30 027
Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van enkele inhoudelijke wijzigingen in de Telecommunicatiewet, de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Mijnbouwwet en enkele andere daarmee verbandhoudende wetten, de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001, de Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997, de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen en diverse andere wetten (Veegwet EZ 2005)

nr. 21
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 15 juni 2005

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 13 juni 2005 overleg gevoerd met minister Brinkhorst van Economische Zaken over de Veegwet EZ 2005.

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Hofstra

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,

Tielens-Tripels

Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Economische Zaken

Maandag 13 juni 2005

16.00 uur

De voorzitter: Hofstra

Aanwezig zijn 4 leden der Kamer, te weten:

Hofstra, De Krom, Hessels en Crone,

en de heer Brinkhorst, minister van Economische Zaken.

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van enkele inhoudelijke wijzigingen in de Telecommunicatiewet, de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet, de Mijnbouwwet en enkele andere daarmee verbandhoudende wetten, de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001, de Wet op kamers van koophandel en fabrieken 1997, de Raamwet EEG-voorschriften aanbestedingen en diverse andere wetten (Veegwet EZ 2005) (30027).

De voorzitter:

Ik open de vergadering en heet iedereen van harte welkom.

De heerDe Krom(VVD)

Voorzitter. Ik heb vier amendementen ingediend. Het amendement op stuk nr. 14 betreft artikel 95k van de Elektriciteitswet, dat eist dat leveranciers alle opwekgegevens na afloop van het leveringsjaar aan eindafnemers bekendmaken. De VVD-fractie steunt het beginsel dat consumenten inzicht moeten hebben in de herkomst van hun stroom natuurlijk voluit. Dat moet echter in de praktijk wel mogelijk zijn. Voor groene stroom is dat in de regel het geval vanwege het systeem van garanties van oorsprong. Voor grijze stroom is er een aantal praktische belemmeringen. Op elektriciteitsbeurzen wordt anoniem gehandeld. Als stroom via de beurs wordt ingekocht, is het derhalve feitelijk onmogelijk om de herkomst ervan en dus de opwekkingsbron vast te stellen.

Een dergelijke verplichting geldt bovendien niet voor buitenlandse bedrijven die via dochterondernemingen op de Nederlandse markt leveren. Het kan zijn dat die niet of nog niet in alle gevallen hun administratie zodanig op orde hebben dat door Nederlandse dochters kan worden voldaan aan de eis dat de opwekkingsgegevens aan eindafnemers worden verstrekt. Kunnen Centrica, Dong en Eor dat wel? Raken de Nederlandse dochters van deze bedrijven in de problemen als gevolg van de huidige wettelijke verplichting als dat niet het geval is? Dit moet eigenlijk Europees worden geregeld. Om geen valse verwachtingen te wekken, heb ik in het amendement opgenomen dat bedrijven gemotiveerd kunnen aangeven waarom zij niet aan die verplichting kunnen voldoen. Dat kan natuurlijk uitsluitend als het in de praktijk onmogelijk blijkt te zijn om aan de verplichtingen te voldoen en bedrijven zullen dat dan hard moeten aantonen. De bewijslast berust dus ook bij hen. Handhaving van het stroometiketteringsregime berust bij DTe. Het is dus aan DTe om in individuele gevallen te beoordelen of die onmogelijkheid voldoende gemotiveerd is aangetoond. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister op dit amendement.

Het tweede amendement op stuk nr. 15 betreft bescherming tegen misbruik van klantgegevens. Artikel 95g verbiedt het gebruik van die gegevens voor andere doeleinden dan voor uitvoering van de wettelijke taken. Mijn fractie ziet geen reden voor deze sectorspecifieke regeling want net als in andere branches is de privacywetgeving gewoon van toepassing. De energiebedrijven werken in een commerciële markt en zouden net als andere bedrijven gebruik moeten kunnen maken van hun klantgegevens. Ik hoor ook graag het oordeel van de minister op dit amendement.

Het amendement op stuk nr. 16 gaat over de termijn van minimaal vier weken die moet worden aangehouden door leveranciers om prijswijzigingen aan DTe door te geven. Ik heb al eerder mijn bezorgdheid uitgesproken over het dichtregelen van de markt. Wij moeten ervoor zorgen dat de regulering de marktwerking niet tegengaat. Deze bepaling gaat ten koste van de flexibiliteit die leveranciers moeten hebben om op prijswijzigingen in de markt te kunnen reageren. Bovendien wordt het via deze wettelijke bepaling onmogelijk om een marketinginstrument in te zetten.

De heerCrone(PvdA)

Ik ben erg voor snelle marktwerking. Er moet echter wel steeds een evenwicht worden gezocht met de bescherming van de consument. Er is nog steeds geen volledige informatie en er is sprake van een oligopolistische marktstructuur. De markt mag dus heel snel gaan werken als de prijzen dalen. Dan heeft de consument immers onmiddellijk voordeel, dus waarom moet dat vier weken van te worden gemeld? Als de prijzen stijgen, kan de consument dat niet in één klap beoordelen. Ik denk ook dat de leverancier het niet beschouwt als een concurrentievoorsprong om als eerste de prijs te verhogen. De vraag is of hij daarbij tempo zal moeten maken. Het belangrijkste argument is de vraag of de prijsverhoging van de leveranciers gerechtvaardigd is in de zin van de wet. Dat moet DTe op tijd kunnen beoordelen. Ik noem nog een argument. Bij een prijsverhoging ga je bijvoorbeeld geen grote reclamecampagnes voeren met de mededeling dat je de prijs gaat verhogen. Ik denk dat de termijn van vier weken wel is te overzien. Ik heb er dan ook niet zoveel behoefte aan.

De heerDe Krom(VVD)

Ik neem kennis van deze mening van de heer Crone. Als je die flexibiliteit echter wenst, moet daarvan zowel naar beneden als naar boven sprake zijn. Het is van tweeën een: of helemaal niet of allebei. Dat is mijn stellige overtuiging.

Overigens betekent het niet dat DTe daar helemaal niets meer aan doet. De informatie over prijswijzigingen gaat gewoon naar DTe. Op het moment dat DTe reden ziet om de prijzen ter discussie te stellen, kan dat. Tevens kan DTe van alle wettelijke bevoegdheden gebruik maken. Ik denk dus niet dat er sprake zal zijn van het gevolg dat de heer Crone vreest.

De heerHessels(CDA)

Hoe ziet de heer De Krom het achteraf ingrijpen door DTe? De minister schrijft hierover in de nota naar aanleiding van het verslag dat het ontzettend gekunsteld zal zijn, als DTe achteraf moet ingrijpen en de prijzen moet gaan herstellen. Heeft de heer De Krom daar ook over nagedacht?

De heerDe Krom(VVD)

Natuurlijk. Ik denk dat het niet nodig zal zijn. Allereerst moet ervoor gezorgd worden dat er voldoende concurrentie is. Dat is het allerbelangrijkste. De markt wordt aantrekkelijker, wanneer dit soort belemmeringen eruit gehaald worden. Ik kan mij voorstellen dat je, als je als ondernemer op die markt actief bent en je niet de flexibiliteit hebt om met prijzen te reageren op de markt, bijvoorbeeld via de beurs, afhankelijk van de brandstofprijzen, als ondernemer beperkt wordt in wat je kunt doen. In die zin heeft deze bepaling een beperkende werking op de marktwerking. Er zijn naar mijn stellige overtuiging voldoende waarborgen ingebouwd. Dat heb ik zojuist ook al aangegeven. Daardoor kunnen consumenten ervan uitgaan dat prijzen niet onevenredig hoog zijn. Het instrumentarium van DTe blijft namelijk hetzelfde.

Ik voeg hieraan toe dat er ook in SER-verband tussen de Consumentenbond en EnergieNed generieke afspraken worden gemaakt over wijzigingstermijnen. Die worden vastgelegd in een model algemene voorwaarden. Als dat ook is uitgewerkt, lijkt mij het systeem van waarborgen eigenlijk meer dan voldoende. Eerlijk gezegd, vind ik dat deze bepaling, ook in het kader van de behandeling van de I&I-wet, eigenlijk haaks staat op wat je aan de markt zou willen overlaten.

Het amendement op stuk nr. 17 betreft de zogeheten multisitecontracten. Uit de praktijk begrijp ik dat het probleem is dat afnemers die onderdeel zijn van een raam- of multisitecontract volgens de wet worden behandeld als afzonderlijke kleinverbruikers met een aansluiting, met alle informatieverplichtingen en rechtsbescherming van dien. Daarmee wordt de mogelijkheid om raamcontracten af te sluiten, beperkt of in ieder geval ontmoedigd. Toch leidt dat tot veel administratieve lasten. Het amendement maakt het mogelijk om van dit regime af te wijken. Dat moet dan echter wel nadrukkelijk in het contract worden opgenomen, natuurlijk om te voorkomen dat kleinverbruikers onbedoeld hun rechtsbescherming opgeven. Daarom is er ook een zorgplicht voor vertegenwoordigers opgenomen die inhoudt dat dergelijke afspraken alleen kunnen worden gemaakt met uitdrukkelijke toestemming van met name kleinverbruikers. Zakelijke grootverbruikers hebben deze bescherming niet echt nodig. De bepaling inzake oneerlijke handelspraktijken en misleidende verkoopmethoden blijft wat mij betreft echter onverkort van toepassing. Als een leverancier misbruik maakt van deze regeling, kan DTe gewoon handhavend optreden. Ook hierover verneem ik graag het oordeel van de minister.

De wet regelt dat 1- tot 10-megawattbedrijven (netbedrijven) verplicht zijn om standaardaansluitingen aan te leggen op kosten van de netbeheerder. Daarboven geldt die verplichting niet meer. Volgens een aantal energiebedrijven heeft dit regime als consequentie dat de kosten van onrendabele aansluitingen tot de grens van 10 megawatt niet openbaar worden aanbesteed, maar worden afgewenteld op de netbeheerder. De kosten moeten natuurlijk wel ergens vandaan worden gehaald. Dat gebeurt dan via doorrekening in de transportkosten. Op die manier betaalt iedere consument uiteindelijk mee aan die onrendabele aansluiting van enkelen. Dit lijkt mij in strijd met het kostenveroorzakingsprincipe. In de praktijk leidt dit ertoe dat aansluitingen ofte wel percelen kunstmatig worden opgeknipt in stukken van minder dan 10 megawatt om de kosten van onrendabele aansluitingen te ontlopen. Dit geldt met name bij windparken, zo heb ik begrepen. Als je dan ook nog bedenkt dat windenergie en WKK zijn vrijgesteld van transportkosten, is het wel duidelijk dat netbeheerders in deze gevallen de netten moeten uitbreiden of verzwaren zonder dat de aanvrager de kosten vergoedt en zonder dat daar inkomsten uit het transporttarief tegenover staan. Dit komt allemaal ten laste van de netbeheerder, uiteindelijk op kosten van de consument.

De heerCrone(PvdA)

Die netbeheerders zijn wel rendabel.

De heerDe Krom(VVD)

Zij zijn zoals u weet alleen maar rendabel met een heleboel subsidie.

Een mogelijke oplossing zou zijn de grens van 10 MW tot 1 MW te verlagen.

MinisterBrinkhorst

Ik heb het amendement op stuk nr. 17 voor mij, maar u bespreekt nu een ander amendement.

De heerDe Krom(VVD)

Ik aarzelde het amendement in te dienen en heb dat nog niet gedaan. Ik leg u nu uit waarom.

Een mogelijke oplossing zou zijn de grens van 10 MW tot 1 MW te verlagen, maar dit zou wel betekenen dat het toezicht door DTe op de tarifering aanzienlijk wordt beperkt, want alleen standaardaansluitingen zijn opgenomen in de tarievencode, en dus ook onderwerp van toezicht door DTe. De financiële consequenties van dit voorstel zouden ook wel eens heel groot kunnen zijn.

Nu kom ik op de vraag van de minister. Ik aarzel om op dit punt nu een amendement in te dienen omdat de consequenties inderdaad wel eens heel groot zouden kunnen zijn. Het gaat mij wat te ver om dit op een achternamiddag in het kader van de veegwet even te regelen. Ik stel het wel op prijs als de minister zijn zienswijze op deze problematiek geeft.

In noodsituaties moeten overheid en energiebedrijven altijd met elkaar kunnen communiceren. In het project Bescherming vitale infrastructuur is de energiesector niet voor niets als vitale infrastructuur aangewezen. Het lijkt mij daarom verstandig dat energiebedrijven gebruik kunnen maken van verbindingsmiddelen van de staat ingeval van calamiteiten. Ik doel hierbij op het C2000-systeem. Ik vraag de minister of hij met zijn collega van Binnenlandse Zaken wil overleggen of die energiebedrijven op dit systeem zouden kunnen worden aangesloten en of hij de Kamer hierover wil informeren, naar ik aanneem in gezamenlijkheid met de minister van Binnenlandse Zaken.

De heerHessels(CDA)

Voorzitter. Wij spreken hier vandaag over de veegwet. Het is goed gebruik om bij een veegwet geen materiële of beleidsinhoudelijke zaken te behandelen. De CDA-fractie is heel tevreden dat de minister zich daaraan in zijn wetsvoorstel ook heeft gehouden. Ik zal dat dus ook doen bij de vijf amendementen die ik heb voorgesteld.

Het amendement op stuk nr. 11 gaat over de ontheffing in artikel 2, onderdeel i, voor een particulier net. Er kunnen volgens het huidige artikel 15, lid 4, voorschriften worden verbonden aan de taken die een beheerder van een particulier net moet verrichten. Op dit moment is daar verwezen naar artikel 16, lid 1, van de Elektriciteitswet 1998. In de aanpassing die nu voorligt wordt lid 1 van dit artikel 16 afgehaald en wordt naar het gehele artikel 16 verwezen. Nu kent dit artikel 16 tien leden, waarvan de eerste twee taken bevatten en het tweede feitelijk gaat over taken die aan TenneT zijn toebedeeld en waarmee het particuliere net nooit te maken zal hebben. Wat ons betreft is dit veel te ingewikkeld. De CDA-fractie is van oordeel dat de voorgestelde wetswijziging geen doel dient en dus achterwege moet blijven. Daarom spreekt het amendement op stuk nr. 11 uit dat artikel 2, onderdeel i, komt te vervallen.

Het amendement op stuk nr. 12 gaat over de openbare aanbesteding van aansluitingen. In de regeling daarover wordt in het vijfde lid een verwijzing naar aansluitingen, bedoeld in het eerste lid opgenomen. Er bestaat nu twijfel of daarmee ook de categorieën afnemers die in het tweede lid zijn genoemd worden meegenomen, zoals de gemeenten met openbare verlichting of trammaatschappijen. De vraag is of zij ook de mogelijkheid blijven houden om aansluitwerkzaamheden – in juridische termen: onderhouden, wijzigen, deactiveren en wegnemen van aansluitingen – uit te voeren. De minister zegt dat dit wel zo is omdat het op basis van interpretatie van lid 1, ook geldt voor lid 2. Wij hebben daar toch onze twijfels bij. Het is ons niet duidelijk genoeg. Daarom heeft de CDA-fractie dit tweede amendement dat nummer 12 heeft gekregen, voorgesteld, waardoor het buiten twijfel komt te staan dat ook de categorieën afnemers uit lid 2 de aansluitwerkzaamheden zoals bedoeld in het vijfde lid ook in de toekomst openbaar mogen blijven aanbesteden.

Ik kom alweer bij mijn derde amendement. Dat heeft nummer 13 gekregen. Het gaat over artikel 2 onderdeel OO onder 1. Zowel de minister als mijn fractie onderschrijft het belang van rechtsbescherming – daarmee bedoel ik bezwaar en beroep bij het CBB – tegen tariefbesluiten. De minister stelt zich nu op het standpunt dat het overduidelijk is dat tariefbesluiten in de zin van artikel 41c van de Elektriciteitsnet, beschikkingen zijn waartegen bezwaar en beroep openstaat. Wij hebben hierover twijfels.

Niet kan worden uitgesloten dat deze tariefbesluiten algemeen verbindende voorschriften bevatten. Zoekende, kwamen wij uit bij een uitspraak van de president van het CBB van 22 maart 2002, waarin hij uitdrukkelijk aangeeft dat er rekening mee moet worden gehouden dat tariefbesluiten, voortvloeiend uit hetzelfde artikel als ik net noemde, algemeen verbindende voorschriften bevatten.

Om elke onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, stellen wij voor om in artikel 82 van de Elektriciteitsnet, dat de rechtsbescherming regelt, de verwijzing naar artikel 41c onverkort te handhaven.

Amendement nummer 9 gaat over artikel 3, onderdeel J. Dat is een punt waarover wij ongeveer een jaar geleden, ten tijde van de behandeling van de I&I-wet, uitvoerig met de minister hebben gesproken. Wij hebben toen besloten om in de Gaswet een zware voorhangprocedure op te nemen met betrekking tot de door de minister vast te stellen ministeriële regeling, tariefstructuren en technische voorwaarden gas.

De keuze voor een zware voorhangprocedure had te maken met het ontbreken van materiële normen waaraan de door de directeur DTE vast te stellen tariefstructuren en technische voorwaarden moeten voldoen. De zware voorbereidingsprocedure is bedoeld als een belangrijke procedurele waarborg ter bescherming van netgebruikers. In het wetsvoorstel wordt de zware voorhangprocedure nu vervangen door een lichte voorhangprocedure. Dit is vanuit het oogpunt van de bescherming van afnemers ongewenst. De minister zegt in de stukken dat het wordt voorgesteld om harmonisatie met de Elektriciteitswet te garanderen. Maar in de Elektriciteitswet staan wel uitvoerige materiële normen omschreven.

Ik herinner de minister aan mijn eigen amendement ten tijde van de I&I-wet, waarin wij harmonisering nastreefden door ook in de Gaswet de materiële normen op te nemen. Als de minister dat wil, kunnen wij dit amendement weer uit de kast halen. Wij hebben toentertijd, tot vijf minuten voor de stemming, uitvoerig onderhandeld met de minister en zijn mensen, om dat amendement in te trekken. Daarom stellen wij nu voor om de regeling te laten zoals hij is, de zware voorhangprocedure in stand te houden en niet terug te gaan naar een lichte voorhangprocedure, omdat de materiële normen dan helaas – helaas voor de minister dan – weer naar voren komen. Dat had onze eerste voorkeur, maar toen kon de minister er niet mee leven.

Een vraag tussendoor over artikel 3, onderdeel L. In de nota lezen wij, dat de minister invulling geeft aan het beleid over mijnbouwaangelegenheden. De directeur DTe speelt hierbij geen rol, zo wordt gezegd. Betekent dit nu dat in de door de directeur DTe vast te stellen technische codes geen zaken mogen worden geregeld die te maken hebben met de aansluiting van gasproductienetten op gastransportnetten? Volgt niet uit de Europese gasrichtlijn dat eenieder, dus ook producenten, toegang moeten hebben tot gastransportnetten? Dit is ons onduidelijk, dus wij krijgen graag een toelichting van de minister.

Er ontbreekt nog een van mijn amendementen, namelijk nummer 10. Dat gaat over artikel 3, onderdeel R, onder 1. In het wetsvoorstel wordt uitdrukkelijk vastgelegd dat tegen door de directeur DTe vast te stellen methodebesluiten, zoals bedoeld in artikel 41 van de Elektriciteitswet 1998, bezwaar en beroep openstaat. De directeur DTe stelt ook methodebesluiten vast op grond van de Gaswet. Er wordt niet voorzien in de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen deze besluiten. Wij hebben de indruk dat hier sprake is van een onbedoelde omissie. Met het voorgestelde amendement op stuk nr. 10 wordt deze hersteld.

De heerCrone(PvdA)

Voorzitter. Wij bespreken een veegwet. Zoals de Raad van State opmerkte, moet je altijd oppassen om over een veegwet niet te veel inhoudelijke debatten te gaan voeren. Dat staat op gespannen voet met het technische karakter ervan, maar zou tegenover de buitenwereld ook de indruk wekken dat er niets belangrijks in staat. Ik kan mij soms iets voorstellen bij een deel van de opmerkingen van collega's, maar ik vraag mij af of zij de reikwijdte van een veegwet niet overschrijden. Zij zouden dan hun opmerkingen moeten opzouten tot een volgende behandeling.

Ik heb vooral getoetst of de minister met de veegwet vooral technische punten regelt. Dat is ook niet helemaal het geval. Ik heb op één punt een amendement. De Kamer, naar ik meen bij monde van de heer De Krom, heeft gevraagd om een evaluatiebepaling, omdat wij een groot experiment met de marktwerking uitvoeren. Je moet dan tijdig evalueren of het experiment goed verloopt of dat het moet worden bijgesteld. Daarom zei ik al bij interruptie dat de heer De Krom iets te snel is met het bijstellen van de consumentenbescherming. In zekere zin zie ik dat als een verslechtering van de consumentenbescherming, al kun je daarover van mening verschillen. De minister gaat de andere kant op, door de evaluatiebepaling uit de wet op te rekken van vier jaar naar zes jaar. Dat verbaast mij. Bij een nieuwe wet en bij de start van marktwerking heerst altijd grote twijfel of dat goed gaat. Wij hebben geen enkele behoefte aan een verandering van de evaluatietermijnen. Integendeel, wij leven in de veronderstelling dat de eerste evaluatie eigenlijk twee jaar na de effectuering van de marktwerking zou moeten plaatsvinden. Dat is dan twee jaar na juli van het vorig jaar, 2004. Vervolgens zou dat moeten gebeuren in een vast ritme, om de vier jaar. De minister kiest nu voor een evaluatie om de zes jaar. De heren De Krom en Hessels hebben mijn amendement inmiddels mee ondertekend.

De vergadering wordt enige ogenblikken geschorst.

MinisterBrinkhorst

Voorzitter. Ik zeg de Kamer dank voor haar inbreng in eerste termijn. Ik zal de amendementen behandelen in de volgorde waarin zij voor mij liggen. Ik ben de Kamer erkentelijk dat zij zich bij haar inbreng heeft gehouden aan de wijze waarop de Veegwet is opgebouwd, namelijk met zo weinig mogelijk nieuwe inhoudelijke elementen, waardoor er sprake is van een zo technisch mogelijke benadering.

Ik begin met het eerste amendement van de heer De Krom op stuk nr. 14, betreffende het gemotiveerd afwijken van de wet. Eigenlijk is het een wat wonderlijk amendement, want het voorstel van de VVD-fractie is om gemotiveerd te mogen afwijken van bepalingen ten aanzien van opwekkingsgegevens zoals die nu juist in de wet zijn neergelegd. Waar het in de kern om gaat, is dat het waarborgen van de betrouwbaarheid van de informatie op het etiket bij stroometikettering van groot belang is. Daar houdt ook DTe toezicht op. Als het niet mogelijk is om exacte gegevens te leveren, wordt daar in de uitvoeringspraktijk voldoende rekening mee gehouden. Dat is ook de reden dat ik het amendement eigenlijk overbodig vind, want het leidt maar tot onduidelijkheid.

Ik geloof dat de heer De Krom dit amendement heeft aangepast ten opzichte van een eerder ontwerpamendement, waarbij de suggestie was dat op de stroometikettering bij benadering zou worden aangegeven hoe het in elkaar zat. Waar het echter om gaat, is dat de gegevens die kunnen worden aangeleverd, ook moeten worden aangeleverd. Wat betreft de gegevens die niet kunnen worden aangeleverd, zal de uitvoeringspraktijk een benaderingsmanier inhouden. Om nu als het ware bewust af te wijken van de strikte bepalingen over de opwekkingsgegevens, vind ik een onjuiste manier van het omgaan daarmee. De suggestie die ervan uitgaat, is dat bedrijven deze zo specifiek mogelijk te leveren gegevens niet hoeven te leveren. Dat is de reden waarom ik er de voorkeur aan geef de tekst te houden zoals deze is. Uiteraard zal de uitvoeringpraktijk rekening moeten houden met het feit dat in bepaalde gevallen bepaalde gegevens niet kunnen worden aangeleverd. Tegen die achtergrond zou ik de Kamer het amendement willen ontraden.

De heerDe Krom(VVD)

Ik ben in ieder geval blij dat de minister zegt dat er in de uitvoeringspraktijk rekening mee zal worden gehouden, want je kunt niet het onmogelijke vragen. Het amendement doet niets af aan het beginsel dat de minister noemt, namelijk dat de gegevens moeten worden geleverd. Dat staat ook duidelijk in de toelichting op het amendement. Waar de huidige bepaling in de praktijk toe kan leiden, is dat als je het als bedrijf feitelijk niet kunt terwijl in de wet staat dat je het wel moet kunnen, burgers bij de burgerlijke rechter verhaal zouden kunnen gaan halen als bedrijven niet aan die verplichting voldoen. Dit amendement legt eigenlijk alleen maar vast dat de uitvoeringspraktijk is zoals de minister die beschrijft.

MinisterBrinkhorst

Tot het onmogelijke is niemand gehouden. Als er geen gegevens bestaan, is men ook niet gehouden die te geven. Met dit amendement wordt echter de suggestie gewekt dat men onder bepaalde omstandigheden van de verplichting kan afwijken en dat is wat anders. In het recht bestaat het begrip "unbestimmte Rechtsbegriffe": dat zijn begrippen die je alleen maar bij benadering kunt aanduiden. Dat is een kwestie van interpretatie. Wanneer je echter uitdrukkelijk zegt dat men in bepaalde gevallen bepaalde gegevens niet hoeft aan te leveren, dan worden betrokkenen van die verplichting ontheven. Dat is niet de bedoeling van de heer De Krom en dat is ook niet mijn bedoeling. De bedoeling is: dat wat men kan aanleveren, moet men aanleveren. Als men dat niet kan, zal de uitvoeringspraktijk daar rekening mee houden, maar dan is er ook geen aanleiding om de verplichting op te heffen. Dat is de reden dat ik toch blij ben met de huidige tekst.

Ik denk dat het verstandig zou zijn het volgende te overwegen. Datgene wat wij hier in de discussie bespreken, wordt woordelijk vastgelegd en kan als motivering bij de wetsinterpretatie worden betrokken. Het gaat er niet om dat ik onmogelijke eisen aan de leverancier wil stellen. Het gaat erom dat wanneer hij de gegevens kán leveren, hij deze ook móet leveren.

De heerCrone(PvdA)

Ik stel vast dat de minister bij het ontraden van het aannemen van het amendement blijft. Ik bied mijn warme ondersteuning daarvoor. Ik heb hier de leveringsvoorwaarden van Eneco bij mij. Daarin staat keurig een schema van de verdeling van de stroom over de verschillende energiedragers. Als men zelf mag aangeven waarom men dit soort gegevens niet gedetailleerd kan verstrekken, zal men dat gaatje vergroten. Ik zou het liever omkeren. De bedrijven kopen stroom en weten dus waar het vandaan komt. Wij stimuleren de bedrijven niet om die gegevens maar te verdonkeremanen, want dan moeten wij of de burgers processen gaan voeren. Net als de heer De Krom ben ik voor marktwerking. Ik wil weten wat ik koop.

De heerDe Krom(VVD)

Het is niets anders dan het vastleggen van de uitvoeringspraktijk zoals de minister deze beschreef. Als het feitelijk niet mogelijk is, kunnen de bedrijven dat nu ook al bij DTe aangeven. Als burgers naar de rechter stappen met de opmerking dat een bedrijf de gegevens niet verstrekt, kunnen zij verhaal halen. Het gaat om een vastlegging van de rechtszekerheid van de positie van de bedrijven. Het principe blijft overeind: de gegevens moeten worden aangeleverd, tenzij_

MinisterBrinkhorst

Als dat het geval is, zou het voldoende zijn om op te nemen dat DTe bepaalt wat kan en wat niet kan. DTe is de uitvoeringsorganisatie die toezicht houdt op deze wetgeving. Ik begrijp de reactie van de heer Crone dat je in feite bedrijven stimuleert om te motiveren dat ze iets niet willen leveren. Eerlijk gezegd denk ik dat wij het met elkaar eens zijn. Bedrijven moeten aanleveren wat ze kunnen aanleveren. Wat ze niet kunnen aanleveren, hoeven ze ook niet aan te leveren. De suggestie van een extra motiveringsplicht kan bedrijven stimuleren om te zeggen dat ze er problemen mee hebben. Het is beter om het aan DTe over te laten.

Ik kom op het amendement van de heer De Krom op stuk nr. 15. Daarmee komen bepalingen te vervallen die de leverancier aan kleinverbruikers beperkingen opleggen in het gebruik van de gegevens van die kleinverbruikers. Met de sector ben ik het eens dat het niet in een vrije markt past dat marktpartijen beperkt worden in het gebruik van gegevens van hun klanten, behalve door de gebruikelijke privacywetgeving. Aan de sector heb ik toegezegd dat ik dit bij de eerstvolgende gelegenheid zou regelen. De heer De Krom is mij voor. Ik neem het amendement graag over.

Het amendement van de heer De Krom op stuk nr. 16 betreft de vierwekentermijn. In beginsel zijn wij het met elkaar eens dat deze termijn belemmerend is. Voor contracten die via onderhandelingen tot stand komen of voor inkoopcombinaties is het soms zelfs onmogelijk om vier weken van tevoren de gewijzigde tarieven te melden. Met de geest van het amendement ben ik het dus eens, maar de heer De Krom stelt een te beperkte wijziging voor. Zijn voorstel dekt namelijk niet alle tariefwijzigingen. Het kan voorkomen dat leveranciers het tarief van een product wijzigen, maar dat die wijziging niet wordt doorgevoerd voor de bestaande afnemers van het product. Bovendien introduceren leveranciers regelmatig nieuwe producten. Ik bied de Kamer technische bijstand aan om het amendement zodanig te wijzigen dat alle wijzigingen erdoor gedekt worden.

De heerCrone(PvdA)

Ik ben een beetje verbaasd. De heer Hessels, mevrouw Gerkens, de heer Vendrik en ik hebben dit amendement bij de behandeling van het wetsvoorstel ingediend. In de oude wet stond dat tariefwijzigingen één keer per jaar moeten worden gemeld. Wij vonden dat niet flexibel genoeg, want dan zou bijvoorbeeld pas na tien maanden kunnen blijken dat het tarief te sterk is verhoogd. Met het oog op een soepele marktwerking leek ons melding vooraf gewenst. Wij zijn daarbij uitgekomen op een termijn van vier weken. De consument weet dan dat het tarief is getoetst en ook de ondernemer heeft zekerheid. De heer De Krom was destijds al tegen dit amendement, dus hij is zeker consequent. De minister was er echter voor, evenals de meerderheid van de Kamer. Ik vind het een beetje zot om bij een veegwet een dergelijk inhoudelijke wijziging aan te brengen. Uit de evaluatie kan blijken dat deze regeling te beperkend is, hoewel ik dat nog van niemand heb gehoord. Ik stel dan ook voor, op dit punt de praktijk af te wachten.

De heerHessels(CDA)

Ik ben het geheel met de heer Crone eens. Wij hebben dit amendement destijds niet voor niets ingediend. Het wordt bijzonder lastig als de minister een amendement overneemt waar de meerderheid van de Kamer tegen is.

MinisterBrinkhorst

Ik herinner mij niet dat de heer De Krom destijds tegen dit amendement was. Het gaat erom dat in bepaalde gevallen de termijn van vier weken niet redelijk is. Als tevoren al negatief op een eventueel verzoek wordt gereageerd, is de leverancier onvoldoende in staat om in te spelen op de markt. De melding dient ervoor om DTe over de meest recente tarieven te laten beschikken. Alleen op grond daarvan kan bepaald worden dat de tarieven onredelijk zijn. Onze invalshoek is juist vergroting van de flexibiliteit. Wij hebben geen consumentonvriendelijke maatregel voor ogen.

De heerCrone(PvdA)

Ik vraag mij af hoe het amendement uiteindelijk zal komen te luiden. De snelheid van de informatie mag niet ten koste gaan van de consumentenbescherming. Voor prijsverlagingen is geen termijn van vier weken nodig, maar als die termijn ook niet geldt voor prijsverhoging ontstaat onrust bij de consumenten.

MinisterBrinkhorst

Dat laatste is zeker niet mijn bedoeling. Het gaat erom, de tariefwijzigingen zo helder mogelijk te presenteren. Het kan voorkomen dat leveranciers de prijs van een product wijzigen, maar dat die wijziging niet geldt voor de bestaande afnemers. Daarbij komt het regelmatig voor dat nieuwe producten worden geïntroduceerd. Om die reden steun ik de opmerkingen van de heer De Krom. Het lijkt mij het beste om hier in tweede termijn op terug te komen, zodat ik een en ander nader kan laten uitzoeken. Ik wil voorkomen dat er een politiek verschil van mening ontstaat, terwijl dat wellicht helemaal niet nodig is.

Het amendement op stuk nr. 17 over de multisitecontracten is inmiddels zodanig aangepast dat ik het zou kunnen overnemen. De kleinverbruiker heeft een sterke positie in de huidige regelgeving. De bepalingen die tot doel hebben, kleinverbruikers die sterke positie te verschaffen, kunnen belemmerend werken voor de zogenaamde multisitecontracten. In die contracten zitten aansluitingen van verschillende omvang, zowel voor grootverbruikers als voor kleinverbruikers. Diegene die dergelijke contracten met de leverancier sluit, heeft in de regel een sterke onderhandelingspositie, maar als het contract ook kleingebruikers omvat, valt er niets te onderhandelen. Dan gelden de dwingende bepalingen over vergunning, maximumtarieven, afsluitbeleid, opzegging enzovoort. In dat geval staan bepalingen die tot doel hebben om kleingebruikers te beschermen de totstandkoming van die multisitecontracten in de weg. Tegen die achtergrond kan ik met dit aangepaste ontwerp leven.

De heer Hessels heeft het amendement op stuk nr. 11 ingediend over de ontheffing van artikel 15 van de Elektriciteitswet. Ik kan mij in dat amendement vinden, want dat perkt de inhoud van de voorwaarden in tot de taken van de regionale netbeheerders. Naar mijn idee is een juiste formulering gebruikt. Ik maak dus geen bezwaar tegen het aannemen van dit amendement.

Voor het amendement op stuk nr. 12 van de heer Hessels geldt hetzelfde. Dat heeft betrekking op het aanbesteden van de aansluiting. Afnemers kunnen hun aansluiting vanaf 1 MVA aanbesteden. Met dit amendement wordt verduidelijkt dat specifiek gedefinieerde organisaties met afnemers gelijk worden gesteld. Hoewel dat mijns inziens niet echt nodig is, maak ik geen bezwaar tegen het aannemen van dit amendement.

Voor het amendement op stuk nr. 13 geldt iets anders. Dat heeft betrekking op het beroep dat mogelijk wordt gemaakt tegen methodebesluiten, zoals dat ook in de veegwet wordt voorgesteld. Het door mij gedane voorstel voor het schrappen van individuele tariefbesluiten wordt door dat amendement ongedaan gemaakt. De heer Hessels heeft gezegd dat het nodig is om dat te doen, omdat het algemene tariefbesluiten kunnen zijn. Tegen dergelijke besluiten staat echter altijd beroep open. Dat zijn namelijk besluiten die zich richten tot individuele netbeheerders. Dat is iets anders dan het besluit op basis van artikel 41, waarnaar in eerste instantie is verwezen. Dat is gericht op alle netbeheerders. Wij zijn het dus over dit punt eens, maar de vraag is wat in de wet moet worden vastgelegd. Het nadrukkelijk openstellen van bezwaar en beroep tegen tariefbesluiten is niet nodig, want die zijn in beginsel juist individueel van aard. Ik zou het op prijs stellen als de heer Hessels zijn gedachten daarover liet gaan. Het is geen kwestie van messen trekken. Als hij daarop insisteert, zal ik mij daartegen niet verzetten. Het lijkt mij uit juridisch oogpunt echter niet noodzakelijk.

De vragen van de heer Hessels in het amendement op stuk nr. 9 hebben betrekking op een zware of een lichte voorhangprocedure. Het is mij bekend dat deze woordvoerders van de Kamer het zichzelf altijd graag lastig maken en dat zij zo veel mogelijk bij de zaak betrokken willen zijn. Zij weten dat ik altijd veel waarde hecht aan hun inbreng. Als zij dus kiezen voor een zware procedure en dat echt zwaar beoordelen, laat ik dat oordeel graag aan hen over. Een lichte voorhangprocedure maakt het voor hen iets eenvoudiger, maar ik zal verder de geschiedenis ingaan als de minister deze drie woordvoerders heeft gestimuleerd om zwaar werk te verrichten.

Ik ben het eens met de strekking van het amendement op stuk nr. 10 van de heer Hessels. Dat heeft betrekking op het beroep tegen methodebesluiten en sluit dus aan bij mijn eigen voorstel in de Elektriciteitswet. Het gaat in dit geval om de Gaswet. Ik wijs de heer Hessels er echter wel op dat de inhoud van zijn amendement niet aansluit bij de toelichting. Hij zou artikel 61 van de Gaswet moeten wijzigen in plaats van artikel 14. Als de heer Hessels het op prijs stelt, zou ik hem op dat punt graag technische bijstand geven. Wij zijn het over de strekking eens, maar de vraag is dus of de heer Hessels ermee akkoord kan gaan dat artikel 61 wordt gewijzigd in plaats van artikel 14.

De heerHessels(CDA)

Voor bijstand staan wij altijd open, dus als dat een technische aanpassing is, zullen wij nagaan of wij dat amendement op die manier aanpassen.

MinisterBrinkhorst

Heel graag. In reactie op het amendement-Crone op stuk nr. 18 merk ik op dat het niet een kwestie is van vermindering van de aandacht voor de evaluatie. Dat is niet waar. Ik wil terug naar de bestaande wet. De minister wil een administratievelastenverlichting door het minder vaak te doen. Het is maar hoe je het zeggen wilt, maar de wet is de wet. De minister wil de wet wijzigen en ik vind dit geen nuttige administratievelastenverlichting. De inhoud is natuurlijk belangrijker. De problematiek van de evaluatietermijn moet volgens mij worden afgewogen tegen de administratieve lasten. Een keer in de vier jaar aanleveren, betekent dat eens in de vier jaar veel meer informatie moet worden verstrekt. Dat is dus een verhoging van de administratieve last. Tegen die achtergrond is een keer in de zes jaar gesuggereerd. Het is bekend dat de Kamer zeer gesteld is op het verlagen van de administratieve lasten. Ik weet niet of het zoveel minder goed is om die informatie na zes jaar te geven.

De heerCrone(PvdA)

De minister zegt dat ik een administratievelastenverzwaring wil. De minister heeft net het boek in ontvangst genomen van de heer De Jong over de energiesector. Hadden wij nou maar eens een periode van twee jaar waarin geen fundamentele beleidswijzigingen aan de orde waren. En dan heb ik het zowel over het beleid van de bedrijven, die op het ene moment multi utility willen worden en dan weer niet, als over het beleid van het ministerie. De heer Brinkhorst is sinds vier jaar de eerste minister die hier twee jaar zit. Hij zit hier al weer veel te lang, maar dat zeg ik uit oppositionele redenen. Vier jaar is in deze sector buitengewoon kort. De Europese Commissie gaat nu evalueren: waarom komt er geen marktwerking tot stand? Zij gaat misschien zelfs de eigendomssplitsing...

MinisterBrinkhorst

Daar heeft de heer Crone gelijk in. Ik hoop hier nog twee jaar te zitten, maar ik zit hier om ervoor te zorgen dat wij nu eindelijk een behoorlijke marktwerking krijgen waarbij de overheid een belangrijke rol speelt. Het lijkt erop dat een grote meerderheid van de Kamer in die richting zal werken. Daar zijn wij het dus geheel over eens. Ik hoop dat bij mijn vertrek de stabiliteit in deze sector, althans voorzover het de wetgeving betreft, is neergelegd. Ook in de nieuwe omstandigheid moeten wij iedere vier jaar evalueren. Nogmaals, ook hierover wil ik geen messen trekken, maar het is wel een administratieve last en de Kamer als geheel heeft aangegeven de administratieve lasten te willen beperken, namelijk 25% minder. Ook al heeft de heer Crone in formele zin gelijk dat een en ander aansluit bij de bestaande wetgeving, in het verleden had de beperking van de administratieve lasten niet zo'n hoge prioriteit als op dit ogenblik. Het is die afweging. Ik laat het oordeel over dit amendement graag aan de Kamer over. De fracties moeten maar aangeven wat ze daarvan vinden.

Ik moet nog een paar vragen beantwoorden. De heer De Krom heeft een vraag gesteld over de noodcommunicatie. De kern van de vraag is of de minister bereid is om met BZK te overleggen om de energiesector toegang te geven tot noodcommunicatiesystemen in tijden van nationale crises. Het antwoord daarop is ja. Ik zal zo snel mogelijk met mijn collega contact opnemen. Mocht hij daar onverhoopt problemen mee hebben, dan zal ik die aan de Kamer melden. Ik hoop hem te kunnen overtuigen van de redelijkheid van de wens. Ik zal de Kamer daarover berichten.

De heer Hessels zegt dat niets is geregeld in de voorwaarden over de aansluitvoorwaarden voor gasproductie. Naar mijn gevoel is dat wel het geval, want de voorwaarden van artikel 12b gaan onder andere over de jegens de netgebruiker te hanteren voorwaarden bij het voorzien van een aansluiting. Een netgebruiker is iedereen die gas wil laten transporteren over het net. Tegen die achtergrond is dit punt naar mijn gevoel wel geregeld.

De heer De Krom heeft nog een vraag gesteld over de problemen met de 10 MVA-grens. Als je hier iets mee wilt, moet je niet zozeer regelen of je van 1 naar 10 gaat, maar van 10 naar 1. Het is dus van belang dat wij een grens hebben van 1 MVA, want dat zou beter aansluiten bij de andere bepalingen gekoppeld aan de omvang van de aansluiting. Grote financiële gevolgen daarvan zijn mij niet bekend. DTe is ook na uitvoerige consultatie een voorstander van een grens van 1 MVA. De grens van 10 MVA kennen wij bovendien pas sinds juli 2004. Dus als u iets zou willen, moet u niet een perverse prikkel van 10 MVA afgeven, maar dan moet u een grens van 1 MVA aangeven. Dat lijkt mij ook redelijk omdat DTe die grens, die aanvankelijk in de tarievencode stond, ook zelf wil verlagen naar 1 MVA.

De heren De Krom en Crone hebben gevraagd of DTe wel tijdig zou kunnen ingrijpen als een wijziging van de tariven niet steeds vier weken van tevoren wordt gemeld. Het antwoord daarop is: ja. Dat berust op voortschrijdend inzicht. Als een vorm van melding gehandhaafd blijft, ontvangt DTe de laatste tarieven. Als DTe van mening is dat het tarief onredelijk is, zal hij dat nader onderzoeken en in gesprek treden met de betrokken vergunninghouder. Dat proces en de eventuele publiciteit die dat genereert, zullen in de regel voldoende zijn om tot een tariefsverlaging te leiden. Dat hebben wij laatst ook gezien met de partij Intergas. Ik maak mij geen zorgen over de tijdigheid van het ingrijpen van DTe. Eigenlijk gaat het om de afweging tussen maximale flexibiliteit van de leverancier om in de markt te opereren en de bescherming van de kleinverbruikers. Ik kies voor flexibiliteit voor de leveranciers, want die voelen in toenemende markt de tucht van de markt. Zij zullen niet zomaar laten gebeuren dat het tarief enige weken na wijziging wordt gemaximeerd. Als het wel gebeurt, verwacht ik dat de afnemers daaruit de conclusies trekken. Wij hebben immers niet voor niets een vrije markt.

De voorzitter:

Ik stel vast dat de amendementen op de stukken nrs. 11, 12, 15 en 17 zijn overgenomen. De amendementen op de stukken nrs. 10 en 16 zijn dat potentieel, dat wil zeggen nadat zij nog op een aantal punten gewijzigd zijn.

Het woord is aan de Kamer voor de tweede termijn.

De heerDe Krom(VVD)

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ik blijf met hem van mening verschillen over het amendement op stuk nr. 14. Ik begrijp het eigenlijk niet zo goed. Het doet eigenlijk toch niets anders dan het vastleggen van de praktijk. De minister zegt dat het eigenlijk aan DTe zou moeten worden overgelaten. Dat is precies wat in de toelichting staat. Het geeft dus alleen maar een stukje extra rechtsbescherming voor bedrijven die niet aan de wet kunnen voldoen, maar het verandert aan het principe dat die gegevens op tafel moeten komen, helemaal niets. Het legt alleen maar de praktijk vast en niet meer dan dat. In die zin doe ik nogmaals een beroep op de minister om hier goed over na te denken.

Er is gesproken over de verlaging van de grens van 10 MVA naar 1 MVA. Ik ben mij ervan bewust dat DTe dat ook aanbeveelt, maar ik ben toch een beetje verrast door de uitspraak van de minister dat er eigenlijk geen financiële consequenties zijn. Ik kan mij dat nauwelijks voorstellen.

MinisterBrinkhorst

Die zijn niet bekend en naar de verwachting van DTe zijn die er ook niet.

De heerDe Krom(VVD)

Ik proef uit uw woorden dat u het eigenlijk wel een goed idee vindt. Maar dan moeten wij dat toch in ieder geval in kaart hebben, nietwaar? Als u het een goed idee vindt, wat doet u er dan mee? Op welke manier gaat u er dan mee verder?

De heerHessels(CDA)

Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn reactie op de amendementen en zijn antwoorden. Ik heb nog een paar puntjes en wil allereerst nog iets zeggen over mijn amendement op stuk nr. 13. De minister zegt dat het niet nodig is om het bezwaar en beroep zo zwaar te regelen. Ik zal het nog eens goed bestuderen. Dat geldt ook voor zijn opmerking dat er verschillen zitten tussen een meeromvattende regeling en een eenmalige en unieke regeling. Het zou echter niet de eerste keer zijn dat een zeer overtuigde minister ernaast zit als het gaat om de mogelijkheden in de rechtspraak. Ik breng mijn voorganger de heer Van den Akker in herinnering, die artikel 13 van de OEPS uit de wet wilde amenderen. Een voorgangster van deze minister zei dat dat absoluut niet nodig was. Het Europese Hof heeft daar deze week anders over gedacht. Dat zal de Nederlandse Staat erg veel gaan kosten. Soms heeft de CDA-fractie dus toch gelijk!

De toelichting van het amendement op stuk nr. 10 klopt inderdaad niet met de tekst. Wij zullen zorgen voor een aanpassing.

Ik ben begonnen met te zeggen dat ik in dit wetgevingsoverleg geen inhoudelijke amendementen zal indienen. Als die benadering niet was gekozen, was ik zeker nog met een amendement gekomen met betrekking tot de aansluittarieven voor sportverenigingen. De minister weet dat ik daar zeer aan hecht. Ik ben erg teleurgesteld over zijn jongste brief hierover. A.s. donderdag zou dit aan de orde komen tijdens een algemeen overleg over de MEP, maar dit overleg is nu over het zomerreces heen getild. Ik heb begrepen dat NOC-NSF met aanvullende gegevens komt. Ook daarom zal ik mij beheersen en geen amendement op dit punt indienen. De minister moet wel weten dat mijn fractie hier zeer aan hecht. Als hij niet zelf met de door hem toegezegde ministeriële regeling komt, zullen wij bij de eerstvolgende gelegenheid met een amendement komen.

De heerCrone(PvdA)

Voorzitter. De minister moet weten dat de PvdA-fractie het CDA graag aan een meerderheid helpt op dit sportieve punt. Zo zullen wij ook graag de fractie van D66 aan een meerderheid helpen bij het pakket van 1,5 mld. lastenverlichting dat zij net aan het kabinet heeft voorgelegd. Ik heb nog nooit zoveel gelijk gekregen sinds ik in de oppositie zit!

De heerDe Krom(VVD)

Daarom moet u er vooral ook blijven zitten.

De heerCrone(PvdA)

Ik ben heel tevreden! Als het kabinet het nog eens goed uitlegt aan de bevolking, mag het misschien ook blijven zitten.

Voorzitter. For the record meld ik nog even dat mijn amendement ook is ondertekend door de collega's. Wij zullen zien hoe hierover wordt gestemd, maar de minister wil hierover geen messen trekken. Dat zal ik dus ook niet doen.

MinisterBrinkhorst

Voorzitter. De heer De Krom had het nog even over de verlaging van 10 naar 1 MVA. Het lijkt mij het beste dat ik zo snel mogelijk bericht over de financiële gevolgen ervan om eventuele misverstanden te vermijden.

Ik ben blij dat de heer Hessels nog even wil kijken naar het amendement op stuk nr. 13. Ik denk dat het door hem bedoelde artikel van de OEPS toch een enigszins andere draagwijdte had. Ook ben ik blij dat het amendement op stuk nr. 10 zal worden aangepast.

Voorzitter. Wat betreft de sportverenigingen heb ik nooit toegezegd dat er een ministeriële regeling zal komen. Wel heb ik een onderzoek toegezegd. NOC-NSF heeft mij laten weten dat het gaat om een beperkt aantal sportverenigingen. Ik heb vervolgens begrepen dat deze organisatie zelf een studie gaat verrichten en dat lijkt mij een goede zaak. Als blijkt dat het een breed probleem is, komt er een regeling. Dat heb ik toegezegd en daar blijf ik bij. De reden dat ik er niet erg enthousiast over ben, is dat er een belangrijk principe in het geding is: iedereen die stroom afneemt, moet daarvoor betalen. Als een kleine groep sportverenigingen denkt te veel te betalen, mag dat niet worden afgewenteld op de samenleving. Nu zal dat in de praktijk weinig aanpassingen vergen, maar ik vind toch belangrijk dat dit principiële punt nader wordt uitgezocht. Wij zien elkaar dus na de zomer.

De heerHessels(CDA)

Het gaat niet over het niet betalen van stroom, maar over het achteraf betalen van een vastrecht voor een dikke kabel die is aangelegd en waarvan helemaal niet bekend was dat die ooit meer zou gaan kosten. Daarvoor is betaald en het gaat er alleen om of het vastrecht moet worden verhoogd. Dat geldt voor veel verenigingen en andere organisaties, en het moet gewoon geregeld worden.

MinisterBrinkhorst

Ik stel voor dat wij dit punt na de zomer met elkaar bespreken, want dan hebben wij daarin wat meer inzicht.

De heer Crone heeft een vraag gesteld over de evaluatie na zes of vier jaar. Als de Kamer vindt dat de evaluatie na vier jaar moet plaatsvinden, zoals nu is geregeld, en men de hogere administratieve lasten voor de sector voor zijn rekening neemt, is dat het geval. Ik ben voldoende democraat om dat te accepteren en zal het niet als een nederlaag zien, integendeel. Het is voor mijn opvolger nuttig om te weten dat hij binnen twee jaar al weer een evaluatie tegemoet mag zien.

De heerDe Krom(VVD)

Ik neem aan dat de minister blijft bij zijn oordeel over het amendement op stuk nr. 14?

MinisterBrinkhorst

Ik blijf inderdaad bij mijn oordeel, want ik denk werkelijk dat het een verkeerde prikkel is. Als er staat "men moet gemotiveerd kunnen afwijken", zal het betrokken bedrijf daarin een aanmoediging zien om af te wijken, omdat een bedrijf nu eenmaal het liefst zo weinig mogelijk gegevens bekend maakt. Het uitgangspunt van de wetgeving is nu juist om zo veel mogelijk transparantie te bereiken. In de praktijk zal het misschien niet zoveel uitmaken, maar dan is het ook niet nodig om het bewuste amendement in te dienen. De uitvoeringspraktijk moet uitwijzen hoeveel gegevens er in de praktijk kunnen worden geleverd. DTe heeft een heel goed overzicht en is geen scherpslijper. Door de mogelijkheid te bieden om gemotiveerd af te wijken, prikkelt men bedrijven om dat ook te doen. Dat wil ik vermijden.

De heerDe Krom(VVD)

Hoe groot acht u het risico dat individuen, burgers dus, naar de rechter stappen en zeggen: u voldoet niet aan de wet, want u verschaft mij niet alle gegevens?

MinisterBrinkhorst

Ik denk dat de wet vanzelf tot een zekere praktijk zal leiden. Sommige voorbeelden, waaronder het voorbeeld van Eneco dat de heer Crone heeft genoemd, geven de transparantie al duidelijk aan. Ik schat het risico dat mensen naar de rechter gaan eerlijk gezegd niet heel groot in. Er is ook sprake van marktwerking en van concurrentie tussen de partijen, met name op het gebied van gegevensverschaffing. Een heel ontransparant proces duidt waarschijnlijk op hogere of niet aangepaste kosten. Het desbetreffende bedrijf zal daar waarschijnlijk nadeel van ondervinden. Het geven van zo veel mogelijk gegevens zal een prikkel vormen en ik denk dat het erg zal meevallen met beroepen van burgers tegen bedrijven die de gegevens niet verstrekken.

De voorzitter:

Daarmee zijn wij gekomen aan het einde van dit overleg. Ik heb een aantal toezeggingen van de minister genoteerd. In de eerste plaats zal hij overleggen met zijn collega van BZK over de kwestie C2000. De tweede toezegging is dat de kosten in beeld worden gebracht voor de grens van 1 MVA. Direct na de zomer wordt de Kamer daarover geïnformeerd. Dat geldt ook voor de herhaalde toezegging op het punt van de sportverenigingen.

MinisterBrinkhorst

Wat het laatste betreft ben ik afhankelijk van het eigenstandige onderzoek van NOC-NSF en mijn verificatie van het proces.

De voorzitter:

Wij zullen waarschijnlijk dinsdag over een week stemmen. Ik stel vast dat er geen moties zijn ingediend.

MinisterBrinkhorst

Ik hecht er zeer aan, zelf aanwezig te zijn bij de stemmingen. Ik hoop dat de staatssecretaris of een andere collega kan, maar ik ben dan voor een dienstreis in Rusland, om de energiebelangen van Nederland in dat land te behartigen.

De voorzitter:

Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen.

Sluiting 17.15 uur.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Egerschot (VVD) en Jonker (CDA).

Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Vos (GroenLinks), Joldersma (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Ruiter (SP), Van As (LPF), De Haan (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Weekers (VVD) en Van Dijk (CDA).

Naar boven