30 072
Internationale kinderontvoering

nr. 25
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 september 2009

In mijn brief aan uw Kamer van 15 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 30 072, nr. 15) heb ik toegezegd u nader te berichten over de verkorting van de procedure en over de «uitplaatsing» van de procesvertegenwoordiging in teruggeleidingszaken, waardoor deze wordt overgelaten aan de advocatuur. Met deze brief informeer ik u over deze onderwerpen.

Tevens stuur ik u met deze brief, zoals jaarlijks gebruikelijk, het statistisch overzicht1 dat betrekking heeft op de zaken die in het afgelopen jaar (2008) behandeld zijn door de Centrale autoriteit internationale kinderontvoering.

Ik begin met het toelichten van de verkorting van de procedure en de «uitplaatsing» van de procesvertegenwoordiging in teruggeleidingszaken, en zal daarna het statistisch overzicht toelichten.

Huidige situatie

In de huidige situatie is het zo dat men, na intake door de Centrale autoriteit, eerst tracht te schikken, eventueel via mediation door een derde. Voor het bereiken van deze schikking is geen termijn gesteld, waardoor dit regelmatig veel tijd in beslag neemt. Als het niet lukt om te schikken wordt een gerechtelijke procedure geëntameerd. Tijdens deze procedure wordt de achtergebleven ouder in rechte vertegenwoordigd door de Centrale autoriteit. Een schikking blijft gedurende deze procedure altijd mogelijk. Na de rechterlijke beslissing kan in hoger beroep worden gegaan bij het gerechtshof. Vervolgens is er ook nog een mogelijkheid tot cassatie. De cassatieprocedure neemt vaak enkele maanden in beslag met de mogelijkheid dat terugverwezen wordt naar het Hof.

Dit leidt tot een situatie waarin er soms een jaar verstrijkt voordat het kind teruggeleid wordt naar het land van herkomst.

Verkorting van de procedure

In genoemde brief van 15 oktober 2008 heb ik al aangegeven dat ik voornemens ben de teruggeleidingsprocedure te verkorten. Tijdens het Algemeen Overleg op 25 november 2008 (kamerstuk 30 072, nr. 16) heb ik in dit verband gesproken over een pilot bij de Rechtbank Den Haag. Deze pilot heeft inmiddels vaste vorm gekregen.

De pilot vindt plaats van november 2009 tot en met april 2010 en zal het volgende omvatten.

Gedurende de eerste zes weken nadat bij de Centrale autoriteit een verzoek om tussenkomst is ingediend, vindt – kort gezegd – een intake plaats door de Centrale autoriteit, alsmede zo mogelijk een mediation. Komen de ouders niet tot een schikking, dan wordt een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. Ook de procedure bij de rechtbank duurt zes weken. Bij de rechtbank vindt twee weken na indiening een rechtzitting plaats. Wanneer in het voortraject geen mediation heeft plaatsgevonden, bekijkt de rechter in het licht van de zaak en de wensen van de ouders, de mogelijkheden van een mediation. Voor een mediation wordt twee weken de tijd gegeven. Als de ouders na twee weken niet tot overeenstemming zijn gekomen, vindt een tweede rechtzitting plaats, waarna de rechtbank binnen twee weken een beslissing neemt op het verzoekschrift.

De termijn om in hoger beroep te gaan bij het gerechtshof is twee weken. Twee weken na indiening van het beroepschrift vindt een rechtzitting plaats, gevolgd door een uitspraak twee weken daarna. Aldus wordt gekomen tot een «pressure cooker» met een doorlooptijd van in beginsel (maximaal) 18 weken (3x6). De mogelijkheid tot cassatie wordt beperkt tot cassatie in het belang der wet.

Tijdens de pilot wordt onder meer bezien of het beoogde proces haalbaar is, de doorlooptijd kan worden gehaald en of aanpassingen nodig zijn om de procedure goed te laten verlopen.

De kosten van de mediation zullen gedurende de pilot door mijn ministerie worden vergoed. De organisatie rondom de mediations wordt gedaan door het Centrum Internationale Kinderontvoering, die daartoe gedurende de pilot door mijn ministerie wordt gesubsidieerd.

Wetswijziging

Een voorontwerp ter zake van de wijziging van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering en de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming is inmiddels ter consultatie voorgelegd aan de betrokken organisaties. Hierin is onder meer voorgesteld dat de achtergebleven ouder in rechte niet meer wordt vertegenwoordigd door de Centrale autoriteit, maar door een advocaat. Ook zijn in het voorontwerp wijzigingen opgenomen ter bespoediging van de teruggeleidingsprocedure. Ik verwacht het wetsvoorstel begin 2010 aan uw Kamer te kunnen zenden.

Cijfers

In 2008 heeft de Centrale autoriteit totaal 168 verzoeken in behandeling genomen. Daarvan hadden 36 verzoeken betrekking op een internationale omgangsregeling en zagen 132 verzoeken op internationale kinderontvoering. Genoemde ontvoeringszaken waren verdeeld in 46 inkomende verzoeken en 86 uitgaande verzoeken. Van de 46 inkomende ontvoeringszaken zijn op de peildatum1 36 zaken (circa 78%) afgerond, van de 86 uitgaande zaken zijn 59 verzoeken (69%) afgerond. De omgangsverzoeken waren verdeeld in 13 inkomende zaken en 23 uitgaande zaken. Van de inkomende omgangsverzoeken zijn er 8 (62%) afgerond, van de uitgaande omgangsverzoeken 12 (52%). De ingediende verzoeken tot teruggeleiding hadden betrekking op 177 kinderen. Van 132 teruggeleidingsverzoeken bleken er 20 geen betrekking te hebben op kinderontvoering in de zin van het verdrag. Van de 36 verzoeken met betrekking tot een internationale omgangsregeling vielen er 6 niet onder de werking van het verdrag.

Vergeleken met het voorgaande jaar heeft de Centrale autoriteit weer meer inkomende zaken in behandeling gekregen. Het aantal inkomende ontvoeringszaken was 46 (2007: 38), het aantal inkomende omgangszaken 13 (2007: 15), waarmee de stijging voor rekening komt van het aantal ontvoeringszaken. Het totale aantal uitgaande zaken is na een daling in 2007 weer gestegen 109 (2007: 100). De stijging komt ook bij de uitgaande zaken voor rekening van het aantal ontvoeringszaken 86 (2007: 74), terwijl het aantal omgangszaken daalt 23 (2007: 26).

Evenals in het voorgaande jaar blijkt bij zowel inkomende als uitgaande zaken dat de ontvoerende ouder vaker de moeder is dan de vader. In omgangszaken is het nog steeds in verreweg de meeste zaken de vader die een verzoek indient.

Ook nu blijkt het aantal ontvoeringen naar zeer nabije landen (België 10, Duitsland 6, Frankrijk 5) vaker voor te komen, maar ook Turkije (8), Marokko (6), Irak (5) en de Verenigde Staten (5) komen relatief veel voor. Bij inkomende zaken gaat het grotendeels om West-Europese landen en springen daarnaast de Verenigde Staten eruit (5).

Niet-verdragslanden

Het aantal verzoeken om teruggeleiding naar aanleiding van ontvoering naar een niet-verdragsland bedroeg 24. Het merendeel van de zaken betrof ontvoering naar een islamitisch land. Daarbij vallen Marokko (6) en Irak (5) op.

In zaken waarin het HKOV niet van toepassing is wordt een verzoek door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken via de diplomatieke wegen onder de aandacht gebracht van de lokale autoriteiten.

Ontwikkelingen

Ook in 2008 vond er weer een groei van zowel het aantal inkomende als uitgaande zaken plaats. Daarbij valt op dat de stijging volledig voor rekening komt van het aantal ontvoeringszaken, terwijl het aantal omgangszaken, na groei in eerdere jaren, nu licht daalt. Een wellicht eenmalige daling van het aantal omgangszaken biedt geen basis voor uitspraken over de reden daarvoor. Wel sterkt het mij in het eerder in deze brief geuite voornemen bij teruggeleidingsverzoeken sterker in te zetten op mediation.

Van de 46 inkomende ontvoeringszaken zijn er 36 afgerond, waarbij 12 maal de rechter een beschikking gaf (7 toegewezen, 5 afgewezen). Van de 13 inkomende omgangszaken zijn er 8 afgerond, waarbij de rechter 2 maal een beschikking gaf (2 toegewezen). Het streven is erop gericht minder zaken te doen eindigen met een beschikking door de rechter. Ook hierbij speelt de vorengenoemde pilot een belangrijke rol.

Bij uitgaande zaken kan de Centrale autoriteit minder direct invloed uitoefenen op de wijze waarop verzoeken afgerond worden, maar ook daarbij wordt, in het belang van de betrokken kinderen, waar mogelijk gestreefd naar een minnelijke oplossing.

Ik vertrouw erop uw Kamer met het voorgaande voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin


XNoot
1

Zie bijlage bij deze brief. Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

6 augustus 2009.

Naar boven