30 015 Bodembeleid

Nr. 152 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 juni 2026

De zorgen over staalslak blijven bestaan. Ik deel deze zorgen en neem dit uiterst serieus. Het is daarom goed dat mijn voorganger op 23 juli 2025 een pas op de plaats heeft gemaakt en het gebruik van staalslak, voor de meeste toepassingen, stop heeft gezet. Met de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD- en ELO-staalslak (verder: «tijdelijke regeling») geldt een voorlopig verbod voor toepassing van niet vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD- en/of ELO-staalslak op land in lagen dikker dan 0,5 m en op locaties waar direct contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is. Voor de overige toepassingen op land van de desbetreffende materialen voorziet de tijdelijke regeling in een vergunningplicht.

Dat was wat mij betreft de eerste stap naar de weg vooruit. Op 11 mei 2026 heb ik aangegeven dat deze regeling met een half jaar wordt verlengd tot 23 januari 20271. Met deze Kamerbrief informeer ik u over mijn voornemen over de opvolging van de tijdelijke regeling en de weg daarnaartoe2. Tevens informeer ik u dat de periode waarover is toegezegd dat er fysiek geen staalslak zal worden toegepast door Rijkswaterstaat in de Ooster- en Westerschelde, wordt verlengd met een half jaar tot 23 januari 2027. Daarnaast breng ik u op de hoogte van de voortgang op de 8 ingezette lijnen. Tevens geef ik invulling aan de toezeggingen die zijn gedaan met betrekking tot staalslak tijdens het Commissiedebat Leefomgeving van 2 april jl. en aan een aantal moties.

1. Opvolging tijdelijke regeling en RIVM onderzoeken

Met de aangekondigde verlenging loopt de tijdelijke regeling tot 23 januari 2027. Om tot een passende opvolging te komen heb ik in de afweging van verschillende varianten op dit moment het voornemen om in 2027 een verbod in te voeren voor de toepassing van LD- en ELO-staalslak tenzij hiervoor een vergunning kan worden verkregen omdat de toepasser kan aantonen dat een toepassing veilig is vanuit het oogpunt van milieu en gezondheid. Ik betrek hier ook de toepassing in water bij. De toepasser kan een vergunning aanvragen bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dus vooraf toestemming verlenen voor de beoogde toepassing. Ook kan het bevoegd gezag aan de vergunning specifieke voorwaarden verbinden. Lokale overheden behouden aldus de mogelijkheid om een eigen afweging te maken. Dit doet dus op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag.

De komende maanden wordt hard gewerkt aan de 8 actielijnen die zijn uitgezet. De informatie die hier uit voortkomt benut ik om mijn voorgenomen besluit te toetsen en verder te onderbouwen of als nodig te herzien. Daarnaast ga ik voordat ik een definitief besluit neem over de opvolging van de tijdelijke regeling de komende tijd in gesprek met de medeoverheden omdat zij als bevoegd gezag verantwoordelijk zullen zijn voor de vergunningverlening. Ik wil mijn besluit met draagvlak van medeoverheden en met input van de wetenschap en de industrie nemen en zal daarom zoals eerder aangegeven eind dit jaar een besluit nemen over de opvolging in reguliere regelgeving.

Juridische implementatie kost tijd. Om de periode tussen het aflopen van de tijdelijke regeling en de inwerkingtreding van de vervolgmaatregel zo kort mogelijk te houden, ben ik begonnen met de voorbereidingen op basis van mijn voorgenomen besluit. Hiermee kom ik ook tegemoet aan de motie Zalinyan3.

Om het bevoegd gezag te ondersteunen bij het toetsen of een voorgenomen toepassing veilig kan voor mens en milieu, zal ik een handreiking opstellen. Hiervoor organiseer ik in de tweede helft van dit jaar expertsessies die zullen worden meegenomen in de uitwerking van deze handreiking.

Met het RIVM heb ik bekeken hoe het beschikbaar komen van onderzoeksresultaten qua timing zo veel mogelijk kan aansluiten op mijn planning om te komen tot een besluit en het opstellen van de handreiking. Dit heeft ertoe geleid dat er vanuit etappe 1 van het RIVM onderzoek in de zomer van dit jaar de eerste resultaten beschikbaar zullen komen en vanuit etappe 2 eind 2026. De handreiking wordt opgesteld op basis van de dan beschikbare kennis. De handreiking wordt waar nodig en mogelijk geüpdatet op basis van nieuwe kennis volgend uit de definitieve rapportage begin 2027 van het RIVM over etappe 2 en uitkomsten uit de onderzoeken van etappe 3. Dit kan later in regelgeving worden opgenomen.

Naast mijn voorgenomen optie is het ook te overwegen om de tijdelijke regeling om te zetten naar reguliere regelgeving. Deze optie heeft op dit moment niet de voorkeur. De pauzeknop is ingedrukt op basis van voorzorg. De huidige beschikbare kennis levert onvoldoende onderbouwing voor het omzetten van de tijdelijke regeling naar reguliere regelgeving. Vanuit het oogpunt van proportionaliteit is het niet wenselijk om een toepassing waarvan onder voorwaarden is aangetoond dat deze veilig zou kunnen, zonder meer te verbieden. Dat maakt deze tweede optie nationaal- en Europeesrechtelijk te kwetsbaar. Mochten de lopende trajecten daar aanleiding toe geven zal ik deze optie opnieuw wegen.

Ondanks dat ik het implementatieproces zo snel mogelijk zal doorlopen, zal er toch een periode zijn tussen het aflopen van de tijdelijke regeling en de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving. De verwachting is dat de vervolgmaatregel op zijn vroegst per juli 2027 van kracht wordt. Ik onderzoek daarom welke juridische mogelijkheden er zijn om de tussenliggende periode te overbruggen. U wordt hierover na de zomer geïnformeerd.

2. Tijdelijke regeling en notificatie bij de Europese Commissie

In januari 2026 zijn de laatste vragen van de Europese Commissie over de tijdelijke regeling beantwoord. De Europese Commissie heeft op 2 februari 2026 aangegeven dat het dossier ter onderbouwing van de tijdelijke regeling staalslak van afgelopen zomer compleet is. Daarmee is de 60 dagen termijn waarbinnen een goedkeuring/afkeuring moet plaatsvinden ingegaan. De Europese Commissie heeft aangegeven dat deze periode zal worden verlengd. De verwachting is dat de Commissie binnenkort een «draft decision» zal voorleggen aan de lidstaten en dat het besluit daarna snel zal volgen. Zoals toegezegd4 zal ik u onverwijld informeren als de Europese Commissie een besluit heeft genomen. Zo snel mogelijk daarna ontvangt u hierover een inhoudelijke appreciatie met handelingsperspectief.

3. Invoering informatie- en meldplicht.

Inwerkingtreding wordt deze zomer verwacht. Het conceptbesluit is voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. De introductie van de informatie- en meldplicht borgt dat meer inzicht ontstaat in waar toepassingen van staalslak aan de orde zijn en biedt handvatten voor een betere naleving en handhaving. Zolang de tijdelijke regeling van kracht is, zal de informatie- en meldplicht overigens effectief niet gelden voor toepassingen waar de tijdelijke regeling op ziet. Die toepassingen zijn immers verboden of vergunningplichtig. Echter, de reikwijdte van de informatie- en meldplicht is ruimer dan de reikwijdte van de tijdelijke regeling, deze geldt namelijk ook voor toepassingen op of in de waterbodem.

4. Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak

Op 28 november 2025 is een intentieverklaring getekend voor de oprichting van de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen. Ook Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland nemen deel. De Tasforce staat onder leiding van de heer Wienen, burgemeester van Haarlem. Naar verwachting zullen dit najaar de eerste contouren van de risicoclassificatie bekend zijn als basis voor een bestuurlijke afweging. Opgedane kennis rond de risicoclassificatie van staalslak zal ik meenemen in mijn besluit over de opvolging van de tijdelijke regeling.

5. Spijk

Alle partijen streven naar een veilige en haalbare oplossing voor de onjuist toegepaste staalslak in Spijk.

Om de voortgang te bespoedigen en een oplossing met draagvlak te vinden is een werkgroep ingesteld met een onafhankelijk voorzitter. In de werkgroep nemen decentrale overheden en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat deel. De voorzitter richt zich samen met de werkgroep op:

  • Het in kaart brengen van de varianten voor de mogelijke oplossingen;

  • Betrekken en informeren van de andere betrokken partijen, waaronder omwonenden;

  • Analyseren van de varianten, bepalen welke stappen gezet moeten worden om tot een definitieve oplossingsrichting te komen en ervoor zorgen dat die stappen worden gezet.

Op basis hiervan zal de voorzitter samen met de partijen toewerken naar een gedragen advies.

De initiatiefnemer en de decentrale overheden hebben in 2025 advies gevraagd aan de Advieskamer Bodembescherming over de variant waarbij staalslak op locatie wordt ingepakt in een geluidswal. Dit advies is vertraagd en wordt eind juni verwacht. Dit zal worden meegenomen in het advies van de werkgroep. Ik verwacht dat het advies van de werkgroep in het najaar aan de betrokken bestuurders kan worden voorgelegd.

De motie Beckerman5 roept de regering op om samen met de gemeente West-Betuwe en omwonenden een plan van aanpak te maken om de staalslak in Spijk af te voeren, en de Kamer hierover uiterlijk bij de voorjaarsnota te informeren. Dit zal worden meegenomen in het beschreven traject met de werkgroep. Met deze stap geef ik invulling aan de motie Beckerman.

6. Bestuurlijke afspraken met Zeeland

Op 24 september 2025 is in een bestuurlijk overleg toegezegd dat er tot 23 juli 2026 fysiek geen staalslak in de Wester- en Oosterschelde zal worden toegepast6. Daaropvolgend is op 15 december opnieuw gesproken met de gedeputeerde van de provincie Zeeland, vertegenwoordigers van de Zeeuwse gemeenten waarbij ook de visserijsector en de natuur- en milieubeweging en Rijkswaterstaat waren aangesloten. Op 18 juni 2026 staat een vervolgoverleg gepland. Ik zal dan de inhoud van deze brief ook toelichten. Zodra dit bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden, zal ik u over de uitkomsten informeren.

Tijdens het commissiedebat leefomgeving van 2 april 2026 is door het Lid Wiersma de vraag gesteld of er in andere Rijkswateren dan in de Ooster- en Westerschelde problemen zijn met toegepaste staalslakken7. Op basis van de huidige kennis en inzichten, spelen er geen milieuproblemen door staalslaktoepassingen in de Rijkswateren.

7. Industrietafel

In het kader van de industrietafel zijn de afgelopen periode gesprekken gevoerd met producenten, verwerkers en toepassers van staalslakken. Uit deze eerste gesprekken komt een verschil in perspectief naar voren. Toepassers geven aan momenteel terughoudend te zijn met het gebruik van staalslakken vanwege zorgen over risico's, aansprakelijkheid en mogelijke milieueffecten. Producenten en verwerkers benadrukken daarentegen dat er wel degelijk goede technische perspectieven zijn voor veilige, gebonden en verder bewerkte toepassingen en dat zij inzetten op innovatieve toepassingen.

In opvolging van de industrietafel zal in lijn met de motie-Huidekooper c.s.8 gezamenlijk met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het bedrijfsleven een innovatieagenda opgesteld worden. De eerste stap is om met elkaar het gesprek aan te gaan, in beeld te brengen wat de mogelijkheden zijn en tot gezamenlijke afspraken te komen. Ik zal u over de voortgang informeren. Relevante ontwikkelingen die voortkomen uit dit traject zal ik ook meewegen in mijn besluit over de opvolging van de tijdelijke regeling.

8. Beleidskader secundaire bouwstoffen

Het doel van het beleidskader secundaire bouwstoffen is het ontwikkelen van een robuust systeem waarin restromen zo hoogwaardig mogelijk worden toegepast en er geen onaanvaardbare milieurisico’s ontstaan. Met de ontwikkeling van het beleidskader wil ik ook invulling geven aan de motie Zalinyan9. Samen met de Minister van KGG zal een visie worden ontwikkeld op het toepassen en benutten van secundaire bouwstoffen in de toekomst en zullen de beschikbare instrumenten en maatregelen die daaraan bij kunnen dragen in beeld zijn. Dit is een complex traject. In voorjaar 2027 moet dit leiden tot een gewogen pakket aan maatregelen door de keten heen. De samenstelling van het pakket aan maatregelen hangt af van de effectiviteit, de interventiemogelijkheid en de kosten van de maatregel. De maatregelen zullen vervolgens worden vertaald in de relevante wet- en regelgeving.

Reactie op notitie «Nationale maatregelen in aanvulling op REACH»

Tijdens het Commissiedebat Leefomgeving van 2 april 2026 heb ik aan het Kamerlid Kostić toegezegd te reageren op de notitie «Nationale maatregelen in aanvulling op REACH» van mr. A. de Vries.10 De notitie bepleit dat het tijdelijke verbod beter gebaseerd had kunnen worden op art. 128 REACH in plaats van art. 129 REACH. Volgens de notitie is de keus voor art. 129 nadelig omdat het dan alleen kan gaan om tijdelijke maatregelen. Bovendien bevat art. 128 REACH volgens de notitie een minder strenge procedure met minder obstakels en een minder zware bewijslast. In reactie op deze punten het volgende:

1. Juridische grondslag en tijdelijkheid

De notitie suggereert dat artikel 129 REACH de oorzaak is van het tijdelijke karakter van de maatregel. Dit is niet juist. De tijdelijkheid van de huidige regeling vloeit primair voort uit de nationale wettelijke grondslagen waarop de regeling is gebaseerd: artikel 23.6a van de Omgevingswet en artikel 9.2.2.6 van de Wet milieubeheer. Deze artikelen zijn specifiek bedoeld voor het treffen van tijdelijke noodmaatregelen in afwachting van definitieve regelgeving.

2. REACH gaat uit van harmonisatie

De stelling in de notitie dat artikel 128 REACH ruimte biedt omdat er voor staalslak geen specifieke regels in Bijlage XVII van REACH staan, is onjuist. REACH beoogt een volledige harmonisatie van de beoordeling van stoffen op de Europese markt. Het feit dat er (nog) geen specifieke beperking is opgenomen, betekent niet dat het gebruik niet geharmoniseerd is. De toepassing van staalslak valt onder de algemene, geharmoniseerde eisen van REACH. Voor lidstaten die in zo’n geharmoniseerde context toch beperkingen willen opleggen, is de noodprocedure van artikel 129 de juridisch voorgeschreven weg.

3. Procedure en bewijslast

Ik erken dat artikel 129 een zwaardere procedure kent dan artikel 128. Waar artikel 128 volstaat met een technische notificatie, vereist artikel 129 een expliciete goedkeuringsprocedure door de Europese Commissie. Deze zwaardere procedure is echter inherent aan het ingrijpende karakter van een nationaal verbod dat het vrije verkeer van goederen beperkt.

Ook wat betreft de bewijslast biedt artikel 128 REACH geen «verlichting». Hoewel artikel 129 specifieke eisen stelt aan de onderbouwing, vloeien vergelijkbare eisen voort uit het nationale recht (23.6a Ow en artikel 9.2.2.6 Wm). Elke beperkende maatregel moet te allen tijde deugdelijk, noodzakelijk en proportioneel worden onderbouwd. Het gebruik van artikel 128 zou deze fundamentele onderbouwingsplicht niet wegnemen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram


X Noot
1

Tweede Kamer Vergaderjaar 2025–2026, 30 015 Nr. 144

X Noot
2

Toezeggingen bij Commissiedebat Leefomgeving van 2 april 2026 (TZ202604–071 en TZ202604–084)

X Noot
3

Kamerstuk, vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 150

X Noot
4

Toezegging bij Commissiedebat Leefomgeving en Externe veiligheid van 30 september 2025 (TZ202510–040

X Noot
5

Kamerstuk, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 728

X Noot
6

Kamerstuk vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 138

X Noot
7

Toezegging bij Commissiedebat Leefomgeving van 2 april 2026 (TZ202604–084)

X Noot
8

Kamerstuk vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 151

X Noot
9

Kamerstuk vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 149

X Noot
10

Toezegging bij Commissiedebat Leefomgeving van 2 april 2026 (TZ202604–073)


X Noot
1

Tweede Kamer Vergaderjaar 2025–2026, 30 015 Nr. 144

X Noot
2

Toezeggingen bij Commissiedebat Leefomgeving van 2 april 2026 (TZ202604–071 en TZ202604–084)

X Noot
3

Kamerstuk, vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 150

X Noot
4

Toezegging bij Commissiedebat Leefomgeving en Externe veiligheid van 30 september 2025 (TZ202510–040

X Noot
5

Kamerstuk, vergaderjaar 2025–2026, 27 625, nr. 728

X Noot
6

Kamerstuk vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 138

X Noot
7

Toezegging bij Commissiedebat Leefomgeving van 2 april 2026 (TZ202604–084)

X Noot
8

Kamerstuk vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 151

X Noot
9

Kamerstuk vergaderjaar 2025–2026, 30 015, nr. 149

X Noot
10

Toezegging bij Commissiedebat Leefomgeving van 2 april 2026 (TZ202604–073)

Naar boven