Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200530024 nr. 3

30 024
Wijziging van de Wet bodembescherming (overgang taken Service Centrum Grond)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vijfde j° vierde lid onder b, van de Wet op de Raad van State).

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Begin 2003 is een project gestart met als doel het verkennen van mogelijkheden om organisaties die werkzaam zijn op het beleidsterrein bodem te bundelen om daarmee te komen tot een meer efficiënte ondersteuning van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en de uitvoerende overheden. Met deze bundeling wordt ook verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van het bodembeleid beoogd. Aanleiding is de constatering dat er ten aanzien van het bodembeleid sprake is van een veelheid van ondersteunde taken, uitgevoerd door een breed scala van organisaties, waarin alleen kenners de weg weten. Dit belemmert de kwaliteit en de efficiency van de uitvoering. Dit beeld wordt ook bevestigd door gesprekken met het bevoegd gezag. Mede gelet op de beoogde vernieuwing van het bodembeleid dient aan deze ongewenste situatie spoedig een einde te komen. Een andere aanleiding tot bezinning op de huidige structuur van de uitvoering en ondersteuning is de discussie met de Algemene Rekenkamer over de wijze van verantwoording over de doelmatigheid en rechtmatigheid van de besteding van bodemsaneringsgelden. Onverminderd de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag kan een centrale uitvoeringsorganisatie in dit opzicht een verbetering betekenen.

Dit heeft geleid tot mijn voornemen taken op het gebied van bodembescherming, bodembeheer en bodemsanering bij één uitvoeringsorganisatie onder te brengen. Dit voornemen heb ik gemeld in de Beleidsbrief Bodem (Kamerstukken II 2003/04, 28 663, nr. 13). In de beantwoording van de vragen uit de Tweede Kamer over deze beleidsbrief (Kamerstukken II 2003/04, 28 663, nr. 16) heb ik aangegeven dat deze uitvoeringsorganisatie naast het ondersteunen van provincies en gemeenten ook een aantal wettelijke taken gaat uitvoeren die aan bestuursorganen op rijksniveau waren opgedragen, zoals de afgifte van niet-reinigbaarheidsverklaringen voor grond en baggerspecie.

2. Taken Service Centrum Grond

Het Service Centrum Grond heeft op grond van artikel 21 van de Wet bodembescherming de taak advies te geven over de reinigbaarheid van verontreinigde grond. Daarnaast kreeg het Service Centrum Grond op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag en het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen de taak niet-reinigbaarheidsverklaringen af te geven ten behoeve van het storten van ernstig verontreinigde grond en de belastingheffing daarover. Het Service Centrum Grond voert zijn taken uit als zelfstandig bestuursorgaan.

Voorgesteld wordt om het advies dat in artikel 21 is voorgeschreven, te laten vervallen alsmede de overige bepalingen over en verwijzingen naar dat advies. Daarnaast zijn een tweetal trajecten in gang gezet om taken die in de andere genoemde regelingen aan het Service Centrum Grond zijn opgedragen, over te hevelen naar de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) en met ingang van 1 januari 2005 onder mandaat te laten uitoefenen door een agentschap.

Destijds is het verplichte advies ingevoerd omdat het nodig was een instrument te hebben om te stimuleren dat reinigbare grond niet zou worden gestort, maar gereinigd. De reden dat dit onvoldoende gebeurde, was met name het ontbreken van kennis. De wetgever heeft daartoe aan het Service Centrum Grond, dat in 1989 was opgericht om reiniging van bij bodemsanering vrijkomende grond te bevorderen, de taak gegeven wettelijk verplicht advies uit te brengen op aanvraag van degene die voornemens is de verontreinigde grond af te graven. Inmiddels is echter door uitvoerende overheden veel kennis en ervaring opgedaan en bovendien voorzien particuliere onderzoeksbureaus in de behoefte aan beoordelingen van de reinigbaarheid van verontreinigde grond voorafgaand aan ontgraving. De verplichting om zich door een bestuursorgaan te laten adviseren, heeft derhalve geen functie meer. In combinatie met het voornemen om ook de overige taken van het Service Centrum Grond over te hevelen naar een uitvoeringsorganisatie die meerdere taken op het gebied van bodembescherming, bodembeheer en bodemsanering krijgt, betekent dit dat het Service Centrum Grond kan worden opgeheven.

3. Wijziging Wet bodembescherming

De artikelen 21 tot en met 26 van de Wet bodembescherming bevatten de regels inzake het Service Centrum Grond. Daarnaast wordt in diverse andere artikelen in de Wet bodembescherming verwezen naar de advisering door het Service Centrum Grond. Er wordt voorgesteld deze artikelen te schrappen respectievelijk aan te passen zodat de Wet bodembescherming geen verplichting meer schept om advies te vragen aan het Service Centrum Grond.

Niettemin blijft het beoordelen van de reinigbaarheid gewenst in de fase voorafgaand aan de te nemen maatregelen of sanering, namelijk wanneer bij nieuwe verontreiniging (artikel 27) of bestaande verontreiniging (artikel 28) voornemens zijn gemeld om grond te ontgraven. Dit is van belang voor de beoordeling door het bevoegd gezag van de te nemen maatregelen. Daarom wordt in Artikel I, onderdelen C en D, voorgesteld om het verplichte advies te vervangen door een verplichting om een beoordeling van de reinigbaarheid van de grond aan het bevoegd gezag te overleggen, in de situaties, bedoeld in de artikelen 27 en 28. Deze beoordeling wordt overgelegd door de initiatiefnemer van het ontgraven. Hij kan een particulier onderzoeksbureau vragen een beoordeling van de reinigbaarheid te maken. Er wordt tevens voorgesteld de Minister de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen omtrent de beoordeling van de reinigbaarheid en de wijze van indeling van de te ontgraven bodem in partijen. Het agentschap heeft in deze fase nog geen formele rol, maar pas indien de grond wordt ontgraven en gestort. Dan is een niet-reinigbaarheidsverklaring nodig op grond van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

4. Verhouding tot andere lopende trajecten

De belangrijkste taak van het Service Centrum Grond is het afgeven van niet-reinigbaarheidsverklaringen voor verontreinigde grond ten behoeve van de toepassing van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen en de Wet belastingen op milieugrondslag. Er zijn wijzigingen van beide regelingen in procedure gebracht.

De wet Overige fiscale maatregelen 2005 (Stb. 2004, 654) bevat een wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag. Die wijziging houdt in dat de vrijstelling van afvalstoffenbelasting terzake van niet-reinigbare grond vervalt en de vrijstelling voor niet-reinigbare baggerspecie wordt vervangen door een vrijstelling voor alle baggerspecie. De niet-reinigbaarheidsverklaring die nu vereist is, is daardoor niet meer van belang en wordt alleen voorzover het bagger betreft vervangen door een verklaring dat sprake is van bagger. De genoemde verklaring wordt thans afgegeven door het Service Centrum Grond. Vanwege het voornemen deze taken onder te brengen bij een agentschap is dit gewijzigd en zal de verklaring door de Minister worden afgegeven. De wijziging zal naar verwachting in maart 2005 in werking treden.

Het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen verbiedt het storten van ernstig verontreinigde niet-reinigbare grond (waaronder niet begrepen baggerspecie) zonder advies van het Service Centrum Grond, waaruit blijkt dat de grond niet reinigbaar is. In Staatsblad 2005, 23 is een wijziging van dat Besluit gepubliceerd dat deze taak attribueert aan de Minister, zodat die de taak kan mandateren aan een agentschap. Die wijziging zal naar verwachting begin maart in werking treden.

5. Financiële gevolgen wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel leidt tot een vermindering van de administratieve lasten. Sinds 1999 brengt het Service Centrum Grond geen kosten meer in rekening voor het in behandeling nemen van de adviezen die op grond van artikel 21 verplicht zijn. Het aanvragen van een advies brengt echter nog andere kosten met zich. De aanvrager beschikt al over de gegevens die benodigd zijn voor de aanvraag omdat die afkomstig zijn uit reguliere bodemonderzoeken. Het verzamelen van de relevante gegevens en het opstellen en indienen van de aanvraag brengen wel kosten met zich. Dit kost naar schatting 5 uur extra werk voor een adviesbureau, waarvoor de kosten circa € 500,– bedragen. De doelgroep betreft in principe alle saneerders, waarvan circa 75% overheden zijn (provincies en gemeenten) en circa 25% bedrijven (met name uit de industrie- en productiesector) en enkele particulieren. Per jaar wordt er ongeveer tien keer advies gevraagd. De totale besparing aan administratieve lasten voor het bedrijfsleven bedraagt derhalve circa € 5 000,– (10 maal € 500,–) per jaar.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdeel D

Bij deze aanpassing (waarvan het doel in paragraaf 3 is beschreven) is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de redactie van artikel 28 te herzien. Door de vorm van een opsomming te kiezen, wordt dat artikel beter leesbaar.

Artikel I, onderdeel E

Het voorgestelde artikel 28a vormt een nieuwe grondslag voor een ministeriële regeling, die de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond bodemsanering 2000 vervangt. De Regeling beoordeling reinigbaarheid grond bodemsanering 2000 is thans gebaseerd op artikel 24 en stelt regels die het Service Centrum Grond in acht moet nemen bij het geven van adviezen. Aangezien dit wetsvoorstel voorstelt artikel 24 te schrappen, zou de regeling van rechtswege dan vervallen.

De criteria voor de beoordeling van de reinigbaarheid van verontreinigde grond, die in de regeling zijn vastgelegd, zijn echter nog steeds relevant en zouden hun geldigheid moeten behouden. Het is daarom wenselijk ze in een nieuwe regeling opnieuw vast te leggen. Tevens wordt geregeld de bevoegdheid van de minister om regels te stellen over de reinigbaarheid van grond als bedoeld in het Besluit stortplaatsen en stortverboden dat gebaseerd is op de Wet milieubeheer. Voorts is het wenselijk alle betrokkenen duidelijkheid te verschaffen omtrent de wijze van indeling in partijen van te ontgraven bodem. Dergelijke regels maken nu deel uit van het reglement van het Service Centrum Grond. Omwille van de rechtszekerheid wordt het wenselijk geacht ze in een ministeriële regeling vast te leggen.

Artikel II

Als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, heeft het Service Centrum Grond geen wettelijke taken meer en zal het worden opgeheven. Artikel 4 van de Archiefwet vereist dat bij het beëindigen van een overheidsorgaan een voorziening wordt getroffen voor de overdracht van de archiefbescheiden.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A van Geel