Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2005-2006 | 30060 nr. 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2005-2006 | 30060 nr. 7 |
Vastgesteld 3 april 2006
De commissie voor de Rijksuitgaven1, de vaste commissie voor Defensie2 en de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat3 hebben op 15 maart 2006 overleg gevoerd met minister Peijs van Verkeer en Waterstaat en minister Kamp van Defensie over de kustwacht.
Hierbij worden de volgende stukken betrokken:
– het rapport van de Algemene Rekenkamer «Functioneren Kustwacht Nederland» van 7 april 2005 (30 060, nrs. 1–2);
– de brief van de Algemene Rekenkamer, houdende de lijst van vragen en antwoorden over genoemd rapport van 21 juni 2005 (30 060, nr. 3);
– de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2005 inzake uitstel van beantwoording van de vragen over genoemd rapport (30 060, nr. 4);
– de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat, houdende de lijst van vragen en antwoorden over genoemd rapport van 29 september 2005 (30 060, nr. 5);
– de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat over de Kustwacht nieuwe stijl van 6 december 2005 (30 060, nr. 6);
– de brief van de minster van Verkeer en Waterstaat van 13 maart 2006, houdende een notitie over de Kustwacht Nederland (30 490, nr. 1).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD) spreekt haar waardering uit voor het onderbrengen van het beheer van de Kustwacht bij het ministerie van Defensie. Uit de onderhavige stukken wordt echter niet voldoende duidelijk welke concrete beleidsdoelen zijn gekoppeld aan de uit te voeren activiteiten. Ook is het de vraag waarom er toch nog een knip is gemaakt tussen de coördinerende taken van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en het ministerie van Justitie en de beheertaak van het ministerie van Defensie. Wie is bijvoorbeeld verantwoordelijk bij een terroristische aanval of piraterij en wie is verantwoordelijk voor douaneactiviteiten?
Waarom wordt er niet gestreefd naar specifiek voor de Kustwacht opgeleid personeel? Het model dat op de Nederlandse Antillen en Aruba wordt gehanteerd, met een uniforme aansturing en onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Defensie, verdient de voorkeur. Het ministerie van Defensie moet trouwens ook zijn zegje kunnen doen bij de verdere uitwerking van de betrokkenheid van de Kustwacht bij terrorismebestrijding, veiligheid en grensbewaking, mede gelet op de informatie die bij de MIVD beschikbaar is. Uit het organogram wordt trouwens niet duidelijk onder wie de directeur Kustwacht valt. Tot slot is het de vraag welke zaken er, zoals gemeld in de stukken, nog uitgezocht worden.
De heer Van Hijum (CDA) memoreert dat uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat het heel moeilijk is om alle ministeries die een rol spelen bij de dienstverlening op zee, op één lijn te krijgen en een effectieve en doelmatige uitvoering te bewerkstelligen. Het voorliggende voorstel is een belangrijke stap vooruit bij de inzet van mensen en middelen op zee. De nu gekozen rolverdeling lijkt echter niet veel af te wijken van de rolverdeling die in 1995 in de Overeenkomst voor de Kustwacht is opgenomen. Waarom verwacht het kabinet dat die rolverdeling nu wel zal werken en dat er dus goede en effectieve keuzes gemaakt kunnen worden? Het Kustwachtcentrum heeft bijvoorbeeld opnieuw de belangrijke taak van het verzamelen van informatie en meldingen en het operationeel aansturen van de Kustwacht gekregen. Is er nu wel voldoende materieel en menskracht beschikbaar om die taken daadwerkelijk goed te kunnen uitvoeren?
Het beheer wordt voor een belangrijk deel ondergebracht bij het ministerie van Defensie, in ieder geval op het punt van het materieel. De heer Van Hijum heeft er geen bezwaar tegen dat de mogelijkheid van een civiele rijksbrede rederij wordt onderzocht, als het materieel maar onvoorwaardelijk beschikbaar is op het moment dat het noodzakelijk is. Hoe wordt de beschikbaarheid van materieel in het onderhavige model gegarandeerd en hoe wordt het uitgangspunt dat de Kustwacht zelf keuzes moet kunnen maken, daarbij gewaarborgd? Waar het gaat om de operationele aansturing, is het de vraag of ook het personeel onvoorwaardelijk beschikbaar is. Waarom is er trouwens niet voor één soort kustwachtpersoneel gekozen? Als al het personeel wordt ondergebracht bij de Kustwacht, kan er meer synergie ontstaan tussen het kustwachtpersoneel en kan er wellicht ook tot onderlinge uitwisselbaarheid van taken worden gekomen. Is de rolverdeling tussen de Raad voor de Kustwacht en de ministeries van Verkeer en Waterstaat en van Justitie trouwens wel helder? Levert de prioriteitstelling geen enorme hoeveelheid VBTB-bureaucratie op? Er moet wel duidelijk gemaakt worden wat de inzet aan mensen en middelen is en wat deze oplevert, maar er moet geen enorme papierwinkel worden opgetuigd.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan tweede deel van de motie-Van Hijum/Van der Ham (29 800-XII, nr. 19) waarin wordt gevraagd om op basis van een gedegen analyse van de risico’s op de Noordzee prioriteiten te stellen voor de inzet van menskracht en middelen? Kunnen de taken met de beschikbare menskracht en middelen op een goede manier worden uitgevoerd? Tot slot vraagt de heer Van Hijum of de evaluatie niet wat te laat is gepland en of het niet verstandig is om aan de hand van een jaarlijkse voortgangsrapportage te bekijken of de effectiviteit en doelmatigheid zijn verbeterd.
De heer Blom (PvdA) vraagt waarom het AO is uitgesteld en wat er in de tussenliggende periode nog is besproken. De Algemene Rekenkamer heeft trouwens al in 1998 tekortkomingen geconstateerd bij de Kustwacht. Waarom heeft het zo lang geduurd voordat het kabinet voorstellen heeft geformuleerd ter oplossing van de gesignaleerde problemen? Is het kabinet ervan overtuigd dat deze voorstellen ook echt tot een oplossing leiden? Mede met het oog hierop zou de omvorming van de Kustwacht al in 2008 geëvalueerd moeten worden.
De taken van de Kustwacht zijn de afgelopen jaren nogal veranderd. Bij welke operationele taken ligt nu prioriteit: bij terrorismebestrijding, het tegengaan van drugshandel en dergelijke of bij zaken op het vlak van Verkeer en Waterstaat? Hoe kan trouwens, los van de evaluatie, worden gemeten of de gestelde doelen zijn gehaald? Kan de Kamer in dat licht een wat uitgebreidere lijst van acties krijgen dan die welke aan de brief van 13 maart jongstleden is toegevoegd?
Er is gekozen voor een versimpeling van de aansturing van de Kustwacht. Zal de beoogde taakverdeling echter effectief zijn? De minister van Defensie heeft namelijk wel het beheer over de Kuswacht, maar het is de vraag of hij ook zelfstandig beslissingen kan nemen over bijvoorbeeld de inzet en de personele vulling. Verder is het de vraag of de schepen onvoorwaardelijk kunnen worden ingezet. Ook is het de vraag of, wanneer de vliegtuigen van Rijkswaterstaat worden overgedragen aan de Kustwacht, het personeel eveneens overgaat naar de Kustwacht en, zo ja, hoe dit dan wordt geregeld.
Onduidelijk is in hoeverre de bevoegdheden van het personeel van de Kustwacht worden uitgebreid, wanneer dat zal gebeuren en hoe deze uitbreiding zal plaatsvinden. Ook is niet duidelijk wat de financiële gevolgen zijn van de omvorming van de Kustwacht. Zal de omvorming leiden tot doelmatigheidswinsten en, zo ja, waar zijn die te verwachten en hoe groot zijn zij? Wat kost de omvorming van de Kustwacht in totaal? Nemen de operationele kosten van de Kustwacht na de omvorming toe of af? Zullen in de toekomst ook alle financiële gegevens beschikbaar zijn?
De minister van Verkeer en Waterstaat merkt op dat de omvorming van de Kustwacht nogal wat voeten in aarde heeft gehad, mede omdat hierbij veel ministeries en diensten zijn betrokken. Er lijkt een werkbare oplossing te zijn gevonden, maar dat neemt niet weg dat er na de evaluatie, indien nodig, verbeteringen kunnen worden doorgevoerd. Vervroeging van de evaluatie is eigenlijk niet haalbaar, omdat er minimaal twee jaar ervaring moet zijn opgedaan met de nieuwe werkwijze om er iets zinnigs over te kunnen zeggen. De minister is wel bereid om de Kamer in de tussentijd een voortgangsrapportage te doen toekomen.
Het is een logische gedachte om ook de MIVD te betrekken bij de handhaving. De directeur Kustwacht valt trouwens onder het ministerie van Defensie.
Het ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor het materieel, hetministerie van Justitie verzorgt de handhaving en het ministerie van Verkeer en Waterstaat coördineert het beleid, mede vanwege de coördinatietaak van de minister voor Noordzeeaangelegenheden. De zeven bij de Kustwacht betrokken ministeries moeten elk voor zich aangeven wat zij van belang achter voor de Kustwacht. Vervolgens worden een activiteitenplan en een begroting opgesteld. Aangezien de ministerraad het activiteitenplan en de begroting daarna nog vaststelt, is duidelijk dat elke betrokken minister zich aan de plannen committeert. Hierdoor zijn de beleidslijnen, de zorglijnen en de coördinatielijnen volstrekt helder, hetgeen een grote verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. De directeur Kustwacht voert het activiteitenplan uit. Mocht er plotseling een extra inzet nodig zijn, dan mag hij daarvan afwijken. Aangezien hij zich hiervoor pas later behoeft te verantwoorden, wordt de slagvaardigheid verbeterd. Bovendien zijn er met de betrokken ministeries afspraken gemaakt over een onvoorwaardelijke terbeschikkingstelling van personeel en materieel aan de Kustwacht.
Het is de bedoeling dat de zogenaamde opstappers verschillende taken kunnen vervullen. Zij zullen daartoe echter eerst een brede opleiding van een jaar moeten volgen. Als zij die opleiding hebben afgerond, zal de inzet van personeel op schepen en vliegtuigen geen probleem meer zijn. Gedurende de opleiding zal het personeel flexibel moeten worden ingezet. Verder is bepaald dat de verschillende ministeries mensen moeten leveren als de directeur Kustwacht dat nodig acht. Overigens zal de minister in het geval van een olieramp natuurlijk extra mensen sturen, omdat het haar verantwoordelijkheid is om olie te ruimen.
De directeur Kustwacht, de Dienst Noordzee van Rijkswaterstaat en de Permanente Kontaktgroep Handhaving Noordzee regelen de dagelijkse gang van zaken. De toezichthouders blijven onder de afzonderlijke departementen vallen, omdat het van belang is dat zij actuele kennis hebben van problemen op de Noordzee. Ieder jaar wordt verantwoord wat er is gedaan. Er wordt een controller aangesteld om te waarborgen dat de verantwoording op feiten is gestoeld. Vervolgens kan aan de hand van een vergelijking van het activiteitenplan en de verantwoording worden bekeken welke doelen wel zijn gehaald en welke niet en wat de reden daarvoor is. In de begroting voor 2007 zal het hele financiële plaatje worden geschetst. Desgevraagd zegt de minister dat zij niet verwacht dat de omvormingsoperatie tot hogere kosten voor de Kustwacht zal leiden. Om de Kamer een eerste inzicht in de financiële gevolgen te geven, zal zij de Kamer het nog op te stellen businessplan toesturen. Dan zal er trouwens ook meer bekend zijn over het plan om tot een civiele rijksbrede rederij te komen.
Dit AO is alleen uitgesteld omdat de ministerraad in de week voorafgaand aan het aanvankelijk geplande AO niet heeft vergaderd, terwijl de plannen voor de Kustwacht nog besproken moesten worden. Het heeft inderdaad nogal lang geduurd voordat de voorstellen vorm begonnen te krijgen. Dat heeft echter alles te maken met het realiseren van de benodigde waarborgen en het inbouwen van voldoende flexibiliteit. Ook heeft het de nodige tijd gekost om een aantal departementen ervan te overtuigen dat het beter is dat zij hun handen van de Kustwacht aftrekken. Voor het personeel verandert er op zichzelf niet veel door de reorganisatie van de Kustwacht. Aangezien de hele operatie zal leiden tot een efficiënter en doelmatiger inzet en een versterking van het Kustwachtcentrum, is het draagvlak hiervoor onder het personeel groot. Hoe een en ander precies uitwerkt, zal uit de evaluatie blijken. De minister heeft er evenwel vertrouwen in dat de omvorming een succes zal zijn. Tot slot merkt zij op dat de overdracht van de vliegtuigen van Rijkswaterstaat aan de Kustwacht geen personele gevolgen heeft. De vliegtuigbemanning is nu in dienst van het ministerie van Defensie en dat blijft zo.
De minister van Defensie memoreert dat de motie-Van Hijum/Van der Ham mede de aanzet heeft gegeven om tot de onderhavige voorstellen te komen. Achteraf gezien, kan wellicht worden gesteld dat het kabinet al actie had moeten ondernemen naar aanleiding van het rapport dat de Algemene Rekenkamer in 1998 heeft uitgebracht. Uiteindelijk heeft het kabinet de zaak echter voortvarend aangepakt en in goede harmonie gewerkt aan bundeling van de inzet van de verschillende departementen op de Noordzee. De rolverdeling die nu is gekozen, wijkt inderdaad niet veel af van de in 1995 al beschreven rolverdeling. Nu wordt een en ander echter ook in de praktijk gebracht. Het beleid voor de Kustwacht zal voortaan door de ministerraad worden vastgesteld. Ook de door de Raad voor de Kustwacht voorbereide prioriteitenstelling wordt in de ministerraad besproken. De minister van Defensie is vervolgens verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid dat onder de coördinatie van de minister van Verkeer en Waterstaat is vastgesteld, en de minister van Justitie is verantwoordelijk voor de handhaving.
Bij het Kustwachtcentrum komen 40 mensen te werken. De verschillende departementen stationeren er een liaison om ervoor te zorgen dat de bemanning van de vliegtuigen en de schepen goed op de hoogte blijft van de op de departementen beschikbare informatie. De Kustwacht krijgt een actueel beeld van alles wat er op de Noordzee aan de hand is middels de identificatiesystemen voor koopvaardij- en visserijschepen, de beschikbare radarbeelden – op dit punt is nog verbetering nodig – en de waarnemingen vanaf de schepen en vanuit de vliegtuigen, gecombineerd met de informatie van de liaisons. Hierdoor is een informatiegestuurde inzet mogelijk. Bovendien kan hierdoor worden gegarandeerd dat er altijd op korte termijn een schip of een vliegtuig inzetbaar is.
Het kabinet heeft nog geen prioriteiten gesteld ten aanzien van de taken van de Kustwacht. Als de omvorming van de Kustwacht echt gestalte begint te krijgen, zal de Raad voor de Kustwacht jaarlijks een activiteitenplan opstellen dat vervolgens door de ministerraad wordt vastgesteld. In dat activiteitenplan worden natuurlijk prioriteiten gesteld. Daarbij zal een goede balans moeten worden gevonden tussen dienstverlening en handhaving door de Kustwacht.
De Kustwacht nieuwe stijl krijgt de beschikking over twee douaneschepen, vier marineschepen, een schip van het departement van Verkeer en Waterstaat, een schip van het departement van LNV, alle reddingsboten van de KNRM, de vliegtuigen van Rijkswaterstaat en helikopters van de marine, het KLPD en van particulieren. Deze schepen en vliegtuigen worden deels permanent ingebracht en exclusief ter beschikking gesteld aan de Kustwacht. Deels bestaat er een trekkingsrecht op grond waarvan de Kustwacht een bepaald aantal dagen per jaar onvoorwaardelijk de beschikking heeft over het materieel. Het ministerie van Defensie zorgt voor de bemanning. Verder leveren de verschillende departementen opstappers, buitengewone opsporingsambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid. Bij de evaluatie in 2009 en trouwens ook bij de jaarlijkse tussenrapportages zal worden aangegeven hoe deze werkwijze uitpakt. Uiteindelijk kan overwogen worden om al het personeel bij de Kustwacht onder te brengen.
Er wordt duizenden keren per jaar alarm geslagen. De Kustwacht evacueert bijvoorbeeld zo’n 80 keer per jaar mensen van zee om medische redenen, rukt zo’n 1400 keer uit voor search and rescue en voert ongeveer 900 keer controles uit op visserijschepen. De activiteiten van de Kustwacht worden precies geregistreerd en worden van jaar tot jaar vergeleken. Vanaf nu zullen de activiteiten zelfs van maand tot maand worden vergeleken.
De minister van Verkeer en Waterstaat coördineert het beleid en de minister van Defensie is verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan door de directeur Kustwacht. De laatste is operationeel verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken van de Kustwacht, voert het activiteitenplan uit en zorgt ervoor dat er informatiegestuurd wordt opgetreden. Bij de dagelijkse uitvoering werkt hij samen met de voorzitter van de Permanente Kontaktgroep Handhaving Noordzee en de hoofdingenieur-directeur van de Dienst Noordzee.
Op zichzelf voelt de minister er wel voor om de schepen van de Kustwacht ook als zodanig herkenbaar te laten zijn en het personeel dezelfde opleiding te laten volgen en ook bij de Kustwacht onder te brengen. In de toekomst zal bekeken worden of dit inderdaad wenselijk is en, zo ja, hoe een en ander kan worden gerealiseerd. In eerste instantie zal echter de nu voorliggende samenwerkingsvorm in praktijk worden gebracht.
De activiteiten van de Kustwacht worden nu middels de lopende begroting van de betrokken departementen gefinancierd. Hieruit kan het beschikbare budget worden afgeleid. In de begroting voor 2007 zullen de budgetten voor de Kustwacht beter met elkaar in verband worden gebracht. Dan zal ook blijken of er efficiencywinsten worden behaald en, zo ja, waar. Als er winsten worden behaald, zal vervolgens worden bekeken of de kwaliteit daarmee kan worden verbeterd.
Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD) concludeert dat de voorliggende plannen een stap vooruit vormen op weg naar meer veiligheid op de Noordzee. Het is een goede zaak dat het personeel ook positief staat tegenover de omvorming van de Kustwacht. Mevrouw Dezentjé ziet met belangstelling uit naar een voorstel voor de inrichting van een civiele rederij. Verder wil zij op enig moment ook graag horen of de Kustwacht over voldoende juridische instrumenten beschikt om het werk goed te kunnen doen.
De heer Van Hijum (CDA) vindt het van belang dat de onderhavige plannen voor omvorming van de Kustwacht daadwerkelijk worden uitgevoerd en wenst alle betrokkenen daarbij succes omdat er nog wel wat slagen gemaakt zullen moeten worden. Er lijkt trouwens enig licht te zitten tussen de benadering door de beide bewindslieden van het werken met opstappers van de verschillende betrokken diensten. Dit is juist een goede werkwijze, ook met het oog op de uitwisselbaarheid van personeel.
De minister van Verkeer en Waterstaat benadrukt dat in eerste instantie met opstappers zal worden gewerkt en dat aan de hand van de evaluatie zal worden bekeken of er op het punt van personeel en opleiding nog stappen moeten worden gezet. Haar inzet op dit punt is dezelfde als die van de minister van Defensie.
De minister van Defensie merkt nog op dat de Kustwacht nieuw stijl officieel op 1 januari 2007 van start gaat, maar dat dit in de praktijk al eerder zal gebeuren. Hij nodigt de leden uit om de officiële openingshandeling door de minister van Verkeer en Waterstaat bij te wonen. Desgevraagd zegt hij toe dat de Kamer volgend voorjaar een brief zal ontvangen over de voortgang van de hele operatie.
De voorzitter concludeert dat de Kamer bij de begroting 2007 en in de toegezegde brief op de hoogte zal worden gehouden van de voortgang van de hele omvormingsoperatie en dat zij in 2008 een voortgangsrapportage zal ontvangen.
Samenstelling:
Leden: Duivesteijn (PvdA), Crone (PvdA), Bakker (D66), ondervoorzitter, Rouvoet (ChristenUnie), Bibi de Vries (VVD), voorzitter, De Haan (CDA), Atsma (CDA), Vendrik (GroenLinks), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), De Pater-van der Meer (CDA), Van As (LPF), Rambocus (CDA), Gerkens (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), Stuurman (PvdA), Heemskerk (PvdA), Hermans (LPF), Van Dam (PvdA), Schippers (VVD) en Nijs (VVD).
Plv. leden: Noorman-den Uyl (PvdA), Fierens (PvdA), Dittrich (D66), Van der Vlies (SGP), Van Egerschot (VVD), Mosterd (CDA), Kortenhorst (CDA), Van Gent (GroenLinks), Duyvendak (GroenLinks), Dezentjé Hamming (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Ferrier (CDA), Eerdmans (LPF), Omtzigt (CDA), Vergeer (SP), Jan de Vries (CDA), Mastwijk (CDA), De Krom (VVD), Smeets (PvdA), Van Heemst (PvdA), Smits (PvdA), Boelhouwer (PvdA), Varela (LPF), Kalsbeek (PvdA), Van Beek (VVD) en Hofstra (VVD).
Samenstelling:
Leden: Klaas de Vries (PvdA), Bakker (D66), Koenders (PvdA), Van Beek (VVD), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), voorzitter, Balemans (VVD), Van Baalen (VVD), Snijder-Hazelhoff (VVD), Van Winsen (CDA), Van den Brink (LPF), Mastwijk (CDA), Herben (LPF), ondervoorzitter, Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP), Algra (CDA), Haverkamp (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Straub (PvdA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Brinkel (CDA) en Szabó (VVD).
Plv. leden: Van Dam (PvdA), Van der Laan (D66), Waalkens (PvdA), Lenards (VVD), Halsema (GroenLinks), Fierens (PvdA), Meijer (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Visser (VVD), Oplaat (VVD), De Haan (CDA), Kraneveldt (LPF), Smilde (CDA), Hermans (LPF), Vendrik (GroenLinks), Knops (CDA), Van der Staaij (SGP), De Wit (SP), Jan de Vries (CDA), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Van Heemst (PvdA), Tichelaar (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Jonker (CDA) en Veenendaal (VVD).
Samenstelling:
Leden: Duivesteijn (PvdA), Dijksma (PvdA), Hofstra (VVD), ondervoorzitter, Atsma (CDA), voorzitter, Van Gent (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Depla (PvdA), Van As (LPF), Mastwijk (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Koopmans (CDA), Gerkens (SP), Van Lith (CDA), Van der Ham (D66), Haverkamp (CDA), Boelhouwer (PvdA), De Krom (VVD), Verdaas (PvdA), Hermans (LPF), Dezentjé Hamming (VVD), Van Hijum (CDA), Roefs (PvdA), Van der Sande (VVD), Lenards (VVD) en Knops (CDA).
Plv. leden: Heemskerk (PvdA), Samsom (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Hessels (CDA), Vos (GroenLinks), Smeets (PvdA), Slob (ChristenUnie), Waalkens (PvdA), Herben (LPF), Van Winsen (CDA), Halsema (GroenLinks), Jager (CDA), Vergeer (SP), Van Haersma Buma (CDA), Bakker (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Van Dam (PvdA), Van Beek (VVD), Dubbelboer (PvdA), Van den Brink (LPF), Luchtenveld (VVD), Buijs (CDA), Van Dijken (PvdA), Szabó (VVD), Aptroot (VVD) en Ten Hoopen (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30060-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.