30 034
Bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

nr. 19
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juni 2005

Op 16 juni heb ik u de CPB-toets gezonden inzake de rentehobbel in de WGA-regeling. Het kabinet heeft het CPB om een dergelijke toets gevraagd op verzoek van uw Kamer, gegeven de recente ramingen met betrekking tot de verwachte instroom in de WGA en in het verlengde daarvan de gevolgen voor de hoogte van de rentehobbel. Het kabinet heeft De Nederlandsche Bank gevraagd om de vraag betreffende de mogelijke meerwaarde van een waarborgfonds te beantwoorden. Dit antwoord treft u bijgaand aan1. Om zicht te krijgen op de hoogte van de rentehobbel bij uiteenlopende perioden, heb ik het CPB om een plausibiliteitstoets gevraagd, welke is bijgevoegd1.

Conform mijn toezegging doe ik u hierbij het oordeel van het kabinet over de uitvoering van de WGA toekomen, mede in het licht van de CPB-notitie en het antwoord van DNB.

Het CPB geeft in zijn toets aan dat uit de literatuur geen theoretische noch empirische aanwijzingen blijken die antwoord geven op de vraag wat de meest efficiënte en effectieve uitvoeringssystematiek is. De toets geeft dus geen argumenten voor een publieke uitvoering. Evenmin wijst de CPB-toets richting een volledig privaat stelsel. Het CPB wijst wel op de plausibiliteit van het kabinetsvoorstel: «Een hybridesysteem zou een extra prikkel vormen voor private verzekeraars om de WGA zo efficiënt mogelijk uit te voeren, mits er sprake is van gelijke condities ten aanzien van premiedifferentiatie. Een hybridestelsel kan zo een zekere veiligheidsklep vormen in het geval private premies onverhoopt structureel hoger zouden uitvallen dan de publieke premie.»

Het kabinet concludeert dat een stelsel van keuzevrijheid de beste uitgangspositie biedt voor een efficiënte en effectieve uitvoering. In dit model is er enerzijds ruimte voor maatwerk in de private sfeer, terwijl anderzijds het UWV een tegenwicht vormt tegen ongewisse prijsontwikkeling. Het kabinetsvoorstel is daarmee ook een ingroeimodel. De verwachting is dat werkgevers geleidelijk aan van hun keuzevrijheid gebruik gaan maken, al dan niet in combinatie met het eigen beleid inzake preventie en reïntegratie. Hierin kunnen ook sociale partners een stimulerende rol spelen.

Het kabinet realiseert zich dat uitvoering van het stelsel van keuzevrijheid, zoals voorzien met ingang van 2006 in het voorstel Invoeringswet WIA, uitvoeringstechnisch hoge eisen stelt en voor de ontwikkeling van de werkgeverslasten niet zonder risico is. Om tot een verantwoorde en zorgvuldige uitvoering van dit stelsel te komen, stelt het kabinet daarom voor het level playing field, zoals dat is beschreven in het voorstel Invoeringswet WIA, niet in het overgangsjaar 2006 maar in 2007 te implementeren. Hierdoor zal de complexiteit van de uitvoering verminderen. Ingaande 2007 ontstaat daarmee voor werkgevers een reële keuzevrijheid op basis van premiedifferentiatie, die dan ook door het UWV zal worden toegepast. Verzekeraars krijgen aldus onder gelijkwaardige condities toegang tot de WGA-markt. De tijdelijke lastenverzwaring die vanaf 2007 vanwege de zogenoemde rentehobbel zal optreden, zal ingaande 2007 macro-economisch worden gecompenseerd. Deze compensatie wordt ingepast in het kader van het budgettaire beeld.

Voor het jaar 2006 zal de bestaande mogelijkheid om eigen risico te dragen gecontinueerd worden. Dit wil zeggen dat de werkgevers in 2006 voor de WGA eigenrisicodrager kunnen worden voor de WGA-lasten van de eerste vier jaar. De WGA kent in 2006 nog een ongedifferentieerde UWV-premie, zonder opslag. Degenen die thans reeds voor de WAO eigenrisicodrager zijn, worden van rechtswege eigenrisicodrager WGA, tenzij ze aangeven dit niet te wensen.

De duur van eigen risicodragen met ingang van 2007 zal tijdig in 2006 nader worden bepaald. Hierbij zal worden afgewogen dat enerzijds het belang dat de eigenrisicodrager heeft bij reïntegratie toeneemt met de duur en anderzijds dat de tijdelijke lastenverzwaring als gevolg van de rentehobbel daardoor ook toeneemt.

Het bovenstaande zal worden uitgewerkt in een nota van wijziging.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven