Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200930010 nr. 13

30 010
Gedetineerdenbegeleiding buitenland

nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 februari 2009

Tijdens het Algemeen Overleg met uw Kamer van 1 oktober 2008 (Kamerstuk 30 010, nr. 11) herhaalde ik mijn toezegging om na het kerstreces met nadere mededelingen te komen over de vraag of de WOTS moet worden gewijzigd op het punt van het verdragsvereiste. Om dit te kunnen doen was een uitgebreide inventarisatie nodig. Bij ruim veertig landen waar Nederlanders gedetineerd zijn maar die geen verdragsrelatie met Nederland hebben op basis waarvan deze gedetineerden kunnen worden overgebracht naar Nederland (hierna: wots-relatie), werd nagegaan welke wots-relatie zij met Nederland wensen: via het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) van de Raad van Europa (tot welke verdrag ook landen buiten de Raad van Europa kunnen toetreden), een bilateraal verdrag of door verdragloos over te brengen. De laatste optie zou dan een wijziging van de Wots vereisen.

Deze inventarisatie, waarbij de Nederlandse ambassades ter plaatse een belangrijke rol hebben gespeeld, is thans afgerond.

Niet alle benaderde landen hebben een helder antwoord gegeven. Ruim 30% van de aangezochte landen heeft helemaal niet gereageerd, ook niet na verscheidene herinneringen. Dit zijn veelal landen waar maar één of enkele Nederlanders zijn gedetineerd en tevens landen waarvan het rechtssysteem nauwelijks overeenkomt met het Nederlandse. Vier landen wensen geen wots-relatie, onder andere omdat zij menen dat gevonniste personen hun straf moeten uitzitten in het land van veroordeling.

Enkele landen zijn geïnteresseerd in toetreden tot VOGP. De regering zal deze landen, waar mogelijk, haar steun bieden. Van deze landen hebben Suriname en Honduras reeds formele stappen gezet in de richting van toetreding.

Geen van de benaderde landen heeft aangegeven zonder verdrag gedetineerden te willen overbrengen, ook al blijkt uit de inventarisatie dat sommige landen (wellicht) de wettelijke mogelijkheid daartoe hebben. Nu dit de stand van zaken is, heb ik besloten de WOTS om deze reden niet te wijzigen.

De landen die niet bereid zijn toe te treden tot het VOGP en waar zich een substantieel aantal Nederlandse gedetineerden bevindt, zal ik benaderen voor het aangaan van een bilaterale verdragsrelatie. Ik zal deze landen daartoe een concept-verdrag toesturen ter beoordeling. Welke landen het betreft zal ik uw Kamer desgewenst melden zodra ik van deze landen een reactie heb ontvangen. Zo wordt voorkomen dat verwachtingen ontstaan bij Nederlandse gedetineerden in de betreffende landen. Wel kan ik in dit verband al Peru noemen; de autoriteiten aldaar hebben een concept-verdrag ontvangen en bestuderen deze nu.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin