Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 30047 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 30047 nr. 2 |
24 maart 2005
| Missie | 5 | |
| Voorwoord | 6 | |
| 1 | Organisatie | 8 |
| 1.1 | Positie in het staatsbestel | 8 |
| 1.2 | Strategie 2004 – 2009 | 8 |
| 1.3 | Monitoring en onderwerpselectie | 11 |
| 1.4 | Terugblik | 12 |
| 1.5 | Evaluatie vorige strategie | 13 |
| 1.6 | Organogram | 14 |
| 1.7 | College en managementteam | 14 |
| 2 | Onderzoek naar het functioneren van de overheid | 16 |
| 2.1 | Verantwoordingsdag 2004 | 17 |
| 2.2 | Personele uitgaven voor hogere ambtenaren van OCW | 18 |
| 2.3 | EU-trendrapport 2004 | 19 |
| 2.4 | Geluidsisolatie Schiphol fase 2 | 20 |
| 2.5 | Publiek geld publiek verantwoorden | 21 |
| 2.6 | Commissie-Duivesteijn | 21 |
| 3 | Onderzoek naar het presteren van de overheid | 23 |
| 3.1 | Groene stroom | 24 |
| 3.2 | Convenanten uitgaansgeweld | 25 |
| 3.3 | Bemiddeling en reïntegratie werklozen | 25 |
| 3.4 | Beveiliging militaire objecten | 27 |
| 3.5 | Debat Eerste Kamer en regering over Tussen beleid en uitvoering | 27 |
| 4 | Projecten in binnen- en buitenland | 28 |
| 4.1 | Lokale rekenkamers | 28 |
| 4.2 | Waar is de Algemene Rekenkamer actief? | 29 |
| 4.3 | Rekenkamers uit hele wereld vergaderen in Boedapest | 31 |
| 4.4 | Afstemming presidenten van Europese rekenkamers en de Europese Rekenkamer | 32 |
| 4.5 | Externe controle Kosovo | 33 |
| 4.6 | Controleaanpak voor ontwikkelingshulp | 33 |
| 4.7 | Rwanda | 33 |
| 5 | Bedrijfsvoering | 34 |
| 5.1 | Mededeling bedrijfsvoering | 34 |
| 5.2 | Financiën | 35 |
| 5.3 | Personeel | 35 |
| 5.4 | Beveiligingsproject | 40 |
| 5.5 | Kwaliteitszorg | 40 |
| 5.6 | Documentvolgsysteem | 40 |
| 5.7 | Communicatie | 40 |
| Bijlage | Overzicht publicaties 2004 | 43 |
De Algemene Rekenkamer heeft als doel het rechtmatig, doelmatig, doeltreffend en integer functioneren van het Rijk en de daarmee verbonden organen te toetsten en te verbeteren. Daarbij toetst zij ook de nakoming van verplichtingen die Nederland in internationaal verband is aangegaan. Zij voorziet daartoe de regering, de Staten-Generaal en degenen die verantwoordelijk zijn voor de gecontroleerde organen van op onderzoek en onderzoekservaring gebaseerde informatie.
Deze informatie bestaat uit onderzoeksbevindingen, oordelen en aanbevelingen over organisatie, beheer en beleid en is in beginsel publiek toegankelijk. Daarnaast is het haar verantwoordelijkheid om een bijdrage te leveren aan goed openbaar bestuur door kennisuitwisseling en samenwerking in binnen- en buitenland.
Kwaliteit, betrouwbaarheid en bruikbaarheid ziet de Algemene Rekenkamer als belangrijke kenmerken van haar producten. Onafhankelijkheid, doelmatigheid en doeltreffendheid zijn de belangrijkste kenmerken van haar werkwijze.
De Algemene Rekenkamer beoogt een transparante organisatie te zijn die voortdurend in de kwaliteit van haar medewerkers en methoden investeert.
Burgers willen graag een betrouwbare overheid. Maar de overheid heeft zich tegenwoordig in zoveel verschillende jasjes gehuld, dat het voor de burger lang niet altijd duidelijk is of hij of zij wel met «de overheid» van doen heeft: vertegenwoordigt het CWI de overheid of is het een bedrijf? En het UWV? De sociale werkplaatsen? Het parkeerbeheer? Het stads- en streekvervoer?
En áls het dan om de overheid blijkt te gaan, wélke overheid is dat dan? De gemeente? De provincie? Het Rijk? De overheid heeft haar taken over zoveel verschillende schijven verdeeld dat veel burgers er geen wijs meer uit worden. Of sterker nog, vaak hebben ze met een combinatie van een overheidsinstelling en een niet-overheidsinstelling van doen. Dat soort samenwerkingsverbanden hebben het dikwijls zelf al moeilijk om uit elkaar te houden wie waarvoor nu exact verantwoordelijk is – laat staan dat een burger er een touw aan kan vastknopen. De kluwen wordt helemaal onontwarbaar als sommige stukken van de dienstverlening op commerciële basis geleverd worden en andere door overheden, semi-overheden en particuliere stichtingen en verenigingen.
Essentieel voor een betrouwbare overheid is dat deze zich bekommert om de informatiepositie die de burger inneemt. Om zich bijvoorbeeld als een goede zorgconsument te kunnen gedragen, moet de burger kennis hebben over het zorgstelsel zelf en ook over zorgverzekeraars en zorgaanbieders, zoals ziekenhuizen. Om de burger te helpen hierin de weg te vinden, heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onlangs een website gelanceerd. Dat is een mooi begin.
Ook op andere terreinen, zoals kinderopvang en energievoorziening, verwacht de overheid dat actieve burgers zelf hun weg weten te vinden. Het is maar de vraag of álle burgers aan dit verwachtingspatroon kunnen voldoen. Dit kan leiden tot onzekerheid bij mensen die afhankelijk zijn van de overheid. En dat op zijn beurt kan weer tot afnemend vertrouwen in de overheid leiden. Ook de Nationale ombudsman vraagt in zijn Jaarverslag 2004 aandacht voor de informatieverstrekking aan de burger.
Voor het rapport Bemiddeling en reïntegratie van werklozen, dat wij vorig jaar publiceerden, hebben we alle brochures en folders gelezen die cliënten van de verschillende instanties kregen over hun rechten en plichten, en over wat zij van een instantie mochten verwachten. Uiteindelijk hebben we één plaatje samengesteld over de gehele procedure. Dat leverde ons in elk geval één dankbare burger op, die ons mailde dat hij nu eindelijk snapte in welke procedure hij beland was.
De overheid beschikt over monopolies die een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengen. In het rapport Handhaven en gedogen, dat wij tegelijk met dit Verslag 2004 publiceren, is bijvoorbeeld het vervoer van gevaarlijke stoffen aan de orde. Bij vergunningverlening daarvoor speelt risico-inschatting een belangrijke rol. Burgers kunnen dat op individuele basis niet zelf en moeten noodzakelijkerwijs vertrouwen op een verantwoorde afweging van belangen door overheden. Juist in dergelijke situaties (monopolie én afweging van belangen) rust nog meer dan anders op de overheid de plicht de informatiepositie van de burger goed in het oog te houden: is duidelijk welke risico's genomen worden, is duidelijk wie de grens bewaakt en is de burger over beide aspecten glashelder geïnformeerd?
Als er iets fout gaat, is uitleg achteraf niet goed genoeg. Communicatie vooraf – hoe lastig, misschien zelfs pijnlijk ook – is de enige remedie. Vertrouwen is immers niet te koop. Dat moet je verdienen.
Saskia J. Stuiveling
President Algemene Rekenkamer
Maart 2005
Het budget van de Algemene Rekenkamer komt uit publieke middelen. Daarom vinden we het belangrijk om ons jaarlijks te verantwoorden over wat we doen. In dit Verslag verantwoorden we ons over onze werkzaamheden in 2004.
Dit hoofdstuk geeft een korte toelichting op onze positie in het staatsbestel en onze strategie voor de komende jaren. Ook staan we stil bij de effecten van onze onderzoeken en onze nieuwe werkwijze om de voortgang van onze aanbevelingen te volgen.
1.1 Positie in het staatsbestel
Binnen het staatsbestel neemt de Algemene Rekenkamer een aparte positie in. We zijn een Hoog College van Staat, net als de Eerste en de Tweede Kamer, de Raad van State en de Nationale ombudsman. Deze colleges, elk met een onafhankelijke positie, zijn ingesteld om de democratische rechtsstaat goed te laten functioneren.
De Grondwet draagt de Algemene Rekenkamer op om de ontvangsten en uitgaven van het Rijk te onderzoeken (artikel 76). In de Grondwet is ook geregeld dat bij wet andere taken aan de Algemene Rekenkamer kunnen worden opgedragen. De taak om de ontvangsten en uitgaven van het Rijk te onderzoeken heeft van oudsher vooral in het rechtmatigheidsonderzoek vorm gekregen. Geleidelijk aan zijn ook de doelmatigheid en doeltreffendheid in het onderzoek betrokken.
De grondwettelijke taak van de Algemene Rekenkamer is in de Comptabiliteitswet 2001 uitgewerkt. In deze wet zijn het rechtmatigheids-, doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoek verankerd.De Algemene Rekenkamer bepaalt jaarlijks zelfstandig haar onderzoeksprogramma. Ook bepalen we zelf wat we daarvan openbaar maken. We mogen niet alleen bij de rijksoverheid onderzoek doen, maar ook bij zelfstandige organisaties die met publiek geld een publieke taak uitvoeren, en bij particulieren, bedrijven en overheden die Europese subsidies ontvangen.
We staan op enige afstand van het dagelijkse politieke bedrijf en kunnen zo, los van de politieke agenda, onderwerpen onder de loep nemen. Het parlement en het kabinet zijn onze belangrijkste klanten. We zien het als onze taak om Tweede-Kamerleden te voorzien van bruikbare en relevante informatie waarmee zij kunnen bepalen of het beleid van een minister goed is uitgevoerd (rechtmatig, doelmatig en doeltreffend). Het doel van onderzoek is niet alleen om er rapporten over te schrijven, maar ook om ze als aangrijpingspunt te gebruiken om samen met anderen mee te denken en te praten over oplossingen en ontwikkelingen.
Het jaar 2004 is het eerste jaar waarin onze nieuwe strategie, Presteren en functioneren van het openbaar bestuur, van kracht is. Daarmee zijn we een nieuwe weg ingeslagen. «Goed openbaar bestuur» staat centraal in ons werk.
De Verenigde Naties hebben acht kenmerken van goed openbaar bestuur benoemd. Op basis van onze wettelijke taak rekenen wij er vier tot ons domein: «transparantie», «publieke verantwoording», «effectiviteit en efficiëntie» en «vraaggerichtheid». Deze aspecten hebben wij vertaald in de twee pijlers waarop onze strategie steunt: «Verantwoording en toezicht» en «Aansluiting van beleid en uitvoering».

Strategische pijler «Functioneren openbaar bestuur»
Onder de noemers «systematisch bijdragen aan verbetering begroting en verantwoording» en «sluitend maken van ketens verantwoording en toezicht» richten we onze activiteiten op het beoordelen van de manier waarop ministers zich verantwoorden tegenover de Tweede Kamer. Ook kijken we hoe instellingen die geld krijgen van de rijksoverheid (denk bijvoorbeeld aan instellingen in het onderwijs en de gezondheidszorg) zich verantwoorden over dit publieke geld. De vraag voor ons is daarbij hoe de overheid toeziet op de naleving van de wet. Onze hoofdactiviteit binnen deze pijler is ons jaarlijkse rechtmatigheidsonderzoek: de beoordeling van de rijksrekening en van de jaarverslagen van de ministeries.
Strategische pijler «Presteren openbaar bestuur»
Onder de noemer «aansluiting van beleid en uitvoering» vallen activiteiten waarbij wij ons richten op de prestaties en effecten van de overheid. Wordt het beleid uitgevoerd zoals afgesproken, gebeurt dit goed en leidt het tot de resultaten die bedoeld waren? En als dit niet het geval is: wat zijn mogelijke verklaringen daarvoor?
Wij nemen in dit kader bij voorkeur onderwerpen onder de loep waarbij basisvoorzieningen voor de burger in het geding zijn. Daar worden de gevolgen van een gebrekkige aansluiting van beleid en uitvoering het hardst gevoeld. Daarom geven wij prioriteit aan onderzoek naar publieke voorzieningen. Veiligheid is een tweede prioriteit. Het terrein van duurzame ontwikkeling hebben we als derde prioriteit gekozen.
De strategie brengt een aantal veranderingen met zich mee voor ons onderzoeksproces:
• Programmeren vanuit maatschappelijke problemen
• Bij de programmering van onderzoek nemen we een probleem dat in de samenleving speelt als uitgangspunt. Het onderzoek richt zich in belangrijke mate op de door de rijksoverheid in het vooruitzicht gestelde prestaties.
• Zoeken naar verklaringen
• We stellen niet alleen vast óf er een kloof is tussen een bepaald beleid en de uitvoering daarvan, maar we bieden ook – gesteld dat we een kloof signaleren – inzicht in de oorzaken van zo'n kloof: waarom wordt het beleid niet uitgevoerd zoals gepland, waarom worden doelen niet gerealiseerd?
• Werken vanuit een effectiviteitsstrategie
• We zoeken een goede vorm en timing voor onze informatie.
Onderstaande tabel vermeldt welke activiteiten we in 2004 binnen onze strategie gepland en gerealiseerd hebben en welke capaciteit daarmee was gemoeid in 2004 en eventueel voorafgaande jaren.
Tabel 1: Doelstellingen, prestaties en kosten
| Terrein | Effectdoelstellingen | Prestatiedoelstellingen | Aantal projecten | Kosten in dagen* | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | gepland | gerealiseerd | |||
| Functioneren openbaar bestuur | Systematisch bijdragen aan verbetering begroting en verantwoording | Rijk verantwoord 2003 | 1 | 1 | 70 | 35 |
| Rapporten bij de Jaarverslagen 2003 | 24 | 24 | 4 642 | 4 976 | ||
| Staat van de beleidsinformatie 2004 | 1 | 1 | 831 | 1 034 | ||
| Rechtmatigheidsonderzoeken | 1 | 2 | 474 | 929 | ||
| Sluitend maken ketens toezicht en verantwoording | EU-trendrapport 2004 | 1 | 1 | 601 | 610 | |
| Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak, deel 4 | 1 | 1 | 1 677 | 1 633 | ||
| Rechtmatigheidsonderzoeken | 10 | 7 | 3 456 | 3 009 | ||
| Subtotaal | 39 | 37 | 11 724 | 12 226 | ||
| Presteren openbaar bestuur | Aansluiting van beleid en uitvoering | Onderzoek naar publieke voorzieningen | 6 | 3 | 2 229 | 1 371 |
| Onderzoek naar veiligheid | 3 | 2 | 1 203 | 953 | ||
| Onderzoek naar duurzame ontwikkeling | 2 | 1 | 960 | 486 | ||
| Diverse doelmatigheidsonderzoeken | 2 | 1 | 402 | 222 | ||
| Subtotaal | 13 | 7 | 4 794 | 3 032 | ||
| Totaal | 52 | 44 | 16 518 | 15 258 | ||
* Het aantal dagen dat in totaal in 2004 en in voorgaande jaren aan de desbetreffende projecten is besteed.
1.3 Monitoring en onderwerpselectie
Om binnen het kader van onze strategie tot de juiste onderwerpkeuzes voor ons onderzoek te komen, monitoren we belangrijke ontwikkelingen om ons heen. In 2004 hebben we onderzocht hoe we dit monitoringsysteem verder kunnen professionaliseren. Verbeterpunten zijn: het duiden van de ontwikkelingen voor ons werk (leggen we de juiste accenten in ons werk bijvoorbeeld) en het beter ontsluiten van deze kennis en informatie binnen de organisatie. Er is geëxperimenteerd met andere producten, zoals een «issuematrix» waarop ontwikkelingen kunnen worden «gescoord» op hun potentiële maatschappelijke gevolgen. In 2005 wordt deze nieuwe werkwijze verder in de organisatie geïntroduceerd en uitgebreid met een geïntegreerde risicoanalyse: de onderkende issues worden dan afgezet tegen de (potentiële) risico's die wij door middel van onderzoek kunnen beoordelen.
Bij de selectie van onderzoeksthema's binnen de twee pijlers is een aantal factoren relevant. Naarmate onderstaande criteria meer op een onderwerp van toepassing zijn, komt het meer in aanmerking door ons onderzocht te worden:
• onze activiteiten hebben maatschappelijke meerwaarde;
• het gaat om een complexe beleidsketen;
• er is sprake van risico's;
• het gaat om een terrein waar wij unieke bevoegdheden hebben;
• het betreft een structurele interventie;
• er is een aanzienlijk financieel belang mee gemoeid.
Onze onderzoeksrapporten bevatten standaard een aantal aanbevelingen gericht op de oplossing van problemen die wij hebben gesignaleerd. Ministers zeggen soms naar aanleiding van deze aanbevelingen concrete acties toe, soms ook niet. Wat gebeurt er met de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer en de toezeggingen van bewindspersonen na de publicatie van ons rapport? Hebben onze aanbevelingen geholpen?
Voor ons belangrijke vragen, waarop we graag het antwoord willen weten. Niet alleen omdat de problemen die wij signaleren om een oplossing vragen, maar ook om te kunnen beoordelen of onze aanbevelingen aan hun doel beantwoorden: zijn ze concreet genoeg, kunnen de ministeries er iets mee?
In 2004 hebben wij een systeem opgezet om de effecten van onze aanbevelingen te bepalen. We monitoren over een langere periode – zonodig vijf jaar of langer – of ministeries onze aanbevelingen opvolgen en hun toezeggingen nakomen. We voeren daarvoor niet alleen gesprekken met ambtenaren, maar steunen ook zoveel mogelijk op de (voortgangs)informatie van de ministeries zelf.
We bekijken voor ieder onderzoek afzonderlijk hoe vaak we terugkomen en welke aanbevelingen en toezeggingen we volgen. Dat is ook logisch: sommige aanbevelingen gaan over zaken die jaren nodig hebben om hun beslag te krijgen, andere aanbevelingen kunnen op veel kortere termijn gerealiseerd worden.
De resultaten van deze monitoractiviteiten maken we openbaar in de vorm van korte rapportages die we onder andere op onze website publiceren. De eerste 11 rapportages met de Terugblik 2005 publiceren wij tegelijk met dit Verslag 2004. Ze gaan over de volgende onderzoeken:
• Effectiviteit energiebesparingsbeleid in de glastuinbouw (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 780)
• Uitwisseling opsporings- en terrorisme-informatie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 845)
• Communicatienetwerk C2000 en Geïntegreerd Meldkamersysteem (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 970)
• Alleenstaande ouders in de bijstand (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 875)
• Dementerenden en de wet BOPZ (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 950)
• Wonen, zorg en welzijn van ouderen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 951)
• Risicoreservering HSL-Zuid en Betuwelijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 724)
• Rijksbeleid stedelijke vernieuwing (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 211)
• Visumverlening in Schengenverband (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 260)
• Personeelsvoorziening krijgsmacht (december 2003)
• ICT bij de politie (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 350).
Criterium voor de selectie van deze onderzoeken was de periode waarin deze rapporten verschenen zijn. Deze periode liep van 1 april 2003 tot 1 april 2004. Uiteindelijk gaat het ons om het oplossen van gesignaleerde (maatschappelijke) problemen. Voor dergelijke resultaten is het echter vaak nog te vroeg. Wat we al wel kunnen zien is of de ministers de gedane toezeggingen zijn nagekomen en actie hebben ondernomen. Dat laatste blijkt overwegend het geval te zijn.
Vaak ondernemen ministeries of instellingen al op korte termijn actie naar aanleiding van aanbevelingen en toezeggingen. Soms blijven bestuurlijke toezeggingen uit, maar gaan ministeries of instellingen toch aan de slag met de aanbevelingen. Ze ondernemen veel acties om de (kwaliteit van) de informatievoorziening te verbeteren. Het gaat dan om informatievoorziening aan de Tweede Kamer, om informatie-uitwisseling tussen organisaties en ook om informatie, die vanuit lagere overheden en instellingen naar de ministeries komt. Ook aan (de kwaliteit van de begrotingen) wordt gewerkt en aan het vergroten van het inzicht in doelstellingen en prestaties van beleid.
Wanneer acties uitblijven, is dat in een enkel geval omdat ministers het oneens zijn met onze aanbevelingen. Voor ons is dat een signaal om iets mee te doen in nieuw op te leveren rapporten. We streven immers niet naar méér, maar naar kwalitatief beter uitvoerbaar en uitgevoerd beleid, dit met het oog op goed openbaar bestuur. Zo hebben wij aangedrongen op aanpassingen in het wettelijk kader bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) om de werkbaarheid in de praktijk van de zorg voor dementerenden te verbeteren.
Het onderzoek Effectiviteit energiebesparingsbeleid in de glastuinbouw uit 2003 is een uitzondering op de geschetste positieve lijn in de acties volgend op onze aanbevelingen. Dit rapport heeft tot veel discussies geleid. Onze aanbevelingen hebben weinig toezeggingen van de verantwoordelijke ministers tot gevolg gehad. De door ons geconstateerde problemen op het gebied van het energiebesparingsbeleid in de glastuinbouw zijn echter nog niet opgelost. We zullen dan ook terugkomen op de uitstoot van broeikasgassen. We zien uit naar vruchtbare uitwisseling met ministeries en onderzoeksinstanties om de vaak moeilijk meetbare effecten van dergelijk beleid in kaart te blijven brengen en de methoden om dat te doen een stap verder te helpen.
1.5 Evaluatie vorige strategie
Onze vorige strategie, die gold voor de periode van 1999 tot en met 2003, hebben we in 2004 geëvalueerd. De strategie betrof meer dan het onderzoek alleen en was bedoeld om de eenheid binnen de Algemene Rekenkamer te vergroten en de organisatie meer als één geheel aan te sturen. De strategie vormde ons werkkader. In combinatie met Rekenkamerbrede overlegstructuren heeft dit werkkader de eenheid binnen de Algemene Rekenkamer versterkt.
Met de uitvoering van de strategie 1999–2003 hebben we belangrijke onderdelen van onze indertijd geformuleerde doelstellingen gerealiseerd. Een greep:
– Het niveau van de rechtmatigheid bij het Rijk is bestendigd. De Algemene Rekenkamer heeft actief het VBTB-ontwikkelingsproces gestimuleerd. Dat heeft geleid tot betere begrotings- en verantwoordingsinformatie.
– Bij rechtspersonen met een wettelijke taak is een positieve ontwikkeling gaande op het gebied van verantwoording en toezicht.
– Met haar jaarlijkse EU-trendrapporten zorgt de Algemene Rekenkamer voor structurele aandacht voor de controle op de Europese geldstromen.

College en managementteam van de Algemene Rekenkamer:
Maurits de Brauw, secretaris
Gerrit de Jong, collegelid
Saskia J. Stuiveling, president
Pieter Zevenbergen, collegelid
Anneke van Zanen-Nieberg, onderzoeksdirecteur directie I
Cees Vermeer, onderzoeksdirecteur directie III
Peter van der Knaap, onderzoeksdirecteur directie II
Roel Praat, stafdirecteur Beleid en Communicatie
Karel te Lindert, stafdirecteur Bedrijfsvoering
Per 1 april 2004 is Peter van der Knaap in dienst getreden als directeur van de onderzoeksdirectie II. Hij volgde Hans de Groot op, die werd benoemd als het Nederlandse lid van de International Board of Auditors for NATO in Brussel. Van der Knaap was eerder hoofd van de afdeling Beleidsevaluatie en -instrumentatie van het Ministerie van Financiën.
In 2004 zijn Paul Doop en Mark van Twist beëdigd als collegeleden in buitengewone dienst. Collegeleden in buitengewone dienst kunnen onderzoeken begeleiden, verrichten externe werkzaamheden of treden op als vervanger van een collegelid. Zij vervullen deze functie doorgaans naast een reguliere betrekking. Paul Doop is partner bij Deloitte en heeft de functie van marktdirecteur Public Sector. Mark van Twist heeft als hoofdfunctie directeur van Berenschot Procesmanagement B.V., onderdeel van de Berenschot Groep.
Vanwege het aanvaarden van een functie in Praag is Bob van Nes per 1 januari 2005 afgetreden als collegelid in buitengewone dienst.
2 ONDERZOEK NAAR HET FUNCTIONEREN VAN DE OVERHEID
De taken van de Algemene Rekenkamer zijn vastgelegd in de Comptabiliteitswet 2001. Deze wet draagt ons onder meer op om jaarlijks te onderzoeken of het financieel beheer en het materieelbeheer van de ministeries voldoen aan de eisen van rechtmatigheid, ordelijkheid en controleerbaarheid. Daartoe beoordeelt de Algemene Rekenkamer de jaarverslagen van de ministeries. Ook kijken we hoe instellingen die geld krijgen van de rijksoverheid zich verantwoorden over dit publieke geld.
De wet geeft ons voorts de mogelijkheid om bij instellingen die een subsidie van het Rijk ontvangen het beheer en de besteding van die subsidie te onderzoeken.
Met bovengenoemde activiteiten wil de Algemene Rekenkamer eraan bijdragen dat bij de rijksoverheid het proces van begroten en verantwoorden, en ook het toezicht daarop, verder verbetert. Dit hoofdstuk beschrijft een aantal onderzoeken dat wij op dit terrein in 2004 hebben gepubliceerd.
Systematisch bijdragen aan verbetering begroting en verantwoording
| Onderwerp | Tweede Kamernummer | Publicatiedatum | Kosten in dagen1 | ||
|---|---|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | gepland | gerealiseerd | ||
| Rapporten bij de jaarverslagen 2003 (24 rapporten) | 29 540 | 19 mei 2004 | 19 mei 2004 | 4 642 | 4 976 |
| Rijk verantwoord 2003 | 29 540 | 19 mei 2004 | 19 mei 2004 | 70 | 35 |
| Staat van de beleidsinformatie 2004 | 19 mei 2004 | 19 mei 2004 | 831 | 1 034 | |
| Personele uitgaven aan hogere ambtenaren van het Ministerie van OCW | 29 740 | 9 september 2004 | 9 september 2004 | 0 | 314 |
| Fraudebestrijding: stand van zaken 2004 | 29 810 | 30 november 2004 | 30 september 2004 | 447 | 615 |
| Totaal | 5 990 | 6 974 | |||
1 Het aantal dagen dat in totaal in 2004 en in voorgaande jaren aan de desbetreffende projecten is besteed.
Sluitend maken ketens toezicht en verantwoording
| Onderwerp | Tweede Kamernummer | Publicatiedatum | Kosten in dagen1 | ||
|---|---|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | gepland | gerealiseerd | ||
| EU-trendrapport 2004 | 29 430 | 12 februari 2004 | 12 februari 2004 | 601 | 610 |
| Midden- en Oost -Europa | 29 430 | 12 februari 2004 | 12 februari 2004 | 214 | 248 |
| Geluidsisolatie Schiphol fase 2 | 29 750 | 10 juni 2004 | 15 september 2004 | 292 | 573 |
| Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak, deel 4 en achtergrondstudie Verbreding van de publieke verantwoording | 29 450 | 10 maart 2004 | 10 maart 2004 | 1 677 | 1 633 |
| Sturing en verantwoording Sociale Verzekeringsbank | 29 450 | 10 maart 2004 | 10 maart 2004 | 217 | 297 |
| Zicht op prestaties van de Autoriteit Financiële Markten bij het tegengaan van oneerlijke effectenhandel | 29 635 | 8 april 2004 | 15 juni 2004 | 200 | 236 |
| Fysieke controles op Europese subsidies voor boter | 29 735 | 2 september 2004 | 2 september 2004 | 569 | 562 |
| Aandacht voor financiële gevolgen van Europees beleid | 29 751 | 17 juni 2004 | 16 september 2004 | 516 | 651 |
| Toezicht op Luchtverkeersleiding Nederland | 29 825 | 15 september 2004 | 7 oktober 2004 | 307 | 442 |
| Totaal | 4 593 | 5 252 | |||
2 Het aantal dagen dat in totaal in 2004 en in voorgaande jaren aan de desbetreffende projecten is besteed.
Elk jaar voert de Algemene Rekenkamer rechtmatigheidsonderzoek uit bij de rijksoverheid. We onderzoeken dan of de ministeries het publieke geld dat zij beheren volgens de begrotingswetten hebben geïnd en besteed. Dit rechtmatigheidsonderzoek leidt uiteindelijk tot de goedkeuring van het Financieel jaarverslag van het Rijk. Het rechtmatigheidsonderzoek wordt op de derde woensdag van mei, Verantwoordingsdag, in de Tweede Kamer gepresenteerd. Het geeft de Staten-Generaal de informatie die nodig is om de ministers decharge te verlenen, het sluitstuk van de begrotingscyclus – een cyclus die ieder jaar begint op Prinsjesdag (de derde dinsdag van september), als de minister van Financiën de begroting bij de Staten-Generaal indient.
We maken bij ons onderzoek naar de financiële verantwoording van het Rijk gebruik van de werkzaamheden van de departementale auditdiensten. Mede op basis daarvan bepalen we op welke punten we nog eigen onderzoek willen doen. Verder onderzoeken we de bedrijfsvoering van de ministeries. Een goede bedrijfsvoering is namelijk een belangrijke voorwaarde om tot rechtmatige cijfers en kwalitatief goede beleidsinformatie te komen.
In 2004 heeft het Rijk € 169,4 miljard aan inkomsten verantwoord, en ongeveer eenzelfde bedrag aan uitgaven. We hebben ons oordeel over de wijze waarop deze uitgaven en ontvangsten door de ministeries zijn verantwoord gepubliceerd in 24 rapporten. Deze rapporten betroffen de jaarverslagen van de ministeries en van de verschillende begrotingsfondsen die zij beheren.
Ons onderzoek had betrekking op het controlejaar 2003. We constateerden over dat jaar ten opzichte van 2002 een verbetering in het financieel beheer van de ministeries. Het Rijk bleek in 2003, na de geconstateerde achteruitgang in 2002, weer op koers te liggen. Bij acht van de dertien ministeries was sprake van vooruitgang. Het totaal aantal onvolkomenheden was verminderd van 105 naar 83, en was daarmee weer terug op het niveau van twee jaar daarvoor.
De Algemene Rekenkamer doet in haar rechtmatigheidsonderzoek meer dan alleen (na)rekenen. We kijken ook naar de relatie tussen financiële resultaten, geleverde prestaties en bereikte effecten. Zo willen we inzicht krijgen in de vraag wat de besteding van het overheidsgeld heeft opgeleverd. We verwachten van de ministeries dat zij ook daarover informatie opnemen in hun jaarverslagen.
In de beleidsinformatie die de ministeries over 2003 verstrekten, ligt de nadruk nog steeds op de financiële kant van het beleid en niet op de gerealiseerde effecten van het beleid. Voor slechts 38% van het beleid wordt in de jaarverslagen informatie gegeven over de bereikte resultaten.
2.2 Personele uitgaven voor hogere ambtenaren van OCW
In mei 2004 hebben we er in onze beoordeling van het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) op gewezen dat dit ministerie zijn eigen bezoldigingsregels onvoldoende naleeft wanneer het gaat om ambtenaren in schaal 16 en hoger. Nadat enkele ambtenaren anoniem een brief aan de Tweede Kamer hadden gestuurd waarin zij verwezen naar deze bevinding, kwam de kwestie in de publiciteit. De minister van OCW verzocht ons een onderzoek uit te voeren naar de personele uitgaven aan hoge ambtenaren op dit departement.
In het onderzoek constateerden we dat de personeelsadministratie voor hoge ambtenaren bij OCW over de hele linie niet op orde was. Het departement bleek zich niet goed te houden aan de wetgeving die geldt bij de aanstelling van hoge ambtenaren. Verder ontbraken er gegevens in dossiers, zoals Koninklijke Besluiten en besluiten voor een extra salarisverhoging. Ten slotte bleek dat de afvloeiingsregelingen binnen het Ministerie van OCW niet altijd in overeenstemming waren met de gedragslijn die hiervoor in 1996 door het kabinet is opgesteld. Deze houdt in dat een ministerie tijdens de onderhandelingen met een werknemer tijdig een deskundige inschakelt, bijvoorbeeld de Landsadvocaat of een jurist van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).
In haar reactie op het onderzoek erkende de minister van OCW dat in de personeelsdossiers bepaalde zaken onvoldoende gedocumenteerd waren. Ze zegde toe de administratieve fouten en juridisch-technische onjuistheden te herstellen. Ook is het departement verbeteracties gestart. De minister van BZK zegde in zijn reactie toe begin 2005 een besluit te nemen over de rolverdeling tussen zijn ministerie en die van de vakministeries als het gaat om vertrekregelingen.
De resultaten van ons onderzoek bij OCW vormden voor de minister van BZK aanleiding om zelf een onderzoek bij alle departementen uit te voeren. Dit onderzoek is verricht door de departementale auditdiensten. Naar aanleiding van rapportage hierover heeft de minister van BZK ons in oktober 2004 namens het kabinet gevraagd de uitkomsten en vervolgacties te beoordelen.
Wij hebben de minister geantwoord dat wij graag aan het verzoek voldoen, in het kader van ons onderzoek naar de rechtmatigheid van personele uitgaven van het Rijk. Op basis van onze bevindingen wil het kabinet vervolgens beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn.
De publicatie van dit verzoekonderzoek is voorzien in het voorjaar van 2005.
In februari 2004 kwam de tweede editie uit van het EU-trendrapport, een rapportage waarin we jaarlijks de stand van zaken rondom het beheer van het geld van de Europese Unie (EU) in kaart brengen. Net als in 2003 bleek dat er nog veel verbeterd kan worden. Bij de Brusselse EU-instellingen wordt langzaam vooruitgang geboekt op het terrein van beheer, toezicht en controle, maar in de lidstaten bestaat nog onvoldoende zekerheid over de decentrale besteding van EU-gelden. Ook Nederland kan de vraag of EU-gelden rechtmatig worden besteed nog steeds niet goed te beantwoorden, omdat er weinig informatie beschikbaar is.
Bij de Europese Commissie neemt de aandacht voor een goede verantwoording toe. Maar binnen de EU is er nog steeds meer aandacht voor het maken van beleid dan voor het goed verantwoorden over de uitvoering en over de resultaten.
Er blijkt weinig inzicht te bestaan in de vraag in hoeverre EU-gelden in de lidstaten rechtmatig worden besteed. De Europese Rekenkamer hanteert sinds kort een nieuwe controleaanpak, waardoor er meer bekend is over de rechtmatigheid per sector (bijvoorbeeld landbouw). Maar het is niet mogelijk om per geldstroom of per lidstaat te zien in hoeverre EU-gelden rechtmatig worden uitgegeven.
Nederland geeft in dit opzicht niet het goede voorbeeld. De verantwoording die ons land aan de EU aflegt, is slechts gericht op het voldoen aan de rapportageverplichtingen. De verstrekte informatie is bovendien vaak fragmentarisch. Er is geen nationale verantwoording over de besteding van EU-geld voor Nederland als geheel. De Algemene Rekenkamer heeft het kabinet aanbevolen in de nationale verantwoordingsstukken per jaar en per geldstroom concreet zichtbaar te maken hoe het EU-geld is besteed.
Ook hebben we aangegeven dat naar ons oordeel in de nieuwe EU-grondwet de principes van goed openbaar bestuur beter moeten worden verankerd. Het kabinet heeft in zijn reactie op het rapport beaamd dat de principes van goed openbaar bestuur van belang zijn, maar meent dat deze ook in secundaire regelgeving kunnen worden uitgewerkt.
Het EU-trendrapport 2004 is, in Engelse vertaling, op grote schaal verspreid. Het rapport is geagendeerd bij het Nederlandse parlement , de Europese Rekenkamer, de Europese Commissie en het Europees Parlement. We hebben het rapport ook aangeboden aan onze zusterinstellingen binnen de EU. Een aantal nationale rekenkamers heeft toezeggingen gedaan over toekomstige samenwerking ten behoeve van een coproductie van het EU-trendrapport; iets dat wij toejuichen. Ook de rekenkamers van de tien nieuwe EU-lidstaten hebben positief gereageerd.
2.4 Geluidsisolatie Schiphol fase 2
In september 2004 hebben we op verzoek van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat een onderzoek uitgebracht naar het project «Geluidsisolatie Schiphol fase 2» (GIS-2). Dit woningisolatieproject is de afgelopen jaren uitgevoerd om de geluidsoverlast voor bewoners rond Schiphol te verminderen. GIS-2, zo werd in het onderzoek duidelijk, is duurder uitgevallen dan geraamd doordat het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (VenW) het project onvoldoende heeft aangestuurd en doordat Schiphol en Rijkswaterstaat de uitvoering onvoldoende beheersten.
Van 1997 tot 1999 voerde Schiphol GIS-2 uit. In 2000 nam Rijkswaterstaat deze taak over. De kosten van het project zijn over deze gehele periode gestegen van € 180 miljoen naar € 396 miljoen.
Het project werd gekenmerkt door vertragingen en slecht financieel beheer. In diverse stadia trad vertraging op doordat men werkte met onjuiste aannames over de hoeveelheid werk per woning. De tijdsdruk die daardoor ontstond, heeft onregelmatige (niet-Europese) aanbestedingen tot gevolg gehad, schadeclaims van aannemers die niet op tijd aan het werk konden en onderhandelingen over nieuwe contracten, die duurder uitpakten.
Verder had de projectuitvoering ook te lijden onder tussentijdse beleidswijzigingen, die leidden tot vertraging in de uitvoering. Het Ministerie van VenW werkte niet met een programma van eisen. Ook was er geen taakstellend budget, geen uitvoerbare planning en waren er geen goede voortgangsrapportages. Wél beschikbare sturingsinstrumenten om de kosten te beperken, zoals afspraken over de maximale kosten per woning, zijn om uiteenlopende redenen maar gedeeltelijk toegepast.
Wij hebben de staatssecretaris van VenW aanbevolen om bij nieuw te starten woningisolatieprojecten wijzigingen in het project consequent door te rekenen op hun effect voor de projectscope, -raming, -budget en -planning. Verder raadden wij aan nacalculaties te laten verrichten, bij aanbesteding vooraf voldoende zekerheid te creëren over de werkomvang, en een kritische toets te doen op de hoogte van de prijzen die de aannemer bij aanbesteding indient.
De staatssecretaris kon zich vinden in onze analyse. De president van Schiphol kwam op een aantal onderdelen tot andere oordelen. Zo vond hij dat de vertraging in het begin van de uitvoering van het project vooral te wijten was aan trage politieke besluitvorming, en niet aan Schiphol.
Doordat ons rapport een onafhankelijk en genuanceerd beeld geeft over de vraag wie er «fout» zat, heeft het ertoe bijgedragen dat de Staat en de luchtvaartsector zijn gaan onderhandelen. Verder heeft ons rapport de aandacht gevestigd op de maatregelen die genomen kunnen worden om in de toekomst projecten beter te beheersen.
2.5 Publiek geld publiek verantwoorden
Veel taken die in de wet geregeld zijn worden door instellingen buiten het Rijk uitgevoerd. Denk aan onderwijsinstellingen, ziekenfondsen en politieregio's. Bij elkaar gaat het om 3200 instellingen, die met elkaar ruim € 109 miljard aan gemeenschapsgeld besteden. Wij vinden dat de ministers goed moeten controleren of de instellingen dit geld rechtmatig uitgeven. De instellingen moeten zich goed verantwoorden en hun verantwoordingen voorzien van een rechtmatigheidsoordeel van een accountant.
Sinds 2000 inventariseert de Algemene Rekenkamer in hoeverre dit daadwerkelijk gebeurt. We rapporteren hierover in een reeks rapporten met de titel Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak.
In maart 2004 hebben we het vierde rapport in deze reeks gepubliceerd. Daarin concludeerden we dat instellingen buiten het Rijk, oftewel «rechtspersonen met een wettelijke taak» (RWT's) zich inmiddels beter verantwoorden over de besteding van het publieke geld dat zij beheren, en over de door hen geleverde prestaties. Ook het toezicht op de RWT's is verbeterd. Maar tegelijkertijd is een aantal activiteiten op het gebied van wetgeving, verantwoording en toezicht op RWT's aangehouden in de Staten-Generaal. Er is nog steeds geen sprake van een goed toezicht dat waarborgt dat ruim € 109 miljard aan publiek geld ook publiek verantwoord wordt.
In zijn reactie op het rapport heeft de minister van Financiën laten weten dat de ordening van het beleid en de regelgeving rond zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) en RWT's vertraagd lijkt, maar dat het kabinet in de loop van 2004 een standpunt zal formuleren over dat beleid. De interdepartementale werkgroep «Verzelfstandigde organisaties op rijksniveau» (de werkgroep-Kohnstamm) heeft het eindrapport voor de zomer naar de Tweede Kamer gestuurd. Een kabinetsstandpunt wordt begin van 2005 verwacht.
Op 19 februari 2004 heeft Tweede-Kamerlid Verburg (CDA) een motie ingediend met het verzoek aan de regering om voor de zomer (2004) met voorstellen te komen ter versterking van het toezicht op alle ZBO's. Voor de zomer 2005 komt het kabinet met een nieuwe visie op toezicht.
In een achtergrondstudie bij het vierde deel van ons RWT-rapport hebben we extra aandacht besteed aan het thema «verbreding van de publieke verantwoording». Steeds meer zelfstandige bestuursorganen (ZBO's) en RWT's investeren in andere manieren om de doelmatigheid van hun functioneren, de kwaliteit van de dienstverlening en het vertrouwen van directe belanghebbenden te vergroten. Dat doen zij onder andere door gebruik te maken van kwaliteitsinstrumenten (zoals visitaties en benchmarking), door open oog en oor te hebben voor signalen uit de omgeving (stakeholderdialoog) en maatschappelijk verantwoord te handelen.
In september 2004 hebben collegelid Gerrit de Jong en onderzoeker Rogier Zelle, betrokken bij het Betuwerouteonderzoek uit 2002, gesproken met de Tijdelijke Kamercommissie Infrastructuurprojecten onder voorzitterschap van Tweede-Kamerlid Adri Duivesteijn. Deze commissie heeft onderzocht hoe de Tweede Kamer haar rol bij de besluitvorming over en de controle op de uitvoering van grote infrastructurele projecten kan verbeteren.
Aanleiding voor de uitnodiging om te verschijnen voor de commissie-Duivesteijn waren de uitkomsten van ons rapportRisicoreservering Betuweroute en HSL-Zuid van juni 2003. In dit onderzoek, dat is uitgevoerd op verzoek van de Tweede Kamer, keurdede Algemene Rekenkamer de wijze waarop deze risicoreservering in de verantwoording van het Infrastructuurfonds was gepresenteerd af, omdat nergens duidelijk was aangegeven dat het ging om geld voor de Betuweroute en de HSL-Zuid. Bovendien vonden wij de hoogte van de risicoreservering onvoldoende onderbouwd. Collegelid Gerrit de Jong heeft bij commissie-Duivesteijn aangegeven dat de Tweede Kamer moet willen én kunnen controleren. De Kamer moet, zo betoogde hij, informatie over de voortgang van grote projecten die niet aan de Procedureregeling Grote Projecten, voldoet niet meer accepteren. Hij wees daarbij op de conclusies uit het eerder (juni 2002) verschenen Rekenkamerrapport Informatievoorziening grote projecten. Daarin stond dat de organisatie van de departementen niet voldoende is toegesneden op goede informatievoorziening aan de Tweede Kamer. De geleverde informatie voldoet vaak niet aan de eisen die zijn vastgelegd in de Procedureregeling Grote Projecten.
Op 15 december 2004 heeft de commissie-Duivesteijn haar bevindingen gepubliceerd en onder meer de volgende aanbevelingen gedaan:
• De Tweede Kamer moet een eigen onderzoeksbureau krijgen dat de voortgang van grote projecten kan volgen; daartoe moeten de taken van de Commissie voor de Rijksuitgaven worden versterkt.
• De Tweede Kamer moet aan het begin van het traject grote projecten kunnen goed- of afkeuren; de Tweede Kamer moet dus een grotere rol krijgen in het beginstadium van de besluitvorming en moet daarbij gebruikmaken van een nieuw toetsingskader.
• Het geldende spreekverbod van ambtenaren moet worden opgeheven, waardoor Kamerleden in hun zoektocht naar informatie weer en meer contact kunnen hebben met ambtenaren.
• Er moet een nieuw protocol komen voor de informatie-uitwisseling tussen ministeries en Kamer om te voorkomen dat de Kamer wordt overladen met onbenullige informatie en belangrijke informatie wordt onthouden.
De commissie wierp verder de vraag op of de Grondwet wellicht moet worden aangepast om de regering een actievere informatieplicht aan het parlement op te leggen.
In verschillende rapporten heeft de Algemene Rekenkamer eerder gewezen op het belang van een goede informatievoorziening over opzet, voortgang en kostenbeheersing van grote projecten.
3 ONDERZOEK NAAR HET PRESTEREN VAN DE OVERHEID
De Algemene Rekenkamer onderzoekt niet alleen jaarlijks of het financieel beheer en het materieelbeheer van de ministeriesrechtmatigis verlopen. Zij doet ook onderzoek naar dedoelmatigheidendoeltreffendheidvan het gevoerde beleid: is het zonder verspilling uitgevoerd en heeft het opgeleverd wat het moest opleveren? In de Comptabiliteitswet 2001 is geregeld dat wij onderzoek kunnen doen bij het Rijk en bij instellingen die een publieke taak uitvoeren. Daarnaast mogen we bij instellingen die een subsidie, lening of garantie van het Rijk ontvangen controleren of deze doelmatig en doeltreffend worden beheerd en besteed.
Met deze activiteiten wil de Algemene Rekenkamer bijdragen aan het verbeteren van de prestaties van de overheid en aan de effectiviteit van het beleid. We richten onze onderzoeken op onderwerpen waarbij basisvoorzieningen voor de burger in het geding zijn. Onze prioriteiten zijn: publieke voorzieningen, veiligheid en duurzame ontwikkeling.
Dit hoofdstuk beschrijft een aantal onderzoeken die wij op dit terrein in 2004 hebben gepubliceerd.
| Onderwerp | Tweede Kamernummer | Publicatiedatum | Kosten in dagen1 | ||
|---|---|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | gepland | gerealiseerd | ||
| Zorg voor verslaafden | 29 660 | 16 juni 2004 | 16 juni 2004 | 645 761 | |
| Bemiddeling en reïntegratie van werklozen | 29 855 | december 2004 | 3 november 2004 | 542 | 553 |
| Opvang zwerfjongeren 2004 | 30 009 | december 2004 | 20 december 2004 | 20 | 57 |
| Totaal | 1 207 | 1 371 | |||
1 Het aantal dagen dat in totaal in 2004 en voorgaande jaren aan de desbetreffende projecten is besteed.
| Onderwerp | Tweede Kamernummer | Publicatiedatum | Kosten in dagen1 | ||
|---|---|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | gepland | gerealiseerd | ||
| Beveiliging militaire objecten | 29 430 | 4 februari 2004 | 4 februari 2004 | 200 | 256 |
| Convenanten uitgaansgeweld | 29 661 | 16 september 2004 | 17 juni 2004 | 430 | 697 |
| Totaal | 630 | 953 | |||
1 Het aantal dagen dat in totaal in 2004 en voorgaande jaren aan de desbetreffende projecten is besteed.
| Onderwerp | Tweede Kamernummer | Publicatiedatum | Kosten in dagen1 | ||
|---|---|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | gepland | gerealiseerd | ||
| Groene stroom | 29 630 | 9 juni 2004 | 9 juni 2004 | 482 | 486 |
| Totaal | 482 | 486 | |||
Overige doelmatigheidsonderzoeken
| Onderwerp | Tweede Kamernummer | Publicatiedatum | Kosten in dagen1 | ||
|---|---|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | gepland | gerealiseerd | ||
| Beslistermijnen, waar blijft de tijd? | 29 495 | 25 maart 2004 | 31 maart 2004 | 202 | 222 |
| Totaal | 202 | 222 | |||
In oktober 2004 hebben we een rapport uitgebracht over «groene stroom»: elektriciteit die is opgewekt uit windenergie, zonne-energie, waterkracht of biomassa. Met de stimulering van groene stroom is voor de periode 1999–2007 € 2,7 miljard gemoeid.
De doelen van het groenestroom-stimuleringsbeleid zijn, zo bleek uit het onderzoek, door de jaren heen niet consistent. De ene keer is er een consumptiedoelstelling geformuleerd («in 2005 moet 6% van de in Nederland gebruikte elektriciteit duurzaam zijn opgewekt»), de andere keer een productiedoelstelling («in 2020 moet 17% van de in Nederland geproduceerde elektriciteit duurzaam zijn opgewekt»), dan weer een doelstelling die in het midden laat of het gaat om consumptie of productie («in 2010 moet 9% van de elektriciteit in Nederland duurzaam zijn opgewekt»). Of deze doelen gehaald worden, is lang niet zeker. Doordat in 2003 de fiscale stimulering van groene stroom is afgeschaft, zou de vraag naar groene stroom namelijk wel eens kunnen stagneren – wat nu juist niet de bedoeling is. De regeling die voor de fiscale stimulering in de plaats is gekomen, blijkt bovendien niet waterdicht.
Ten slotte is er de positie van de klant: deze krijgt onvoldoende informatie over de groene stroom die hij afneemt. Er is nog geen wettelijke plicht voor energieleveranciers om zich te verantwoorden over de samenstelling van de geleverde groene stroom.
Tijdens het onderzoek hebben we goed en veelvuldig contact gehouden met het Ministerie van Economische Zaken (EZ). Daarmee hebben we bereikt dat er vóór de publicatie van het rapport al verbeteringen werden doorgevoerd. Zo heeft de minister van EZ al eind 2003 de inconsistente doelformuleringen bij de Europese Commissie onder de aandacht gebracht. De Commissie heeft daarop de gewenste duidelijkheid verschaft: de EU-doelstellingen richten zich op het verbruik van groene stroom; landen mogen geïmporteerde stroom daarbij meetellen, mits het exporterende land daarvoor toestemming geeft. Daarmee is dus helder hoe de doelrealisatie moet worden gemeten.
In zijn reactie op het onderzoek heeft de minister van EZ laten weten dat hij erop vertrouwt dat het Nederlandse doel van 9% groene stroom in 2010 nog steeds haalbaar is. Hij vindt het niet verstandig om op korte termijn onderzoek te doen naar een zogenoemd «verplichtingenstelsel». Wij hadden dat juist aanbevolen. Zo'n onderzoek zou duidelijk moeten maken of het zinvol is een stelsel in te voeren dat producenten, leveranciers of verbruikers verplicht een bepaald aandeel groene stroom te produceren, te leveren en af te nemen. De minister heeft onze aanbeveling om dit te laten onderzoeken niet overgenomen. Maar misschien gebeurt het alsnog, want de Tweede Kamer heeft zich in een Algemeen Overleg met de minister op 27 oktober 2004 aangesloten bij onze aanbeveling.
Wel heeft de minister een andere belangrijke aanbeveling uit ons rapport overgenomen: stroomleveranciers zullen worden verplicht om aan te geven hoeveel groene stroom van welk type (zon, wind, biomassa, import) er is geleverd.
3.2 Convenanten uitgaansgeweld
De Algemene Rekenkamer heeft in juni 2004 een rapport gepubliceerd over de convenanten die gemeenten samen met andere partijen hebben opgesteld om uitgaansgeweld te voorkomen. Belangrijke vraag in het onderzoek was of het aantal geweldsincidenten in gemeenten daalt door de aanwezigheid van convenanten. In 1999 telde Nederland 75 gemeenten (met meer dan 25 000 inwoners) met een «Convenant Veilig Uitgaan».
De convenanten blijken geen aantoonbaar effect te hebben op het aantal geweldsincidenten. Wel zijn ze positief voor de samenwerking op lokaal niveau. Ook blijkt dat bepaalde kenmerken van een convenant een gunstig effect hebben op het aantal geregistreerde lichte geweldsincidenten in uitgaansgebieden. Daarbij gaat het onder meer om de inzet van «overig toezicht», zoals bijvoorbeeld door particuliere beveiligingsorganisaties of zogenoemde «sus-ploegen».
Wij hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie aanbevolen om het belang van het verrichten van evaluaties van convenanten onder de aandacht te brengen van betrokkenen. Dit omdat inzicht in de resultaten van de samenwerking een bijdrage kan leveren aan de vergroting van de veiligheid in uitgaansgebieden. Bovendien kunnen de ministers de resultaten van dit onderzoek gebruiken bij verder onderzoek naar het effect van beleid.
In hun reactie op het rapport erkennen de ministers het belang van het meten en registreren van uitgaansgeweld. Maar zij zien hierbij vooral een rol weggelegd voor het lokale niveau.
De Raad van Hoofdcommissarissen en het Korpsbeheerdersberaad benadrukken in hun reactie vooral het belang van de regierol van gemeenten.
De informatie over de gemeenten die in het onderzoek betrokken zijn, is terug te vinden op onze website (www.rekenkamer.nl). Er is per gemeente aangegeven of de thema's in de convenanten voorkomen en hoe vaak.
3.3 Bemiddeling en reïntegratie werklozen
In november 2004 hebben we een onderzoek uitgebracht naar de reïntegratie van werklozen die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) krijgen.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) streeft ernaar om werklozen zo nodig met ondersteuning aan het werk te krijgen. Het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) verstrekt uitkeringen aan werklozen en begeleidt hen bij het vinden van werk. Als dit na een half jaar nog niet gelukt is, gaat de cliënt over naar het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Dat zorgt voor een reïntegratietraject, dat verzorgd wordt door private reïntegratiebedrijven.
Uit ons onderzoek blijkt dat niet duidelijk is wat het CWI en het UWV precies doen voor werklozen en of dankzij hun inspanningen werklozen aan een baan worden geholpen. Het CWI registreert de activiteiten voor werklozen niet en de uitstroomcijfers maken niet duidelijk of uitgeschreven werklozen inderdaad werk hebben gevonden. Ruim de helft van de onderzochte vestigingen geeft aan dat zij te weinig capaciteit en tijd hebben voor bemiddeling.
Het UWV slaagt er nog niet in cliënten tijdig aan een reïntegratietraject te helpen. In 2003 gold dit voor 59% van de mensen die na een jaar nog geen baan hadden gevonden. Ook bij het UWV schieten de registraties tekort.
Hoewel het uitgangspunt is dat de werkloze zelf verantwoordelijk is voor het vinden van een baan, is bij zowel het CWI als het UWV de inbreng van de cliënt beperkt.
Wij hebben in ons rapport het CWI en het UWV aanbevolen om samen met gemeenten een cliëntvolgsysteem op te zetten om meer zicht te krijgen op de resultaten van hun bemiddelings- en reïntegratieactiviteiten. De minister van SZW hebben we geadviseerd om beter gebruik te maken van de mogelijkheden die hij heeft om het CWI en het UWV aan te sturen. Hiervoor is een voorwaarde dat hij zich een breder beeld vormt van de uitvoering.
De bewindspersonen van SZW hebben in hun reactie op het rapport laten weten dat er volgens hen wel degelijk enig inzicht bestaat in de resultaten van hun beleid.
Het CWI vindt dat het «evident» is dat de CWI-dienstverlening bijdraagt aan het vinden van een baan. Mede door externe factoren is het volgens het CWI echter niet realistisch om een causaal verband te leggen tussen de inspanningen van het CWI en het resultaat. Niettemin vindt het centrum een betrouwbare registratie van klantenstromen en resultaten belangrijk.
Het UWV heeft laten weten dat het zich realiseert dat de cliënt nog niet centraal staat. Het instituut werkt aan een model dat inzicht moet geven in de effectiviteit.
Begin 2005 heeft de vaste Kamercommissie Sociale Zaken over ons rapport vergaderd. De kamerleden missen een gevoel van urgentie bij de bewindspersonen en zijn van mening dat de minister zich een beter beeld van de uitvoering moet vormen. De verantwoordelijkheid voor de problemen in de uitvoering doorschuiven naar CWI en UWV vindt men te gemakkelijk. De minister van SZW geeft aan dat een relatie tussen resultaat en inspanningen op het terrein van bemiddeling en reïntegratie moeilijk te leggen is. De minister acht het van belang dat het functioneren van de keten helder en transparant is en dat CWI en UWV doen wat ze moeten doen. Hij is echter niet procesverantwoordelijk en stuurt alleen op resultaten. De minister heeft toegezegd de prestatie-indicatoren waarmee CWI en UWV zich verantwoorden verder uit te zullen werken en geeft aan dat er ook prestatie-indicatoren voor de gehele keten worden ontwikkeld. Hij onderkent het belang van ketensamenwerking en samenwerking op regionaal niveau; daar is volgens hem de winst te behalen.
3.4 Beveiliging militaire objecten
In januari 2004 hebben we een rapport uitgebracht over de beveiliging van militaire objecten. Deze beveiliging is uiteraard van groot belang. Aanslagen op bijvoorbeeld commando- of computercentra en wapensystemen kunnen immers de Defensieorganisatie verlammen. Bovendien beschikt Defensie over grote voorraden wapens, munitie en springstoffen, die niet in verkeerde handen mogen komen.
De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat de opzet van de gekozen systematiek van beveiliging in het algemeen goed is, maar dat de uitvoering in de praktijk daarbij achterbleef. En dat leverde risico's op. Zes van de negentien onderzochte militaire objecten voldeden tijdens het onderzoek niet aan de eisen die aan de fysieke beveiliging gesteld mogen worden. Bovendien kon niet-gescreend personeel kennisnemen van vertrouwelijke informatie. De Defensieorganisatie liep hier grote risico's, omdat gewichtige belangen van de Staat in het geding waren.
Wij hebben in ons rapport de minister van Defensie aanbevolen ervoor te zorgen dat de fysieke beveiliging van militaire objecten in de praktijk goed wordt uitgevoerd. Met het oog op de ernst van de bevindingen had de Defensieorganisatie vooruitlopend op de formele afronding van het onderzoek al maatregelen genomen, die in het rapport zijn vermeld.
Bij de publicatie van het rapport heeft de minister van Defensie ook een eigen onderzoek aangekondigd. De Algemene Rekenkamer begint in mei 2005 een vervolgonderzoek om te bezien wat er in de tussentijd is gebeurd.
3.5 Debat Eerste Kamer en regering over Tussen beleid en uitvoering
Het Rekenkameronderzoek Tussen beleid en uitvoering dat we in 2003 publiceerden, stond ook in 2004 hoog op de agenda van politici, beleidsmakers en beleidsuitvoerders. Voor de Eerste Kamer was het rapport in september 2004 aanleiding voor een debat met de bewindspersonen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de noodzaak om de uitvoering van het beleid steviger in het beleids- en wetgevingsproces te verankeren. Naar aanleiding hiervan zijn twee Kamerbrede moties van de Eerste-Kamerleden Van Thijn en Bemelmans-Videc aangenomen. Van Thijn verzocht de regering om ook de uitvoerders van het beleid in de eerste fase van het wetgevingsproces te betrekken. De motie van Bemelmans-Videc ging in op de noodzaak om maatschappelijke effectiviteit tot een speerpunt te maken in de onderzoeks- en handhavingsactiviteiten van inspecties en andere toezichtsorganen.
4 PROJECTEN IN BINNEN- EN BUITENLAND
De Algemene Rekenkamer wil een bijdrage leveren aan goed openbaar bestuur. Dat doen we door kennis uit te wisselen en samen te werken met anderen in binnen- en buitenland. We bieden provincies en gemeenten onze kennis en ervaring aan bij het oprichten van lokale en provinciale rekenkamers. Via onze lidmaatschappen van verenigingen van rekenkamers nemen we deel aan verschillende bijeenkomsten en werkgroepen over bepaalde thema's. Ook ondersteunen we rekenkamers in ontwikkelingslanden.
Dit hoofdstuk beschrijft een aantal van deze activiteiten.
De Gemeentewet verplicht gemeenten in 2006 een rekenkamer of rekenkamerfunctie te hebben. Voor de provincies geldt deze verplichting al sinds 1 januari 2005. De Algemene Rekenkamer heeft ook in 2004 gemeenten en provincies ondersteund bij het opstarten van deze lokale rekenkamerfuncties, door haar kennis en ervaring in te zetten. Voor gemeenteraadsleden, burgemeesters, wethouders, leden van rekeningencommissies, griffiers en betrokken ambtenaren organiseren we op verzoek een workshop.
Overzicht activiteiten in 2004:
| Workshop Rucphen | |
| Workshop Cuijk | |
| Workshop Bergen op Zoom | |
| Workshop Beemster | |
| Workshop Rijnwoude | |
| Workshop Zundert | |
| Workshop vier randstedelijke provincies: Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht | |
| Rekenkamer Amsterdam | |
| Rekenkamer Venlo | |
| Bijdrage aan de Dag van de Lokale Rekenkamer |
De Algemene Rekenkamer verzorgt het secretariaat van de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR). Collegelid Gerrit de Jong zit in het bestuur.
4.2 Waar is de Algemene Rekenkamer actief?
Internationale samenwerkingsprojecten

De stippen op deze wereldkaart laten zien waar de Algemene Rekenkamer wereldwijd actief is. Een aantal activiteiten zoals lidmaatschappen van internationale organisaties komen direct voor rekening van de Algemene Rekenkamer. We ondersteunen zusterinstellingen en verrichten – op verzoek – buitenlandse activiteiten. Deze worden bekostigd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking en het Ministerie van Economische Zaken of door internationale organisaties zoals de Wereldbank en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Het capaciteitsbeslag van deze activiteiten op de organisatie is ongeveer 5%.
Niet-extern gefinancierde buitenlandprojecten
| Institutionele verplichtingen | Acties / producten | Kosten in dagen | |
|---|---|---|---|
| gepland | gerealiseerd | ||
| Lidmaatschappen | Actieve deelname aan vergaderingen, bijdrage aan ontwikkeling methoden en technieken en informatie-uitwisseling | 340 | 527 |
| Bezoeken | Organisatie en deelname in- en uitgaande bezoeken (bestuurlijk en ambtelijk) | 35 | 103 |
| Informatieverzoeken | Behandeling van in- en uitgaande informatievragen van en aan zusterinstellingen | 20 | 78 |
| INCOSAI (International Congress of Supreme Audit Institutions) 2004 Boedapest | Voorbereiding en deelname driejaarlijks wereldcongres van de INTOSAI (International Organisation of Supreme Audit Institutions) | 85 | 100 |
| HOAP (Harmonisation in Overseas Audit Practices) | Gezamenlijk onderzoek met de Noorse en Britse rekenkamer | 80 | 68 |
| Environmental Auditing | Deelname aan INTOSAI/EUROSAI-werkgroep | 100 | 85 |
| EUROSAI Congres 2005 | Voorbereiding deelname aan Europees congres 2005 | 150 | 103 |
| Externe controle Unesco | Verwerving functie externe controleur | 40 | 10 |
| Midden-Amerika i.s.m Universiteit Utrecht | Ondersteuning van een aantal rekenkamers in Midden-Amerika | 15 | 2 |
| Ontwikkelingssamenwerking/externe controleurschappen | Advisering bij en verwerving van nieuwe samenwerkingsprojecten en externe controleurschappen | 70 | 81 |
| Nota Buitenlandbeleid 2004–2009 | Formulering van het buitenlandbeleid | 40 | 46 |
| Ondersteuning en beheer | Diverse reguliere activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering van het buitenlandbeleid | 235 | 251 |
| Totaal | 1 210 | 1 454 | |
In de onderstaande tabellen staan onze extern gefinancierde projecten. De uitgaven hebben betrekking op activiteiten in het jaar 2004. De ontvangsten zijn gerealiseerd in 2004, maar hebben betrekking op activiteiten uitgevoerd in 2004 én voorgaande jaren. De ontvangsten in 2004 zijn daardoor veelal hoger dan de uitgaven.
Ondersteuning zusterorganisaties
| Zusterorganisaties | Acties / producten | Uitgaven* | Ontvangsten |
|---|---|---|---|
| INTOSAI Development Initiative (IDI) 2 | Ontwikkeling van de trainingscapaciteiten rekenkamers van Engelssprekende Afrikaanse landen | 21 150 | 17 377 |
| INTOSAI Development Initiative (IDI) 3 | Vervolg op IDI 2 | 78 824 | 80 907 |
| Sri Lanka | Ondersteuning inlopen achterstand in ontwikkeling op gebied van goed bestuur en comptabele wet- en regelgeving | 55 570 | 60 000 |
| Rwanda | Ondersteuning van de Rwandese rekenkamer bij het ontwikkelen van haar rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek | 69 795 | 154 502 |
| Bulgarije Bridging | Ondersteuning Bulgaarse rekenkamer | 17 325 | 20 233 |
| Bulgarije Twinning | Gezamenlijk project met de National Audit Office (UK) ter ondersteuning van de Bulgaarse rekenkamer | 0,00 | 80 604 |
| Letland | Begeleiding bij voldoen aan eisen van de Europese Unie aan toetreders | 109 715 | 167 782 |
| Letland II | Samen met National Audit Office (UK) versterken van Letse State Audit Office | 7 932 | 0,00 |
| Sigma / Macedonië | Geven van seminar in Macedonië | 13 425 | 12 256 |
| Kosovo Sigma | Ondersteuning bij oprichting van een rekenkamer in Kosovo | 1 035 | 2 518 |
| 374 770 | 596 180 |
* Personeelskosten en reis- en verblijfkosten betaald in 2004
Audits bij internationale organisaties
| Internationale organisaties | Acties / producten | Uitgaven* | Ontvangsten |
|---|---|---|---|
| Unmik/Kosovo 2001 | Externe controle van het VN/EU-budget 2001 | 1 931 | 159 5945 |
| Unmik/Kosovo 2002–2003 | Externe controle van het VN/EU-budget 2002–2003 | 292 220 | 355 298 |
| 294 151 | 514 892 |
* Personeels- , reis- en verblijfkosten betaald in 2004
4.3 Rekenkamers uit hele wereld vergaderen in Boedapest
In Boedapest vond in oktober 2004 het achttiende International Congress of Supreme Audit Institutions (INCOSAI) plaats. Dit congres wordt eens in de drie jaar gehouden. Meer dan 150 rekenkamers waren vertegenwoordigd. De hoofdthema's van het congres waren: (1) meer samenwerking tussen nationale rekenkamers, en (2) coördinatie van controleactiviteiten tussen de nationale rekenkamers en de regionale of lokale rekenkamers. Verder stond op de congresagenda de strategische koers van de wereldorganisatie van rekenkamers (INTOSAI) voor de komende vijf jaar. Het congres bepaalde de volgende speerpunten:
• gezamenlijke controlestandaarden verder ontwikkelen;
• institutionele ontwikkeling van rekenkamers;
• kennisuitwisseling tussen rekenkamers verbeteren;
• de ontwikkeling van Intosai tot een model internationale organisatie.
De delegatie van de Algemene Rekenkamer heeft voor de thema's «samenwerking» en «coördinatie controleactviteiten» een bijdrage geleverd door middel van landennotities. Daarin hebben we de situatie in ons land beschreven, maar ook onze mening over deze onderwerpen verwoord.
Verder hebben we het congres geïnformeerd over hoe ver de rekenkamers individueel gevorderd zijn met het invoeren van de aanbevelingen over fraude en corruptie die tijdens het Intosai-congres van 1998, in Uruguay, waren aangenomen. Uit de evaluatie kwam naar voren dat de rekenkamers alle Uruguay-aanbevelingen nuttig vinden voor het bestrijden van fraude en corruptie. Maar het implementeren van de aanbevelingen vergt wel de nodige tijd. De Algemene Rekenkamer heeft aangeboden om twee aanbevelingen in het bijzonder, namelijk de uitwisseling van ervaringen tussen rekenkamers op dit gebied en een goed personeelsmanagementbeleid voor eerlijke en competente mensen in overheidsdienst, de komende drie jaar te blijven monitoren.
4.4 Afstemming presidenten van Europese rekenkamers en de Europese Rekenkamer
De presidenten van rekenkamers in de Europese Unie komen jaarlijks bijeen. Sinds 1978 neemt ook de president van de Europese Rekenkamer aan dit zogenoemde Contactcomité deel. Deze vergadering is bedoeld als platform voor rekenkamers om informatie uit te wisselen over het financieel management van de Europese Unie en de rol van de nationale rekenkamers en de Europese Rekenkamer daarbij. Een van de bestaansgronden voor dit overleg is terug te vinden in artikel 248 (lid 1) van het EU-Verdrag. Daarin staat dat de controle in de lidstaten (door de Europese Rekenkamer) gebeurt in samenwerking met de nationale controle-instanties – of, als de rekenkamers niet over de juiste bevoegdheden beschikken, met de bevoegde nationale diensten. De Europese Rekenkamer en de nationale controle-instanties van de lidstaten werken samen, met behoud van hun onafhankelijkheid.
Binnen het Contactcomité wordt gediscussieerd over de wijze waarop het functioneren van dit platform verder kan worden geprofessionaliseerd. Concrete aanleiding is de uitbreiding van het Contactcomité met tien nieuwe leden vanwege hun toetreding tot de Europese Unie. In december 2004 heeft het Contactcomité afgesproken zich te willen ontwikkelen van een informatieplatform naar een entiteit die een bijdrage levert aan het verbeteren van het financiële management van de Europese Unie. Om deze ontwikkeling te sturen, zal in 2005 onder meer gewerkt worden aan een missie. Verder komen er een secretariaatsfunctie en beleid voor de externe communicatie van het Contactcomité.
Sinds 2001 is de Algemene Rekenkamer extern controleur voor de United Nations Interim Administrations in Kosovo (UNMIK). We werken samen met de Verenigde Naties en Support for Improvement in Governance and Management (SIGMA) aan de oprichting van een Kosovaarse rekenkamer, die zelf de controles op de financiële verantwoordingen van de Kosovaarse autoriteiten gaat uitvoeren. Kosovo is een land dat net een oorlog achter de rug heeft. Het onvermijdelijke gevolg was dat van grote delen van de financiële verantwoordingen over 1999 en 2000 de rechtmatigheid niet vaststaat. Toch is er in 2000 vooruitgang geboekt. In 2004 is het rapport over 2001 verschenen, ook daarin hebben we weer verbeteringen geconstateerd. De Algemene Rekenkamer controleert ook de jaren 2002 en 2003. We hopen in 2005 deze verantwoordelijkheid over te dragen aan de Kosovaarse rekenkamer.
4.6 Controleaanpak voor ontwikkelingshulp
Sinds 2000 ontwerpt de Algemene Rekenkamer samen met de rekenkamers van Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Finland een aanpak voor de controle op gelden voor ontwikkelingshulp. Dit project heet «Harmonisation of Overseas Audit Practice» (HOAP).
In november 2004 heeft de Algemene Rekenkamer samen met de Noorse en Britse rekenkamer een pilotonderzoek uitgevoerd naar de besteding van de onderwijsgelden 2003 in Zambia. Doel van de pilot was kijken of de opzet van de review in de praktijk uitvoerbaar en toereikend is. Dit bleek het geval. De rekenkamers kunnen steunen op de werkzaamheden van de Zambiaanse rekenkamer. Deze uitkomst biedt perspectief voor verdere reductie van de administratieve lastendruk van alle participanten door de verdere ontwikkeling van de gezamenlijke controleaanpak.
De Rwandese rekenkamer, in 1998 opgericht om de overheidsuitgaven in Rwanda te controleren, is volop in ontwikkeling en krijgt daarbij steun en advies van haar Nederlandse en Zweedse zusterinstellingen. De Algemene Rekenkamer adviseert haar over zaken als de opzet en uitvoering van het rechtmatigheidsonderzoek, communicatie en personeelsbeleid, en begeleidt de Rwandese rekenkamer bij haar eerste schreden op het pad van het doelmatigheidsonderzoek. In de zomer van 2004 brachten twee communicatiemedewerkers van de Rwandese rekenkamer een bezoek aan Nederland. Zij presenteerden hun interne en externe communicatieplannen en de website die toen net «in de lucht» was (www.oag.gov.rw). Zij volgden cursussen over schrijfvaardigheid, de omgang met de media en de relatie met het parlement. In december was de nieuwe president van de Rwandese rekenkamer, Evelyn Rutagwenda, in Nederland voor een vergadering van de stuurgroep die de koers van het samenwerkingsproject bepaalt.
We vinden het belangrijk om voortdurend te investeren in de kwaliteit van onze medewerkers. Ook streven we ernaar om de efficiëntie en effectiviteit van ons werk steeds verder te vergroten. Daarbij willen we voldoen aan de eisen waar we anderen op beoordelen. Veel activiteiten, zoals opleidingen en interne communicatie, zijn niet gebonden aan één jaar, maar lopen door. Ze zijn bedoeld als ondersteuning om ons werk zo goed mogelijk uit te kunnen voeren.
In dit hoofdstuk verantwoorden we ons over onze bedrijfsvoering en lichten we enkele projecten nader toe.
5.1 Mededeling bedrijfsvoering
Ook in 2004 heeft de Algemene Rekenkamer zich ingespannen om te voldoen aan de eisen die rijksbreed aan het financieel beheer, het materieelbeheer en de administraties worden gesteld.
De beschrijvingen van de maatregelen van administratieve organisatie en interne controle op het punt van financieel en materieelbeheer en personeelsmanagement en de mandateringsregelingen zijn verbeterd en geactualiseerd.
Met nieuwe aanpassingen in de planning- en controlcyclus en de invoering van Artemis als het centrale systeem voor planning- en tijdverantwoording is de informatievoorziening over prestaties verder verbeterd.
In een intern onderzoek is bijzondere aandacht geschonken aan de naleving van de interne regels voor het aangaan van contracten, het openen van verplichtingen en het tijdig betalen van facturen.
Dit onderzoek leidde onder meer tot de conclusie dat de beheersing van het betaalproces versterking behoeft. De doorlooptijd vanaf het moment van binnenkomst van facturen tot het moment van betalen bleek in 2004 in veel gevallen te lang te zijn, gemeten naar onze eis dat facturen twee dagen voor het aflopen van de krediettermijn moeten zijn betaald. Veel facturen zijn te laat betaald, zonder dat daarvoor geldige redenen waren. Maatregelen ter versterking van de beheersing van het betaalproces zijn inmiddels in voorbereiding.
Hiermee rekening houdend geeft de Algemene Rekenkamer de volgende Mededeling af:
Mededeling over de bedrijfsvoering
Algemene Rekenkamer
Jaar 2004
De Algemene Rekenkamer verklaart hierbij als volgt:
In het verslagjaar is, uitgaande van onder meer de «Baseline financieel en materieelbeheer», op een gestructureerde wijze aandacht besteed aan het financieel beheer, het materieelbeheer en de daartoe bijgehouden administraties van de Algemene Rekenkamer. Een en ander heeft in het verslagjaar geresulteerd in beheerste bedrijfsprocessen.
In 2005 zal bijzondere aandacht worden geschonken aan versterking van de beheersing van het betaalproces van facturen.
drs. Saskia J. Stuiveling,
president
jhr. mr. W.M. de Brauw,
secretaris
De Algemene Rekenkamer wordt betaald van gemeenschapsgeld en legt daarover verantwoording af. De Algemene Rekenkamer dient haar ontwerpbegroting in bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Samen met alle andere begrotingen dient het kabinet deze in bij de Staten-Generaal. Deze behandelt het begrotingshoofdstuk II-B «Overige Hoge Colleges van Staat», waarvan onze organisatie deel uitmaakt.
Ook de Algemene Rekenkamer wordt gecontroleerd op de rechtmatigheid van haar uitgaven. De controlestructuur is als volgt: wij benoemen een interne accountant, die de jaarrekening en het gevoerde financieel beheer over een jaar controleert. De interne accountant rapporteert aan het Audit Committee van de Algemene Rekenkamer. De auditdienst van het Ministerie van BZK gebruikt deze bevindingen, doet eventueel aanvullende controle en rapporteert aan de minister.
Voor de komende jaren ziet ons beeld voor uitgaven en ontvangsten er ongeveer zo uit.
| Begroting | 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | 2007 |
|---|---|---|---|---|---|
| Uitgaven | 26 337 | 26 736 | 26 180 | 25 533 | 25 533 |
| Ontvangsten | 1 217 | 1 217 | 1 217 | 1 217 | 1 217 |
In het kader van de taakstellingen van de kabinetten-Balkenende ziet de Algemene Rekenkamer zich geconfronteerd met afnemende budgetten.
Voor de uitvoering van onderzoek naar niet-financiële beleidsinformatie hebben we voor de jaren 2006 tot en met 2009 een claim ingediend van € 400 000.
In 2004 zijn we geconfronteerd met het plotselinge overlijden van Loek Schlaman, een zeer gewaardeerde collega. Hij was senior-onderzoeker bij bureau OCW.
In 2003 is afgesproken dat vacatures zoveel mogelijk intern (of niet) zouden worden vervuld. In september 2004 hebben we besloten om de personeelsformatie van 321 fte met 26,5 fte terug te brengen naar 294,5 fte. Hierdoor wordt de verdeling van het budget over personeel en materieel evenwichtiger. Een aantal medewerkers heeft aangegeven gebruik te gaan maken van de regeling prepensioen, de zogeheten «Remkes-regeling».
Formatie en gemiddelde bezetting
| 2002 | 2003 | 2004 | |
|---|---|---|---|
| College | 3,0 | 3,0 | 3,0 |
| Secretaris | 1,0 | 1,0 | 1,0 |
| Onderzoeksdirecties | 231,4 | 234,6 | 215,0 |
| Stafdirecties | 85,6 | 82,4 | 75,5 |
| Totale formatie | 321,0 | 321,0 | 294,5 |
| Gemiddelde bezetting | 312,0 | 312,0 | 300,0 |
Formatie en gemiddelde bezetting 2002, 2003 en 2004

In-, door- en uitstroom (mensen)
| 2002 | 2003 | 2004 | Streefwaarde | |
|---|---|---|---|---|
| Instroom | 48 | 8 | 5 | – |
| Doorstroom | nb | nb | 15 | 60 |
| Uitstroom | 40 | 18 | 20 | – |
De personeelsomvang is afgenomen van 358 medewerkers in 2002 naar 334 in 2004. De verdeling vrouwen (46%) en mannen (54%) bleef gelijk. Dat geldt ook voor de verdeling van de loonschalen over vrouwen en mannen.
Vrouwen en mannen in dienst bij de Algemene Rekenkamer
| 2002 | 2003 | 2004 | |
|---|---|---|---|
| Vrouwen | 164 | 155 | 153 |
| Mannen | 194 | 185 | 181 |
Bezetting loonschalen vrouwen en mannen 2004 (exclusief college)

Leeftijdsopbouw vrouwen en mannen 2004

Gemiddelde leeftijd, deeltijd, voltijd en gemiddeld aantal dienstjaren
| leeftijd | deeltijd | voltijd | dienstjaren | |
|---|---|---|---|---|
| Vrouwen | 41 | 100 | 53 | 8,7 |
| Mannen | 46 | 45 | 136 | 13,9 |
| 1–7 werkdagen | 8–42 werkdagen | > 42 werkdagen | % incl. zwangerschap | % excl. zwangerschap | Streefwaarde Algemene Rekenkamer (excl. zwangerschap) | Streefwaarde Rijk (excl. zwangerschap) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 538 | 61 | 29 | 5.45 | 4.53 | 4,3 | 6,7 |
| opleidingen | 2002 | 2003 | 2004 |
|---|---|---|---|
| Begroting | 535 000 | 618 000 | 593 000 |
| Uitgaven | 519 000 | 457 000 | 540 000 |
Medewerkerstevredenheidsonderzoek
Eind 2004 hebben we een medewerkerstevredenheidsonderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek is de tevredenheid van de medewerkers op tal van onderwerpen zoals personeelsbeleid, werkomgeving, stijl van leidinggevenden, communicatie en informatie te meten. Het onderzoek was een vervolg op een eerste meting van twee jaar eerder. Net als in het eerste onderzoek was 83% van de respondenten (zeer) tevreden, 12% neutraal en 5% ontevreden met het werken bij de Algemene Rekenkamer. Net als in 2002 was de respons in 2004 hoog, namelijk 74%. De resultaten van het onderzoek worden gebruikt om verbeteringen door te voeren binnen onze organisatie.
We maken onderscheid tussen directe en indirecte activiteiten. Directe activiteiten zijn alle werkzaamheden die leiden tot een extern product en het monitoren van de beleidsterreinen. Alle overige activiteiten noemen we indirect.
Verdeling directe en indirecte activiteiten percentage
van de beschikbare capaciteit
Direct: Alle activiteiten inclusief monitoring die leiden tot een extern product
Indirect: Alle overige activiteiten
De activiteiten kunnen ook worden onderverdeeld naar algemene en reguliere werkzaamheden en projecten. De projecten worden onderverdeeld in onderzoek, buitenlandactiviteiten en ontwikkelprojecten.
Verdeling van soorten werkzaamheden in procenten van de beschikbare capaciteit

Gerealiseerde kosten Werkprogramma 2004
| Dagen | Kosten* | |
|---|---|---|
| Algemene activiteiten | 19 215 | 9 438 408 |
| Reguliere activiteiten | 13 165 | 6 466 648 |
| Internationale projecten | 2 605 | 1 279 576 |
| Onderzoeksprojecten | 16 821 | 8 262 475 |
| Ontwikkelprojecten | 2 528 | 1 241 754 |
| Uitgaven | 26 688 861 | |
| Begroting | 26 736 000 | |
| Overschot | 47 139 |
* De kosten zijn berekend op circa € 491 per dag
Bij de bouw van ons pand aan het Lange Voorhout 8 uit 1997 is onvoldoende rekening gehouden met belangrijke veiligheidseisen. In 2004 is onze toegang beter beveiligd. Onder leiding van de Rijksgebouwendienst is een aantal bouwkundige voorzieningen getroffen waardoor het gebouw momenteel weer voldoet aan de veiligheidseisen.
De Algemene Rekenkamer heeft de kwaliteit van haar werk hoog in het vaandel staan. In 2004 zijn verschillende projecten gestart om de kwaliteitszorg rondom het onderzoeksproces te verbeteren. In het project «Kwaliteitszorg» is kritisch gekeken naar het onderzoeksproces en onze producten, de rapporten. Veel medewerkers hebben hiervoor inbreng geleverd. Dit heeft geresulteerd in een aantal verbetervoorstellen, die in 2005 ingevoerd worden. In 2006 zal een «peer review» uitgevoerd worden op onze onderzoekspraktijk door een of meer van onze zusterorganisaties in het buitenland.
Ook is er in 2004 aandacht besteed aan het verbeteren van de kwaliteit van onze aanbevelingen en is de informatievoorziening rond het onderzoeksproces verbeterd. De informatie uit ons handboek is geactualiseerd, mede ook naar aanleiding van de nieuwe strategie.
Er is in 2004 een nieuw documentmanagementsysteem voor onze organisatie aangeschaft. Hiermee kon de bestaande archiefsituatie worden verbeterd. Het nieuwe systeem nummert en behandelt documenten niet alleen apart, maar vormt ook dossiers. Dat betekent dat inkomende post geregistreerd wordt, dat inzichtelijk is welke documenten bij elkaar horen, dat duidelijker is in welke fase van behandeling een document is. Zo is snel duidelijk hoe lang documenten bewaard moeten worden en wanneer vernietigd. Het archiefbeleid daarvoor is verder ontwikkeld en er zijn allerlei regels en procedures opgesteld. De invoering gaat in verschillende fases, waarbij de archivering op centraal niveau, dus rondom het college, secretaris en directeuren, inmiddels succesvol is afgerond. De hele organisatie zal in 2005 volgens de nieuwe manier gaan archiveren.
In de Strategie 2004 – 2009 staat meer dan voorheen onze ambitie centraal dat ons werk ook leidt tot verbetering van het openbaar bestuur. Communicatie is een van de instrumenten die een bijdrage kan leveren aan het effect van ons werk. Onze huisstijl is, na 19 jaar trouwe dienst, aangepast. Bovendien zijn in 2004 een «Handleiding Rapporteren» en een «Schrijfwijzer» verschenen, die bij moeten dragen aan heldere, toegankelijke rapporten. Dit doen we in combinatie met schrijftrainingen en beeldontwikkeling.
Interne communicatiemiddelen en -activiteiten
| Communicatiemiddel | Activiteiten in 2004 |
|---|---|
| Personeelsblad Reken maar | Verscheen 9 keer |
| Wekelijkse bulletin Argus voor interne informatie-uitwisseling | Verscheen 60 keer |
| Forum Voorhout: discussiebijeenkomsten met sprekers van binnen en buiten de organisatie | Bijeenkomsten over:• aansluiting tussen beleid en uitvoering• kracht van beelden• kwaliteitszorg |
| Rekonomen: economen delen vakkennis binnen Algemene Rekenkamer | • Bijeenkomst (samen met Forum Voorhout): lezing door prof. dr. Paul de Beer (UvA) over verbanden tussen arbeid, armoede en welvaart• Interne discussies over mogelijkheden economische component in onderzoeken. |
De Algemene Rekenkamer wil haar intranet zo breed mogelijk inzetten als informatie- en communicatiemedium. De medewerkers hebben een efficiënte manier van elektronisch communiceren hoog op hun verlanglijstje staan. In 2004 is daarom gewerkt aan een vernieuwde vormgeving van het intranet. Het intranet heet voortaan Kenniskamer. Het is bedoeld als een podium om kennis binnen de organisatie onderling toegankelijker te maken. Alle medewerkers krijgen een persoonlijke startpagina die ze zelf kunnen inrichten. Bijvoorbeeld door veelgebruikte externe links op te nemen of door zich te abonneren op nieuws over bepaalde onderwerpen. Het wekelijkse nieuwsbulletin Argus gaat verdwijnen. In plaats daarvan komt een nieuwsrubriek, waar dagelijks nieuwtjes verschijnen. Het vernieuwde intranet is begin 2005 gelanceerd.
Onze website krijgt een gestage stroom bezoekers, die langzaam groter wordt. In 2004 steeg het aantal bezoeken van gemiddeld 13 300 tot 14 300 per maand. Een duidelijke piek zagen we in september en oktober, met respectievelijk 17 000 en 16 000 bezoekers. Dit had ongetwijfeld te maken met de publicatie van een paar rapporten die veel aandacht hebben getrokken, zoals dat over de personeelskosten van hogere ambtenaren bij het Ministerie van OCW (9 september), over de geluidsisolatie van woningen rond Schiphol (15 september), en over fraudebestrijding (30 september).
De site voldoet aan de belangrijkste toegankelijkheidseisen voor slechtzienden, blinden en motorisch gehandicapten.
De topvijf van meest geraadpleegde rapporten op onze website in 2004 ziet er zo uit:
| 1) EU-trendrapport 2004 (februari 2004) | 9 800 hits |
| 2) Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak, deel 4 (maart 2004) | 6 900 hits |
| 3) Opvang zwerfjongeren 2003 (november 2003) | 7 100 hits |
| 4) Rijk Verantwoord 2003(mei 2004) | 6 700 hits |
| 5) Beslistermijnen (maart 2004) | 5 300 hits |
Het thema «zwerfjongeren» heeft dit jaar veel belangstelling gehad. De rapporten Opvang zwerfjongeren 2003, Opvang zwerfjongeren 2004 en de bijlagen bij deze rapporten (met gegevens van provincies en gemeenten), zijn in 2004 tezamen bijna 14 000 maal geraadpleegd. De EU-trendrapporten zijn ook populair; de edities van 2003 en 2004 scoorden het afgelopen jaar samen ruim 12 000 hits.
Onze website bevat behalve onze onderzoeksrapporten ook achtergrondstudies, handreikingen en stukken over ons eigen functioneren. De volgende vijf werden in 2004 het meest gedownload:
| 1) Verbreding publieke verantwoording (maart 2004) | 5 100 |
| 2) Achtergrondstudie bedrijfsvoering (mei 2001) | 4 200 |
| 3) Verslag 2003 (maart 2004) | 3 600 |
| 4) Handreiking Meten van doelmatigheid (oktober 2003) | 3 000 |
| 5) Strategie 2004–2009 (maart 2004) | 2 900 |
De echte «evergreen» in dit lijstje is de Achtergrondstudie bedrijfsvoering. Dit stuk trekt al sinds de publicatie in mei 2001 een gestage stroom belangstellenden.
Jaarlijks komen ongeveer honderd reacties van burgers en organisaties binnen via een invulformulier op onze website. Deze reacties gaan over uiteenlopende onderwerpen. Het betreft bijvoorbeeld vragen over rapporten, de werkwijze van de Algemene Rekenkamer of vacatures. Maar burgers doen ook suggesties voor te onderzoeken onderwerpen of problemen.
Opvallend is dat media-aandacht over onze rapporten vaak leidt tot vragen van burgers. In 2004 hebben we 35 brieven van particulieren ontvangen. Burgers melden in brieven soms problemen die ze tegenkomen in het functioneren van de rijksoverheid. Soms krijgen we ook brieven ter kennisgeving gestuurd. We proberen alle reacties zo snel mogelijk te behandelen. Op anonieme brieven kunnen we niet reageren.
We proberen de effectiviteit van onze onderzoeken te vergroten door telkens een goede vorm en timing voor onze informatie te kiezen. We schrijven niet alleen rapporten, maar proberen de inhoud daarvan ook op andere manieren onder de aandacht te brengen bij onze omgeving. Niet alleen bij onze belangrijkste klanten, de Tweede Kamer en het kabinet, maar ook bij anderen. In 2004 hebben Rekenkameronderzoekers bijvoorbeeld weer artikelen voor verschillende tijdschriften, maar ook voor handboeken en websites van organisaties, geschreven. Bij elk rapport bieden we aan een presentatie te verzorgen voor de meest betrokken bewindspersonen en Tweede-Kamercommissies. Onderzoeksteams lichten de resultaten van het onderzoek ook vaak toe op ministeries of bij betrokken organisaties. Verder hebben we opgetreden bij congressen, op universiteiten, academies en dergelijke. Over uiteenlopende onderwerpen als sociale zekerheid, «Andere overheid» en het toezicht op Europese subsidies zijn we uitgenodigd bij expertmeetings, klankbordgroepen of rondetafels om vanuit onze onderzoekservaring een bijdrage te leveren aan goed openbaar bestuur.
De Commissie voor de Rijksuitgaven fungeert als belangrijke schakel tussen de Algemene Rekenkamer en de vakcommissies van de Tweede Kamer. Alle rapporten van de Algemene Rekenkamer gaan via deze commissie naar de betrokken vakcommissie, al dan niet vergezeld van een (besloten) briefing. Enige tijd na het verschijnen van elk rapport verzamelt de commissie de vragen die Tweede-Kamerleden aan de Algemene Rekenkamer willen stellen naar aanleiding van het rapport en geeft ze door aan de Algemene Rekenkamer.
Rapporten aan de Regering en Staten-Generaal
Beveiliging militaire objecten
Publicatiedatum: 4 februari 2004
ISBN: 90 121 0216 2
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 415
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 lijst van 31 vragen aan en antwoorden van de regering, vastgesteld 16 maart 2004
• nr. 4 (herdruk) verslag algemeen overleg op 2 juni 2004
Publicatiedatum: 12 februari 2004
ISBN: 90 121 0215 4
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 430
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak deel 4 en achtergrondstudie Verbreding van de publieke verantwoording
Publicatiedatum: 10 maart 2004
ISBN: 90 121 0219 7
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 450
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 motie van de leden Kant en Vendrik over inkomensontwikkeling van het bestuur van de Autoriteit Financiële Markten in 2005, voorgesteld 25 mei 2004
• nr. 4 motie van het lid Mastwijk over het bezoldigingsbeleid voor bestuurders in de (semi-)publieke sector, voorgesteld 25 mei 2004
• nr. 5 (herdruk) verslag algemeen overleg op 29 april 2004
• nr. 6 brief (7 juni 2004) van de minister van Financiën over o.a. de reserves van de Stichting Ziektekosten Verzekering Krijgsmacht
Verslag 2003 en Werkprogramma 2004
Publicatiedatum: 31 maart 2004
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 496
• nr. 1 aanbiedingsbrief
• nr. 2 verslag van werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer in het jaar 2003
• nr. 3 programma van werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer in 2004
Beslistermijnen. Waar blijft de tijd?
Publicatiedatum: 31 maart 2004
ISBN: 90 121 0222 7
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 495
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
Staat van de beleidsinformatie
Publicatiedatum: 19 mei 2004
ISBN: 90 121 0221 9
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 550
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
Publicatiedatum: 19 mei 2004
ISBN: 90 121 0184 0
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 548
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
Rapport bij het Jaarverslag 2003
Publicatiedatum: 19 mei 2004
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 540
• nr. 3 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Huis der Koningin (I)
• nr. 5 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van de Hoge Colleges van Staat en Kabinetten (II)
• nr. 7 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Algemene Zaken (III)
• nr. 9 Rapport bij het Jaarverslag 2003 Koninkrijksrelaties (IV)
• nr. 11 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking (V)
• nr. 13 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Justitie (VI)
• nr. 15 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII)
• nr. 17 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)
• nr. 19 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van de Nationale Schuld (IXA)
• nr. 21 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Financiën (IXB)
• nr. 23 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Defensie (X)
• nr. 25 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI)
• nr. 27 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII)
• nr. 29 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Economische Zaken (XIII)
• nr. 31 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV)
• nr. 33 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV)
• nr. 35 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI)
• nr. 37 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Infrastructuurfonds (A)
• nr. 39 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Gemeentefonds (B)
• nr. 41 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Provinciefonds (C)
• nr. 43 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Fonds Economische Structuurversterking (D)
• nr. 45 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Spaarfonds AOW (E)
• nr. 47 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het Diergezondheidsfonds (F)
• nr. 49 Rapport bij het Jaarverslag 2003 van het BTW-compensatiefonds (G)
• nr. 50 brief (12 mei 2005) van de minister van Financiën over het te hanteren normenkader bij rechtmatigheidsonderzoek
• nr. 56 lijst van 2 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Economische Zaken (XIII), vastgesteld 2 juni 2004
• nr. 58 lijst van 14 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI), vastgesteld 4 juni 2004
• nr. 60 lijst van 6 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV), vastgesteld 4 juni 2004
• nr. 64 lijst van 4 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII), vastgesteld 7 juni 2004
• nr. 67 lijst van 2 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van Koninkrijksrelaties (IV), vastgesteld 7 juni 2004
• nr. 69 lijst van 21 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), vastgesteld 7 juni 2004
• nr. 71 lijst van 13 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Defensie (X), vastgesteld 7 juni 2004
• nr. 74 lijst van 28 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking (V), vastgesteld 8 juni 2004
• nr. 77 lijst van 49 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV), vastgesteld 8 juni 2004
• nr. 79 lijst van 1 vraag aan en antwoord van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van de Nationale Schuld (XIA), vastgesteld 9 juni 2004
• nr. 81 lijst van 1 vraag aan en antwoord van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Financiën (XIB), vastgesteld 9 juni 2004
• nr. 84 lijst van 5 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Justitie (VI), vastgesteld 10 juni 2004
• nr. 86 lijst van 4 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII), vastgesteld 11 juni 2004
• nr. 88 lijst van 1 vraag aan en antwoord van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Infrastructuurfonds (A), vastgesteld 11 juni 2004
• nr. 90 lijst van 13 vragen aan en antwoorden van de regering over het rapport van de Algemene Rekenkamer bij het jaarverslag 2003 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI), vastgesteld 14 juni 2004
• nr. 92 motie van het lid Albayrak over het beantwoorden van de vraag «hebben wij bereikt wat wij wilden bereiken» in de jaarverslagen van het Ministerie van Justitie, voorgesteld 17 juni 2004
• nr. 100 motie van het lid Mastwijk c.s. voor maatregelen waardoor de Tweede Kamer inzicht krijgt in de mate van betrouwbaarheid van «derdeninformatie» , voorgesteld 22 juni 2004
• nr. 101 motie van het lid Mastwijk c.s. voor de invoering van een rijksbreed baten- en lastensysteem om het verantwoordingsproces VBTB meer via hoofdlijnen te laten verlopen, voorgesteld 22 juni 2004
• nr. 102 motie van het lid Douma voor heldere en toetsbare formulering doelstelling voor het VBTB-proces en uitwerking vraag «Wat willen we bereiken?» in de begrotingen, voorgesteld 22 juni 2004
• nr. 104 motie van het lid Douma c.s. voor een duidelijke verantwoording op hoofdlijnen van de rijksoverheid aan de burgers d.m.v. een beknopt en toegankelijk publieksjaarverslag, voorgesteld 22 juni 2004
• nr. 105 motie van het lid Blok c.s. over de behandeling van het Rijksjaarverslag in aanwezigheid van het voltallige kabinet op de derde donderdag in mei, voorgesteld 22 juni 2004
• nr. 106 motie van het lid Blok c.s. om de jaarverslagen te voorzien van een beknopte lijst van de beleidsprioriteiten en de daarop behaalde resultaten, voorgesteld 22 juni 2004
• nr. 107 motie van de leden Kant en Vendrik over de wens dat de Algemene Rekenkamer een belangrijke rol krijgt bij de keuze van de gepresenteerde informatie in de jaarverslagen, voorgesteld 22 juni 2004
• nr. 109 brief (21 juni 2004) van de minister van Economische Zaken over het niet adequaat afleggen van verantwoording bij zeven van de zeventien operationele doelstellingen
• nr. 127 (19 januari 2005) van de minister van Financiën over uitvoering moties derden-informatie, publieksjaarverslag, Rijksjaarverslag en proef baten-lastensysteem
Publicatiedatum: 9 juni 2004
ISBN: 90 121 0224 3
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 630
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 lijst van 6 vragen aan en antwoorden van de minister van Economische Zaken, vastgesteld 16 augustus 2004
Zicht op de prestaties van de Autoriteit Financiële Markten bij het tegengaan van oneerlijke effectenhandel
Publicatiedatum: 10 juni 2004
ISBN: 90 121 0227 8
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 635
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 lijst van 2 vragen aan en antwoorden van de Algemene Rekenkamer, vastgesteld 30 september 2004
• nr. 4 lijst van 42 vragen aan en antwoorden van de minister van Economische Zaken, vastgesteld 2 december 2004
Publicatiedatum: 16 juni 2004
ISBN: 90 121 0228 6
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 660
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 lijst van 22 vragen aan en antwoorden van de Algemene Rekenkamer, vastgesteld 20 augustus 2004
• nr. 4 (herdruk) lijst van 22 vragen aan en antwoorden van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, vastgesteld 1 september 2004
Publicatiedatum: 17 juni 2004
ISBN: 90 121 0229 4
Tweede Kamer vergaderjaar 2003–2004, 29 661
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 lijst van 1 vraag aan en antwoord van de Algemene Rekenkamer, vastgesteld 30 september 2004
• nr. 4 (herdruk) lijst van 14 vragen aan en antwoorden van de regering, vastgesteld 2 december 2004
Fysieke controles op Europese subsidies voor boter
Publicatiedatum: 2 september 2004
ISBN: 90 121 0232 4
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 29 735
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
Personele uitgaven aan hogere ambtenaren van het Ministerie van OCW
Publicatiedatum: 9 september 2004
ISBN: 90 121 0231 6
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 29 740
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
Geluidsisolatie Schiphol fase 2
Publicatiedatum: 15 september 2004
ISBN: 90 121 0230 8
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 29 750
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 brief (15 september 2004) van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
• nr. 4 lijst van 51 vragen aan en antwoorden van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, vastgesteld 30 september 2004
• nr. 5 lijst van 20 vragen aan en antwoorden van de Algemene Rekenkamer, vastgesteld 30 september 2004
• nr. 6 verslag algemeen overleg op 5 oktober 2004
• nr. 7 brief (18 januari 2005) van de minister van Verkeer en Waterstaat over de toezeggingen aan de Kamer tijdens het algemeen overleg van 5 oktober 2004 over het rapport van de Algemene Rekenkamer
Aandacht voor financiële gevolgen van Europees beleid
Publicatiedatum: 16 september 2004
ISBN: 90 121 0233 2
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 29 751
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 verslag algemeen overleg op 9 december 2004
Fraudebestrijding: stand van zaken 2004
Publicatiedatum: 30 september 2004
ISBN: 90 121 0236 7
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 29 810
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 verslag algemeen overleg op 16 december 2004
Toezicht op Luchtverkeersleiding Nederland
Publicatiedatum: 7 oktober 2004
ISBN: 90 121 0237 5
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 29 825
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 lijst van 5 vragen aan en antwoorden van de Algemene Rekenkamer, vastgesteld 26 november 2004
• nr. 4 lijst van 19 vragen aan en antwoorden van de minister van Verkeer en Waterstaat, vastgesteld 23 december 2004
Bemiddeling en reïntegratie van werklozen
Publicatiedatum: 3 november 2004
ISBN: 90 121 0238 3
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 29 855
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
• nr. 3 verslag algemeen overleg op 26 januari 2005
Publicatiedatum: 20 december 2004
Tweede Kamer vergaderjaar 2004–2005, 30 009
• nrs. 1–2 aanbiedingsbrief en rapport
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30047-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.