Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200529912 nr. 6

29 912
Aanpassing van de Auteurswet 1912 ter implementatie van richtlijn nr. 2001/84/EG van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PbEG L 272)

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 2 februari 2005

De vaste commissie voor Justitie1 belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Algemeen

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat de makers van originele kunstwerken evenveel bescherming moeten kunnen genieten als auteurs van werken van grafische of beeldende kunst. Genoemde leden constateren dat het volgrecht in de meeste andere lidstaten al geïmplementeerd is. Het is belangrijk dat dit ook in de andere lidstaten gebeurt, aangezien er nu sprake is van een ongewenste verstoring van de interne kunstmarkt en een ongelijke behandeling van kunstenaars in de verschillende lidstaten. Genoemde leden constateren met instemming dat gekozen is voor de meest beperkte implementatie van de richtlijn.

De leden van de fractie van de VVD hebben kennisgenomen van het thans voorliggende wetsvoorstel. Zij erkennen dat het wetsvoorstel voorziet in de (verplichte) implementatie van een Europese richtlijn. Zij stemmen ermee in dat de regering kiest voor de meest beperkte implementatie van de richtlijn. Regelgeving ten aanzien van het volgrecht op een oorspronkelijk kunstwerk dient ook volgens deze leden zo beperkt mogelijk te blijven. Met de toepassingsdrempel van 3000 euro en het vrijwillig collectief beheer van de rechten zullen de administratieve lasten naar verwachting tevens tot een minimum beperkt blijven, zo stelt de regering. Ook dit spreekt deze leden zeer aan.

2. Achtergronden van de invoering van het volgrecht

De leden van de CDA-fractie vrezen dat de huidige opzet van de regeling vatbaar is voor misbruik en ook fraudegevoelig is. Zij constateren dat het volgrecht niet voldaan hoeft te worden als kunstwerken worden verkocht door natuurlijke personen, noch als er sprake is van het ruilen van kunstwerken tussen professionele instellingen of als kunstwerken worden geschonken in plaats van verkocht. Genoemde leden vragen of deze regeling niet uitnodigt tot misbruik en fraude. Bestaat er geen gevaar dat kunsthandelaren onderling kunst gaan verhandelen als privé-persoon in plaats van in hun professionele functie om zo aan betaling van het volgrecht te ontkomen? Hoe wordt het verschuldigde volgrecht berekend als twee originele kunstwerken tegen elkaar geruild worden, maar waarbij één van de twee partijen een bedrag bijbetaalt? Wordt het percentage dat betaald dient te worden aan de maker berekend te worden over de totale waarde van het kunstwerk, of slechts over het bijgepaste bedrag?

3. Het volgrecht in Nederland

De leden van de CDA-fractie vrezen dat de introductie van het volgrecht in algemene zin ertoe leidt dat kunstkopers de professionele handelaars zullen mijden en liever onderhands of in het informele circuit hun zaken doen? In hun ogen zou dit nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de kunstsector. Is deze vrees terecht? Hoe kan de geschetste ontwikkeling voorkomen worden?

4. Collectief beheer

De leden van de CDA-fractie constateren dat het volgrecht pas in werking treedt bij kunstwerken die meer dan 3000 euro kosten? Zij vrezen dat dit drempelbedrag gevolgen heeft voor de prijsvaststelling in de kunstmarkt? Is deze vrees terecht? Waarop is dit drempelbedrag overigens gebaseerd?

5. Bedrijfseffecten en (administratieve) lasten

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat we de waarschuwingen vanuit de kunstsector dat dit wetsvoorstel nadelige gevolgen zal hebben voor de kunstmarkt serieus moeten nemen. Kan voorzien worden in een evaluatiebepaling, zodat we over drie jaar kunnen beoordelen wat het impact is geweest van dit wetsvoorstel?

6. Adviezen

De leden van de CDA-fractie constateren dat in artikel 43d een informatieverplichting is opgenomen die de administratieve lasten verzwaard. ACTAL adviseert het alternatief te overwegen om de kunsthandelaren te verplichten periodiek de verkoopgegevens van de relevante kunstvoorwerpen op één centraal punt te laten melden en de kunstenaars ook het recht te geven daar hun gegevens op te vragen. Uiteindelijk zal dit een efficiencywinst opleveren. De regering heeft dit voorstel niet overgenomen omdat hij bang is dat dan niet meer aan alle in de richtlijn gemelde verplichtingen voldaan kan worden. Het bezwaar van de regering ziet op het feit dat kunsthandelaren periodiek hun gegevens melden bij informatiepunt. Probleem kan ontstaat als de kunstenaar vóórdat de kunsthandelaar zijn gegevens heeft moeten melden, gegevens wil opvragen. Genoemde leden vragen of dit risico niet wordt weggenomen als deze kunstenaar zich rechtstreeks tot de handelaar kan wenden. Deze moet de recente gegevens in zijn boekhouding (zij het misschien in klad) beschikbaar hebben. Een groot bijkomstig voordeel van een dergelijk centraal informatiepunt is de waarde die een dergelijk database kan hebben met het oog op tegengaan van kunstroof.

Artikelen

Artikel I (artikel 43)

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het wetsvoorstel de mogelijkheid tot beroep op het volgrecht wordt beperkt tot oorspronkelijke kunstwerken. Hierbij wordt vermeld dat onder originele kunstwerken zogenaamde unieke kunstwerken worden verstaan. Kunnen objecten van design daar ook onder vallen? En haute-couture-mode? Unieke kunstwerken wil ook zeggen, originele werken, en dus geen reproducties. Tegelijkertijd wordt aangemerkt dat het volgrecht wel geldt als het om reproducties van beperkte oplage gaat. Om hoeveel exemplaren het hierbij gaat, zou in zijn algemeenheid niet kunnen worden aangegeven, omdat één en ander afhangt van de omstandigheden van het geval, en dan in het bijzonder de vraag om wat voor soort kunstwerk het gaat, wat bij betreffende kunstvorm gebruikelijk is en of de uitoefening van het volgrecht voor ieder afzonderlijk exemplaar in alle redelijkheid nog mogelijk is. Kan het getal van deze oplagesper kunstvorm wellicht alsnog worden gespecificeerd?

De voorzitter van de commissie,

De Pater-van der Meer

Adjunct-griffier van de commissie,

De Groot


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), Klaas de Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GroenLinks), Rouvoet (ChristenUnie), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (Groep Wilders), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA), Jan de Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Van der Laan (D66), Visser (VVD) en Azough (GroenLinks).

Plv. leden: Jonker (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Varela (LPF), Joldersma (CDA), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Örgü (VVD), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Karimi (GroenLinks), Vergeer (SP) en Hermans (LPF).