Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29949 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 29949 nr. 3 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 februari 2005
Namens de commissie voor de Rijksuitgaven bied ik u hierbij een rapportage aan, getiteld «De behandeling van begrotingen en jaarverslagen in de Tweede Kamer na VBTB».
Deze rapportage wordt door de commissie uitgebracht in aanvulling op de brief van de minister van Financiën van 21 december 2004 (29 949 nr. 1), met daarin de evaluatie VBTB en het bijbehorende kabinetsstandpunt
De behandeling van begrotingen en jaarverslagen in de Tweede Kamer na VBTB
Op 21 december 2004 zond de minister van Financiën de Kamer de evaluatie van de operatie VBTB en het daarop gebaseerde kabinetsstandpunt toe (29 949 nr. 1). Opvallend in deze evaluatie is dat de minister zich – uit zeer te waarderen kiesheid – niet heeft uitgelaten over de Kamerbehandeling van VBTB-begrotingen en -jaarverslagen. De commissie voor de Rijksuitgaven acht zich hiervoor, gelet op artikel 21a van het Reglement van Orde, verantwoordelijk. Zij brengt hierbij de rapportage uit over de wijze waarop de Kamer met de nieuwe op VBTB-leest geschoeide begrotingen en jaarverslagen omgaat.
Daartoe wordt in paragraaf 2 een korte terugblik op VBTB gegeven en komen in paragraaf 3 enige algemene noties aan bod. Paragraaf 4 behandelt vervolgens de invloed van VBTB op de autorisatiefunctie van de begrotingen en de controlefunctie van begrotingen en jaarverslagen. De vijfde paragraaf vat een en ander samen en formuleert conclusies.
Het gedachtegoed van VBTB vindt zijn oorsprong grotendeels in het rapport van een ambtelijke werkgroep, getiteld «Het jaarverslag in de politieke arena». De werkgroep bestond uit medewerkers van de staf van de commissie voor de Rijksuitgaven, de Algemene Rekenkamer en van het ministerie van Financiën. De werkgroep deed voorstellen om de toen gebruikelijke financiële verantwoordingen om te vormen tot jaarverslagen en het tijdstip van uitbrengen te vervroegen van september tot mei. Het politieke vervolg werd gegeven door instelling van de werkgroep-Van Zijl, die de voorstellen verbreedde tot een andere vorm van het presenteren van begrotingsvoorstellen. Niet langer zouden de financiële middelen leidend zijn (input-sturing), doch de uitkomsten van voorgenomen beleid (outcome). Uiteindelijk bestuurt de politiek om doelstellingen te bereiken. Tegelijkertijd studeerde ook een interdepartementale commissie op een gewijzigde begrotingsopzet. Dit resulteerde ten slotte in de kabinetsnota «Van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording» (VBTB). Kern van de voorstellen van het kabinet was dat in begrotingen beleidsvoorstellen worden gedaan, met daaraan gekoppeld de uitkomsten die dat beleid moet opleveren. De jaarverslagen zouden in het vervolg vooral verantwoording moeten inhouden van het gevoerde beleid en het met dat beleid behaalde resultaten. Controle op gevoerd beleid kan alleen dan goed worden uitgeoefend indien door Tweede Kamer en regering gezamenlijk en vooraf heldere en meetbare doelen zijn gesteld.
In de VBTB-systematiek is daarvoor de verhouding tussen de WWW-vragen en de HHH-vragen geïntroduceerd. Al bij de begrotingsbehandeling zouden de bij de jaarverslagen te stellen HHH-vragen1 centraal moeten staan. En wel in die zin, dat de Kamer op basis van de WWW-vragen2 uit de begroting moet zien of ze later aan de hand van de HHH-vragen in theorie na kan gaan of de belofte die de antwoorden op de WWW-vragen impliceren, gestand zijn gedaan.
3. De behandeling van begrotingen en jaarverslagen: een eerste beschrijving
Overkoepelend onderwerp in de evaluatie en het regeringsstandpunt is de transparantie en leesbaarheid van de begroting en de jaarverslagen. Het zijn de klachten hierover die mede de aanleiding hebben gegeven tot het herzien van de begrotingsopzet. In de Kamer wordt veel energie gestoken in het nader begrijpen van de stukken in kwestie. De opvatting dat de begrotingen en de jaarverslagen te dik zijn wordt over het algemeen wel gedeeld in de Kamer, zij het niet als uitsluitende oorzaak van een gebrek aan transparantie. Een ander, en groter, probleem is dat er niet in staat wat er in zou moeten staan.
Daarom heeft het onverkort dunner maken van de begroting in het verleden vaak geleid tot het stellen van meer vragen. Ervaringen uit het verleden leren dat.
Bij de behandeling van begrotingen en jaarverslagen wordt uitgebreid gebruik gemaakt van het daartoe dienende Kamerinstrumentarium. Zo wordt bij de begroting veelal zowel een schriftelijke vragenronde georganiseerd, als een begrotingsonderzoek. Ook wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid bij de plenaire behandeling nog vragen te stellen. Het komt daarbij voor dat bepaalde vragen bij elk van deze drie gelegenheden worden gesteld. Soms is dat omdat het antwoord niet naar tevredenheid wordt gegeven, maar soms is de reden voor de herhaling niet geheel helder. Bij de jaarverslagen is dit verschijnsel veel minder excessief. Hier voor verder in paragraaf 4.2.c
Een aandachtspunt is in de ogen van de commissie voor de Rijksuitgaven de kwaliteit van de schriftelijke vragen en de antwoorden hierop. Deze zijn op onderdelen voor verbetering vatbaar.
Enerzijds worden er door de Kamer soms vragen gesteld, waarop het antwoord letterlijk in de begroting staat. Hieraan is deels de onoverzichtelijkheid van de begrotingen debet. De commissie acht het echter ook noodzakelijk dat de Kamer hier de hand in eigen boezem steekt.
Anderzijds wordt teveel op vragen slecht geantwoord. Het verbaast de commissie dat met dit soort antwoorden (de spreekwoordelijke «kluitje in het riet»-antwoorden) in een groot aantal gevallen genoegen wordt genomen.
Om een beeld te schetsen van de Kamerbehandeling van de begrotingen en de jaarverslagen is het van belang eerst na te gaan wat de functie ervan is. Deze kan worden afgeleid van de rol die de Kamer ten opzichte van de regering heeft, namelijk (mede-)wetgever en controleur.
In begrotingsverband betekent dat respectievelijk autorisatie en controle1.
De jaarverslagen kunnen eigenlijk vooral in het licht van de controlefunctie van de Kamer worden gezien.2 De begrippen autorisatie en controle kunnen als volgt worden gedefinieerd:
• Autorisatie: het bepalen van het maximum van de door de regering te besteden middelen. Tevens het bepalen waar die middelen aan zullen worden besteed.
• Controle: het er op toezien dat de regering de begroting uitvoert zoals is afgesproken.
Over beide onderwerpen, autorisatie en controle wordt in het hiernavolgende een beeld geschetst van de gang van zaken in de Kamer, na de invoering van VBTB. Dat wil zeggen dat het over de begrotingscycli 2002 en 2003 gaat, over het grootste deel van de begrotingscyclus 2004 (tot aan voorjaarsnota) en over de behandeling van de begroting 2005. Om een en ander in een historisch perspectief te kunnen zien worden hierbij ook de jaren 2000 en 2001 betrokken.
Autorisatie betreft het bepalen van het maximum van de door de regering te besteden middelen. Tevens gaat het om het bepalen waar die middelen aan zullen worden besteed. In de wijze waarop dit tot uitdrukking komt in het parlementaire debat heeft VBTB zeker invloed gehad. Enkele aandachtspunten komen daarbij aan de orde
a) Beleidsbegrotingen en beleidsdebatten
De kern van VBTB is dat de oude systematiek van input-georiënteerde begrotingen wordt vervangen door beleidsbegrotingen. Daarin staan niet zozeer de middelen centraal als wel het beleid. Dat heeft er in de Kamer toe geleid dat (nog) meer dan voorheen de begrotingsbehandeling de vorm kreeg van een beleidsdebat. Hoewel dat logisch is, en uit VBTB-optiek zelfs wenselijk, is het nadeel ervan dat het debat over financiële aspecten wat onderbelicht raakt. Een ander nadeel is dat in zo'n beleidsdebat de debatten die in het kader van wetsvoorstellen en beleidsnota's zijn gevoerd, worden overgedaan.
b) Middelen-autorisatie en beleidsdebat
In het verlengde van het vorige ligt een andere onevenwichtigheid. Waar het debat gaat over het beleid, gaat het besluit van de Kamer over de middelen. Aangezien er tussen de inhoud van het debat en het formele besluitvormingsdebat een moeizame relatie is ontstaan, en er behoefte lijkt te bestaan aan een formeel einde aan de beleidsdebatten, is het enige wat overblijft de motie. Onderstaande figuur laat zien hoe de hoeveelheden bij de begroting in stemming gebrachte moties zich in de loop der jaren hebben ontwikkeld. Dit wordt afgezet tegen de algemene (dus niet aan de begroting verbonden) trend van in stemming gebrachte moties.
Figuur 1: Ontwikkeling van begrotingsmoties over de jaren 1999 tot en met 2004 (index 1999=100)

Uit deze figuur valt af te leiden dat
– het jaarlijks totaal aantal moties door de jaren heen gestaag toeneemt;
– het aantal moties ingediend vanaf de begrotingsbehandelingen 2001/2002 toeneemt, met uitzondering van het jaar 2004;
– het aandeel begrotingsmoties ten opzichte van het totaal aantal moties vanaf 2001/2002 toeneemt, met uitzondering van 2004;
Voor de uitzonderingspositie van 2004 heeft de commissie geen sluitende verklaring.
Een sterker wapen dan de motie is het amendement. Het amendement is immers een manier om de begrotingsvoorstellen te wijzigen. Bij de introductie van VBTB bestond bij de Kamer de angst dat de begrotingsartikelen zo groot werden dat ze het recht van amendement materieel in de weg zouden staan. De minister van Financien gaf toen aan dat indien een amendement zou pleiten voor een ander accent van de besteding van financiën binnen een en hetzelfde begrotingsartikel, een zogenaamd plus-min-amendement zou volstaan, indien in de toelichting de strekking van de wijziging helder zou worden gemaakt.
Onderstaande grafiek toont een weergave van het aantal in stemming gebrachte amendementen over de afgelopen jaren, evenals het financieel beslag van de door amendementen gewijzigde bestedingsdoeleinden. Evenals de vorige grafieken is hier «geïndexeerd» ten opzichte van 2000 (=100). Het gaat immers niet om de absolute cijfers, maar om de ontwikkeling ervan.
Figuur 2: Ontwikkeling van de begrotingsamendementen over de begrotingen 2000 tot en met 2004 (index 2000=100)

Hieruit blijkt dat (mede als gevolg van VBTB)
• het aantal ingediende amendementen sterk is toegenomen;
• het aantal aangenomen amendementen ook is toegenomen, zij het minder sterk;
• het financieel beslag van de door amendementen gewijzigde bestedingsdoeleinden al jaren constant is, met uitzondering van het jaar 2004. Bij de begroting 2004 kwam dit hogere financieel beslag door een amendement van ruim € 300 mln. (hetgeen een groot amendement is)
Een ander punt van aandacht bij amendementen is de kwaliteit van de toelichting. De commissie is van mening dat indien het kabinet wordt gehouden aan de verplichting begrotingen in te dienen, waarin de WWW-vragen adequaat worden beantwoord, hetzelfde mag worden verlangd van amendementen. Zij neemt echter waar dat amendementtoelichtingen zelden of nooit op de drie WWW-vragen ingaan.
Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste kan worden geconstateerd dat deze kwaliteitseis, die vanuit het VBTB-gedachtegoed aan amendementen kan worden gesteld, slechts in beperkte mate is doorgedrongen tot de dagelijkse praktijk van de begrotingsbehandeling. Dit heeft naar het oordeel van de commissie voor de Rijksuitgaven te maken de geringe prioriteit die in de huidige politieke cultuur wordt gegeven aan het uitoefenen van de «controletaak». Ook de conclusies van de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten kunnen in dit licht worden gezien.
Een tweede oorzaak ligt in de kwaliteit van de begrotingen. Voor het maken van outputgeoriënteerde amendementen is specifieke informatie over raming, planning en beleidsprestaties nodig, die veelal niet in de begroting staat. Derhalve zijn op VBTB-leest geschoeide amendementen moeilijk te maken.
De prealabele vraag hier is wat onder controle wordt verstaan. Hierover zijn tal van opvattingen mogelijk.
Parlementaire controle kan alleen maar gezien worden in samenhang met de ministeriële verantwoordelijkheid. De minister heeft een taakverantwoordelijkheid, namelijk het uitvoeren van beleid dat tevoren in overleg met de Tweede Kamer is bepaald. Controle daarop geschiedt in drie fasen: het vragen van inlichtingen, het debat en ten slotte de sanctionering. Controle op het regeringsbeleid is veelal controle achteraf. In het begrotingsproces is evenwel sprake van controle ex ante, wat overeenkomt met sturing. In begrotingen worden de beleidsprioriteiten vastgesteld, en wordt gestuurd op middelen. De VBTB-uitgangspunten zien er op dat die beleidsprioriteiten wel omschreven, toetsbaar en meetbaar zijn. Immers, in het verantwoordingsproces, bij de behandeling van de jaarverslagen, moet duidelijk zijn waarover van de minister verantwoording wordt verlangd.
Parlementaire controle in de drie hiervoor beschreven fasen komt alleen in het recht van enquête tot uitdrukking.
a) controle in de begrotingsbehandeling
Adequate controle van de begrotingsuitvoering begint bij aandacht voor de controle bij de begrotingsbehandeling. Ofwel, de vraag zou centraal moeten staan of de ontwerpbegroting in theorie controleerbaar is.
In de VBTB-systematiek zou de Kamer hiertoe bij de begrotingsbehandeling de kwaliteit van de beantwoording van de WWW-vragen centraal moeten stellen (zie paragraaf 2 voor een uitleg). Bieden de antwoorden die in de begrotingen worden gegeven op deze vragen voldoende houvast om later een verantwoordingsdebat op te baseren?
De uitgelezen plek om een dergelijke exercitie uit te voeren is het begrotingsonderzoek. Er moet echter worden gesteld dat in algemene zin van de mogelijkheid van het houden van een begrotingsonderzoek niet optimaal gebruik wordt gemaakt. En als er begrotingsonderzoeken worden georganiseerd, is de kwaliteit van het overleg niet van zodanige aard dat kan worden gesproken van een zinvolle bijdrage aan het controleaspect van de begrotingsbehandeling.
De volgende problemen doen zich voor:
• In sommige gevallen wordt in te grote mate geleund op technische ondersteuning van de Kamer;
• Er is over het algemeen onvoldoende besef dat de eerste stappen voor een adequate controle moeten worden gezet bij de begrotingsbehandeling;
• Het instrument begrotingsonderzoek wordt in een aantal gevallen te veel gezien als «fact-finding-session», de oorspronkelijke doelstelling van de begrotingsonderzoeken en is onvoldoende aangepast aan het VBTB-tijdperk, waarin een behandeling van de kwaliteit van de formulering van de doelstellingen meer voor de hand ligt.
De nieuwe bepaling in het Reglement van Orde van de Kamer over de begrotingsbehandeling1 zou voor deze problemen een oplossing kunnen bieden. Het daar geïntroduceerde begrotingsoverleg geeft de mogelijkheid om, analoog aan een wetgevingsoverleg, de begroting artikelsgewijs te behandelen.
Deze mogelijkheid heeft in haar eerste bestaansjaar (2004) niet geresulteerd in een feitelijke verandering van de begrotingsbehandeling. De commissie voor de Rijksuitgaven acht dit een gemiste kans.
b) Controle bij de behandeling van de suppletore begrotingen
Ook de behandeling van suppletore begrotingen heeft in potentie een controlefunctie. Hier wordt immers het eerste beeld geschetst van de begrotingsuitvoering.
Toch neemt de commissie voor de Rijksuitgaven waar dat de behandeling van de suppletore begrotingen in veel gevallen een hoog pro forma karakter heeft.
Als suppletore begrotingen inhoudelijk worden behandeld is dat vaker om een nieuwe wens in financiële consequenties te vertalen dan om halverwege het jaar te kijken hoe de nieuwe begrotingsstand zich verhoudt tot tijdens de begrotingsbehandeling gemaakte afspraken.
De relatief geringe belangstelling van Kamerleden voor de controletaak verklaart dit.
Tevens is hier aan de orde dat in de suppletore begrotingen wel de financiële standen worden geactualiseerd, maar dat geldt niet of zelden de beleidsinhoudelijke doelstellingen, te realiseren beleidsprestaties of planningen. Dat betekent dat controle bij de behandeling van de suppletore begrotingen per definitie financieel is.
c) Controle bij de behandeling van jaarverslagen
Het hoogtepunt van de uitoefening van de controlefunctie zou moeten liggen in de behandeling van de jaarverslagen. Het algehele gevoelen is dat dit potentiële hoogtepunt niet wordt waargemaakt. Dat wordt in eerste instantie al duidelijk aan de hand van de parlementaire belangstelling voor het onderwerp. Figuur 3 van deze rapportage geeft een meerjarig beeld van enkele indicatoren hiervan. De structureel dalende belangstelling tot vorig jaar is evident. De lichte stijging die zich vorig jaar op alle terreinen voor deed, is enigszins hoopgevend.
Figuur 3: Ontwikkeling van de behandeling van jaarverslagen over de jaren 1999 tot en met 2003 (index 1999=100)

Natuurlijk zijn dit indirecte indicatoren. Ze lijken te wijzen op een relatief geringe en dalende belangstelling. Dit heeft zich echter ook gemanifesteerd in de plenaire behandeling. Zie ook figuur 4.
Figuur 4 plenaire behandeling van de jaarverslagen over de jaren 1999 tot en met 2003
| Plenair verantwoordingsdebat | 1999(mei/juni 2000) | 2000(mei/juni 2001) | 2001 (juni/juli 2002) | 2002(mei/juni 2003) | 2003(juni/juli 2004) |
|---|---|---|---|---|---|
| Aantal woordvoerders | 8 | 7 | 8 | 8 | 7 |
| Waarvan fractie-voorzitter | 7 | 1 | 2 | 1 | 1 |
| % vertegenwoordigde fracties | 100% | 88% | 80% | 78% | 70%** |
| Aanwezig namens regering | Minister-president + Minister van Financiën | Minister van Financiën | Minister van Financiën | Minister van Financiën | Minister van Financiën |
| Gecombineerd met Voorjaarsnota? | Nee* | Nee | Nee | Ja | Nee |
* Op 15 juni 2000 is een afzonderlijk plenair debat gehouden over de financiële verantwoording 1999. Dit duurde echter de hele dag, waardoor besloten werd de tweede termijn te combineren met het debat over de Voorjaarsnota een week later (op 22 juni 2000).
** Het aantal fracties in 2004 dat deelneemt aan het debat is gelijk aan het aantal in 2003; door de afsplitsing van de Groep Lazrak doet zich echter een noemer-effect voor, waardoor het percentage lager is dan voorgaand jaar.
Naast deze meer formele zaken is een inhoudelijke beschouwing van de behandeling van de jaarverslagen ook op zijn plaats. Wat opvallend is dat het (doen) afleggen van beleidsinhoudelijke verantwoording niet erg hoog op de agenda van de diverse overleggen staat. Minimaal twee onderwerpen staan hoger. In willekeurige volgorde zijn dat
• Financieel beheer
Tegelijkertijd met de jaarverslagen van de zijde van de regering dient de Algemene Rekenkamer haar rapporten bij de jaarverslagen in. Daarin wordt een oordeel geveld over de rechtmatigheid van de uitgaven en ontvangsten (meestal meer dan 99% goed) en het financieel beheer. Daar neemt de Rekenkamer regelmatig problemen waar en deelt ze negatieve oordelen uit. De Rekenkamer beschrijft ook de stand van zaken met betrekking tot de beleidsinformatie maar doet daar geen oordelende uitspraken over. Bij de behandeling van de jaarverslagen wordt vaak ingegaan op de oordelen van de Algemene Rekenkamer over het financieel beheer. Het onderwerp domineert in sommige gevallen de discussie.
• Politieke actualiteiten
Wat tevens voorkomt is dat aan het overleg waarvoor het jaarverslag geagendeerd staat andere brieven worden toegevoegd met een actueel thema. Soms is dat geen brief, maar een krantenbericht of een Tv-uitzending Meestal is dat voor de desbetreffende commissie een handige manier om de brief of het issue besproken te krijgen. Het resultaat is echter dat er aan het eigenlijke onderwerp minder aandacht wordt besteed.
Overigens zijn er ook voorbeelden van commissiebehandeling van de jaarverslagen die wel voldoen aan de normen van een volwaardig verantwoordingsdebat. Eigenlijk ziet de commissie dat bij vrijwel alle wetgevingsoverleggen wel terugkomen. Het zijn echter kleine onderdeeltjes van die overleggen. De andere onderwerpen hebben vaak de meeste aandacht.
VBTB is in opzet een goede manier om begrotingen en jaarverslagen vorm te geven en om de autorisatie- en controlefunctie binnen de begrotingscyclus gestalte te geven. Het eenvoudige denkmodel van de WWW-vragen en de HHH-vragen kan de gedachtevorming op een transparante wijze ondersteunen. De commissie voor de Rijksuitgaven concludeert echter op basis van deze rapportage dat het rendement van de operatie VBTB in de Tweede Kamer niet zo hoog is als zou mogen worden verwacht.
Weliswaar is het autorisatierecht van de Kamer is als gevolg van de operatie VBTB noch formeel noch materieel sterk beïnvloed, VBTB heeft echter niet geleid tot meer aandacht voor begrotingscontrole. Er wordt bij de begrotingsbehandeling te weinig aandacht besteed aan de kwaliteit van de doelstellingen. De jaarverslagen krijgen niet voldoende parlementaire aandacht.
De commissie acht het in eerste instantie bevreemdend dat de Kamer zo weinig gebruik maakt van de politieke mogelijkheden van VBTB. Een intensiever gebruik van de controlemogelijkheden die VBTB biedt, acht de commissie wenselijk.
Voor het beperkt gebruiken van deze mogelijkheden zijn tal van verklaringen denkbaar. Een deel ervan heeft te maken met de onvoldoende kwaliteit van de informatie in begrotingen en jaarverslagen. In het Algemeen Overleg dat de commissie zal hebben met de minister van Financiën, kan dit probleem worden besproken. Aandachtspunten hier zijn:
• Een verdere verbetering van de kwaliteit van de formulering van de doelstellingen in de begrotingen;
• Het beter op VBTB-leest schoeien van de suppletore begrotingen;
Een andere verklaring voor het geringe rendement van VBTB in de Kamer heeft betrekking op de cultuur van de Kamer, waarin controle – in de zin van controle achteraf – een weinig prominente plek inneemt. Met deze constatering staat de commissie voor de Rijksuitgaven niet alleen. Ook de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten stelt zich op dit standpunt. De commissie zal zich de komende tijd beraden op de wijze waarop zij een bijdrage kan leveren aan de oplossing van dit probleem. Op dit moment denkt zij in ieder geval aan het volgende.
• Als een eerste stap in de goede richting ziet de commissie de uitvoering van de motie Blok (29 540 nr. 105h) waarin wordt opgeroepen om de eerste donderdag na de derde woensdag in mei met het voltallige kabinet een verantwoordingsdebat te voeren.1
• Tevens wijst de commissie op de motie Douma (29 540 nr. 104) waarin de regering wordt verzocht met een beknopt publieksjaarverslag te komen.2 Hierdoor zal de publieke opinie uitdrukkelijker in het verantwoordingsproces worden betrokken, hetgeen een positieve invloed zal hebben op het karakter van de Kamerbehandeling van de jaarverslagen.
• Daarnaast is de commissie voornemens op grond van haar verantwoordelijkheden op grond van artikel 21a van het Reglement van Orde van de Kamer3 rond de derde woensdag in mei dit onderwerp uitdrukkelijk onder de aandacht van de leden te brengen
• Tot slot wijst de commissie op het nieuwe artikel 39a uit het Reglement van Orde (zie noot 5 van deze rapportage). Het daar geïntroduceerde begrotingsoverleg is in de ogen van de commissie een goed instrument om meer en beter dan voorheen in het debat tussen Kamer en Kabinet over de doelstellingen van het regeringsbeleid te spreken.
Hebben we bereikt wat we wilden bereiken? Hebben we daarvoor gedaan wat we wilden doen? Heeft dat gekost wat het zou kosten?
In de VBTB-evaluatie wordt dit overigens anders vertaald. Bij de begrotingen wordt uitsluitend het autorisatierecht van de Kamer genoemd.
Ook dit wijkt af van de uitgangspunten van de evaluatie. Bij de jaarverslagen benadrukt de regering hier de dechargeverlening en niet de controle.
Artikel 39a. Begrotingsoverleg 1. Elke commissie kan over de in haar handen gestelde begroting(en) een begrotingsoverleg houden. 2. Van het begrotingsoverleg wordt een stenografisch verslag gemaakt. 3. Tijdens een begrotingsoverleg kunnen moties worden ingediend. Artikel 66 is van overeenkomstige toepassing.
«... in het vervolg het debat met de regering over het Rijksjaarverslag in aanwezigheid van het voltallige kabinet dient plaats te vinden op de derde donderdag in mei en het debat met de ministers en staatssecretarissen over de respectieve departementale jaarverslagen in de week daaropvolgend op kamerdagen die geheel gewijd zullen zijn aan deze verantwoordingsdebatten».
«Verzoekt de regering met ingang van het beleidsverslag over het jaar 2004 een beknopt en toegankelijk publieksjaarverslag over de hoofdlijnen van het regeringsbeleid te maken en dat door middel van actieve voorlichting aan de burgers bekend te maken».
Artikel 21a, eerste lid, eerste en tweede volzin: «Er is een commissie voor de Rijksuitgaven. Zij is belast met de behandeling van aangelegenheden van rechtmatigheid en doelmatigheid van besteding van collectieve middelen, alsmede met de voorlichting, advisering en ondersteuning van de Kamer en de commissies bij de uitoefening van het budgetrecht en de financiële controle.»
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29949-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.