30 015 Bodembeleid

Nr. 53 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 mei 2016

Op verzoek van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu reageer ik hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, op het advies dat de Technische Commissie Bodem (TCB) heeft uitgebracht over «Toestand en dynamiek van organische stof in Nederlandse landbouwbodems».

Allereerst wil ik mijn waardering uitspreken dat de TCB dit advies op eigen initiatief heeft uitgebracht omdat dit goed aansluit op de dialoog over het beheer van de bodem die momenteel gaande is. Voorbeelden hiervan zijn:

  • De brochure van de Stichting Toegepast Wateronderzoek met de titel «Goede grond; Goed voor landbouw, natuur én waterbeheer»1;

  • De «Campagne Bodembewust boeren» van het maatschappelijk initiatief «Bewust Bodemgebruik»2.

Terecht stelt de TCB vast dat het beheer van organische stof, met name de stabiele, minder snel afbreekbare fractie, in landbouwbodems niet alleen van grote betekenis voor duurzame landbouwproductie is, maar daarnaast door middel van ecosysteemdiensten ook tal van andere maatschappelijke doelen kan dienen, namelijk:

  • vasthouden van water door een betere sponswerking hetgeen bijdraagt aan waterveiligheid (vermindering piekbelasting stroomafwaarts), zoetwatergebruik (meer en efficiëntere benutting van bodemvocht) en waterkwaliteit (vermindering oppervlakkige uit- en afspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen);

  • vasthouden en verwerken van mineralen en afbreken van verontreinigingen (zoals gewasbeschermingsmiddelen) doordat o.a. micro-organismen zich hechten aan de stabielere organische stof (betekenis van biodiversiteit voor weerbaarheid en het reinigend vermogen van de bodem);

  • weerstand tegen klimaatverandering door het vastleggen van CO2 in de bodem.

Het advies maakt duidelijk dat een duurzaam bodemgebruik een complexe samenhang betreft van fysische (bodemstructuur), biologische (bodemleven) en chemische factoren (minerale bestanddelen). Ondernemers moeten daarbij een balans zoeken tussen het toedienen van snel werkende mineralen en snel afbreekbare organische fracties enerzijds en langzaam werkende stabielere organische fracties anderzijds. De snelwerkende meststoffen worden bij voorkeur toegediend tijdens het groeiseizoen wanneer de mineralen opgenomen kunnen worden door het gewas. Als groeiende gewassen niet aanwezig zijn, is de kans op uitspoeling van mineralen naar het grond- en oppervlaktewater immers groot. Daarbij wil ik benadrukken dat deze samenhang alleen door de ondernemer zelf goed beheerd kan worden en dat hij/zij ook in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de bodems die onder zijn/haar beheer vallen.

Dit waardevolle advies van de TCB wordt als volgt meegenomen in het kabinetsbeleid:

  • De thans lopende evaluatie van de Meststoffenwet besteedt specifiek aandacht aan bodemvruchtbaarheid. In dit kader wordt de ontwikkeling van het gehalte aan organische stof, de fosfaattoestand en de potentiële stikstofmineralisatie in de afgelopen jaren in beeld gebracht. Hiervoor is een grote dataset van grondanalyses van landbouwgronden beschikbaar. De uitkomsten van deze (ex post) evaluatie en het TCB-advies zelf zijn relevant voor de totstandkoming van het Nederlandse zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn dat voor 1 januari 2018 moet zijn vastgesteld.

  • De TCB duidt het belang van type en kwaliteit van organische stof. In het publiek-private onderzoek, vanuit de topsectoren «Agri & Food» en «Tuinbouw en Uitgangsmateriaal», spelen type en kwaliteit van organische stof en de effecten op een duurzame bodem een belangrijke rol. Er loopt zowel meerjarig fundamenteel bodemonderzoek vanuit het NWO programma «Groen», als meer toegepast onderzoek, zoals in de PPS «Duurzame bodem».

  • De TCB stelt dat organische stof makkelijk afbreekbaar moet zijn om nutriënten voor voedselproductie te kunnen leveren, maar dat voor andere ecosysteemdiensten juist meer stabieler vormen van organische stof gewenst zijn (tegengestelde kwaliteitseisen). Vanuit het topsectorenonderzoek is er aandacht voor organische stof met een balans tussen positieve effecten voor de korte termijn (nutriënten voor voedselproductie) en voor de langere termijn (stabielere organische stof voor biodiversiteit, water). De aanbeveling van de TCB om meer onderzoek te laten verrichten naar de tegengestelde kwaliteitseisen is dus al in onderzoeksprogramma’s opgepakt.

  • Vanwege de betekenis van organische stof voor het vasthouden van water, voor het efficiënt benutten van water bij droogte en voor waterkwaliteit, is het nadrukkelijk de opgave om cross overs tussen de topsectoren «Agro & Food» en «Tuinbouw en Uitgangsmateriaal» enerzijds en «Water» anderzijds te realiseren. Binnen het Nationaal Kennis- en Innovatieprogramma Water en Klimaat wordt dit via de onderzoekslijn «Water en Voedsel» opgepakt.

  • In het klimaatbeleid (klimaat- en energiepakket) wordt uiterlijk 2021 ook het gehalte aan organische stof in de bodem meegenomen. Daarvoor wordt nu een monitor ontwikkeld. Nederland heeft een hoog aandeel bodems met een hoog gehalte aan organisch stof, vaak benut als (permanent) grasland. Het grootste risico op dalende organische stof gehalten wordt op bouwland verwacht. De evaluatie van de mestwetgeving kan mogelijk een eerste indicatie geven of dit risico reëel is. Vervolgens moet bezien worden welke preventieve maatregelen mogelijk zijn. Daarnaast zal het vastleggen van koolstof als organische stof in de bodem een bijdrage leveren aan het realiseren van de CO2-doelstellingen. Beheer van organische stof in de bodem, en het onderzoek daarvan, dient dus meerdere doelen.

  • In het Bestuurlijk Overleg Open Teelt en Veehouderij (kortweg het BOOT genoemd) geven agrarische sectoren, waterbeheerders, provincies en rijk inhoud aan het doelgroepenoverleg voor waterkwaliteit. De stuurgroep Water heeft het BOOT daarom gevraagd om sturing te geven aan de praktische uitvoering van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW). Het BOOT onderkent het eminente belang van de bodem voor water (en andersom) en daarom wordt bodembeheer ook meegenomen in het operationaliseren van het DAW. Dit blijkt ook uit de 30 projecten die zijn beschreven in «Boeren werken met waterschappen aan winst met water».3 Momenteel is overleg gaande hoe de «Campagne Bodembewust boeren» van het maatschappelijk initiatief «Bewust Bodemgebruik» en DAW elkaar onderling kunnen versterken waarbij integratie van activiteiten voorop staat, zodat bestaande structuren efficiënt benut worden. Opgave hierbij is om de resultaten van het bovengenoemde onderzoek praktisch toepassing in duurzame agrarische bedrijfsvoering te geven. Hiermee sluit bodembeheer tegelijkertijd aan op de «Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater», waarmee het rijk in samenwerking met alle andere relevante partijen inhoud geeft aan de door uw Kamer gewenste impuls voor verbetering van waterkwaliteit.

  • De TCB wijst er op dat een aanzienlijk deel van de aanvoer van koolstof afkomstig is van veevoer, van vlees en van plantaardig materiaal dat uit het verre buitenland wordt geïmporteerd. De koolstofbalans voor Nederland lijkt daardoor een enorm surplus te hebben, die zich niet vertaalt in een verhoging van het organische stofgehalte van de Nederlandse bodems. De TCB geeft aan dat het surplus waarschijnlijk via respiratie na consumptie door mens en dier als CO2 in de lucht terechtkomt. Dit strookt niet met het streven naar verduurzaming, circulaire economie en het sluiten van kringlopen. Hiermee sluit het advies van de TCB aan op het advies «Naar een voedselbeleid» dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 2015 heeft uitgebracht. De brief over Voedselbeleid (Kamerstuk 31 532, nr. 156) geeft aan dat het kabinet het voedselbeleid met een «voedselagenda» wil versterken en bedrijfsleven, consumenten en maatschappelijke organisaties uitnodigt om deze agenda verder vorm te geven en uitvoering ervan te versnellen. In het najaar van 2016 zal het kabinet aan uw Kamer rapport uitbrengen over concrete invulling van activiteiten, voortgang en resultaten van dit voedselbeleid.

Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Naar boven