Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529912 nr. 7

29 912
Aanpassing van de Auteurswet 1912 ter implementatie van richtlijn nr. 2001/84/EG van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PbEG L 272)

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 16 maart 2005

ALGEMEEN

1. Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en vragen van de leden van de CDA- en VVD-fractie. Deze fracties stemmen in met de keuze van beperkte implementatie van de richtlijn.

2. Achtergronden van de invoering van het volgrecht

De leden van de CDA-fractie vroegen of deze regeling niet uitnodigt tot misbruik en fraude. Voorts vroegen zij of er geen gevaar bestaat dat kunsthandelaren onderling kunst gaan verhandelen als privé-persoon in plaats van in hun professionele functie om zo aan betaling van het volgrecht te ontkomen.

Het verschuldigde percentage volgrechtvergoeding zal doorgaans niet de moeite lonen van het treffen van ontduikingsconstructies. Op een verkoopbedrag van bijvoorbeeld € 4 000 bedraagt het verschuldigde volgrecht slechts € 160. De keuze van de richtlijn voor een degressief prijsstelsel (waarbij het verschuldigde percentage volgrechtvergoeding daalt naarmate de prijs van het kunstwerk stijgt) beoogt eraan bij te dragen dat het niet loont het volgrecht te ontduiken.

De privé-collectie van een professionele kunsthandelaar moet worden onderscheiden van de collectie die hij voor zijn beroep of bedrijf aanhoudt. De bedrijfsmatig aangehouden collectie maakt deel uit van zijn bedrijfsinventaris, en moet ook als zodanig worden geadministreerd. Niet alleen omdat dit van belang is voor de betaling van het volgrecht, maar ook ten behoeve van onder meer de BTW-administratie, overige boekhouding, verzekeringspremies, etc. De bedrijfsmatig aangehouden werken zullen doorgaans ook openbaar kenbaar zijn, doordat deze met het oog op de verkoop in galerieën tentoongesteld worden en opgenomen worden in advertenties in vakbladen, (veiling)catalogi, inventarislijsten op websites, etc. Beheersorganisaties die zich toeleggen op het collectief beheer van het volgrecht, maar ook individuele rechthebbenden, kunnen langs deze weg bijhouden welke werken ter verkoop worden aangeboden door professionele kunsthandelaren. Met een beroep op het inlichtingenrecht van artikel 43d kunnen vervolgens van de professionele kunsthandelaar alle inlichtingen verlangd worden die noodzakelijk zijn om de betaling van de volgrechtvergoeding veilig te stellen. Deze inlichtingen kunnen onder meer verkregen worden uit de bedrijfsboekhouding.

Ten slotte zij erop gewezen dat op grond van artikel 11 van de richtlijn de Europese Commissie uiterlijk op 1 januari 2009, en vervolgens om de vier jaar, verslag zal doen over de toepassing en de gevolgen van de richtlijn. Daarbij zal tevens aandacht moeten worden geschonken aan mogelijke misbruik- en fraudeconstructies met betrekking tot het volgrecht.

De leden van de CDA-fractie vroegen voorts hoe het verschuldigde volgrecht wordt berekend als twee originelen van kunstwerken tegen elkaar worden geruild, maar waarbij één van de twee partijen een bedrag bijbetaalt.

In dergelijke gevallen zal doorgaans sprake zijn van doorverkopen in de zin van de richtlijn, van twee afzonderlijke kunstwerken, omdat partijen feitelijk twee afzonderlijke transacties beogen. De vergoeding zal dan moeten worden berekend over de verkoopwaarde van de beide werken.

3. Het volgrecht in Nederland

De leden van de CDA-fractie vroegen of de vrees terecht is dat de introductie van het volgrecht in algemene zin ertoe leidt dat kunstkopers de professionele handelaren zullen mijden en liever onderhands of in het informele circuit hun zaken doen. Voorts vroegen zij hoe de geschetste ontwikkeling voorkomen kan worden.

Wanneer kunstwerken in een onderhands of informeel circuit worden verkocht, zal dat doorgaans tevens meebrengen dat BTW-verplichtingen worden ontdoken. Zou wel BTW worden afgedragen, dan zou immers eenvoudigweg via de fiscale administratie en overige boekhouding kunnen worden nagegaan dat kunstwerken zijn verkocht (vergelijk artikel 43d). Het is niet waarschijnlijk dat handelaren ook fiscale verplichtingen zullen ontduiken om een naar verhouding geringe volgrechtvergoeding te ontlopen, met als risico vervolging en bestraffing wegens BTW-fraude.

4. Collectief beheer

De leden van de CDA-fractie vroegen of de vrees terecht is dat het drempelbedrag van € 3 000 gevolgen heeft voor de prijsvaststelling in de kunstmarkt. Voorts vroegen zij waarop dit drempelbedrag gebaseerd is.

Bij verkopen via kunstveilingen zal voornamelijk het veilingmechanisme de prijs bepalen. Bij verkopen door galerieën kan een drempelbedrag in die zin effect hebben op de prijsvaststelling, dat verkopers zullen trachten de prijs van originelen van kunstwerken zoveel mogelijk onder het drempelbedrag te houden. De effecten daarvan zullen beperkt worden door de minimumprijs die galerieën uiteindelijk voor een kunstwerk willen ontvangen. Het instellen van het drempelbedrag heeft tot doel de goedkopere kunstwerken buiten het volgrecht te houden. Met het drempelbedrag van € 3 000 wordt gekozen voor de maximale drempel die de richtlijn toelaat. Dit bedrag is de uitkomst van onderhandelingen tussen lidstaten bij de totstandkoming van de richtlijn.

5. Bedrijfseffecten en (administratieve) lasten

De leden van de CDA-fractie vroegen of kan worden voorzien in een evaluatiebepaling, zodat over drie jaar kan worden beoordeeld wat het impact is geweest van dit wetsvoorstel.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de richtlijn moet de Europese Commissie uiterlijk binnen drie jaar na de uiterste implementatiedatum van de richtlijn een verslag uitbrengen over de toepassing en de gevolgen van de richtlijn. Daarbij moet de Commissie in het bijzonder aandacht schenken aan de concurrentiepositie van de markt van moderne en hedendaagse kunst in de Gemeenschap en de positie van de Gemeenschap ten opzichte van belangrijke markten die het volgrecht niet toepassen. De Commissie moet voorts onderzoeken wat de gevolgen van de richtlijn zijn voor de interne markt en de effecten van de invoering van het volgrecht in de lidstaten waar dit recht voor de inwerkingtreding van deze richtlijn niet werd toegepast. Omdat maatregelen tegen eventuele nadelige gevolgen van de richtlijn uitsluitend mogelijk en zinvol zijn in communautair verband, en de richtlijn zelf al voorziet in een evaluatiebepaling, is het niet noodzakelijk om in deze wet een evaluatiebepaling op te nemen.

6. Adviezen

De leden van de CDA-fractie vroegen of het risico dat een kunstenaar gegevens wil opvragen bij de kunsthandelaar, vóórdat deze zijn gegevens heeft gemeld bij een centraal informatiepunt, niet wordt weggenomen wanneer deze kunstenaar zich rechtstreeks tot de handelaar kan wenden.

Actal adviseerde het alternatief te overwegen om de kunsthandelaar ook te verplichten periodiek de verkoopgegevens van de relevante kunstvoorwerpen op één centraal punt te laten melden en de kunstenaars ook het recht te geven daar hun gegevens op te vragen. Het bezwaar dat ik hierin zie is dat een centraal informatiepunt alleen kan worden ingesteld náást (en dus nooit in plaats van) het recht van de rechthebbende om direct bij de betalingsplichtige informatie op te vragen. Betalingsplichtigen die opgave moeten doen aan het centrale informatiepunt, kunnen op grond van artikel 9 van de richtlijn (artikel 43d van het wetsvoorstel) nog altijd door individuele rechthebbenden bevraagd worden. Dat individuele verzoek kan worden gedaan zowel vóór als na het aanleveren van gegevens bij het centrale meldpunt. De richtlijn laat niet toe dat rechthebbenden dit recht op rechtstreekse informatie bij betalingsplichtigen wordt ontzegd. Het instellen van een centraal informatiepunt zou daarom alleen tot extra administratieve lasten leiden. Daarnaast heeft het instellen van een centraal informatiepunt als nadeel dat een uitvoeringsorganisatie zal moeten worden opgezet, waarmee de nodige kosten gemoeid zijn.

ARTIKELEN

Artikel I (artikel 43)

De leden van de CDA-fractie vroegen of onder originelen van kunstwerken ook objecten van design en haute-couture-mode vallen.

Onder originelen van kunstwerken kunnen ook objecten van design en haute-couture-mode vallen. Voor de toepassing van het volgrecht is vereist dat het gaat om werken van grafische of beeldende kunst, die door de maker zelf of in zijn opdracht in een beperkte oplage zijn vervaardigd. Het hangt van de omstandigheden af of in concrete, individuele gevallen wordt voldaan aan deze vereisten.

Voorts vroegen de leden van de CDA-fractie of het getal van de in beperkte oplage vervaardigde exemplaren van originelen van kunstwerken alsnog per kunstvorm kan worden gespecificeerd.

Zoals uit de door deze leden genoemde voorbeelden al blijkt, is een uitputtende opsomming van voorwerpen niet te geven. Het is dan ook niet wenselijk om oplages van exemplaren van werken per kunstvorm te specificeren. Een dergelijke specificatie zou bovendien op gespannen voet kunnen staan met de richtlijn, die in artikel 2, tweede lid, ook geen concrete oplagen noemt, maar spreekt over «in beperkte oplage».

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner