29 962
Weer Samen Naar School. Zorgleerlingen in het basisonderwijs

nr. 3
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 januari 2005

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft een aantal vragen aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd over het rapport «Weer Samen Naar School. Zorgleerlingen in het basisonderwijs» (kamerstuk 29 962, nr. 2).

De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 26 januari 2005.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De Voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Cornielje

Adjunct-griffier van de commissie voor de Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Boeve

1

Compliceert het samengaan van wegings- en zorgfactoren ook het maken van een handelingsplan en de uitvoering daarvan, net zoals dit ook de meting van het resultaat en effect van Weer Samen Naar School (WSNS) in het kader Van Beleidsbegroting Tot Beleidsverantwoording compliceert?

De Algemene Rekenkamer heeft niet onderzocht of en in hoeverre dit samengaan bij het opstellen van handelingsplannen een complicatie vormt. In de handelingsplannen die zij in haar onderzoek heeft gezien speelde dit onderscheid geen enkele rol.

Wel impliceert de bundeling van zorgmiddelen dat een leerling op een school met meer zorgmiddelen meer kans heeft dat de in het handelingsplan geformuleerde zorg ook daadwerkelijk gegeven kan worden. Een school heeft meer zorgmiddelen als zij meer gewichtengelden heeft.

2

In het stroomschema «zorgleerlingen PO-VO» zoals weergegeven in de hand-out sheets uitgereikt tijdens de technische briefing op 19 januari 2005, wordt geschat dat 20 procent van de zorgleerlingen in het reguliere primair onderwijs zit. Zijn dat zorgleerlingen of gewichtenleerlingen of allebei? Kan er cijfermatig een onderscheid worden gemaakt?

Cijfermatig onderscheid tussen zorg- en gewichtenleerlingen valt te maken.1 Uit de door de Algemene Rekenkamer onderzochte leerlingdossiers bleek dat gemiddeld 21,5 procent van de leerlingen op de bezochte reguliere basisscholen als zorgleerling geregistreerd stond. Van deze zorgleerlingen was 34 procent tevens een onderwijsachterstandsleerling, extra bekostigd volgens de gewichtenregeling. Dit percentage is niet zonder meer te generaliseren naar de totale populatie zorgleerlingen. In de leerlingadministraties is afzonderlijk het toegekende gewicht van de leerlingen geregistreerd.

3

De Algemene Rekenkamer spreekt over een verhoging van het zorgbudget van 3,8 procent naar 5 procent. Wanneer is deze verhoging doorgevoerd en uit welke middelen is deze bekostigd?

Toen in 1995 werd besloten de meerkosten van het speciaal onderwijs te bevriezen in een vast zorgbudget werd bij de berekening uitgegaan van het toenmalige aantal leerlingen in het speciaal onderwijs (LOM, MLK en IOBK). Dat aantal bedroeg 3,8 procent van het totaal aantal leerlingen in het primair onderwijs. In 1998, bij de invoering van de Wet op het Primair Onderwijs werd aan het op dit cijfer gebaseerde zorgbudget de middelen voor de Operatie Toerusting en Bereikbaarheid en andere aanvullende zorgmiddelen toegevoegd. Naar het ministerie meedeelde vormde het resulterende bedrag het equivalent van de meerkosten die voorheen gemaakt zouden zijn voor een aantal leerlingen in het speciaal onderwijs gelijk aan 5 procent van het totaal aantal leerlingen in het huidige primair onderwijs.

4

Betekent de conclusie dat het basisscholen nog niet is gelukt om alle leerlingen zorg op maat te geven dat een aantal leerlingen helemaal geen zorg krijgt of dat sommige leerlingen niet de zorg krijgen die bij hen past?

De basisscholen hebben in het onderzoek aangegeven dat bij een kwart van de 235 zorgleerlingen de benodigde zorg niet of niet helemaal geboden kan worden. Als belangrijkste redenen worden gebrek aan tijd, middelen en expertise genoemd. Het probleem schuilt vooral in mate waarin bij sommige leerlingen zorg vereist is. De scholen benadrukten in dit verband vaak hun beperkingen.

5

Hoeveel leerlingen in de basisschoolleeftijd hebben een indicatie Leerlinggebonden financiering, uitgedrukt in het percentage van de leerlingpopulatie in de basisschoolleeftijd?

In de Zesde voortgangsrapportage leerlinggebonden financiering (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 27 728, nr. 76) wordt hier nadere informatie over verstrekt. In het schooljaar 2003–2004, het eerste schooljaar waarin de LGF-regeling van kracht was, hadden 6 084 leerlingen een indicatie. Van hen stonden 5 619 leerlingen op een reguliere basisschool en 465 leerlingen op een speciale basisschool ingeschreven. Het totaal aantal leerlingen in de basisschoolleeftijd was 1 645 800 leerlingen. Het percentage leerlingen met een LGF indicatie in het schooljaar 2003–2004 in de basisschoolleeftijd was 0,37 procent.

6

Op welke wijze en wanneer zijn de huidige zorgmiddelen gegroeid tot de meerkosten die voorheen gemaakt zouden zijn voor een aantal leerlingen in het speciaal onderwijs, gelijk aan 5 procent van het totaal aantal leerlingen?

Zie het antwoord op vraag 3.

7

Volgens actuele gegevens gaat 3,2 procent van de zorgleerlingen naar het speciaal basisonderwijs. Er is budget voor 5 procent. Is het waar dat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat 1,8 procent in het reguliere primair onderwijs zit? Is het waar dat daaruit wel geconcludeerd kan worden dat er slechts voor 1,8 procent budget is?

Vanuit het WSNS-zorgbudget worden eerst de speciale basisscholen bekostigd. Op landelijk niveau is na de bekostiging van de speciale basisscholen nog (5 procent -/- 3,2 procent =) 1,8 procent van het totale zorgbudget beschikbaar voor de verdere uitvoering van WSNS. Dit betekent niet dat het resterende budget volledig in de reguliere basisscholen wordt besteed. Van deze 1,8 procent moeten ook de kosten voor coördinatie en organisatie en de Permanente Commissie Leerlingenzorg worden bekostigd. De individuele samenwerkingsverbanden bepalen hoe het resterende zorgbudget in hun samenwerkingsverband besteed zal worden.

8

Hoeveel procent van de leerlingen in het reguliere primair onderwijs is zorgleerling? Hoe verhoudt dit percentage zich tot het percentage van 20 procent in het stroomschema 'zorgleerlingen PO-VO' zoals weergegeven in de hand-out sheets uitgereikt tijdens de technische briefing op 19 januari 2005?

Het percentage zorgleerlingen in het reguliere basisonderwijs kan alleen geschat worden, waarbij het ontbreken van duidelijke definities een complicatie vormt.1 Uit het veldonderzoek van de Algemene Rekenkamer kwam naar voren dat ruim een vijfde deel van de leerlingen op de reguliere basisscholen als zorgleerling geregistreerd stond. In het onderzoek Zorgleerlingen en de PCL (december 2003) benoemen leerkrachten 30 procent van hun leerlingen als zorgleerling. De hier gehanteerde definitie van zorgleerling was: leerlingen die aanzienlijk meer aandacht en zorg nodig hebben. Dit onderzoeksrapport is u aangeboden bij de Zesde voortgangsrapportage WSNS (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 21 860, nr. 72).

9

Hoeveel leerlingen die vallen onder de WSNS-indicatie zaten gedurende de afgelopen tien jaar op een speciale basisschool, uitgedrukt in het percentage van de leerlingpopulatie in de basisschoolleeftijd?

In onderstaande tabel staat voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel leerlingen op een school voor speciaal basisonderwijs ingeschreven stonden. Deze aantallen zijn gerelateerd aan het aantal leerlingen in de basisschoolleeftijd, dat wil zeggen de leerlingen in het regulier basisonderwijs, het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs tezamen.

Om het beeld compleet te maken, is ook het aantal leerlingen opgenomen dat ingeschreven stond bij een school voor speciaal onderwijs. Ook deze aantallen zijn gerelateerd aan het aantal leerlingen in de basisschoolleeftijd.

De onderste rij in de tabel toont het aantal leerlingen in de basisschoolleeftijd, niet ingeschreven op een reguliere basisschool.

 19941995199619971998199920002001200220032004
sbo57 09857 50055 56754 67153 60452 04751 55751 78652 07551 36950 088
bao1 451 3321 476 8251 500 9691 519 6801 533 5951 542 9971 546 2991 552 0761 549 7761 547 3421 548 741
so22 74223 52224 63025 82127 09528 84330 28531 56433 06033 51134 092
totaal1 531 1721 557 8471 581 1661 600 1721 614 2941 623 8871 628 1411 635 4261 634 9111 632 2221 632 921
% sbo3,73%3,69%3,51%3,42%3,32%3,21%3,17%3,17%3,19%3,15%3,07%
% so1,49%1,51%1,56%1,61%1,68%1,78%1,86%1,93%2,02%2,05%2,09%
% totaal so+sbo5,21%5,20%5,07%5,03%5,00%4,98%5,03%5,10%5,21%5,20%5,16%

Bron: Brief van de minister van OCW, d.d. 18 januari 2005 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 21 860, nr. 76)

sbo: speciaal basisonderwijs

bao: (regulier) basisonderwijs

so: speciaal onderwijs

Grafisch weergegeven ziet deze tabel er aldus uit:

kst-29962-3-1.gif

Bijlage bij brief Algemene Rekenkamer betreffende de vragen van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het rapport 'Weer Samen Naar School. Zorgleerlingen in het basisonderwijs'

Hand-out waarvan sprake is in vraag 2 en vraag 8:

kst-29962-3-2.gif

XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Kalsbeek (PvdA), Cornielje (VVD), Voorzitter, Lambrechts (D66), Hamer (PvdA), Van Bommel (SP), Vendrik (GL), Mosterd (CDA), Blok (VVD), Balemans (VVD), Slob (CU), Vergeer (SP), Tichelaar (PvdA), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Eski (CDA), Eijsink (PvdA), Leerdam, MFA (PvdA), Ondervoorzitter, Van Miltenburg (VVD), Kraneveldt (LPF), Hermans (LPF), Van Dam (PvdA), Visser (VVD), Azough (GL) en Roefs (PvdA).

Plv. leden: Ferrier (CDA), Verbeet (PvdA), Rijpstra (VVD), Bakker (D66), Bussemaker (PvdA), Vacature (SP), Tonkens (GL), Jonker (CDA), Hirsi Ali (VVD), Örgü (VVD), Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Dijksma (PvdA), Hessels (CDA), Sterk (CDA), Atsma (CDA), Van Bochove (CDA), Van Hijum (CDA), Arib (PvdA), Stuurman (PvdA), De Krom (VVD), Varela (LPF), Nawijn (LPF), Adelmund (PvdA), Aptroot (VVD), Halsema (GL) en Kruijsen (PvdA).

XNoot
1

De hand-out waarvan in de vraag sprake is, is als bijlage bij deze antwoorden gevoegd.

XNoot
1

Zie de bijgevoegde hand-out.

Naar boven