nr. 24
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING
EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 april 2006
Op 18 april 2006 dinsdag besprak de Vaste Commissie voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uit uw Kamer met de Minister van Justitie
en mij mijn brief ter beantwoording van de vragen die de commissie op 14 maart
2006 stelde. In deze brief heb ik uiteengezet waarom het kabinet meent niet
te kunnen ingaan op het verzoek van de Kamer om verstrekking van het advies
van de landsadvocaat en het rapport van ECN over de mogelijke sluiting van
de kerncentrale te Borssele. Op 18 april 2006 heb ik verklaard mij te
zullen inspannen om, na afloop van de besluitvorming over het ontwerpconvenant
inzake de kerncentrale, zoveel mogelijk feitelijke informatie uit het ECN-rapport
aan de Kamer te zullen verstrekken.
Op 20 april 2006 diende het lid van uw Kamer mevrouw Spies tijdens
de plenaire vergadering van de Kamer een motie in met de strekking dat de
Kamer de regering verzoekt feiten en argumenten uit beide documenten –
voorzover deze geen persoonlijke beleidsopvattingen vormen – aan de
Kamer te verstrekken. De Minister van Justitie reageerde hierop dat hij eerst
beraad in het kabinet nodig achtte alvorens hij op de motie kon reageren.
Dat beraad heeft inmiddels plaatsgevonden. Mede namens de Minister van Justitie
mag ik het volgende meedelen.
Voorop moet worden gesteld dat het kabinet de taak van de Kamer bij de
controle van het beleid van de regering, ten volle respecteert. Die taak heeft
betrekking op de beslissingen en handelingen van de regering en de feiten
en argumenten waarop die berusten. Dat impliceert de noodzaak om de Kamer
alle inlichtingen daarover te verstrekken. Artikel 68 Grondwet is daarvan
de uitdrukking.
Wat de besluitvorming rond de kerncentrale te Borssele betreft, heb ik
de Kamer ook steeds voorzien van alle feiten en argumenten die het kabinet
op mijn voorstel hebben geleid tot het thans voorliggende ontwerpconvenant.
Dat heeft geleid tot nadere vragen over de vele juridische, financiële
en economische aspecten die aan het voorstel kleven. Deze heb ik steeds naar
beste weten beantwoord. Alle gevraagde informatie is verstrekt met uitzondering
van beide documenten, dit wegens strijd met het belang van de Staat. De regering
heeft immers niet alleen de mogelijkheid, maar ook de plicht om als dat belang
in het geding is het verstrekken van informatie te weigeren.
Het is vanzelfsprekend dat het bij deze informatie gaat om de feiten en
argumenten welke mij als staatssecretaris, als orgaan dus, hebben gebracht
tot mijn oordeel. De daaraan voorafgaande gedachtewisseling, de feiten en
argumenten die ambtelijk en door eventueel extern geraadpleegde personen daarbij
zijn aangedragen, alsmede het overleg dat daarbij tussen bewindslieden, al
dan niet in het kabinet, heeft plaatsgevonden, behoren daar niet toe. Uiteraard
dragen dergelijke gedachtewisselingen, adviezen en informatie bij aan de totstandkoming
van besluiten en voornemens, maar het blijven persoonlijke beleidsopvattingen
en zij vormen niet de feiten en argumenten waar een besluit op berust en waar
de controle van de Staten-Generaal betrekking op heeft. Die controle heeft
betrekking op de beslissingen van de regering en de motivering daarvan, maar
niet op de vraag wie wat gezegd heeft bij de voorbereiding en welke stukken
daarbij een rol hebben gespeeld. Zoals reeds op bladzijde 10 van de nota uit
2002 van de voormalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
over artikel 68 van de Grondwet1 te lezen is,
behoren deze stukken en informatie binnen de kring van het de overheidsorganisatie
te blijven. Zij dienen geen voorwerp van publiek debat of van politieke controle
door de Staten-Generaal te zijn. Zou die stelregel niet in acht genomen worden,
dan dreigt de onbevangen en deskundige voorbereiding van beleid in het geding
te komen. In regeringsstukken wordt daarom ook niet kenbaar wordt gemaakt
wie de daadwerkelijke auteur is van welke onderdelen van een genomen of voorgesteld
besluit. Het beginsel van ministeriële verantwoordelijkheid zou eveneens
aan betekenis inboeten, indien het parlement de mogelijkheid en daarmee de
verantwoordelijkheid heeft om zelf na te gaan waar de oorsprong ligt van elementen
van regeringsbeleid die ter discussie staan.
Het beroep op het belang van de Staat berust in de onderhavige zaak niet
uitsluitend op het hiergenoemde belang, maar tevens op de bescherming van
de belangen van de Staat bij een eventueel rechtsgeschil over de aansprakelijkheid
van de Staat. Uiteraard is dat belang in de tijd beperkt. Wanneer het risico
van een geschil daarover wegvalt, ontstaat een andere situatie tegen de achtergrond
waarvan het verstrekken van informatie moet worden afgewogen. Eerder heb ik
dan ook al aan de Kamer toegezegd dat gegevens en informatie die aan de besluitvorming
ten grondslag liggen en geen persoonlijke beleidsopvattingen vormen en waarvoor
mitsdien uitsluitend het procesbelang van de staat geldt, verstrekt kunnen
worden indien de Kamer deze nodig oordeelt in het kader van de parlementaire
controle.
Uit de overwegingen en het dictum van de motie, indien aanvaard, begrijpt
het kabinet dat de Kamer het belang van de overwegingen waarop een beroep
op het belang van de Staat werd gedaan met betrekking tot bepaalde informatie
rond de besluitvorming over Borssele, erkent en billijkt. De motie is niet
gericht op de verstrekking van persoonlijke beleidsopvattingen en informatie
welke als zodanig kenbaar is. Voorts onderkent de motie dat bescherming van
het procesbelang bij een eventueel geschil over de aansprakelijkheid van de
Staat, eveneens een reden kan zijn om informatie niet te verstrekken. Tegen
de achtergrond van de aldus begrepen motie, ben ik bereid, na ondertekening
van het convenant en na afronding van eventuele juridische acties, nog niet
bekende feiten en argumenten te verstrekken die aan de besluitvorming ten
grondslag liggen, voor zover ze geen persoonlijke beleidsopvattingen
zijn of als zodanig herkenbaar.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. L. B. A. van Geel