30 072 Internationale kinderontvoering

Nr. 32 VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 27 februari 2014

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft op 16 januari 2014 overleg gevoerd met Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie over:

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 1 augustus 2013 met informatie over internationale kinderontvoering (Kamerstuk 30 072, nr. 30);

  • de brief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 14 januari 2014 met een reactie op het initiatiefvoorstel van wet (Kamerstuk 30 491, nr. 2) tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot rechtsmacht en strafmaat ter zake van internationale kinderontvoering (Kamerstuk 30 072, nr. 31).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Jadnanansing

De griffier van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, Van Doorn

Voorzitter: Jadnanansing

Griffier: Tielens-Tripels

Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Berndsen-Jansen, Jadnanansing, Van Oosten, Rebel en De Wit,

en Staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

Aanvang 14.30 uur.

De voorzitter: Een woord van welkom aan de mensen op de publieke tribune, de Staatssecretaris, zijn ambtenaren en mijn collega's. Ik bepaal de spreektijd op vijf minuten per fractie. Iedereen mag twee maal interrumperen.

De heer Van Oosten (VVD): Voorzitter. Recentelijk hebben wij twee brieven over internationale kinderontvoering ontvangen van de Staatssecretaris, waarvoor dank. Het spreekt voor zich dat dit onderwerp de volle aandacht van de Kamer moet hebben. Ik begrijp dat er in 2012 175 gevallen van internationale kinderontvoering zijn gemeld. In totaal ging het om 286 kinderen. Dat is dunkt mij voldoende reden om hier aandacht aan te besteden. Het onttrekken van een kind aan de Nederlandse rechtsmacht en het bevoegd ouderlijk gezag door ontvoering naar het buitenland hebben wij ons altijd zeer aangetrokken. Hoewel recentelijk aanzienlijke verbeteringen zijn bewerkstelligd, mede door inspanningen van deze Staatssecretaris in een vorige functie, bijvoorbeeld bij de preventie van internationale kinderontvoering en de ontwikkeling van mediation, zie ik ruimte voor verdere aanscherping en verbetering van de maatregelen die kunnen voorkomen dat wij überhaupt in een situatie van internationale kinderontvoering terechtkomen.

Ik zou heel graag zien dat de Koninklijke Marechaussee toegang krijgt tot het Centraal Gezagsregister. In dit register worden alle door de rechtbanken gewijzigde gezagsrelaties bijgehouden. Sinds september 2012 zijn alle rechtbanken daarop aangesloten. Inmiddels heeft ook de advocatuur er toegang toe gekregen. De KMar controleert alleenreizende volwassenen met kinderen die het land verlaten mede aan de hand van de gezagssituatie van de ouder die met de kinderen vertrekt. Relevant daarbij is of er eenhoofdig of gedeeld gezag wordt genoten. Die controle wordt onder meer uitgevoerd op basis van de GBA (Gemeentelijke Basisadministratie voor persoonsgegevens). Op grond van de desbetreffende wet worden gegevens over gezagssituaties uit het Centraal Gezagsregister opgenomen in de GBA, maar de praktijk leert – dat heb ik ook begrepen van het Centrum Internationale Kinderontvoering – dat deze gegevens niet altijd van recente aard zijn. Tussen een gewijzigde gezagssituatie en het bijwerken van de gezagsgegevens in de GBA zit soms vier à vijf maanden en juist in deze periode is het risico op ontvoering van het kind naar een ander land groot. Om dit te voorkomen en de grensbewaking werkelijk een effectieve controle te kunnen laten uitvoeren, dient zij toegang te hebben tot het gezagsregister. Is de Staatssecretaris bereid om toe te zeggen dat hij dit gaat organiseren? Wil hij dit op korte termijn realiseren, al dan niet in samenspraak met zijn collega's? Wellicht dat die koppeling tot een verlichting van de papierwinkel voor de alleenreizende ouder met kinderen kan leiden. Immers, mogelijk vervalt de noodzaak tot het meenemen van recente uittreksels uit het register. Ik wacht de reactie van de Staatssecretaris af. In dit kader kan het ook meerwaarde hebben om de gezagsverhoudingen die van rechtswege ontstaan toe te voegen aan het bestand.

Ik vraag een inzet om voorbereidende handelingen die kunnen leiden tot internationale kinderontvoering beter te voorkomen. Ik begrijp dat een van de ouders een kind uit de GBA kan laten uitschrijven. Toestemming van de andere ouder is niet vereist. Voor de preventie zou het meerwaarde kunnen hebben om uitschrijving naar het buitenland slechts toe te staan met medewerking van beide ouders. Ik roep de Staatssecretaris op om dit te organiseren en om aan te geven welke meerwaarde dit kan hebben in het tegengaan van internationale kinderontvoering.

De terugkeer van kinderen die ten onrechte zijn weggehaald of worden vastgehouden, wordt geregeld langs de bepalingen van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Een Nederlandse ouder kan een teruggeleidingsverzoek indienen bij een land dat partij is bij dat verdrag, mits Nederland het verdrag met dat land heeft geratificeerd. Dit zou met negen tot het verdrag toegetreden landen nog niet het geval zijn. Dat maakt dat zo'n verzoek niet kan worden ingediend bij deze landen. Wil de Staatssecretaris met spoed actie ondernemen, zodat ook deze landen worden meegenomen?

Ik kan het mij voorstellen dat het meerwaarde kan hebben als er een contactofficier van justitie voor internationale kinderontvoering komt. Het is ook mogelijk om dit onderwerp een onderdeel te laten worden van de permanente educatie van een aantal officieren van justitie in het land. De kennis moet up-to-date zijn. Als een kind aan het ouderlijk gezag is onttrokken maar de ouders later een minnelijke regeling hebben bereikt, waardoor er niet langer een probleem hoeft te zijn, hoeft geen strafprocedure te volgen. In de huidige situatie kan aangifte van kinderontvoering door de achterblijvende ouder alleen door die ouder zelf worden ingetrokken, terwijl misschien al een minnelijke regeling is bereikt. Het schijnt voor te komen dat er door het OM dan soms niet meegewerkt wordt aan het intrekken van vervolging. Ik kan mij voorstellen dat dat niet altijd even handig is en dat het meerwaarde kan hebben om de kennis op dit punt te vergroten, bijvoorbeeld door zo'n contactofficier.

Ik moedig de Staatssecretaris aan, een zo kort mogelijke rechtsgang te bepleiten bij zijn collega's in de andere landen waar deze problematiek speelt. In Nederland zijn er flinke stappen in gezet, maar andere verdragsstaten lopen achter. Laat Nederland die verdragsstaten stimuleren om de rechtsgang te verkorten.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Internationale kinderontvoering levert heel schrijnende situaties op. In het verleden zijn er veel debatten gevoerd over het onderwerp. Mijn collega Van Oosten wees daar ook al op. Ik kan mij de jaren 2008 en 2009 nog levendig herinneren. Er was toen sprake van een vruchtbare samenwerking tussen het toenmalig Kamerlid Teeven en ondergetekende. Wij hebben indertijd een aantal moties ingediend die uiteindelijk hebben geleid tot een aantal maatregelen en verbeteringen op het punt van de internationale kinderontvoering. Uiteindelijk zijn die verbeteringen in de wet van 2011 vastgelegd. Toch zijn er nog problemen die ik de Staatssecretaris graag wil voorleggen.

Ik begin met een oud probleem. De achterblijvende ouder wordt geconfronteerd met de noodzaak om te procederen in het buitenland. Los van het feit dat dat vaak strafrechtelijke consequenties heeft, is het vooral een financieel probleem voor heel veel achterblijvende ouders. In het verleden heeft de SP-fractie voorgesteld om een soort structureel fonds in te stellen waarop in voorkomende gevallen een beroep kan worden gedaan. Later hebben wij gevraagd of de Staatssecretaris in uitzonderlijke gevallen bereid is om als overheid bij te springen. Hij heeft indertijd toegezegd dat in uitzonderlijke situaties mensen mogelijk financieel ondersteund zouden kunnen worden. Dat is dus heel voorzichtig geformuleerd. Heeft dit inhoud gekregen? Wordt op de Staatssecretaris, op die toezegging een beroep gedaan?

Een tweede probleem betreft de kinderbijslag. Onze fractie heeft uitvoerige brieven ontvangen van een achterblijvende vader die in Brazilië procedeert en die daar wordt geconfronteerd met hoge kosten ten behoeve van zijn kind. Hij betaalt een onderhoudsbijdrage, hij betaalt de zorgpremie, hij betaalt zijn eigen reiskosten. Tot voor kort kon hij aanspraak maken op kinderbijslag, maar de kinderbijslag is kort geleden stopgezet. Mogelijk is er een verband met de Wet beperking export uitkeringen. Weet de Staatssecretaris hoe het zit? Wordt de kinderbijslag in zo'n situatie stopgezet of geldt dit alleen voor Brazilië? Is dat wel verstandig? De stopzetting is in het nadeel van het kind én de vader. Ik vraag de Staatssecretaris om hierover overleg te plegen met zijn collega van Sociale Zaken.

Dan de internationale afspraken. Als de rechter een uitspraak heeft gedaan, wordt daar veelal geen gehoor of gevolg aan gegeven. De achterblijvende ouder is dan machteloos. Erkent de Staatssecretaris dat? Ziet hij mogelijkheden om andere landen te dwingen om rechterlijke uitspraken na te komen?

De brief van september vorig jaar gaat over het amendement van VVD-collega Van der Linde in het kader van de Paspoortwet. De Staatssecretaris loopt een aantal mogelijkheden na en komt uit op het voorstel van een modelformulier. Dit raakt aan het punt dat de heer Van Oosten noemde: hoe kun je proberen te voorkomen dat ouders er met kinderen vandoor gaan? Hoe werkt zo'n modelformulier? Wordt het dwingend voorgeschreven? Wordt het een verplicht formulier? Hoe ziet de Staatssecretaris zijn eigen oplossing?

De voorzitter: Er is een probleem. Mensen die thuis willen meekijken, kunnen dat niet doordat het systeem niet werkt. Wij schorsen het debat even om het systeem opnieuw op te starten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter: Wij gaan verder met het algemeen overleg.

Mevrouw Rebel (PvdA): Voorzitter. Bij de bespreking van dit onderwerp is het belangrijk om het kind en de belangen van het kind voor ogen te houden. Ouders moeten zich realiseren wat de gevolgen van hun actie voor hun kind zijn. Wat ons betreft moeten zij ook beter geïnformeerd worden over de risico's die gepaard gaan met het onttrekken van een kind aan het ouderlijk gezag. In de brief van 1 augustus zet de Staatssecretaris de procedures uiteen. Ik heb daar een aantal vragen bij.

Op het moment dat ouders in conflict raken en er sprake is van een dreigende kinderontvoering, is het kind al slachtoffer geworden. De huidige weg is duidelijk. Ik maak de Staatssecretaris een compliment voor de snelle wijze waarop dit geregeld is. Voordat er concrete signalen zijn, moet ouders al op de risico's worden gewezen. Mijn collega Recourt heeft onlangs gezegd dat er bij een huwelijk niet meer moet worden uitgegaan van gemeenschap van goederen, maar van huwelijkse voorwaarden. Ik kan mij voorstellen dat wij ook in dit kader nadenken over een tijdige voorlichting van ouders, met name mensen die met een buitenlandse partner trouwen. Het is misschien het laatste waar je aan wilt denken als je verliefd bent en grootse plannen hebt, maar toch. Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen een brochure die meegegeven kan worden, bijvoorbeeld bij de aangifte van een kind? Dan is het in ieder geval één keer benoemd.

Ik noem ook de rol van de Nederlandse ambassades. Ik ben eens op de sites van de ambassades van niet-verdragslanden gaan zoeken naar informatie. De zoekterm «internationale kinderontvoering» zal natuurlijk niet direct wat opleveren, maar ik heb eigenlijk überhaupt geen informatie gevonden over de bestaande mogelijkheden of links naar het Centrum Internationale Kinderontvoering. Er zijn Nederlandse partners die teruggaan met kinderen en daardoor in de problemen komen. Ik kan mij voorstellen dat het moment waarop je overweegt weg te gaan, het moment is waarop je contact met de ambassade opneemt. Wordt het ambassadepersoneel in dezen gebriefd? Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om met zijn collega Timmermans te kijken naar de informatie op websites?

In het kader van de voorlichting heb ik ook een vraag over de Baliekaart internationale kinderontvoering. Ik begrijp dat ermee gewerkt wordt. Zijn er al ervaringen mee opgedaan? Voor het personeel zou de kaart wat lastig in het systeem te vinden zijn. Ik kan mij indenken dat het belangrijk is om dit al in een vroegtijdig opleidingsstadium te benoemen. Het belang van een goede instructie is groot. Politiemensen moeten hier onderwijs in krijgen.

Mijn collega Van Oosten heeft al gewezen op het Centraal Gezagsregister en de GBA. Ik steun zijn opmerkingen op beide punten. De informatie in het register kan naar verluidt niet volledig helpen in dit opzicht. De Staatssecretaris zal met de organisaties in overleg treden. Ik geef hem dit punt graag mee. Welke informatie heeft de KMar nodig om een dreigende kinderontvoering te voorkomen? Het is belangrijk dat wij in de gaten houden dat goedbedoelende ouders niet de dupe worden van het voorkomen van internationale kinderontvoering, dus van ouders die met kwade intenties met hun kind reizen. Het blijft een heel lastig punt.

De eerste resultaten met crossbordermediation bij internationale kinderontvoering zijn wat mij betreft heel positief. Bij de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie blijkt dat in 40% van de zaken ouders tot volledige overeenstemming komen. In 20% van de gevallen wordt een voorlopige regeling getroffen. Naast het vrijwillige aspect, heeft mediation ook het voordeel van snelheid. Dat is een groot goed. Worteling van een kind kan daarmee worden voorkomen. In 2014 zal het WODC de werkwijze van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden evalueren. Wij wachten de conclusies daarvan af. Wordt specifiek onderzocht wat de gevolgen ervan zijn dat de Centrale autoriteit de ouders niet meer in rechte bijstaat? Zijn er voldoende advocaten voor dit werk? Wat zijn hun ervaringen?

Ten slotte dank ik de Staatssecretaris voor zijn reactie op het wetsvoorstel. De stelling dat de initiatiefwet nu geen meerwaarde meer heeft, kan ik onderschrijven. Ik zal dit meenemen voor de bespreking in mijn fractie.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Het is goed dat wij in de Kamer opnieuw aandacht hebben voor dit onderwerp. Het gaat vaak om zeer schrijnende gevallen. In 2012 waren er 237 kinderen betrokken bij 166 verzoeken aan de Centrale autoriteit. Het overgrote deel betrof internationale kinderontvoering. Het aantal afgehandelde zaken lijkt veelbelovend, maar waarom eindigt de procedure bij bijna een kwart van de uitgaande verzoeken in teruggeleidingszaken doordat de verzoeker niet meer reageert? Ik vond dat een opvallend cijfer.

Mevrouw Rebel wees al op het belang van preventie. Los van de inspanningen om internationale kinderontvoeringen tot een goed einde te brengen, moet de nadruk liggen op omgangsbegeleiding, mediation en co-ouderschapsconvenanten. Ik realiseer mij overigens dat dit in veel gevallen niet kan, maar daar waar het mogelijk is, zou het heel goed zijn.

Welke inspanningen verricht de Nederlandse regering om landen tot het Haags Kinderontvoeringsverdrag te laten toetreden? Er zijn in totaal 90 landen toegetreden en recent nog zijn Marokko en Korea toegetreden, maar er is dus nog wel een lange weg te gaan.

Ons bereiken berichten over die baliekaart, die in 2012 is ingevoerd. Voor de politie is het heel lastig omdat dit soort zaken niet dagdagelijks voorkomt. Er zal een inspanning moeten worden gepleegd om politiemensen gebruik te laten maken van de kaart. Hoe zouden wij het gebruik van de kaart kunnen bevorderen?

Collega De Wit wees al op de kinderbijslag. Door de Wet beperking export uitkeringen is het niet meer mogelijk om de achterblijvende ouder kinderbijslag te laten ontvangen. Als ze hun onderhoudsplicht niet invullen, hebben ouders er natuurlijk geen recht op, maar in het voorbeeld van de heer De Wit is wel degelijk sprake van een onderhoudsplichtsinvulling. Het is heel schrijnend dat zo iemand geen kinderbijslag krijgt. Voor de achtergebleven ouder is het vaak financieel heel lastig om het kind te bezoeken. Kinderontvoering vindt plaats over de hele wereld. Het kost soms heel veel geld om in contact te blijven met je kind of een procedure te volgen in het land waar je kind naartoe is ontvoerd. Ik ben heel benieuwd hoe het staat met een financiële tegemoetkoming voor dergelijke ouders.

De voorzitter: Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer.

De vergadering wordt van 15.00 uur tot 15.08 uur geschorst.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Dit is een onderwerp dat mensen bezighoudt en emoties oproept, niet alleen bij ouders, maar ook bij grootouders en bij mensen in de directe omgeving. Ook mensen die in organisaties opkomen voor de belangen van kinderen en ouders die te maken hebben met ontvoeringen, zijn enorm betrokken bij de thematiek en casuïstiek. Terecht, want de impact van een ontvoering is enorm, vooral voor het kind zelf.

Ik dank de leden voor de opmerkingen en de vragen. Ik wacht overigens nog op een paar antwoorden rond de kinderbijslag, maar ik hoop ze nog voor het eind van dit debat te ontvangen. Daarover is er contact met het Ministerie van SZW.

Het is inderdaad enige tijd geleden dat wij in de Kamer over dit onderwerp hebben gesproken. De heer De Wit herinnerde aan de tijd dat hij en ik zij aan zij optrokken.

Ik wil nog een tweetal zaken belichten voordat ik op de vragen van de leden inga. Bij internationale kinderontvoering gaat het eigenlijk zonder uitzondering om high-conflict zaken met grote emotionaliteit. Bijna zonder uitzondering gaat het om ouders die weliswaar misschien in eerste instantie niet maar na verloop van tijd wel frontaal tegenover elkaar staan. Dat is althans de ervaring van de medewerkers die ik spreek van de Centrale autoriteit die dit soort zaken behandelen. In sommige gevallen leidt dat tot veel aandacht en tot veel vragen vanuit de media onder meer aan de politiek, maar ook vanuit de politiek. Vaak is er sprake van een zwart-witbeslissing: een kind blijft hier of het gaat terug naar een ander land. Heel vaak zit daar een oceaan tussen.

De overheid komt niet meer op voor één ouder, omdat dit zo lastig is. Dat heeft heel positief gewerkt. Dat is een van de uitkomsten van de wetswijziging in 2011. De heer De Wit refereerde daar ook aan. De procesvertegenwoordiging in procedures wordt gedaan door advocaten. De overheid neemt wel de verantwoordelijkheid om de andere overheid zo actief mogelijk te benaderen, maar zij treedt niet meer op namens een van beide ouders.

Ouders die gescheiden zijn van hun kind, ouders van wie het kind is ontvoerd en die achterblijven, willen het liefst zo snel mogelijk een oplossing. Zij willen daarbij zo weinig mogelijk formele barrières ervaren. Zij voelen zich wanhopig. Dat merk ik vaak en de Kamerleden in de commissie merken dat natuurlijk ook als zij individueel worden benaderd. Soms gaan ouders op zoek naar andere manieren om hun kind terug te krijgen. Het zelf actie ondernemen in het buitenland is niet altijd zonder risico gebleken. Ook als ik niet kijk naar de afgelopen tweeënhalf jaar, is er een aantal individuele casussen waarin ouders een risico hebben gelopen. Juist in de landen waar de terugkeer moeizaam verloopt, spelen vaak zaken als een dreigende strafvervolging of risico's voor de persoonlijke veiligheid van kind en ouder een rol. Het is in de afgelopen drie jaar en drie maanden ook een aantal malen voorgekomen dat ik persoonlijk heb moeten interveniëren om de zaken nog enigszins in goede banen te leiden, zodat er niet daadwerkelijk een veiligheidsrisico zou optreden. Vaak lukte dat wel, maar soms lukte dat niet. Het is buitengewoon vervelend als het niet lukt en als je er niet uitkomt met de betreffende autoriteit in het land, hetzij de Centrale autoriteit, hetzij de ambassadeur van het betreffende land, hetzij de Nederlandse ambassadeur in het buitenland dan wel zelf in direct contact met de Minister of de Staatssecretaris.

Het is belangrijk om altijd te proberen om via de officiële weg het maximale te bereiken. Dat proberen mijn medewerkers van de Centrale autoriteit ook altijd te doen. Zij proberen de achtergebleven ouders altijd zo goed mogelijk bij te staan. Natuurlijk krijg ik ook brieven waarin ouders schrijven dat zij dit niet zo voelen. Soms knelt het zo goed mogelijk bijstaan van ouders met de relatie die je met de autoriteiten van het betreffende land hebt. Soms zou je een stap extra kunnen zetten, maar daar wordt het niet altijd beter van. Ik noem daarbij een interventie die ik op enig moment heb gepleegd in de richting van de regering van Mexico om een individuele zaak op te lossen. Daarbij heb ik behoorlijk zwaar geïntervenieerd, maar het resultaat was daarna dat er niet meer zo veel contact was. Dat is een heel negatief voorbeeld. Er zijn ook positieve voorbeelden bekend waarbij het heel snel ging. Soms is dat ook in de bilaterale relaties met landen waarin wij andere beleidsprioriteiten koppelen aan dit soort dossiers. Dan zeggen we: wij werken goed samen op het terrein van politie en justitie, maar in dit dossier komen wij niet verder. Dan proberen wij het via de plaatselijke politieambtenaren. Als wij bijvoorbeeld in de Balkan mensen gedetacheerd hebben, proberen wij het langs die weg. Ook proberen wij in die landen mensen in de liaison offices te krijgen.

Voordat ik aan de vragen toekom, zeg ik ten slotte even in zijn algemeenheid het volgende. Per 1 januari 2012 is de procesvertegenwoordiging uitgeplaatst naar de advocatuur. Een aantal leden hebben daarover gesproken. Het effect van die uitplaatsing en van het beleggen van de rechtsmacht van alle IKO-zaken bij de rechtbank en het hof in Den Haag zal in de loop van 2014 worden geëvalueerd. In maart wordt een begin gemaakt met die evaluatie. Dan kunnen wij kijken naar het onderzoek naar die nieuwe uitvoeringspraktijk. Ik hoop dat dit onderzoek in dit jaar door het WODC kan worden afgerond, zodat wij weten wat de voor- en nadelen zijn. Door het Centrum Internationale Kinderontvoering is al diverse keren gevraagd om deze evaluatie, omdat we dan ook kunnen bekijken hoe de nieuwe werkwijze loopt.

Ik begin bij de Koninklijke Marechaussee en de grenscontroles. Eigenlijk hechten alle leden daar belang aan. De heer Van Oosten heeft de discussie daarover als eerste aangeroerd, maar ook mevrouw Rebel en anderen spraken daarover. De Koninklijke Marechaussee heeft bij grenscontroles te maken met het feit dat er geen inzage is in het gezagsregister. De luchthaven Schiphol is toch nog belangrijk, want het is echt niet zo dat mensen er altijd aan denken om vanuit Zaventem of Düsseldorf te reizen, als zij naar een ander land gaan. Heel veel gebeurt gewoon via Schiphol. Ik sta zeer welwillend tegenover toegang tot het gezagsregister. Er is al contact gezocht met de Raad voor de rechtspraak. Ik hoop de Kamer zeer binnenkort te kunnen berichten over de manier waarop wij dit mogelijk kunnen maken. Met de marechaussee is komende week overleg. Daarbij hangt het met name op de digitale toegang. Dan zal ik bekijken hoe wij alles aangaande dit onderwerp zo snel mogelijk kunnen regelen. Er bestaat echter bij de leiding, de commandant van de marechaussee, geen enkele weerstand om dit te realiseren. Op de werkvloer bij de marechaussee wordt er ook waarde aan gehecht dat wij dit realiseren. Ik zal ook vragen wat de KMar nodig heeft om dit snel en efficiënt te regelen. Ik heb daarover ook contact gehad met de bewindsvrouw van Defensie. Die toezegging krijgt de Kamer dus. Ik zal de Kamer zo spoedig mogelijk informeren hoe wij dit zo snel mogelijk kunnen effectueren. Dat ligt helemaal in het verlengde van het amendement-Van der Linde. Ik denk namelijk dat dit een betere manier is dan via de Paspoortwet.

De voorzitter: Er is een interruptie van de heer De Wit. Ik heb verzuimd te zeggen dat alle leden recht hebben op twee interrupties.

De heer De Wit (SP): Misschien gaat mijn vraag te ver en komt de Staatssecretaris er nog op terug, maar ik heb de volgende vraag. In het Centraal Gezagsregister is dus te zien wie het gezag heeft over een kind. Stel nu dat ik met mijn partner gezag heb over een kind, dat vandaag bij wijze van spreken de pleuris uitbreekt en ik er vandaag met het kind vandoor ga. Dan is er nog geen wijziging in het gezag, want er is nog geen echtscheidingsprocedure. Ik noem maar iets. En er is geen voorlopige voorziening. Toch gebeurt dit in een situatie waarin in het gezagsregister wordt aangegeven dat wij beiden het gezag hebben. Hoe kun je dan voorkomen dat er iemand met een kind vandoor gaat? Ik denk dan aan de andere situatie, namelijk die met toestemming, modelformulieren of wat dan ook. Is alleen dit gezagsregister voldoende? Ik zou zelf denken van niet. Hoe denkt de Staatssecretaris daarover?

Staatssecretaris Teeven: De heer De Wit wijst er terecht op dat er een vertragingstijd in zit. Beslissingen zijn inderdaad nog niet ingeschreven. Dat geldt voor voorlopige beslissingen maar ook voor de eindbeslissingen. Ik kom zo direct nog op een aantal andere modaliteiten waarvoor de heer De Wit ook aandacht heeft gevraagd. Het modelformulier kan een oplossing zijn, maar het is een combinatie van een aantal zaken.

De heer Van Oosten heeft naar de negen landen gevraagd. Nederland heeft het verdrag ten aanzien van de negen landen nog niet geratificeerd. Met betrekking tot die landen kunnen nog geen teruggeleidingsverzoeken worden ingediend. De heer Van Oosten vroeg of ik daar zo snel mogelijk actie op onderneem. Hij weet dat Nederland zich blijft inspannen om zo veel mogelijk landen zich te laten aansluiten bij het HKOV. Dat is het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Ik moet niet te veel in afkortingen spreken. Hoe meer staten deelnemen aan dat verdrag, hoe groter het netwerk van de samenwerkende centrale autoriteiten. Dat komt ook de reciprociteit ten goede bij dit onderwerp. Dat is dus heel belangrijk. Wel is er een complicerende factor. Binnen de Europese Commissie is er discussie ontstaan over de externe competentie van bijvoorbeeld de Europese Commissie om namens de lidstaten te beslissen over de toelating van nieuwe staten tot het verdrag, want de Commissie meent de bevoegdheid te hebben om lidstaten te verbieden om nieuwe toetreders tot het HKOV te accepteren. De Europese Commissie heeft nu bij het Hof van Luxemburg advies gevraagd over de externe competentie van de Commissie bij de aanvaarding van bijvoorbeeld Rusland, om maar eens een land te noemen, maar ook over andere landen. Wij als Nederland hebben besloten om deze adviesaanvraag af te wachten. Als het hof het advies heeft uitgebracht, zullen wij kort daarop zo spoedig mogelijk in contact treden met de Commissie om te bezien wat de volgende stappen zijn. Deze competentie kan namelijk een heel negatieve uitwerking hebben.

In de gevallen dat een land nog niet is aangesloten bij het verdrag hanteert Nederland dezelfde procedure als die ten aanzien van landen die wel bij het verdrag zijn aangesloten. Dat is vastgelegd in de uitvoeringswet die wij in 2011 met elkaar hebben ontworpen. Het verzoek om teruggeleiding wordt in die gevallen via de diplomatieke weg ingestoken bij de verantwoordelijke overheidsinstanties in het land met als doel om de terugkeer van een kind te realiseren. Daarnaast zal veelal getracht worden om contact te leggen met de meenemende ouder om die ertoe te bewegen het kind vrijwillig te laten terugkeren. Er zijn voorbeelden van dat de Nederlandse ambassades in die landen activiteiten hebben ondernomen. In individuele gevallen is dat soms gelukt en soms ook niet. De Nederlandse Centrale autoriteit blijft in samenwerking met de collega's van Buitenlandse Zaken continu aandacht vragen voor dit onderwerp.

De heer Van Oosten vroeg of Nederland kan stimuleren dat andere verdragsstaten hun rechtsgang verkorten, want de doorlooptijd van dit soort zaken is vaak een bron van ergernis. In bilaterale relaties hebben wij hiervoor aandacht. Een aantal maal heb ik zelfs een ambassadeur ontboden om te vragen of het niet iets sneller kon. Je krijgt dan vaak het antwoord dat zij daar niet over gaan, omdat dat de rechtsgang betreft en er in hun land sprake is van een onafhankelijke rechterlijke macht, en dat zij zich daar dus niet mee bemoeien. Vervolgens merk je soms wel dat een paar weken later een beslissing is genomen. Dat heeft soms dus positieve effecten. Dat hebben wij bijvoorbeeld mogen meemaken in Bosnië en Herzegovina. Toen wij ons er heel actief mee bemoeiden, konden wij het een beetje versnellen. Er zijn echter ook voorbeelden waarin het echt niet lukte en waarin het contraproductief is geweest. Ik noemde al het verhaal van Mexico.

Wij hebben ook bijeenkomsten van het Europees justitieel netwerk, dat jaarlijks bijeenkomt. Daar zullen wij dit onderwerp natuurlijk steeds opnieuw op de agenda zetten. Dit onderwerp brengt Nederland ook ter sprake op de Haagse Conferentie over de uitvoering van het verdrag, maar dat zijn vijfjaarlijkse bijeenkomsten. Voor het laatst hebben wij die in 2011 gehad. In 2016 zal er weer een bijeenkomst zijn. Overigens loopt dat parallel aan het Nederlands voorzitterschap van de EU. Dat is dus een mooie gelegenheid om dit onderwerp ook in Europees verband op de agenda te zetten, want het loopt dus precies parallel met de bijeenkomst van de HKOV-landen. Ik kom nog op de andere vragen van de heer Van Oosten, maar ik probeer het een beetje te rubriceren per onderwerp.

De heer De Wit vroeg waarom het zo ontzettend moeilijk is om een kind terug te krijgen. Ook vroeg hij min of meer of wij landen niet kunnen dwingen. Als een kind vanuit Nederland naar het buitenland wordt ontvoerd, dan is het aan de buitenlandse rechter om te beslissen of het kind moet worden teruggeleid naar Nederland of niet. Is het land waarin het kind is ontvoerd een verdragsland, dan er kan er natuurlijk worden samengewerkt met buitenlandse centrale autoriteiten. De buitenlandse centrale autoriteit draagt er dan zorg voor dat er een procedure wordt gestart om het kind naar Nederland terug te leiden. Het is dan aan de rechter in dat land om over die teruggeleiding te beslissen. Als het kind is ontvoerd naar een land dat niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag, is dat ingewikkelder. Dan schakelt de Centrale autoriteit het Ministerie van Buitenlandse Zaken in en worden ambassadeurs actief, al dan niet in combinatie met ouders en anderen die soms ook actief zijn in die landen. Ik wijs ook op de media, die ook nog weleens in dit veld opereren. Ik heb het ontbieden van ambassadeurs al genoemd. De Nederlandse ambassadeurs voert demarches uit in het buitenland. Ook kan er in de Europese Raad aandacht worden gevraagd voor dit onderwerp.

De heer Van Oosten heeft gevraagd of de Basisregistratie Personen, de voormalige GBA, voorziet in de inschrijving van buitenlandse gezagsbeslissingen. Daarin voorziet de Basisregistratie Personen niet. In de BRP mag alleen het gezag worden aangetekend, als die informatie afkomstig is uit het gezagsregister. Gezag dat van rechtswege ontstaat of buitenlandse gezagsbeslissingen staan niet in het gezagsregister. In het Besluit gezagsregisters is opgenomen waarvan in het gezagsregister aantekening wordt gemaakt. Naar aanleiding van de wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de evaluatie van de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap wordt nu een aanvulling bezien van het register. Daarin zal onder meer de gezagsbeslissing worden opgenomen. Dat is een voordeel, want daar hebben wij ook wel problemen mee. Gezagsbeslissingen die zijn gegeven in het Caribische deel van het Koninkrijk voor minderjarigen die zich in Nederland willen vestigen, en in het buitenland gegeven gezagsbeslissingen die van rechtswege worden erkend, komen straks in het gezagsregister. Dat is dus niet alles, maar dit is wel een uitbreiding. Het van rechtswege gezag opnemen in het gezagsregister wordt niet opgenomen in het besluit omdat dit eigenlijk al uit de wet volgt. Het is ook niet nodig om de gezagssituatie in alle gevallen in het register op te nemen.

De heer Van Oosten heeft ook nog gevraagd of in de GBA – met ingang van 1 januari 2014 is dat dus de Basisregistratie Personen – altijd vermeld wordt wie het gezag over een kind heeft. Nee, want in de Basisregistratie Personen wordt alleen een gegeven over het gezag opgenomen als dat in het gezagsregister staat. De griffier van de rechtbank die de wijziging in het gezagsregister heeft aangebracht, doet een mededeling aan het college van B en W in de gemeente waar het kind woont. In het schriftelijk, per post, mededelen zit een vertragingsfactor. De heer De Wit vroeg daarvoor terecht aandacht. Tussen het moment dat het in de Basisregistratie Personen komt en het moment dat het is uitgesproken, kan ook nog een vertragingsfactor zitten. Voor die tijd zul je dus andere oplossingen moeten bedenken.

De heer De Wit vroeg wat je moet doen als er informatie ontbreekt in het gezagsregister. De achterblijvende ouder moet het vermoeden hebben dat dit gaat gebeuren. Als een ouder het kind meeneemt en de achterblijvende ouder geen enkel idee heeft, kan het niet, maar meestal is het idee er wel. Dan zeggen ouders dat zij denken dat het gaat gebeuren en gaan ze naar de politie. Het is erg belangrijk om dan snel aangifte te doen en om de namen van het kind en de ouder snel door te spelen aan de marechaussee op Schiphol voor de paspoortcontrole. Ook is het belangrijk om met een kort geding afgifte van de paspoorten te vragen. Dat is ook een mogelijkheid voor de achterblijvende ouder om te voorkomen dat de meenemende ouder het kind meeneemt op reis. Schiphol is dan prachtig gedekt, maar als de meenemende ouder met dat kind in de auto stapt, de binnengrenzen van de Europese Unie over rijdt en vervolgens ergens anders met dat Nederlandse paspoort waarin het kind is bijgeschreven of met een zelfstandig paspoort van het kind vertrekt van de luchthaven naar Zuid-Amerika, Azië of Afrika, wordt het alsnog onmogelijk. Voor dat verhaal heb ik niet meteen een oplossing.

Er werd gevraagd of het regelmatig voorkomt dat een internationale signalering van een ontvoerende ouder niet wordt ingetrokken als dat wordt gevraagd. Wat doen wij daaraan? Dat onderwerp heb ik weleens met het Centrum Internationale Kinderontvoering besproken. Als dat gebeurt, is dat voor de betrokkenen natuurlijk buitengewoon onaangenaam, want het is steeds aan de officier van justitie om daarnaar te kijken, om daarin een afweging te maken en om daarover te beslissen. Als er vanuit het OM vragen zijn, kan de Centrale autoriteit de officier van justitie van relevante informatie voorzien voor het nemen van een afgewogen beslissing. Ik zeg de commissie toe dat ik dit onderwerp met een aantal zaken die het OM regarderen, onder de aandacht van het College van procureurs-generaal zal brengen met het verzoek de hoofden van de parketten daarover te informeren, zodat er voldoende scherpte is.

Dat geldt overigens ook voor een andere sympathieke vraag die ook door de heer Van Oosten is gesteld. Is het niet wenselijk dat er bij ieder arrondissement een officier van justitie is? Dat lijkt mij heel verstandig. Meestal komen dit soort zaken bij de weekdienst terecht op de parketten van de officier van justitie. Ik heb in het verleden, in de jaren negentig, zelf weleens zulke zaken behandeld. Als je daarmee nog nooit te maken hebt gehad, dan vraag je je in eerste instantie af wat je moet met zo'n ontvoering volgens artikel 279. Het zou heel goed zijn om te proberen om dit soort aangiftes te concentreren op de parketten. Ook dit onderwerp verdient de voorkeur, zowel de signalering als het concentreren per parket bij één of twee aanspreekpersonen. Met betrekking tot een aantal andere onderwerpen zal ik de Kamer dus ook daarover per brief berichten en uitsluitsel geven.

Mevrouw Rebel heeft gevraagd of ik kan komen met een brochure over preventie. Daarin kan bijvoorbeeld staan wat de taak is van het Centrum Internationale Kinderontvoering. Mevrouw Rebel heeft dat al gezegd, maar voorlichting is natuurlijk een taak van het Centrum IKO. Daarvoor subsidieert de overheid het Centrum IKO ook. Daarover hebben wij ook regelmatig gesprekken. Soms is dat naar volle tevredenheid, maar af en toe moeten wij ook iets langer doorpraten over de subsidiëring. Op zich gaat dat echter heel goed. Het Centrum IKO is opgericht met als doel het breder bekendmaken van de gevolgen van internationale kinderontvoering en het stimuleren en realiseren van voorzieningen ter ondersteuning van alle betrokkenen, van ouders. De dienstverlening die in dit kader is ontwikkeld, richt zich voor het overgrote deel op het verstrekken van informatie en advies aan ouders die te maken hebben met dreigende kinderontvoering. Het Centrum IKO heeft zeer ervaren medewerkers die hun sporen hebben verdiend op het terrein van het internationaal personen- en familierecht. Zij hebben er echt verstand van. Indien nodig en gewenst geeft het centrum ook begeleiding aan ouders en professionals. Uiteraard is die expertise ook bij mijn medewerkers aanwezig, maar zij hebben natuurlijk een net even andere taak. Dit zullen wij ook uitdragen via brochures en de website.

Mevrouw Rebel stelde de specifieke vraag of het mogelijk is dat ambassades dan wel consulaten hier ook mededelingen over doen op hun website. Ik zal opnemen met mijn ambtsgenoot van Buitenlandse Zaken of er een verwijzing kan plaatsvinden voor ouders die het vermoeden hebben dat hun kind is meegenomen naar een Noord-Afrikaans land en die bij de ambassade in dat land zoeken. Dat kan een verwijzing zijn waar zij terecht kunnen. Het is niet altijd het meest effectief om de ambassade te bellen.

Mevrouw Rebel (PvdA): Ik denk dat dit inderdaad een weg is, maar mij ging het om iets anders. Laten we zeggen dat een Nederlandse partner in het buitenland woont met een man en kinderen. Tegenwoordig zijn het namelijk meestal de vrouwen die de kinderen mee naar Nederland nemen. Ik kan mij voorstellen dat je, als je in het buitenland in een situatie zit waarin je weg wilt en terug wilt naar een plek waar je mensen hebt die je kunnen helpen, wilt weten hoe je dat moet aanpakken. Dat stukje is misschien nog wel relevanter dan dat je op de website van een ambassade van het land waarnaartoe een kind mogelijk ontvoerd is, gaat zoeken. Ik ben blij met de toezegging dat de Staatssecretaris dit wil onderzoeken, maar dat was eigenlijk mijn specifieke punt. Juist voor de Nederlandse partner die overweegt om terug te keren naar Nederland kunnen de consequenties enorm zijn als zij of hij dit doet. Op het moment dat zij dit overwegen, moeten zij weten waar zij naartoe moeten. Ik kan mij voorstellen dat het centrum misschien niet de eerste plek is waar je gaat zoeken maar mogelijk ook wel. Mij gaat het erom dat de informatie op veel plekken te vinden is. Als het centrum daarvoor zijn contacten kan gebruiken, zie ik dat uiteraard graag, maar het is misschien goed om de ambassade daarin ook een rol te geven.

Staatssecretaris Teeven: Het is goed dat mevrouw Rebel dat zegt. Ik had niet meteen gedacht aan de ontvoerende ouder, want zij noemt in feite juridisch gezien het voorbeeld van de ontvoerende ouder. Dat is degene die soms zelf het gezag niet heeft maar een kind aan het gezag van de andere ouder onttrekt. Dat is de buitenlandse ouder in dit concrete geval. Het is heel goed dat wij bekijken of wij die ontvoerende ouder, goed willend of kwaadwillend, voorlichting kunnen verstrekken. De consequenties zijn inderdaad enorm voor de ontvoerende ouder. Als een kind moet worden teruggeleid en de ontvoerende ouder als verdachte wordt gesignaleerd in het land waar het kind tot dan toe heeft gewoond, heeft dat enorme consequenties. Die gevallen zijn bekend. Juridisch gezien is dat natuurlijk in die situatie dan de ontvoerende ouder.

Mevrouw Rebel en mevrouw Berndsen hebben gevraagd of er bij de politie al zicht is op ervaringen met de baliekaart. Hij is geüpdatet en opnieuw geïmplementeerd. Hij is verspreid onder alle specialisten en Coördinatoren Vermiste Personen binnen de Nationale Politie. Voor die lijn is nu gekozen. Die is bekendgemaakt bij de Politieacademie, zodat die kan worden meegenomen in de opleidingen. Dat zal ook gebeuren. De baliekaart staat ook op de website van de rijksoverheid. Hij is goed vindbaar en wordt ook gebruikt. Het is niet zo dat hij alleen vindbaar is maar geen hond ernaar omkijkt. Hij wordt dus daadwerkelijk gebruikt.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Het is mooi dat de kaart in ieder geval gebruikt wordt; dat is al heel wat bij de politie, zo weet ik uit ervaring. Het probleem zit hem er echter niet in dat de specialisten niet weten hoe ze de kaart moeten gebruiken. Het eerste contact is aan de balie, met baliemedewerkers. Als het niet zo vaak voorkomt, weten deze baliemedewerkers niet hoe ze ermee moeten omgaan. Qua bewustwording of het makkelijk vinden van informatie kan het op dat vlak nog wel iets beter.

Staatssecretaris Teeven: Ik ben geneigd om het op dit punt eens te zijn met mevrouw Berndsen.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Dat komt niet zo vaak voor!

Staatssecretaris Teeven: Dat weet ik niet. Zo dramatisch moeten wij het niet zien. Ik ken mevrouw Berndsen als een buitengewoon constructief Kamerlid. Eigenlijk ben ik het heel vaak met haar eens. Ik denk dat ik het op dit punt ook met mevrouw Berndsen eens ben. Dit valt onder het kopje «Even spreken met het College van procureurs-generaal en de leiding van de Nationale Politie». Voor de leiding van de Nationale Politie is dit natuurlijk een nicheonderwerp, maar wel een onderwerp dat je op zich met één duidelijke instructie kunt regelen. Je moet het dan nog wel herhalen, want het blijft niet jaren hangen. Ik zal dit opnemen en de baliekaart ook onder de aandacht brengen van de uniformdienst. Het is mooi dat specialisten en coördinatoren er kennis van hebben, maar als je in de Linneausstraat in Amsterdam-Oost aan de balie komt om te spreken over kinderontvoering, dan ben ik er net als mevrouw Berndsen niet van overtuigd dat het meteen allemaal goed gaat. Soms zal het wel goed gaan, maar soms ook niet. Dat «soms» moeten wij proberen te beperken. Wij zijn het dus eens met elkaar.

De heer De Wit heeft gevraagd naar het formulier toestemming om te reizen. Nu is dat alleen te vinden op de site van de marechaussee en het Centrum Internationale Kinderontvoering. Kunnen wij dat verplichten? Het formulier is niet verplicht, het is een handige hulp. Om te bereiken dat de grenspassage van een ouder die reist met een kind wordt vergemakkelijkt, zal het formulier ook via de website van de rijksoverheid beschikbaar komen en worden voorzien van een gebruikershandleiding. Ik streef ernaar dat nog deze maand te realiseren. Ik zal de publicatie vergezeld doen laten gaan van een persbericht. Dat komt niet zo vaak voor op ons ministerie. In dit concrete geval zullen wij dat doen.

Mevrouw Rebel (PvdA): Ik heb net gesproken over het moment dat een ouder vermoedt dat de andere ouder het kind mee gaat nemen en de mogelijkheden daartoe, inclusief het toestemmingsformulier. Wij hadden het zo-even over het eventueel inhouden van het paspoort. In dat kader zien wij in toenemende mate dat dit wordt gebruikt in zogenaamde vechtscheidingen als manier om de andere ouder dwars te zitten, zonder dat deze ouder daadwerkelijk van plan is het kind te ontvoeren. Door deze ouder wel als mogelijk ontvoerende ouder neer te zetten, heeft de andere ouder veel in handen. Heeft de Staatssecretaris gegevens over de vraag hoe vaak het voorkomt dat er sprake is van misbruik? Nogmaals, ik begrijp het belang, maar wij zien in beide situaties dat het kind het slachtoffer kan worden van ouders die een strijd aan het voeren zijn. Een toestemmingsformulier kan dus worden gebruikt als chantagemiddel. Dat zou ik willen voorkomen.

Staatssecretaris Teeven: Dit onderwerp is heel concreet meegenomen. Laatst hebben wij in de commissie gesproken over vechtscheidingen. De Staatssecretaris van VWS was daarbij ook aanwezig. We hebben een pilot lopen over vechtscheidingen om te zien wat de oorzaken zijn van een vechtscheiding. Naar aanleiding van de rapportage van de Inspectie Jeugdzorg over het drama dat in Zeist heeft plaatsgevonden, hebben de Staatssecretaris van VWS en ik toegezegd dat we over het onderwerp vechtscheidingen de Kamer nader zullen informeren. Ik zal dit onderwerp daarin meenemen.

Mevrouw Berndsen heeft gevraagd of het WODC ook onderzoek doet naar de wijze waarop ouders aan een advocaat komen. Bij de inwerkingtreding van de uitvoeringswet is het WODC-onderzoek ingesteld. Dat zal in maart 2014 worden gestart. Dit onderwerp wordt hierin meegenomen. De wijze waarop ouders bij een ervaren IKO-advocaat terechtkomen zal ook in dit WODC-onderzoek worden meegenomen.

De heer De Wit en mevrouw Berndsen hebben gevraagd naar het schadefonds. Het is heel scherp van de heer De Wit om hierop terug te komen. Ik kan mij herinneren dat ik dat inderdaad heb gezegd. Ik heb het ook even laten nagaan. Is er in de afgelopen jaren incidenteel beroep gedaan op een financiële bijdrage uit het schadefonds? Nee, naar mijn weten zijn er uiteindelijk geen verzoeken gedaan, noch direct aan mij of het ministerie noch aan de Centrale autoriteit. Dus nooit heeft een ouder die moest procederen in Nederland – of andersom: een Nederlandse ouder in het buitenland wiens kind naar Nederland ging – een verzoek ingediend. Wij hebben wel de bereidheid uitgesproken, maar uiteindelijk is er geen verzoek gekomen.

De heer De Wit (SP): Het kan natuurlijk te maken hebben met onbekendheid. Wij krijgen regelmatig brieven van een mevrouw die onder andere laat weten dat ze inmiddels drie ton kwijt is aan advocaten. Dan gaat het om de VS. Stel dat het bekender wordt, dan kan het zijn dat mensen hierin een mogelijkheid zien die soelaas biedt.

Staatssecretaris Teeven: Dat zou kunnen. Dan zal ik moeten bezien of mensen gelet op hun individuele inkomenssituatie ook recht hebben op een aanvullende uitkering. Het is een vorm van gefinancierde rechtsbijstand, zou je kunnen zeggen. We moeten het dan op een analoge wijze toepassen. Als die individuele gevallen zich voordoen, zal worden bezien wat de inkomens- dan wel vermogenspositie van mensen is en of er voor de rijksoverheid aanleiding is om een volledige dan wel gedeeltelijke bijdrage te geven.

In hoeverre spannen wij ons ervoor in om landen te laten toetreden tot het HKOV? Mevrouw Berndsen vroeg hiernaar. Hierover heb ik al iets gezegd. Ik heb gesproken over de commissie en over de adviesaanvraag die wij afwachten.

De financiering van ouders die in het buitenland procederen is een bekende terugkerende wens van de SP-fractie. Ieder land heeft een rechtsbijstandsregeling waarvan gebruik kan worden gemaakt. Ik zie op dit moment geen reden om hierop een aanvulling te doen.

De heer Van Oosten heeft gevraagd hoe wij voorbereidende handelingen met betrekking tot kinderontvoering kunnen voorkomen. Ik denk dat ik hierop al uitgebreid ben ingegaan. Ik heb gesproken over de Basisregistratie Personen en de persoonlijke verschijningsplicht. We hebben ook nog de Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Soms hebben wij aanleiding om de signalering af te geven «nu zou het kunnen gebeuren dat een kind wordt meegenomen naar het buitenland». Er zijn voorbeelden waarin is opgetreden om te voorkomen dat een kind zou worden meegenomen naar het buitenland door een ouder die niet het gezag had. Het Steunpunt Huiselijk Geweld is hierbij een van de coördinatiepunten. Daar is het een aantal keren geregistreerd.

De heer Van Oosten (VVD): De Staatssecretaris noemt terechte maatregelen ten aanzien van het voorkomen van ontvoering. Mijn specifieke vraag betreft het volgende. Ik heb begrepen dat het nu mogelijk is dat een ouder bij vertrek naar het buitenland een kind laat uitschrijven uit de GBA zonder dat de andere ouder daarmee expliciet hoeft in te stemmen. Klopt dat? Zo ja, moeten wij dit dan niet veranderen? Stel dat een ouder met een kind vanuit Nederland naar het buitenland vertrekt en dus geen nieuwe woonplaats in Nederland opgeeft, moet dan niet op zijn minst worden verwacht dat beide gezagdragende ouders daarmee instemmen?

Staatssecretaris Teeven: In de GBA wordt alleen de feitelijke situatie geregistreerd. Ik kan de GBA onmogelijk als beleidsinstrument inzetten. Dat is het probleem waar ik tegen aanloop.

Ik heb nog een heel expliciete vraag van mevrouw Berndsen liggen over een kwart van de dossiers dat gesloten is wegens «geen reactie». Wat is daarvan de reden? Indien een ouder niet langer de hulp van de Centrale autoriteit behoeft, dan sluit men het dossier. Daarvan hebben wij een aantal voorbeelden. Medewerkers van de Centrale autoriteit doen wel extra moeite om zeker te stellen dat een ouder echt niet verder wil. Wat zou de reden kunnen zijn, vroeg mevrouw Berndsen. Berusting in de overbrenging. Dat gebeurt. In eerste instantie wel ageren, maar later toch berusten. Verzoening. Het komt voor dat er in eerste instantie is geprocedeerd over het gezag en de ontvoering, maar dat nadien de ontvoerende ouder aanstuurt, ook in het belang van het kind, op een omgangsregeling, waarna er toch weer contact is tussen beide ouders en de zaak uiteindelijk op deze wijze wordt afgedaan. Financiële overwegingen spelen ook een rol. Soms gaat het om individuele belangen van het kind. Een kind kan aangeven niet meer terug te willen naar Nederland, waarop de achterblijvende ouder ervoor kiest om toch niet door te procederen. Die voorbeelden zijn ook bekend.

De heer De Wit heeft een vraag gesteld over de kinderbijslag. Ik geef een antwoord in algemene zin en ik houd wel wat slagen om de arm, want ik heb nog een vraag uitstaan bij het Ministerie van SZW. Ik zal de Kamer hierover sowieso nog nader informeren. Als een kind naar het buitenland vertrekt, ook in geval van kinderontvoering, wordt een kind als uitwonend beschouwd. Als gevolg daarvan maakt de achterblijvende ouder geen kosten meer voor het kind en is er dus ook geen reden om kinderbijslag te ontvangen. Dat is op dit moment het standpunt. Volgens mij zei de heer De Wit dit zelf ook al en vroeg hij of dit veranderd kan worden. Ik kom er nog op terug, zoals gezegd.

Volgens mij heb ik hiermee alle vragen beantwoord.

De voorzitter: De heer Van Oosten heeft nog een vervolgvraag.

De heer Van Oosten (VVD): Ik heb een vraag over uitschrijving uit de GBA door slechts één ouder bij vertrek naar het buitenland. Ik begrijp wat de Staatssecretaris zegt. Het is een feitelijke administratie en geen beleidsmiddel als zodanig. Ik beschouw de GBA echter toch als een wellicht waardevol instrument om een drempeltje – laat ik het zo maar noemen – op te werpen teneinde te voorkomen dat het een ontvoerende ouder wel heel gemakkelijk wordt gemaakt om naar het buitenland te vertrekken. Kan dit specifieke onderwerp worden meegenomen in het nog lopende onderzoek naar aanleiding van het amendement-Van der Linde dat begin dit jaar naar ons toekomt? Ik proef steun bij collega's op dit vlak. Maar wellicht kan de Staatssecretaris nu al zeggen of de GBA inderdaad de meerwaarde kan hebben die ik veronderstel.

Staatssecretaris Teeven: Toevallig spreek ik morgen met de Minister van Binnenlandse Zaken over de Basisregistratie Personen. Ik zal dit onderwerp meenemen en de Kamer hierover berichten. Op voorhand ben ik er nog niet positief over, zo zeg ik in alle eerlijkheid tegen de heer Van Oosten.

De voorzitter: Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn. Ik stel vast dat de leden behoefte hebben aan een tweede termijn. De maximale spreektijd is twee minuten.

De heer Van Oosten (VVD): Voorzitter. In mijn tweede termijn beperk ik mij tot de opmerking dat ik de Staatssecretaris wil dankzeggen voor zijn toezegging ten aanzien van de toegang tot het Centraal Gezagsregister. Ik denk dat dit een heel waardevol instrument kan zijn in de verdere bestrijding en preventie van internationale kinderontvoering.

Ik wacht met belangstelling de reactie af op de GBA-uitschrijving.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Ik ben blij dat de Staatssecretaris in het begin van zijn betoog heeft gewaarschuwd voor eigenrichting. In een televisieprogramma werd de indruk gewekt dat het een kwestie is van met een busje naar een bepaald land rijden en een kind meenemen. De Staatssecretaris wijst terecht op de heel grote risico's die daaraan verbonden zijn. Ook het idee van eigenrichting is naar mijn idee een volstrekt verkeerd signaal. Ik ben dan ook blij met die waarschuwing.

Over kinderbijslag merk ik op dat ik juist betoogd heb dat alhoewel het kind in een vreemd land woont, de vader in dit geval alimentatie en zorgpremie betaalt en verdere onderhoudskosten voor zijn rekening neemt, dus een substantiële bijdrage voor dat kind betaalt vanuit Nederland. De vraag is dan of je geen recht hebt op kinderbijslag. Het is een tijdelijke situatie, totdat er duidelijkheid is over de vraag waar het kind verblijft. Het is anders dan de Staatssecretaris veronderstelt.

De Staatssecretaris heeft gewezen op het feit dat Nederland verzoeken van niet-verdragslanden beschouwt als waren deze landen toegetreden tot het Haags verdrag. Nederland behandelt ze dus zo, maar geldt dat ook wederkerig? Zou het niet verstandig zijn als ook die landen conform handelen, alhoewel ze niet zijn toegetreden tot het verdrag? Ik vraag dus naar de wederkerigheid van het principe.

Mevrouw Rebel (PvdA): Voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording, voor de toezeggingen en voor de stappen die hij gaat zetten. Ik ben erg blij met het overleg dat hij gaat voeren met het College van procureurs-generaal over onder andere het intrekken van de signaleringen. Vaak is dat een pijnpunt in een traject. Verder is het inderdaad belangrijk dat men ook aan de balie goed bekend is met de baliekaart en deze niet alleen in een la heeft liggen.

Bij de beantwoording van mijn vragen over voorlichting en preventie wees de Staatssecretaris op de rol van het Centrum IKO. We mogen terecht constateren dat dit een organisatie is gebleken die bij uitstek geschikt is om ouders te adviseren en te begeleiden. De preventieve functie moet wat mij betreft ook goed naar voren komen. Tegelijkertijd moeten we constateren dat het centrum meer meldingen en meer werk krijgt. De Staatssecretaris zei al dat het contact soms goed was en soms ook wat moeizamer. Ik wil hem meegeven dat we in dit geval zeker niet penny wise and pound foolish moeten zijn. Het voorkomen van deze zaken kost immers minder dan het behandelen ervan.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66): Voorzitter. Ook ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording. Ik ben nog vergeten te zeggen dat ik blij ben met de reactie op het verzoek tot wijziging van Wetboek van Strafrecht en dat de heer Teeven in zijn huidige positie eigenlijk op zijn schreden is teruggekeerd.

De voorzitter: Dan zijn wij aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. Ik geef het woord aan de Staatssecretaris.

Staatssecretaris Teeven: Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng in tweede termijn.

De heer Van Oosten sprak over het gezagsregister en de GBA. Het eerste punt wordt gerealiseerd en over de uitschrijving uit de GBA zal ik de Kamer nog nader informeren.

De heer De Wit had drie punten. Wat het eerste punt betreft: ik heb over kinderbijslag toch echt de informatie dat het criterium is: uitwonend of niet-uitwonend. Dat is het absolute criterium voor het al dan niet ontvangen van kinderbijslag. De heer De Wit zegt dat het anders is. Wij gaan het uitzoeken, anders blijft het welles nietes. Misschien kan ik het beste schriftelijk informeren hoe dit precies zit, in overleg met SZW.

Het tweede punt ging over de wederkerigheid van het handelen van die negen landen. Ik zou graag zien dat dit zo is, maar niet iedereen doet dat. In de bilaterale contacten zal zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als ikzelf de landen hierop nadrukkelijk wijzen. Het is wel het uitgangspunt van het Nederlandse kabinet, maar het lukt niet altijd.

De heer De Wit heeft verder gesproken over eigenrichting en een tv-programma. Het tv-programma heeft ook goede dingen gedaan. Soms ging het over zaken waarin de Nederlandse rechter een beslissing had genomen en waarin zelfs de buitenlandse rechter een beslissing had genomen, maar het kind toch niet terugkwam, ondanks de dubbele rechterlijke beslissing. De Nederlandse ambassade stond ook met de handen in het haar. Demarches van mijn zijde leidden tot niets. Er zijn concrete voorbeelden geweest waarin het kind uiteindelijk toch is teruggekomen. Soms waren het zaken waarvan ik zei: dat was niet zoals het moet. Dat leidt ook tot schade aan de bilaterale relatie tussen Nederland en het desbetreffende land. Soms waren er echter ook zaken waarin ik heb moeten constateren dat het uiteindelijk dé oplossing was voor de achterblijvende ouder. Dat heeft dus veel waardering. Het zal echter niet altijd een weg zijn die leidt tot succes, als je het zo wilt noemen.

Mevrouw Rebel sprak over de baliekaart en de intrekking van de signalering. Dat gaan wij doen.

Volgens mij heb ik over het Centrum IKO gezegd dat de contacten altijd goed waren, maar dat de gesprekken soms wat moeizaam verliepen; een tikje anders dus. Ik heb er goede herinneringen aan. Uit de non-verbale uitingen van de dame die tegenover mij in de zaal zit, maak ik op dat zij er net zo over denkt.

Mevrouw Berndsen maakte wel een leuke opmerking over het initiatiefwetsvoorstel-Timmer/Teeven. Overigens was dit een wetsvoorstel van Timmer en een ander lid van de VVD-fractie. Ik heb mijn handtekening gezet toen die ander verdween en ik voor die persoon in de plaats kwam. Soms moet je van inzicht wijzigen. Wij zijn het weer eens. Dat belooft wat voor dit nieuwe jaar!

De voorzitter: Met deze blije constatering zijn wij bijna aan het einde van dit AO gekomen. Ik moet nog de volgende toezeggingen voorlezen:

  • De Staatssecretaris zegt toe de Kamer zo spoedig mogelijk te rapporteren over de mogelijkheid om de KMar toegang te geven tot het Centraal Gezagsregister.

  • De Staatssecretaris zal in zijn gesprek met de hoofden van de parketten aangeven dat signalering en aangifte worden geconcentreerd bij één of twee parketten.

  • De Staatssecretaris zal het aspect van de baliekaart bespreken met de pg's en de Nationale Politie in het kader van uniformiteit.

  • De Staatssecretaris zal de Kamer na zijn gesprek met de Minister van BZK zo spoedig mogelijk informeren over de uitschrijving uit de GBA door een van de ouders.

  • De Kamer wordt per brief nog nader geïnformeerd over de kinderbijslag.

Ik dank de belangstellenden op de publieke tribune, net als de Staatssecretaris en zijn ambtenaren en mijn collega's.

Sluiting 15.59 uur.

Naar boven