30 015
Voortgang bodemsanering

nr. 29
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 maart 2009

Tijdens het Algemeen Overleg Bodem op 8 oktober 2008 over de voortgang van de bodemsanering heb ik aan de leden van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op een aantal punten nadere informatie toezegd (30 015, nr. 28). Met deze brief zend ik u de toegezegde informatie, te weten:

1. Een overzicht van de aard en voortgang van de identificatie van de spoedlocaties, voorzover de informatie op dit moment strekt.

2. Een overzicht van de vormen en mogelijkheden van technieken van bodemsanering;

3. Informatie over hetgeen is gedaan met de extra bodemsaneringbudgetten van mijn ambtsvoorganger minister de Boer;

4. Een overzicht van de beschikbare budgetten van het afgelopen jaar met betrekking tot bodemsanering;

5. De verdeling van middelen voor onderzoek versus sanering;

6. Informatie over hetgeen er aan meldingen is binnengekomen bij het meldpunt Misdaad anoniem;

7. Informatie over de voorbeeldfunctie van Rijkswaterstaat.

Over de andere toezeggingen zal ik u, zoals besproken tijdens het Algemeen Overleg van 8 oktober, op een later tijdstip informeren.

1. Overzicht en voortgang in de identificatie van spoedlocaties

Tijdens het Algemeen Overleg is aangegeven dat er behoefte is aan een toelichting op de identificatie van spoedlocaties van bodemverontreiniging. Vragen zijn gesteld over het aantal en de aard van deze locaties.

Vanaf medio 2001 hebben de 41 bevoegde overheden op grond van de Wet bodembescherming (12 provincies, de 4 grote gemeenten en 25 verantwoordelijke gemeenten) op een uniforme wijze gegevens over locaties met (een vermoeden van) bodemverontreiniging verzameld en vastgelegd. Dit was een landsdekkende inventarisatie met als doel vast te leggen welke locaties met (potentieel) ernstige bodemverontreiniging nog één of meerdere uitvoeringsfasen in het bodemsaneringsproces moeten doorlopen. Bij de identificatie van de locaties met een vermoeden van bodemverontreiniging hebben de bevoegde overheden zich gebaseerd op de Hinderwetbestanden, bestanden van de Kamers van Koophandel, analyses van luchtfoto’s en gegevens van uitgevoerde onderzoeken en saneringen. Bij de inventarisatie zijn de bevoegde overheden begeleid door het kernteam Landsdekkend beeld, een samenwerking tussen provincies, gemeenten en het Rijk, dat toezag op een uniforme uitvoering van de werkzaamheden. De resultaten van de inventarisatie zijn vervolgens beoordeeld door een toetsingscommissie die een uitspraak heeft gedaan over de onderlinge vergelijkbaarheid van de resultaten. Uiteindelijk is in 2004 een landelijke database samengesteld met ca. 425 000 locaties waar nog een bodemonderzoek en eventueel een sanering moet worden uitgevoerd en/of het vermoeden van bodemverontreiniging nog moet worden bevestigd. Deze inventarisatie wordt het landsdekkend beeld of de werkvoorraad 2004 genoemd.

Afhankelijk van de aard, omvang, ligging en het gebruik leidt niet elke verontreiniging tot ernstige risico’s voor mens, ecosysteem of aantasting van het grondwater. Beleidsmatig is daarom een onderscheid gemaakt in zogenaamde potentiële spoedlocaties en overige locaties. Potentiële spoedlocaties zijn locaties die verontreinigd zijn en waarbij deze verontreiniging mogelijk tot ernstige risico’s leidt. Door het Landelijk Informatiebeheer Bodem (LIB) is een methode ontwikkeld om deze locaties te identificeren. Op basis van deze methode is geschat dat van de ca. 425 000 mogelijk verontreinigde locaties er ca. 60 000 locaties aangemerkt dienen te worden als potentiële spoedlocaties. Op basis van expert judgement en statistische bewerking is een inschatting gemaakt van het aantal locaties waar spoedeisend maatregelen genomen moeten worden op grond van onaanvaardbare risico’s bij het huidig gebruik van de bodem. Verwacht wordt dat dit ca. 16 000 locaties betreft, waaronder een aanzienlijk deel van de complexe omvangrijke saneringen. Ook is geschat dat ca. 45 000 locaties gesaneerd zullen moeten worden indien het bodemgebruik wijzigt of er grond wordt verplaatst. Op dat moment ontstaat de mogelijkheid dat op deze locaties met spoed maatregelen genomen moeten worden.

Na 2004 is door het LIB meer onderzoek uitgevoerd om een beter inzicht te krijgen in de aantal, de aard en ligging van de spoedlocaties. Een tussenrapportage van deze voortgang is aan u gepresenteerd in de brief van voormalig staatssecretaris van Geel over de beleidsvernieuwing bodemsanering in 2005 (28 199 nr. 11) en de brief over Maatschappelijke Kosten en Baten Analyse van de Nederlandse bodemsaneringsoperatie (30 015 nr. 12, 13, 14).

In 2008 is door het LIB en de bevoegde gezagen met het Focus-project de laatste stap gezet in het identificeren van de potentiële spoedlocaties. Uit de resultaten van het project blijkt dat er ca. 16 200 potentiële spoedlocaties zijn. Aan deze cijfers heb ik in het Algemeen Overleg van 8 oktober gerefereerd. Uit het project blijkt dat van deze ca. 16 200 potentiële spoedlocaties er ca. 1800 spoedlocaties zijn met potentiële humane risico’s, ca. 100 met potentiële ecologische risico’s en ca. 14 900 met potentiële verspreidingsrisico’s in het grondwater. Het grootste gedeelte (ca. 90%) van deze locaties ligt in het stedelijk gebied en is gerelateerd aan metaaloppervlaktebehandeling, de opslag van vloeibare brandstoffen en de reiniging van textiel. Volledigheidshalve merk ik op dat op een locatie meerdere risico’s tegelijk aan de orde kunnen zijn. Er kan op een locatie dus gelijktijdig sprake zijn een humaan risico en een verspreidingsrisico. De hiervoor genoemde getallen kunnen daarom niet gesommeerd worden.

In het onderstaande figuur: «Voortgang werkvoorraad bodemverontreiniging, situatie eind 2008» heb ik het voorgaande voor u schematisch weergegeven.

kst-30015-29-1.gif

Ik concludeer dat met het Focus-project, de bevoegde overheden een goed inzicht hebben in het aantal, de aard en de ligging van de potentiële spoedlocaties. Op basis van dit inzicht kan nu gericht veldonderzoek worden uitgevoerd en kunnen de bevoegde overheden een besluit nemen over de ernst en speod van de afzonderlijke verontreinigde locaties. Afhankelijk van deze besluiten kan sanering of beheersing van de verontreiniging plaatsvinden.

2. Overzicht vormen en mogelijkheden van bodemsaneringtechnieken

De commissie heeft mij verzocht om een kort overzicht te geven van de verschillende technieken voor bodemsanering.

De keuze voor een bepaalde techniek is afhankelijk van de bodemeigenschappen, de huidige en nieuwe bestemming van de locatie, de beschikbare tijd, de aard en de ernst van de verontreiniging. Afhankelijk van de situatie zal een initiatiefnemer in overeenstemming met het bevoegde gezag voor een bepaalde bodemsaneringtechniek kiezen. Voor een initiatiefnemer zullen de prijs, de duur, de nazorg- en de gebruiksmogelijkheden een belangrijke rol spelen bij de keuze van een saneringstechniek. Bij de bevoegde overheden zullen overwegingen als de verwijdering van de mate van verontreiniging, het milieurisico, de belasting van andere milieucompartimenten, de overlast en de hinder van een saneringstechniek een belangrijke rol spelen bij de keuze.

De verschillende bodemsaneringtechnieken kunnen in twee hoofdgroepen worden ingedeeld: In-situ en ex-situ technieken.

In-situtechnieken zijn technieken waarbij de verontreinigingen op de locatie uit de bodem wordt verwijderd. Er vindt geen grondverzet plaats. Er zijn diverse in-situ technieken mogelijk. Veel voorkomende technieken zijn gestimuleerde biologische afbraak en chemische oxidatie. Voor het succesvol toepassen van een in-situ techniek zal de bodemopbouw en de verspreiding van verontreinigende stoffen op een locatie gedetailleerd bekend dienen te zijn. Deze hogere kosten voor onderzoek bij in-situ oplossingen worden meestal ruimschoots gecompenseerd door lagere kosten bij sanering. Soms zijn extra maatregelen nodig om verdere verspreiding van de verontreiniging te voorkomen.

In-situ technieken worden steeds vaker toegepast. Het zijn relatief goedkope technieken en de milieubelasting, overlast en hinder voor de omgeving is minimaal. In-situ technieken vereisen dat het bevoegd gezag en de opdrachtgever met elkaar in overleg blijven. Het eindresultaat van een in-situ sanering is vooraf namelijk minder duidelijk te bepalen en vereist specifieke deskundigheid.

Bij de ex-situ techniek wordt de verontreinigde bodem ontgraven en (elders) gereinigd, hergebruikt of gestort. Voor de reiniging van de grond en het grondwater is een verscheidenheid aan technieken aanwezig variërend van fysisch-chemische scheiding, extractie tot elektroreclamatie.

In principe is ontgraving mogelijk bij elk bodemtype en type verontreinigende stof. Bij verontreinigingen met een beperkte omvang is een ontgraving vaak effectiever en efficiënter dan een in-situ techniek. Bij dringende ruimtelijke ontwikkelingen dient het verontreinigde bodemmateriaal soms snel te worden verwijderd. Meer tijdrovende in-situ technieken zijn dan niet altijd toepasbaar. Het saneringsresultaat kan goed worden gecontroleerd. De transportbewegingen en de aanleg van een bouwput kunnen tot overlast en hinder leiden in de omgeving.

Ex-situ technieken zijn qua CO2-belasting en energieverbruik minder duurzaam dan in-situ technieken. Een aspect dat bij de keuze voor een techniek steeds meer aandacht krijgt.

Voor een uitgebreidt overzicht en een nadere uitleg van de verschillende bodemsaneringtechnieken verwijs ik u graag naar de «Richtlijn herstel en beheer (water)bodemkwaliteit». Deze Richtlijn is onder verantwoordelijkheid van IPO, VNG, Unie van Waterschappen, SKB, Bodem+, ministerie van Verkeer en Waterstaat en VROM opgesteld. In de diverse Algemene Maatregelen van Bestuur en ministeriele regelingen wordt verwezen naar deze Richtlijn. De Richtlijn is een bron van informatie voor iedereen die werkzaam is of die op een of andere wijze te maken heeft met verontreinigingen in waterbodem en landbodem. De richtlijn is een webapplicatie en vindt u op de website: www.bodemrichtlijn.nl (zoektterm: «saneringstechnieken»).

Op de website www.hollandinsituproeftuin.nl leest u specifieke informatie over in-situ technieken. Deze website is met steun van ministeries van Economische Zaken en VROM ontwikkeld om in-situ saneringen te stimuleren.

3. Extra bodemsaneringsbudgetten van Minister de Boer

Tijdens het Algemeen Overleg zijn vragen gesteld over het extra budget dat door minister de Boer beschikbaar is gesteld om meer inzicht te krijgen in de omvang van de verontreiniging door voormalige stortplaatsen. In het Algemeen Overleg is mij verzocht aan te geven wat er met dit budget is gebeurd.

In 1998 heeft minister De Boer een brief aan de Tweede Kamer (22 727, nr. 18) gestuurd over de nazorg van de voormalige stortplaatsen. In deze brief geeft de minister aan dat er extra bodemsaneringbudget ter beschikking aan de provincies wordt gesteld. Dit budget is nodig om inzicht te krijgen in de exacte omvang van de problematiek in termen van aantal stortplaatsen, nazorgmaatregelen, kosten, financiering en organisatie.

Na instemming van de Tweede Kamer zijn, onder auspiciën van DUIV (bestuurlijk overlegorgaan van IPO, VNG, Unie van waterschappen en VROM), de provincies gestart met het plaatsen van monitoringpeilbuizen rond de voormalige stortplaatsen. Deze peilbuizen zijn vervolgens vier jaar lang bemonsterd om de kwaliteit van het grondwater te bepalen. Eenmalig is de dikte en kwaliteit van de deklaag onderzocht en waar nodig is onderzoek uitgevoerd naar de water(bodem)verontreiniging en stortgasproductie. Door VROM is hiervoor 50 miljoen gulden (€ 22,7 miljoen) beschikbaar gesteld. De kosten voor de grondwateronderzoeken zijn gefinancierd uit de opbrengsten van een toeslag op het te storten afval. In 2003 zijn de onderzoeken afgerond.

Uit de onderzoeken blijkt dat van de ongeveer 4000 voormalige stortplaatsen bij slechts zo’n 6% sprake is van een verdere aantasting van het grondwater.

Natuurlijke afbraakprocessen blijken bij vrijwel alle voormalige stortplaatsen een belangrijke rol spelen bij het beperken van verspreiding van verontreinigende stoffen. De zogenaamde afdeklaag voldoet bij 90% van de voormalige stortplaatsen niet. Het gaat bij deze stortplaatsen dan om een laag die te dun is (minder dan een halve meter dik) of een leeflaag die verontreinigd is. In de huidige situatie leidt dit slechts zelden tot humane of ecologische risico’s. Bij herinrichting van een stortlocatie, bijvoorbeeld voor een golfbaan of als een park kan dit mogelijk tot risico’s leiden. Het is dan noodzakelijk om maatregelen te treffen.

Het resultaat van het NAVOS-onderzoek leidt tot een nadere nuancering van de omvang van de stortplaatsenproblematiek. De eerdere kostenraming zijn terug gebracht van 15 miljard euro naar 1 miljard euro. Deze afname wordt toegeschreven aan het feit dat het grondwater buiten de stortlichamen minder verontreinigd blijkt te zijn dan vooraf is aangenomen. Daarentegen blijkt de deklaagproblematiek in financiële zin groter dan de grondwaterproblematiek.

Het DUIV heeft in vervolg op de aanbeveling van het NAVOS projectteam besloten dat het beheer en de sanering van de voormalige stortplaatsen ligt bij de afzonderlijke bevoegde overheden. Het beheer en de sanering wordt gefinancierd door de programmagelden uit de Wet bodembescherming en de Leemtewetheffing.

Een stortplaats c.q een stortlichaam is een inrichting en als zodanig geen onderdeel van de bodem. De bepalingen van de saneringsparagraaf van de Wet bodembescherming zijn daarmee niet van toepassing op de aanpak van de voormalige stortplaatsen. Slechts in die gevallen dat de uitttreding van stoffen uit een stortlichaam leidt tot humane risico’s, ecologische risico’s of aantasting van het grondwater, is saneringsparagraaf van toepassing. Het bevoegd gezag zal dan als onderdeel van de aanpak van de werkvoorraad deze locaties aanpakken.

Voor de aanpak van een stortplaats zijn diverse technieken ontwikkeld en in ontwikkeling. Een techniek die mijn aandacht heeft is afvalmining. Bij afvalmining worden de gestorte afvalstoffen als energiebron gebruikt of gerecycled. Dit kan economische en milieu voordelen opleveren. Afvalmining loont echter alleen als er voldoende materialen te winnen zijn. Kanttekening bij afvalmining zijn de risico’s en de overlast die ontstaan bij het afgraven en scheiden van het stortmateriaal. Uit een stortplaats kan mogelijk ook bio-energie als bijvoorbeeld stortgas gewonnen worden.

In de jaarverslagen over de voortgang van de bodemsaneringsoperatie is geen specifieke informatie opgenomen over de aanpak van voormalige stortplaatsen. Ik kan daarom geen voortgangscijfers melden.

4. Beschikbare budget voor bodemsanering en de verdeling van dit budget

Door de commissie is gevraagd naar een overzicht van de beschikbare budgetten voor bodemsanering alsmede een verdeling van deze budgetten. Hieronder geef ik het antwoord op deze vraag.

In 1997 is een beleidsvernieuwing van de bodemsaneringoperatie ingezet (28 199. nr. 1). Als resultante van deze vernieuwing is sinds 2002 gekozen voor een programmatische aanpak van de bodemsaneringsoperatie. Hiernaast zijn bevoegde overheden aangewezen die voor de uitvoering van het bodemsaneringsbeleid verantwoordelijk zijn. De bevoegde overheden krijgen op basis van een meerjarenprogramma een budget voor de uitvoering van de saneringsopgaven. Momenteel zitten we in de 2de programmaperiode die loopt van 2005 tot 2010. Voor deze periode is een bedrag beschikbaar van ongeveer € 1 miljard. Dit budget is, na aftrek van de uitvoeringskosten, bestuurlijke afspraken en bijzondere regelingen aan de bevoegde gezagen toegedeeld. De verdeling is totstandgekomen in overleg met de bevoegde overheden en VROM. In tabel 1 is de verdeling van de budgetten weergegeven.

Met de jaarlijkse verslaglegging over de voortgang van de bodemsanering, zoals deze jaarlijks aan de Staten-Generaal wordt- aangeboden, leggen de bevoegde overheden verantwoording af over de besteding van het budget. Na afloop van de programmaperiode vindt een financiële controle plaats.

Tabel 1. Budgetverdeling programmaperiode 2005 t/m 2009

OmschrijvingToelichtingBudget (miljoen €)
UitvoeringskostenBestaat uit: – Apparaatskosten bevoegde overheden: Via een bijdrageregeling en het provincie- en gemeentefonds wordt een vergoeding voor (algemene) kosten verstrekt – Kosten voor uitvoeringsorganisaties als SKB, SIKB en Bodem+156
WoningbouwVoor het realiseren van woningbouw zijn voor Vinac-locaties afspraken. 168
GasfabrieksterreinenVROM, de meeste provincies, Amsterdam en Rotterdam hebben zich gecommitteerd om voormalige gasfabrieksterreinen te saneren. 113
BedrijvenBestaat uit: – Een gereserveerd budget voor de bedrijvenregeling en Bosatex (stimuleringsregeling voor bedrijven en textielreinigers om bodemverontreiniging op te pakken). Bedrijven kunnen bij de bevoegde overheid of bij het Bodemcentrum subsidie aanvragen. – Budget voor de sanering van NS-spoorterreinen. – Een bijdrage aan de BSB-stichting, zodat bedrijven aangesproken kunnen worden op de spoedeisende locaties.102
Aanpak landbodemsBestaat uit: – 30% van het ISV-WBB budget van vorige program- maperiode (2002–2005). – budget voor spoedeisende knelpunten. – budget voor omvangrijke (10 miljoen plus) projecten, waarvoor in het verleden een toezegging door VROM is gedaan. – de sanering van asbestwegen. een deel van het budget is verdeeld op basis van de werkvoorraad van de verschillende bevoegde overheden. Daarbij is het onderscheid gemaakt tussen landelijk en stedelijk gebied.462
Aanpak waterbodemsRegionale waterbodems kennen een redelijk groot verspreidingsrisico. Vandaar dat hier budget voor beschikbaar wordt gemaakt.45
totaal 1 046

Voor de 3de programmaperiode van 2010 tot 2015 is € 893 miljoen beschikbaar (31 700 nr. 11B). Dit is een korting van 15% in vergelijking met de programmaperiode 2005–2009. Deze korting is het gevolg van een algemene korting op het bodemsaneringsbudget, het wegvallen van de FES-middelen voor bodemsanering, een verandering in de financiering van de apparaatskosten voor de rechtstreekse gemeenten en er is een korting doorgevoerd vanwege de nettering van de bodemsaneringsbudget. De nettering, uitkering van het budget zonder BTW, is budgetneutraal voor de bevoegde overheden, omdat de betaalde BTW kan worden teruggehaald via het BTW compensatiefonds.

Over de verdeling van het budget voor de 3de programmaperiode zijn de bevoegde overheden momenteel in overleg. Een evident uitgangspunt voor de verdeling van de middelen is zoals ik u tijdens het algemeen overleg van 8 oktober aangaf, de aanpak van actuele humane risico’s door bodemverontreiniging.

5. Verhouding financiële inspanningen bodemonderzoek versus sanering

In juni 2008 heeft u het Jaarverslag bodemsanering over 2007, een rapportage van de bevoegde overheden bodemsanering, ontvangen (30 015, nr. 24). In het jaarverslag is een inschatting gegeven van de verhouding tussen de financiële inspanning voor onderzoek versus sanering. Deze inschatting is gebaseerd op een cumulatie van de kostenraming zoals opgenomen in de saneringsplannen. Uit het verslag blijkt dat in 2007 14% van de uitgaven voor bodemsanering door de overheid en derden is besteed aan onderzoek.

Deze inschatting heeft alléén betrekking op locaties waar ook een sanering is uitgevoerd. Niet elke verontreinigde locatie wordt echter gesaneerd. Na elke stap, binnen het traject van historisch onderzoek, oriënterend onderzoek, nader bodemonderzoek en sanering, zullen locaties afgevoerd worden van de werkvoorraad. Ook worden niet alle bodemonderzoeken geregistreerd door de bevoegde overheden. Bij o.a. eigendomsoverdracht, de aanpak van bedrijfsterreinen, bouwactiviteiten en in het kader van vergunningverlening en handhaving worden tal van bodemonderzoeken uitgevoerd die niet worden geregistreerd. Ik schat daarom de financiële inspanningen voor bodemonderzoek versus sanering op 30% onderzoek en 70% sanering. Deze verhouding heb ik aan de commissie tijdens het Algemeen Overleg van 8 oktober medegedeeld.

In het bodemsaneringbeleid, waar het wegnemen van humane risico’s, ecologische risico’s en potentiële verspreidingsrisico’s voorop staat, is het uitvoeren van een gedegen onderzoek van wezenlijk belang. Uit onderzoek moet duidelijk blijken welke risico’s er zijn en hoe deze kosteneffectief en functiegericht kunnen worden aangepakt. Onderzoek is belangrijk om de juiste saneringsdoelstelling te bepalen en eventueel tijdens de sanering bij te stellen. Dit geldt zeker bij de toepassing van in-situ technieken zoals ik eerder heb aangegeven. Ik ben van mening dat de kosten en onderzoek en daadwerkelijke sanering goed in evenwicht met elkaar zijn.

6. Resultaten melding misdaad anoniem

Door de politie Amsterdam is, samen met de Stichting Meld Misdaad Anoniem, in de zomer van 2007 een campagne gestart tegen illegale grondtransporten. Doel was om chauffeurs te wijzen op het gevaar van transport van vervuilde grond voor de eigen gezondheid en die van anderen en bij misstanden daarvan melding te doen. Ik heb u over de resultaten van deze campagne geïnformeerd via de beantwoording van vragen (Kamerstuk 29 383, nr. 84; 1407 en 1688).

Het Landelijk Overleg Milieuhandhaving (LOM) heeft op basis van de resultaten van deze campagne besloten een vervolg te geven aan de campagne samen met Meld Misdaad Anoniem en de politie in de periode februari-april 2008. De doelgroep van de campagne «Moet jij illegale rotzooi vervoeren?» is daarbij uitgebreid naar alle actoren in de bodembranche en gericht op het gebied rondom Rijksweg A2 vanwege de hoeveelheid grondverplaatsingen aldaar. Aan de campagne is veel bekendheid gegeven door het plaatsen van billboards langs de Rijksweg A2, het uitdelen van leaflets aan chauffeurs en advertenties in truckersbladen. Daarnaast kreeg de campagne veel aandacht vanuit de media.

In de campagneperiode van het LOM zijn 59 milieumeldingen binnengekomen, waarvan 5 specifiek over verontreinigde grond. De overige meldingen betroffen asbest, internationale handel in afval en het illegaal storten van afval. Het aantal milieumeldingen die niet over grond gaan, is dankzij de campagne ook sterk toegenomen. De meldingen zijn deels afgehandeld en deels nog in onderzoek. In één van de vijf gevallen kon de dader dankzij de melding op heterdaad worden betrapt.

Door het LOM is de campagne geëvalueerd. Conclusie daaruit is dat het gebruik van het instrument Meld Misdaad Anoniem bruikbare informatie biedt. Het instrument leent zich er daarom voor om ook in de toekomst selectief te worden ingezet. Het feit dat de melder anoniem is, maakt het onderzoek niet altijd eenvoudig. Aan de andere kant zou een melding anders wellicht niet zijn gedaan. Gelet op de zeer grote media-aandacht is het aantal van vijf meldingen over grond beperkt. Een mogelijke verklaring is dat de campagne preventief heeft gewerkt.

7. Voorbeeld functie Rijkswaterstaat

Tijdens het Algemeen Overleg zijn door de commissie 2 voorbeelden genoemd waarbij vraagtekens zijn gezet bij de voorbeeldfunctie die Rijkwaterstaat heeft. Het eerste voorbeeld heeft betrekking op het storten van baggerspecie, het tweede voorbeeld op de verkoop van een verontreinigd terrein aan de gemeente Hellevoetssluis. De commissie heeft mij verzocht hierover contact op te nemen met Rijkswaterstaat c.q. het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Het antwoord van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het storten van baggerspecie is dat zij in 2005 aan de Tweede Kamer heeft gemeld dat de vooronderstelling dat verwerking in belangrijke mate een bijdrage kan leveren aan voldoende bestemmingen voor baggerspecie in de praktijk is getoetst en onjuist is gebleken (26 401, nr. 42). Deze melding is herhaald in haar recente brief aan de Tweede Kamer over het resultaat van het onderzoek naar privatisering van Rijksbaggerdepots (27 625, nr. 127). In het algemeen blijkt verwerken geen kosten-effectief alternatief voor het bergen in depots. Slechts in bepaalde omstandigheden kan verwerken een reëel en concurrerend alternatief zijn voor storten van baggerspecie. Voor zandrijke bagger is scheiding van zand een reële optie, waarbij het zand als secundaire bouwstof gebruikt kan worden. Voor bagger met tenminste 60% zand is de Minimum VerwerkingsStandaard (MVS) van toepassing. De MVS houdt in dat in vergunningen voor de oprichting en exploitatie voor baggerspecie wordt geregeld dat uit zandrijke baggerspecie eerst het zand dient te zijn verwijderd, alvorens (het restant van) de baggerspecie in depot mag worden geborgen.

Voor het storten van sterk verontreinigde bagger in baggerdepots is een vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer en de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren vereist. De betreffende Rijksbaggerdepots beschikken allen over dergelijke vergunningen. Daarmee is bescherming van mens en ecosysteem gewaarborgd. In de rijksdepots is voldoende capaciteit voor het bergen van sterk verontreinigde bagger.

De conclusie van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is dat er geen aanleiding is om het bestaande beleid aan te passen. Haar standpunt is overeenkomstig het standpunt van het vorig kabinet (26 401, nr. 40).

Ten aanzien van de mogelijke verkoop door de Staat (Domeinen in samenwerking met Rijkswaterstaat) van het terrein in Hellevoetsluis gelden «De Gedragslijnen inzake Bodemverontreiniging in Staatseigendommen». Overeenkomstig deze gedragslijnen mag de Staat tot vervreemding overgaan als het terrein naar genoegen van het bevoegd gezag (de provincie Zuid Holland) gesaneerd is. Gelet op de huidige bestemming van het terrein (industrie) is het bevoegd gezag akkoord met een beheersing van de verontreiniging. De gemeente is voornemens om de bestemming te wijzigen in een woonbestemming. De sanering van de verontreiniging zou daarmee aanzienlijk hogere kosten met zich brengen. Rijkswaterstaat en de gemeente hebben over een mogelijke overdracht diverse gesprekken gevoerd en op basis daarvan besloten vooralsnog af te zien van verkoop resp. koop van het terrein.

Medio maart zal een vervolggesprek plaatsvinden, waarbij de gemeente Hellevoetsluis, de provincie Zuid Holland, het ministerie van Verkeer en Waterstaat en VROM, zullen bespreken of er nog mogelijkheden zijn om de gewenste bestemmingswijziging van het terrein te realiseren.

Ik vertrouw erop u met het bovenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

Naar boven