. complexiteit van het behalen van de KRW-doelstelling op deze locatie). De 4 centimeter waterstandsverlaging als bijdrage aan de PKB wordt in plaats daarvan gehaald middels het verlagen van kribben op het Pannerdensch Kanaal. Beoogd opleverjaar van deze kribverlaging is 2019.

Bij de uiterwaardvergraving Afferdensche- en Deetsche waarden is de vertraging te wijten aan niet voorziene kwelproblematiek.

Bij de uiterwaardvergraving Millingerwaard is de oorzaak van de vertraging te wijten aan de uitloop in de verplaatsing van het overslagbedrijf in Millingerwaard.

Vraag 7

Is het mogelijk dat Inhaalslag Stroomlijn meer wordt dan een eenmalige ingreep en juist iets wat om een x-aantal jaren wordt ingezet voor controle?

Antwoord 7

Rijkswaterstaat is conform de Waterwet verantwoordelijk voor het onderhoud van de rivier ten behoeve van hoogwaterbescherming. Na de eenmalige inhaalslag Stroomlijn (aanlegproject conform MIRT-systematiek) wordt het hiervoor benodigde vegetatieonderhoud in de uiterwaarden door Rijkswaterstaat conform de vigerende richtlijnen geborgd, ook op de terreinen die niet in eigendom van de Staat zijn. Na het uitvoeren van de inhaalslag wordt het benodigde vegetatiebeheer geborgd via regulier beheer- en onderhoud. Hierdoor is het niet nodig om een inhaalslag Stroomlijn qua uitvoering of ter controle ieder jaar uit te voeren.

Vraag 8

In hoeverre is ook het bedrijfsleven betrokken bij de landelijke waterbewustzijnscampagne die tot eind 2016 doorloopt?

Antwoord 8

De waterbewustzijnscampagne Ons Water is het antwoord op het OESO rapport in 2014, waarin werd geconstateerd dat Nederlanders weinig bewust zijn van de gevaren van het leven in een delta. Ons Water is de gezamenlijke publiekscommunicatie van de partners van het Bestuursakkoord Water: IenM, RWS, UvW, IPO, VNG en VEWIN en de achterbanorganisaties. Er is vanuit organisaties en bedrijven buiten de kring van deze partners steeds meer belangstelling en support voor de campagne: watermusea, natuur- en milieucentra, Missing Chapter Foundation, Deltares en watersectorbedrijven doen mee aan initiatieven van Ons Water. Ook bedrijven kunnen tijdens deze campagne initiatieven laten zien wat zij doen om Nederland te beschermen tegen hoogwater of hoe zij bijdragen aan schoon en voldoende water. De campagne loopt in 2017 door.

Vraag 9

Is het mogelijk van Ruimte voor de Rivier een internationaal exportproduct te maken voor landen die hier ook bij gebaat zijn? Zo ja, op welke wijze kan dat worden ingevuld?

Antwoord 9

Al sinds 2006 is er een goede samenwerking tussen het Nederlands Waterplatform (NWP) en Ruimte voor de Rivier. Daar waar kansen gezien worden heeft Ruimte voor de Rivier de weg voorbereid voor het Nederlandse bedrijfsleven. Daarnaast gebruikt onze internationale watergezant Ruimte voor de Rivier als voorbeeld. Dit heeft ervoor gezorgd dat verschillende Ruimte voor de Rivier maatregelen met grote regelmaat bezocht worden door buitenlandse delegaties. Daarnaast heeft de buitenlandse pers veel aandacht voor het programma hetgeen leidt tot wereldwijde berichtgeving over Ruimte voor de Rivier.

Vraag 10

Kan worden toegelicht waarom in 2015 een piek heeft plaatsgevonden in de maatregelen voor Ruimte voor de Rivier? Welke financiële factoren hangen hiermee samen?

Antwoord 10

Vorig jaar is, conform planning, bij veel Ruimte voor de Rivier projecten de Mijlpaal Waterveiligheid bereikt. Ook de uitgaven van het programma hangen samen met deze piek: 2014 en 2015 waren de jaren waarin de uitgaven van het programma het hoogst waren.

Vraag 11

Welke reacties zijn tot dusver ontvangen van eigenaren op de toename van buitendijkse gronden? Kan een schatting worden gegeven van het aantal eigenaren van wie men verwacht dat zij zich zullen beroepen op de Regeling inundatieschade ter compensatie?

Antwoord 11

De regeling inundatieschade bestaat uit twee componenten: het vergoed krijgen van overstromingsschade en de mogelijkheid om eigendommen te koop aan te bieden aan de Staat. In totaal gaat het om ca. 120 eigenaren en enkele huurders die een beroep op de regeling kunnen doen. Tot op heden zijn de rechthebbenden naar mijn informatie tevreden. De kans dat rechthebbenden zich beroepen op vergoeding van schade ten gevolge van inundatie is gelijk te stellen met de kans dat het gebied inundeert (overstromingskans). De verwachting is dat slechts beperkt eigendommen aan de Staat te koop worden geboden, aangezien het eigenaren betreft die bewust de keuze hebben gemaakt in het (buitendijkse) gebied te (blijven) wonen of wellicht gronden verkopen aan collega-blijvers in het gebied die geïnteresseerd zijn hun eigendommen uit te breiden.

Vraag 12

Kan worden toegelicht of inzake de uiterwaardvergraving in Millingerwaard wel voldoende overleg is gepleegd met het overslagbedrijf waardoor een onverwachte verplaatsing, en de vertraging die dit tot gevolg heeft, voorkomen had kunnen worden?

Antwoord 12

De in VGR-27 gemelde vertraging wordt veroorzaakt door het aantreffen van een grotere hoeveelheid asbest op de nieuwe locatie van het overslagbedrijf dan vooraf door de Provincie Gelderland en experts was voorzien. Deze vertraging is niet gerelateerd aan overleg met het overslagbedrijf.

Vraag 13

Kan worden toegelicht waarom er pas in 2017 een ontwerpbegroting komt voor inundatieschade, terwijl deze nu leidt tot een toename (€ +0,3 miljoen) van het budget?

Antwoord 13

Het beroep dat in 2015 op de regeling is gedaan betreft een garantieaankoop tegen binnendijkse waarde bij de Ontpoldering Noordwaard en is bij Najaarsnota gedekt uit de programmaruimte van het Deltafonds (artikel 5.03 Investeringsruimte). Ik ben voornemens om bij de komende ontwerpbegroting een langjarige risicoreservering van in totaal 7,5 miljoen euro op te nemen binnen de programmaruimte van het Deltafonds. Het maken van deze reservering is in lijn met de voortgang van het programma.

Vraag14

Hoeveel geld is er beschikbaar voor de Regeling inundatieschade 2006?

Antwoord 14

Binnen de programmaruimte van het Deltafonds wordt een langjarige risicoreservering opgenomen van in totaal 7,5 miljoen euro. Hiervan is 5 miljoen euro voor het vergoeden van optredende overstromingsschade en 2,5 miljoen euro voor de garantie van aankoop tegen binnendijkse waarde.

Vraag 15

Hoe wordt de Regeling inundatieschade gevoed? Klopt het dat daar tot 2017 nog geen regeling voor is getroffen?

Antwoord 15

Zie het antwoord op vraag 13.

Vraag16

Hoe komt het dat de milieusituatie van de herplaatsingslocatie bij Millingerwaard tegenvalt? Hoe is deze locatie in eerste instantie onderzocht op milieuvervuiling?

Antwoord 16

Bij het grondonderzoek van de herplaatsingslocatie heeft de provincie Gelderland alle protocollen gevolgd die hiervoor gelden. Hierbij is een onverwacht grote asbest verontreiniging geconstateerd.

Vraag 17

Wie betaalt de sanering van het terrein in Millingerwaard waar het overslagbedrijf is gevestigd?

Antwoord 17

Het programmabureau Ruimte voor de Rivier heeft een overeenkomst gesloten met het Ministerie van Economische Zaken waarin een eenmalige lumpsum bijdrage is opgenomen als bijdrage vanuit het programma. Het totale project uiterwaardvergraving Millingerwaard is een cofinanciering tussen het Ministerie van Economische Zaken, de Provincie Gelderland en het programma Ruimte voor de Rivier.

Vraag18

Wat zijn de financiële consequenties bij de uiterwaardvergraving Brakelse Benedenwaarden en dijkverlegging Munnikenland?

Antwoord 18

De financiële consequenties zijn nog in bespreking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer en het betreft daarmee marktgevoelige informatie.

Vraag 19

Waarom konden de aanvullende bodemonderzoeken niet voorafgaand aan de aanbesteding worden gedaan? Is deze handelwijze gangbaar?

Antwoord 19

Gangbaar is dat de aanbesteder verkennende bodemonderzoeken uitvoert in het projectgebied ter onderbouwing van de grondbalans en kostenraming van het project. Deze bodeminformatie wordt tijdens de aanbesteding aan inschrijvers verstrekt. In het project uiterwaardvergraving Brakelse Benedenwaarden en dijkverlegging Munnikenland konden niet alle verkennende bodemonderzoeken voorafgaand aan de aanbesteding uitgevoerd worden, omdat enkele percelen nog niet waren aangekocht en de grondeigenaren geen toestemming gaven om op hun grond bodemonderzoek uit te voeren.

Vraag 20

Waarom is er nog geen verantwoordelijkheidsverdeling voor beheer en onderhoud bij de uiterwaardvergraving Avelingen – gemeente Gorinchem?

Antwoord 20

Rijkswaterstaat (als rivierbeheerder verantwoordelijk voor de waterveiligheid) en gemeente Gorinchem (beoogd beheerder van de gerealiseerde kade) delen het beeld samen verantwoordelijk te zijn voor beheer en onderhoud van de geul, die in de uiterwaard Avelingen is gerealiseerd in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier. De periode sinds het realiseren van de geul benutten Rijkswaterstaat en gemeente Gorinchem om samen kennis te vergaren over het natuurlijk gedrag van de nevengeul; op welke plekken en met welke snelheid erosie/sedimentatie plaats vindt. Op grond van deze nieuwe kennis zullen concrete afspraken worden gemaakt tussen Rijkswaterstaat en gemeente Gorinchem over de verdeling van de beheer en onderhoud-verantwoordelijkheden.

Vraag 21

Waarom is er discussie ontstaan over de interpretatie van de tijdens de aanbesteding aangeleverde areaalgegevens? Gebeurt het vaker dat er discussie ontstaat over aangeleverde areaalgegevens?

Antwoord 21

Het is een gegeven dat de bodem in het rivierengebied is opgebouwd uit laagsgewijze afzettingen, die in dikte en samenstelling kunnen variëren. De bodemsamenstelling en kwaliteit wordt in de pré-contractuele fase via een verkennend onderzoek in kaart gebracht d.m.v. boringen en sonderingen. Dit zijn puntwaarnemingen met een bepaalde meetdichtheid. Alles onderzoeken is niet efficiënt (kosten en duur van onderzoek wegen niet op tegen voordelen tijdens de uitvoering). Indien de aannemer na gunning in het kader van aanvullend onderzoek de bodemsamenstelling en kwaliteit tussen deze puntwaarnemingen gaat meten, kunnen er afwijkingen worden geconstateerd. Dit wordt zoveel als mogelijk in de contracten vastgelegd, maar kan aanleiding geven tot discussie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.

Vraag 22

Welke maatregelen worden getroffen om te bespoedigen dat voortgang wordt geboekt in de discussies tussen opdrachtgever en opdrachtnemer, die een risico vormen voor de uitvoering van het programma?

Antwoord 22

Door intensief risicomanagement en wijzigingenbeheer worden discussies tussen opdrachtgever en opdrachtnemer zo vroeg mogelijk gevoerd en worden, waar mogelijk, beheersmaatregelen genomen om de voortgang van het programma te borgen.

Vraag 23

Hoe kan het dat een opdrachtnemer tijdens de realisatie op een andere situatie stuit dan op basis van de areaalinformatie verwacht kon worden? Hoe vaak vindt dit soort zaken plaats?

Antwoord 23

Zie het antwoord op vraag 21.

Vraag 24

Is in te schatten wat de gevolgen zijn van de afwijking van de areaalinformatie? Voor wie zijn de meerkosten daarvan?

Antwoord 24

Bij een afwijking van de areaalinformatie wordt bepaald of hetzij de opdrachtgever of zo de opdrachtnemer had kunnen voorzien wat de staat van het areaal is (i.c. in hoeverre er juiste en volledige informatie is verstrekt). Afhankelijk van de situatie waar de discussie over areaalinformatie gevoerd wordt en de daaruit volgende verantwoordelijkheidsverdeling wordt bepaald wie de meerkosten zal dragen.

Vraag 25

Over welke twee projecten zijn discussies ontstaan over exogene tijdsrisico's? Waarom zijn deze niet met name genoemd in de voortgangsrapportage?

Antwoord 25

Het gaat hierbij om Hagestein Opheusden en Veessen Wapenveld. In VGR27 zijn de betreffende projecten niet bij naam genoemd, maar is alleen gemeld dat er op programmaniveau een risicoreservering is opgenomen. De beide projecten zijn niet genoemd omdat het nog lopende discussies betrof met opdrachtnemers over de exogene tijdrisico's.

Vraag 26

Klopt het dat deze exogene tijdsrisico's € 3,6 miljoen aan meerkosten met zich meebrengen?

Antwoord 26

De omvang van de claims met betrekking tot exogene tijdrisico’s is nog aan discussie onderhevig. Omdat de verwachting is dat een deel van het bedrag ten laste van het programma komt en het risico daarnaast ook bij andere projecten nog kan spelen, is de risico-reservering van het programma in de verslagperiode met € 3,6 miljoen verhoogd.

Vraag 27

Wat betekent uw opmerking dat de resterende risicoreservering naar verwachting volledig zal worden benut met financieel toprisico 1? Houdt dit in dat geen financiële ruimte beschikbaar is voor andere financiële risico’s waarvan al sprake is? Hoe zullen deze risico’s worden opgevangen?

Antwoord 27

De opmerking dat de resterende risicoreservering naar verwachting volledig benut zal worden, heeft betrekking op de reservering voor dat specifieke (top)risico. De verwachting is dat de reservering van € 17,5 miljoen voor dit risico reëel is en benut gaat worden om de reeds opgetreden wijzigingen en mogelijk nog op te treden risico’s te dekken. Dit betekent niet dat er geen financiële ruimte meer beschikbaar is voor andere financiële risico’s. Daarvoor zijn ook risicoreserveringen getroffen, en aanvullend daarop is binnen het programma altijd nog een (beperkte) risico reservering voor onbenoemde risico’s.

Vraag 28

Kunt u toelichten waarom meer dan € 122 miljoen van de programmauitgaven verschuift van 2015–2017 naar 2018–2020? In hoeverre duidt dit op vertragingen en overschrijding van de doelstellingstermijn?

Antwoord 28

De kasschuif heeft o.a. te maken met de vertraging van het project IJsseldelta door het beroep tegen het besluit Reevediep. Tevens heeft de gunning van een deel van het project Volkerak-Zoommeer vertraging opgelopen. Verder is de risicovoorziening herijkt en is op basis van huidige inzichten het kasritme hierop aangepast. Deze schuif heeft geen gevolgen voor het behalen van de doelstellingtermijn van deze projecten.

Vraag 29

Waarom zijn de nationale aanbestedingsregels niet altijd nageleefd? Wie bewaakt dit?

Antwoord 29

Voor het betrekken van externe capaciteit op niet-kerntaken geldt dat deze zoveel mogelijk op basis van op productafspraken gebaseerde contracten zal worden gedaan, tenzij dat om inhoudelijke of aansturingsredenen niet doelmatig is. In het kader daarvan, evenals vanuit de noodzaak om de personele- en inhuurtaakstellingen in te vullen én vanuit het belang van tijdige realisatie van de hoogwaterveiligheid is een deel van de lopende inhuurcontracten in de (vorige) verslagperiode omgezet naar een uitbestedingscontract. Daarbij is echter niet de vereiste nieuwe meervoudige marktbenadering toegepast. Hierop is direct actie ondernomen waarbij een deel van de betreffende contracten gecorrigeerd is. Tevens zijn maatregelen genomen om een dergelijke situatie in de toekomst zoveel als mogelijk te voorkomen. De interne controleafdeling en uiteindelijk de Auditdienst Rijk bewaken dat dit daadwerkelijk gebeurt.

In overleg met de Auditdienst Rijk (ADR) is vanuit efficiencyoverwegingen besloten om voor de accountantscontrole over de programma’s met een groot project status over te gaan van een gebroken boekjaar (peildatum juli–juli) naar harmonisatie van de jaarcontrole (peildatum januari–december). Dat heeft er toe geleidt dat bij de VGR27 opnieuw een accountantscontrole is uitgevoerd. De gemaakte fouten (als geconstateerd bij VGR26) zijn inmiddels aangepakt, maar door de harmonisatie worden de eerdere gemaakt fouten opnieuw meegeteld bij de huidige controle. Het administratieve gevolg is dat dit leidt tot een afkeurende verklaring bij de VGR27. Naast de melding in de accountantsverklaring zal de ADR erop toezien dat, teneinde dergelijke bevindingen in de toekomst te voorkomen, verbetermaatregelen adequaat worden geïmplementeerd en uitgevoerd.

Deze situatie is door mij bij de aanbieding van de 26ste Voortgangsrapportage aan uw Kamer toegelicht.

Vraag 30

Klopt het dat de inhuurcontracten een-op-een zijn omgezet in uitbestedingscontracten met dezelfde contractpartijen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 30

Ja, de inhuurcontracten die zijn omgezet zijn inderdaad een-op-een gegund aan dezelfde markt- cq contractpartijen.

Vraag 31

Kunt u inzichtelijk maken wat de budgettaire consequenties zijn van het omzetten van inhuurcontracten in uitbestedingscontracten?

Antwoord 31

Er zijn geen budgettaire consequenties van het omzetten van inhuurcontracten naar uitbestedingscontracten.

Vraag 32

Klopt het dat onderhands is gegund aan andere partijen dan bepaald in het oorspronkelijke contract?

Antwoord 32

Nee, dat klopt niet. De inhuurcontracten die zijn omgezet zijn gegund aan dezelfde marktpartijen.

Vraag 33

Kunt u toelichten waarom er niet volgens de Europese regels is aanbesteed?

Antwoord 33

Zie het antwoord op vraag 29.

Vraag 34

Wat zijn de gevolgen van het feit dat de accountantsverklaring niet voldoet aan de eis van comptabele rechtmatigheid als bedoeld in bepaling 5.15 van de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2016?

Antwoord 34

De constatering is meegenomen in de verantwoording van het IenM jaarverslag en om herhaling te voorkomen is meteen actie ondernomen. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vraag 29.

Vraag 35

Waarom is het beheer rondom inhuur/uitbesteding in relatie tot de nationale aanbestedingswetgeving over geheel 2015 niet van voldoende niveau?

Antwoord 35

De ADR geeft in haar verklaring aan dat een van haar bevindingen is dat het financieel beheer rondom inhuur/uitbesteding in relatie tot de (nationale) aanbestedingswetgeving binnen het programma Ruimte voor de River niet van voldoende niveau is. De oorzaak ligt in het feit dat in 2015 het programma Ruimte voor de Rivier bij de omzetting van inhuur naar uitbestedingscontracten gebruik heeft gemaakt van een enkelvoudige onderhandse gunning in plaats van de vereiste meervoudig onderhandse gunning.

Zoals ik ook aangeef in mijn antwoord op vraag 29 komt dat voort uit de noodzakelijke invulling van de personele- en inhuurtaakstellingen én de tijdige realisatie van de hoogwaterveiligheid. Hierop is direct actie ondernomen en zijn maatregelen genomen om dit in de toekomst te voorkomen.

Vraag 36

Waarom is gekozen voor een enkelvoudige aanbesteding waar een meervoudige had moeten plaatsvinden? Bij welk project is dit gebeurd? Wie is hier verantwoordelijk voor?

Antwoord 36

De oorzaak ligt, zoals ook aangeven in antwoord 33, bij de noodzaak om de personele- en inhuurtaakstellingen in te vullen én vanuit het belang van tijdige realisatie van de hoogwaterveiligheid. Bij de omzetting van een deel van de lopende inhuurcontracten naar een uitbestedingscontract is er vanuit gegaan dat het een technische omzetting betrof waarbij geen nieuwe marktbenadering noodzakelijk was. Deze zijn niet aan een specifiek project toe te rekenen. Achteraf bleek dat op dit punt de EU-aanbestedingsrichtlijn onjuist is geïnterpreteerd en de betreffende motivatie die hiertoe opgesteld is (per omzetting) door de ADR als onvoldoende beschouwd werd.

Vraag 37

Hoe wordt voorkomen dat dit in de toekomst nogmaals gebeurt, terwijl er voor bijvoorbeeld Zandmaas/Grensmaas ook al gedacht wordt aan onderhands aanbesteden?

Antwoord 37

Bij het programma Ruimte voor de Rivier ging het om de contractomzettingen van inhuur naar uitbesteding. Na de geconstateerde fout zijn direct herstelacties uitgevoerd en is er een verbeterplan geïmplementeerd. Daarnaast worden er extra controles uitgevoerd op de naleving van de regelgeving en de implementatie van de verbeteringen én wordt er overleg gevoerd met de ADR om helderheid te krijgen over de interpretatie van een deel van de aanbestedingsregels. Dit ziet specifiek toe op de wijze waarop een omzetting gemotiveerd dient te worden. Voor de Grensmaas betreft het een voornemen van het aanbesteden van werk en niet van externe tijdelijke capaciteit. Vanzelfsprekend zal ik er op toezien dan die aanbesteding voldoet aan de daarvoor geldende regelgeving.

Vraag 38

Kunt u de aard van de € 5,7 miljoen aan onterecht aangegane uitbestedingscontracten en inkoopverplichtingen verder toelichten?

Antwoord 38

De contracten hebben vooral betrekking op inhuur van specifieke technische kennis in de vorm van toetsen en adviezen (rivierkundig, ruimtelijke kwaliteit, archeologisch), projectmanagementproducten (bijvoorbeeld een plan van aanpak of een voltooiingsrapport), communicatieproducten, en risicoanalyses.

Vraag 39

Wordt er, bij het herhaaldelijk uitgeven van aanbestedingscontracten aan één partij, onderzocht of de aanbesteding na de contractperiode onder betere voorwaarden aan een derde partij kan worden gegund?

Antwoord 39

Ja, dat wordt altijd onderzocht, vastgelegd in het inkoopplan en meegenomen in de inkoopafweging.

Vraag 40

Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat soortgelijke onrechtmatigheden zich in de toekomst nog eens voordoen?

Antwoord 40

Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 37.

Vraag 41

Kan voor alle projecten een overzicht gegeven worden van de tijdstippen waarop oplevering en overdracht, alsmede finale kwijting zijn gepland?

Antwoord 41

Ja, dit overzicht voeg ik eenmalig bij de beantwoording van deze vragen1.


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl