29 993
Referendum Europese Grondwet

nr. 18
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 juli 2005

Het referendum over instemming door Nederland met het Grondwettelijk verdrag ligt inmiddels ruim een maand achter ons. De uitslag – een overtuigend «tegen» – laat als zodanig weinig aan duidelijkheid te wensen over. In de aanloop naar de komende Brede Maatschappelijke Discussie zullen regering, Kamer en anderen zich de vraag stellen welke plaats deze uitslag inneemt in de ontwikkeling van de Europese Unie en de Nederlandse bijdrage daaraan.

Zoals toegezegd tijdens het plenaire debat op 2 juni jl. over de uitslag van het referendum betreffende het Grondwettelijk verdrag, werd het eerste deel van de Geannoteerde agenda van de Europese Raad van 16 en 17 juni (21 501-02, nr. 628) gewijd aan een eerste gedachtebepaling van de kant van de regering over dit onderwerp, in het licht van de Europese Raad. In de Staat van de Unie (bijlage bij de Memorie van Toelichting bij de begroting 2006 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) zal een nadere duiding van de zijde van de regering volgen.

Vooruitlopend op de discussie met het Presidium van uw Kamer over de organisatie van de Brede Maatschappelijke Discussie over «de vraag waar we met de Europese samenwerking naar toe willen», en ten behoeve van uw gedachtevorming hierover, stel ik u hierbij alle rapportages1 ter beschikking van onderzoek naar de meningen van burgers over Europa en het Grondwettelijk verdrag dat het ministerie van Buitenlandse Zaken in de afgelopen maanden heeft laten uitvoeren. In het najaar verschijnt bovendien een rapportage van onderzoek dat de Universiteit Twente thans uitvoert in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

A. Nicolaï


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven