Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202030010 nr. 46

30 010 Gedetineerdenbegeleiding buitenland

29 344 Terugkeerbeleid

Nr. 46 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 september 2019

Hierbij doen wij uw Kamer de rapportage van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: Inspectie) «Internationale Rechtshulp Gewogen: Casusonderzoek (strafrechtelijke) informatie-uitwisseling met Bangladesh» toekomen1. Deze rapportage kwam tot stand naar aanleiding van een gedwongen begeleide terugkeer van een vreemdeling (hierna: betrokkene) naar Bangladesh in januari 2018.

De Inspectie JenV houdt toezicht op het terugkeerproces van vreemdelingen en ontvangt hierover rapportages van de Koninklijke Marechaussee (KMar). Bij deze casus werd de KMar bij uitzetting van een vreemdeling naar Bangladesh verrast door het feit dat betrokkene bij aankomst op de luchthaven in Dhaka werd opgewacht door Bengaalse autoriteiten die de beschikking hadden over stukken uit het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek. De Bengaalse autoriteiten hebben destijds bericht dat betrokkene is aangehouden en enkele dagen in detentie heeft gezeten. Het rapport van de Inspectie richt zich niet op de gebeurtenissen na de overdracht aan de Bengaalse autoriteiten.

Betrokkene is voorafgaand aan zijn gedwongen uitzetting enige tijd verdachte geweest in een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar illegale export van beendermeel. In het kader van dit strafrechtelijk onderzoek is op meerdere momenten informatie uitgewisseld tussen de Nederlandse en de Bengaalse autoriteiten. De Inspectie heeft onderzocht hoe deze informatie-uitwisseling over het strafrechtelijk onderzoek naar betrokkene is verlopen. Daarbij heeft de Inspectie gekeken op welke wijze actoren in de strafrechtketen en de vreemdelingenketen elkaar daarover hebben geïnformeerd en hoe deze informatie is betrokken bij de afwegingen die binnen de ketens zijn gemaakt.

De Inspectie komt tot het oordeel dat de kwaliteit van de taakuitvoering en het ketenbewustzijn met betrekking tot uitgaande rechtshulp met landen waarmee Nederland nauwelijks of geen rechtshulprelatie onderhoudt, dient te worden verbeterd. Dit geldt ook voor de kwaliteit van de informatie-uitwisseling op dit punt tussen de strafrechtketen en de vreemdelingenketen. De Inspectie doet een aantal aanbevelingen om beter te borgen dat politiegegevens zorgvuldig worden getoetst voordat ze met het buitenland worden gedeeld. Ook doet zij de aanbeveling de uitwisseling van politiegegevens – indien van toepassing – te betrekken bij afwegingen binnen de vreemdelingenketen met betrekking tot gedwongen (begeleide) terugkeer. De Inspectie raadt aan om ten aanzien van deze punten concrete procesbeschrijvingen, -protocollen en werkinstructies op te stellen.

Het rapport van de Inspectie toont aan dat het proces van uitwisseling van politiegegevens met derde landen, zeker ook in het kader van internationale rechtshulp, vaak een veelheid aan actoren kent. Dat maakt dat het van groot belang is dat dit proces zodanig moet zijn ingericht dat betrokken actoren op het juiste moment in het proces en zoveel mogelijk in gezamenlijkheid een juiste afweging maken. Daarbij wordt enerzijds rekening gehouden met het opsporingsbelang en anderzijds met de mogelijke risico’s voor betrokken individuen. In deze casus blijkt dat betrokken actoren elkaar niet altijd goed in beeld hebben gehad, waardoor essentiële processtappen niet zijn gevolgd. Wij betreuren deze gang van zaken en nemen de conclusies en aanbevelingen van de Inspectie zeer serieus.

Om de samenwerking en rolverdeling bij internationale rechtshulp te verbeteren, zijn reeds verschillende trajecten in gang gezet.

Ten eerste stelt de Wet politiegegevens (Wpg) sinds 1 januari 2019 strengere regels aan de doorgifte van politiegegevens aan derde landen dan ten tijde van deze casus het geval was. Doorgifte is op grond van artikel 17a Wpg aan strenge eisen gebonden. In het geval van uitgaande verzoeken in het kader van de opsporing of vervolging van strafbare feiten geldt dat gegevens alleen mogen worden verstrekt aan een derde land in een afzonderlijk geval. De bevraging dient tot de meest strikt noodzakelijke gegevens te worden beperkt en de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene dienen te worden afgewogen tegen het belang van doorgifte. Dit vergt per geval een afzonderlijke afweging. Uitgangspunt is daarnaast dat de te verstrekken gegevens in relatie tot het doel van de doorgifte toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn. Hiervoor wordt een gezamenlijke instructie voor de politie, de KMar en de bijzondere opsporingsdiensten opgesteld.

Ten tweede zal het Openbaar Ministerie (OM) op korte termijn de Aanwijzing over de inlichtingenuitwisseling tussen Nederlandse en buitenlandse opsporingsdiensten afronden. Die Aanwijzing vloeit voort uit de artikelen 5.1.7 en 5.1.2 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) en vervangt de «Aanwijzing nr. 2008A024 inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv.) De Aanwijzing zal zien op alle vormen van samenwerking met buitenlandse autoriteiten in het kader van de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten of verzoeken in het kader van de tenuitvoerlegging van straffen. In deze Aanwijzing wordt beschreven in welke gevallen opsporingsdiensten politiegegevens zonder tussenkomst van de officier mogen uitwisselen met buitenlandse collega’s, zowel in het geval van inkomende als van uitgaande rechtshulpverzoeken. Deze toetsing aan het WvSv zal in de praktijk gelijktijdig plaatsvinden met de beoordeling of is voldaan aan de criteria voor doorgifte die de Wpg stelt. Daarnaast geeft deze Aanwijzing handvatten aan de officier van justitie wanneer – onder zijn gezag en slechts na diens toestemming – informatie langs politiële weg wordt gedeeld met derde landen.

Ten derde heeft de Minister van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman over de klacht van de heer Van Laarhoven en zijn partner mevrouw Kaen-In aan uw Kamer toegezegd de samenwerking en rolverdeling bij internationale rechtshulp goed te zullen beschouwen (Kamerstuk 30 010, nr. 43 en Handelingen II 2018/19, nr. 80, item 18). De belangenafweging, waarbij ook het belang van de betrokken individuen dient te worden meegewogen, dient per geval steeds optimaal gestalte te krijgen. Deze beschouwing zal moeten resulteren in een heldere en voor de praktijk werkbare instructie. Streven is dat deze instructie dit najaar zal zijn afgerond. De Internationale Rechtshulpcentra (IRC’s) zullen een centrale rol moeten gaan vervullen bij uitgaande rechtshulp. Onontbeerlijk voor internationale informatie-uitwisseling en rechtshulp is immers dat deze plaatsvindt in een structuur waarbinnen deskundigheid is gewaarborgd. Het Landelijke Internationale Rechtshulpcentrum (LIRC) speelt hierin een coördinerende rol.

Nu het in deze casus niet alleen gaat om het verstrekken van gegevens in een strafrechtelijk traject, maar ook in een vreemdelingrechtelijke context, beveelt de Inspectie tevens aan om aandacht te besteden aan de wederzijdse informatie-uitwisseling tussen beide ketens. De Inspectie komt tot het oordeel dat de vreemdelingenketen niet alle relevante informatie uit de strafrechtketen heeft kunnen betrekken voorafgaand aan- en bij de effectuering van de uitzetting van betrokkene. Zoals we hiervoor uiteengezet hebben, is c.q. wordt in de strafrechtketen reeds voorzien in waarborgen die voor betrokkenen ongewenste effecten van internationale samenwerking moeten voorkomen. Voor de doorgifte van politiegegevens aan derde landen gelden inmiddels striktere voorwaarden, waarbij grond- en mensenrechten zwaarwegend zijn bij de keuze om over te gaan tot doorgifte. Bij deze toets dient door de strafrechtketen ook rekening te worden gehouden met de vreemdelingrechtelijke status van een betrokken persoon. Het is mijns inziens in beginsel niet nodig om deze toets te herhalen binnen de vreemdelingenketen. De Inspectie stelt evenwel terecht vast dat het voor de operationele taakuitvoering van de vreemdelingenketen van belang is om op de hoogte te zijn van eerdere strafrechtelijke samenwerking met het land van herkomst. In het kader van de huidige herziening van het landelijk ketenprotocol «vreemdelingen in de strafrechtketen» (het VRIS-protocol), dat de werkafspraken tussen de betrokken partijen beschrijft met het oog op de afstemming en informatie-uitwisseling tussen de strafrechtketen en vreemdelingenketen, zal worden bezien op welke wijze deze informatie gedeeld kan worden tussen beide ketens.

We vertrouwen erop dat de combinatie van bovengenoemde maatregelen de door de Inspectie gesignaleerde problematiek voldoende adresseert.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, A. Broekers-Knol


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl