Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 februari 2026
Met deze brief informeer ik de Kamer over de ondertekening op 18 februari jl. van
een gezamenlijke verklaring voor intensievere samenwerking op spoordossiers met de
Belgische Minister Jean-Luc Crucke. Met deze gezamenlijke verklaring worden het belang
van de bilaterale relatie tussen België en Nederland en de gedeelde waarden en belangen
onderkend en onderstreept.
Als buurlanden werken wij vanzelfsprekend al langer samen op spoorgebied. Dat is onder
meer vastgelegd in de bilaterale intentieverklaring voor samenwerking op grensoverschrijdende
spoorverbindingen uit 2022. Daarnaast staat dit onderwerp ook vast op de agenda tijdens
de periodieke besprekingen tussen de secretarissen-generaal van beide landen. Er zijn
eerder ook al belangrijke verbeteringen gerealiseerd voor treinreizigers tussen beide
landen en voor het vervoer van goederen. Een mooi voorbeeld is de Drielandentrein,
die in 2024 gestart is na een goede samenwerking tussen concessieverleners, infrabeheerders
en vervoerders in België, Nederland en Duitsland.
Wij constateren echter dat de snel veranderende geopolitieke en geo-economische verhoudingen
vragen om een intensivering van die samenwerking en om het oppakken van de uitdagingen
van deze tijd. Want deze tijd vraagt om meer aandacht voor strategische autonomie,
veiligheid, economisch concurrentievermogen, bereikbaarheid van havens en hun achterland,
internationale handel en militaire mobiliteit. Ik vind het belangrijk op korte termijn
meer meters te kunnen maken op dit soort thema’s. Met de gezamenlijke verklaring,
die ik getekend heb met de Belgische Minister van Mobiliteit, de heer Jean-Luc Crucke,
voorzien we daarin voor de nabije toekomst.
De gemeenschappelijke verklaring voorziet ook in de wens om de sterke onderlinge economische
verbondenheid in de gehele Delta tussen Hamburg en Le Havre beter te benutten. Deze
verbondenheid gaat over landsgrenzen heen en wordt door het benutten van elkaars slagkracht,
innovatie, arbeidsproductiviteit en het netwerk van toeleveranciers en kennisnetwerken
versterkt. Infrastructuur en dus ook spoor kunnen een aanjagende rol hebben om die
verbondenheid te benutten en te versterken. Door vraagstukken te benaderen vanuit
het perspectief van de kracht van de Delta leveren België en Nederland een meerwaarde
voor iedereen. Het gaat hier om een eeuwenlang verbonden regio waarin ondernemers
en burgers gebruik maken van de strategische ligging van deze economische poort van
Europa.
De afgesproken intensivering en versnelling van spoordossiers doen we door heel gericht
aan de slag te gaan met een aantal van die belangrijke dossiers. Komende periode gaan
wij bijvoorbeeld met elkaar in gesprek hoe we rond militaire mobiliteit tot meer afstemming
kunnen komen. Zo kunnen we de weerbaarheid en capaciteit voor militair vervoer vergroten.
We gaan ook gericht kijken naar hoe we de economische verbondenheid tussen grensregio’s
beter kunnen benutten, in het bijzonder tussen Brainport Eindhoven met het Europese
bestuurscentrum Brussel en de innovatieregio Leuven (Brainport-Brussellijn). Ook kijken
we naar bestaande dossiers. Zo hebben we bijvoorbeeld gezamenlijk besproken om onafhankelijk
van andere dossiers tot concrete versnelling te komen met de verbinding tussen Gent
en Terneuzen (Rail Ghent-Terneuzen). Daarnaast willen we voortgang boeken met de besluitvorming
over de verbinding tussen de Antwerpse haven en het Duitse Ruhrgebied (3RX). Bij 3RX
zullen naast België en Nederland, ook Limburg, Vlaanderen en Noordrijn-Westfalen betrokken
zijn. De uitdaging is om verschillen in onder meer de wijze van besluitvorming bij
grote infrastructurele projecten te overbruggen.
Met de verklaring hebben we afgesproken ten minste één keer per jaar bestuurlijk overleg
tussen beide landen te voeren om de voortgang te bespreken op deze versnelling en
intensivering. We zijn ook overeengekomen om in de aanpak, waar nodig en relevant,
de regionale partijen en spoorinfrastructuurbeheerders te betrekken. Zij zijn essentieel
voor het slagen van dossiers.
Ik ben verheugd dat we met deze gezamenlijke verklaring een nieuwe impuls en versnelling
geven aan de samenwerking tussen België en Nederland op het gebied van spoor. Belangrijk
voor de toekomst van beide landen. Ik verwacht dat dit fundament bijdraagt aan de
inzet van het nieuwe kabinet om verder te werken aan een betere bereikbaarheid, economische
potentie en veiligheid van ons land in een internationaal uitdagende context.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.A. Aartsen