nr. 5
VERSLAG
De vaste commissie voor Justitie1 belast met
het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag
uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte
opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling
van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen
van het wetsvoorstel. Deze leden steunen het nut en de noodzaak van het wetsvoorstel.
Wel hebben zij enige vragen en opmerkingen hierover. Zij merken op dat Nederland
de Overeenkomst inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht,
tot stand gekomen binnen de Raad van Europa op 4 november 1998, niet
heeft ondertekend. Wat zijn hiervoor de redenen?
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden hebben daarbij nog enkele vragen en opmerkingen.
Het kaderbesluit en strafrechtelijk milieurecht
De Raad van State is van mening dat door het schrappen van het woord «wederrechtelijk»
in de artikelen 173a en b Sr het wetsvoorstel verder gaat dan het kaderbesluit
verlangt. De regering onderschrijft dit punt maar meent dat deze wijziging
aansluit bij de bestaande systematiek en strafbepalingen. De leden van de
CDA-fractie vinden het onduidelijk wat de regering precies bedoelt met de
stelling dat de wijziging aansluit bij de bestaande systematiek en strafbepalingen.
Kan de regering dit nader uitwerken?
De leden van de CDA-fractie begrijpen verder dat door de voorgestelde
wijzigingen de strafbaarstelling van de artikelen 173a en b Sr uiteindelijk
verder kunnen gaan dan het kaderbesluit strikt genomen verlangt. In het Regeerakkoord
is echter overeengekomen dat Nederland geen nieuw beleid zal introduceren
dat ruimer is dan de Europese normen. Hoe verhoudt zich deze afspraak in het
regeerakkoord met dit wetsvoorstel?
De leden van de VVD-fractie constateren dat het kaderbesluit slechts voorschrijft
het bestanddeel wederrechtelijk te schrappen bij bepalingen voor gevallen
waarin milieuvervuiling de dood of ernstig letstel als gevolg heeft. Het voorliggende
voorstel gaat echter verder. Het gevolg is dat de Nederlandse regelgeving
ruimer is dan het kaderbesluit voorschrijft. De regering merkt in antwoord
op de kritiek van de Raad van State op, dat dit ook nu al het geval is. Waarom
neemt de regering de gelegenheid niet te baat en past men de huidige regelgeving
aan? Welke inhoudelijke argumenten hanteert de regering om een ruimere regelgeving
in stand te houden dan het kaderbesluit voorschrijft?
Vergeleken met het kaderbesluit, zijn de strafbaarstellingen in het Nederlandse
milieurecht ruim (abstracte in plaats van concrete gevaarzettingsdelicten).
De regering kiest ervoor deze bestaande, ruime strafbaarstelling niet te versmallen
en schrijft hierover: «Het spreekt voor zich dat het niet in overeenstemming
met de geest van het kaderbesluit zou zijn, om op die punten nu de strafrechtelijke
aansprakelijkheid te beperken.» Kunnen aanvullende argumenten worden
gegeven waarom voor álle gevallen waarin de Nederlandse wetgeving ruimer
is dan het kaderbesluit, de bestaande wetgeving wordt gehandhaafd?
In diverse andere EU-landen zal wel worden gekozen voor een letterlijke
implementatie van het kaderbesluit en dus voor concrete gevaarzetting. De
leden van de VVD-fractie onderschrijven de vaststelling dat, ondanks deze
implementatieverschillen, de mogelijkheden toenemen voor internationale strafrechtelijke
samenwerking bij de opsporing van milieucriminaliteit. Toch zien zij graag
een nadere toelichting op de gevolgen die deze verschillen in nationale wetgeving
(inclusief de sanctionering van milieudelicten) met zich brengen bij de opsporing
en bestraffing van grensoverschrijdende en internationale milieudelicten.
Het kaderbesluit
De leden van de CDA-fractie stellen dat voor gemeenschappelijk handhaven
een gemeenschappelijk begrippen- en normenkader nodig is. De Nederlandse wetgeving
hanteert echter deels andere begrippen en definities dan aangegeven in het
kaderbesluit. De regering stelt in de memorie van toelichting dat dit geen
gevolgen behoeft te hebben voor de implementatie van het kaderbesluit. De
leden van de CDA-fractie vrezen dat door verschillende begrippenkaders een
grijs gebied van begrippen ontstaat die elkaar niet helemaal dekken en die
daarmee op gespannen voet kunnen komen te staan met het principe van een gelijk
speelveld binnen Europa. Waarom is er niet voor gekozen om de precieze begripsbepalingen
van het kaderbesluit over te nemen in de Nederlandse wetgeving? Zeker gezien
het hier gaat om een kaderbesluit missen deze leden een uitwerking van de
rol van Eurojust en Europol in de memorie van toelichting. Kan de regering
een toelichting geven van de mogelijke rol van deze instanties bij de bestrijding
van internationale milieucriminaliteit?
De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor het gegeven dat in EU-verband
niet expliciet is gesproken over de redactie en de achterliggende bedoelingen
van het kaderbesluit. Welke gevolgen heeft dit voor de implementatie in de
diverse EU-landen? Kan de regering aangeven in welke mate dit de kans vergroot
op uiteenlopende implementatie door lidstaten?
De voorzitter van de commissie,
De Pater-van der Meer
Adjunct-griffier van de commissie,
De Groot
XNoot
1Samenstelling:
Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GL),
Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD),
Wilders (Groep Wilders), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Voorzitter,
Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), Ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA),
De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok
(CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Van der Laan (D66),
Visser (VVD), Azough (GL), Vacature (algemeen) en Vacature (algemeen).
Plv. leden: Jonker (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema
(GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA),
Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout
(CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA),
Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Örgü
(VVD), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Karimi (GL), Hermans (LPF) en Vergeer
(SP).