Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 januari 2026
Hierbij bied ik uw Kamer de Zesde Rapportage op basis van de Monitor Georganiseerde
Criminaliteit aan. Deze Zesde Rapportage draagt als titel: «Georganiseerde Criminaliteit
in Nederland: cocaïnesmokkel en liquidaties». Dit onderzoek is verricht door het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Datacentrum (WODC) in samenwerking met de Erasmus Universiteit Rotterdam
(EUR) en de Vrije Universiteit (VU).
De Monitor Georganiseerde Criminaliteit is een doorlopend onderzoeksproject dat tot
doel heeft de aard van georganiseerde criminaliteit en de ontwikkelingen daarin in
beeld te brengen.
Totstandkoming en bevindingen rapportage
In het kader van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit (hierna: de Monitor) zijn
vanaf 1996 over zes rondes in totaal 196 zaken via dezelfde systematiek geanalyseerd.
Hierbij is op verschillende vormen van georganiseerde criminaliteit ingezoomd. In
deze zesde ronde heeft het WODC zich gericht op cocaïnesmokkel en liquidaties. Voor
cocaïnesmokkel is gekeken welke ontwikkelingen binnen deze activiteit te zien zijn
in de afgelopen 25 jaar, op basis van nieuwe data en data uit eerdere monitorrondes.
Voor liquidaties kon een dergelijke vergelijking door de tijd heen niet worden gemaakt,
omdat liquidaties tot deze ronde van de monitor niet als afzonderlijk fenomeen waren
bestudeerd. De meest opvallende bevindingen van de onderzoekers zijn als volgt.
In de eerste plaats zien de onderzoekers op basis van dossiergegevens van de laatste
25 jaar een bepaalde mate van consistentie bij de plegers en het plegen van delicten
die relateren aan georganiseerde criminaliteit. Zo lijkt de structuur van de samenwerkingsverbanden
door de tijd heen niet wezenlijk veranderd, evenals het aantal verdachten dat per
zaak centraal staat. In alle monitorrondes zijn fluïde criminele netwerken terug te
zien.
Tegelijkertijd geeft het onderzoek ook zicht op enkele veranderingen. Alhoewel sommige
smokkelmethoden door de tijd heen een zekere continuïteit kennen, springt in het oog
dat rondom een aantal «klassieke» modi operandi sprake is van nieuwe uitvoeringen.
Uit het onderzoek blijkt dat een wisselwerking bestaat tussen opsporingsdiensten en
criminele samenwerkingsverbanden, in de vorm van aanpassingen over en weer aan elkaars
werkwijze. De onderzoekers nodigen uit tot reflectie op de negatieve gevolgen die
kunnen ontstaan door veranderende modi operandi van criminelen en de reactie van opsporingsdiensten
daarop, waaronder verplaatsingseffecten.
Verschillen zijn er ook wanneer wordt gekeken naar de criminele levenspaden. De analyses
van de criminele levenslopen van verdachten laten een duidelijke afname zien van het
percentage verdachten dat geregistreerde delicten heeft voordat zij worden verdacht
van het misdrijf waarmee zij bij de Monitor in beeld kwamen (het zogeheten «indexdelict»).
Hoe recenter het onderzochte tijdvak, hoe vaker de onderzoekers zien dat verdachten
geen eerdere justitiecontacten hebben. Van deze verdachten is geen groeipad van kleine
criminaliteit naar zware misdaad zichtbaar; zij lijken «uit het niets» de georganiseerde
criminaliteit in te rollen.
Verder merken de onderzoekers op dat inzage in het versleutelde berichtenverkeer (pgp-berichten)
in grote mate heeft bijgedragen aan de opsporing van de bestudeerde criminele activiteiten.
Zij stellen de vraag hoelang die informatierijkdom nog gaat duren, omdat deze bron
van informatie kan opdrogen of achterhaald raken. Tot slot merken de onderzoekers
op dat relatief weinig (bekennend) wordt verklaard door personen lager in de hiërarchie
van een organisatie. Deze bevinding achten zij relevant voor de toepassing van de
nieuwe kroongetuigenregeling.
Implicaties voor beleid
De Rapportage verdiept de kennis van cocaïnesmokkel en liquidaties, en vormt daarom
een «must read» voor professionals die betrokken zijn bij de aanpak van deze vormen
van zware georganiseerde criminaliteit. Daarnaast biedt de Rapportage ook handvatten
voor de ontwikkeling van het beleid voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde
criminaliteit.
De komende periode worden de uitkomsten van het onderzoek met relevante partnerorganisaties
gezamenlijk verkend. Uw Kamer wordt hierover vóór de zomer van 2026 nader geïnformeerd.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten