Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202029911 nr. 272

29 911 Bestrijding georganiseerde criminaliteit

Nr. 272 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 februari 2020

In het kader van de aanpak van ondermijning heeft uw Kamer gevraagd naar de mogelijkheden van binnengemeentelijke informatiedeling. Ik heb uw Kamer in het plenair debat Drugs (11 september jl., Handelingen II 2019/20, nr. 107, items 6 en 9) toegezegd die mogelijkheden in kaart te brengen en het daaruit voortvloeiende modelinformatieprotocol aan uw Kamer te zenden1 (zie ook mijn brief van 25 november 20192). Hierbij doe ik aan die toezegging gestand.

Het protocol is opgesteld in opdracht van het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO) en besproken in een klankbordgroep waarin gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) hebben deelgenomen. Zowel de VNG als de AP hebben aangegeven waardering te hebben voor het modelinformatieprotocol en zien dit als belangrijke stap die meer duidelijkheid schept op het gebied van informatiedeling.

Met het modelinformatieprotocol is een belangrijke stap gezet. Het is een vervolg op de voorlichting van de Raad van State over de rol van gemeenten in de bestuurlijke en integrale aanpak van ondermijning3. In het protocol wordt aan de hand van een stappenplan een transparante werkwijze voor gemeenten uitgewerkt. Daarvoor is een heldere juridische analyse opgesteld over de mogelijkheden tot verdere verwerking van gegevens binnen een gemeente.

Het modelinformatieprotocol

Het modelinformatieprotocol maakt inzichtelijk op welke wijze de informatiedeling binnen een gemeente kan worden ingericht. Het beschrijft aan de hand van een stappenplan welke mogelijkheden gemeenten hebben om op dat op een rechtmatige manier te doen, waarbij rekening wordt gehouden met de grenzen van bestaande wetgeving om informatie binnengemeentelijk te kunnen delen. Bij iedere stap van het beschreven proces moet een concrete afweging worden gemaakt of bepaalde persoonsinformatie in een voorliggend geval mag worden verstrekt. Dit vloeit voort uit de geldende wetgeving in samenhang met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en waarborgt het op een transparante en zorgvuldige wijze omgaan met persoonsgegevens. Bij het opstellen van het modelinformatieprotocol is in kaart gebracht welke (sectorale) wetten een basis bieden voor het verder verwerken van gegevens die onder sectorale wetgeving is verkregen.

Uit de juridische analyse blijkt dat signalen die de gemeente ontvangt in veel gevallen kunnen worden doorgeleid naar een of meer gemeentelijke diensten, zodat het bevoegde bestuursorgaan een passend besluit kan nemen. Uit die analyse blijkt evenwel ook dat een aantal wetten een zodanige geheimhoudingsverplichting bevat, dat informatie die krachtens die wet is verkregen, niet voor andere doeleinden kan worden benut. Ik merk op dat ook wanneer deze sectorale geheimhoudingsbepalingen gewijzigd zouden worden, voldaan moet worden aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Vervolg

De komende tijd worden bijeenkomsten in het land georganiseerd om het modelprotocol aan gemeenten toe te lichten. Dat biedt gemeenten tevens de mogelijkheid om concrete casuïstiek te bespreken, waardoor additionele voorbeelden en knelpunten kunnen worden opgehaald die als versteviging kunnen worden toegevoegd aan het modelprotocol. Daarmee geef ik ook uitvoering aan de motie van het lid Voordewind (ChristenUnie) om te inventariseren waar gemeenten onder meer bij informatiedeling nog knelpunten ervaren4. Ik zal bezien op welke wijze dit document zo goed mogelijk kan worden «onderhouden» en daarmee een levend document blijft.

In mijn brief van 25 november jl. heb ik aangegeven dat wanneer in de praktijk ervaren knelpunten niet weggenomen kunnen worden met het modelprotocol, ik zal bezien welke andere oplossingen mogelijk zijn. Daarbij kan ook wijziging van sectorale wetgeving aan de orde zijn. In dat verband zal ik tezamen met de daarvoor verantwoordelijke bewindspersonen bezien hoe binnen een gemeente beschikbare gegevens zo goed mogelijk kunnen bijdragen aan het tegengaan van ondermijning. Uw Kamer wordt hierover nader geïnformeerd.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Kamerstuk 29 911, nr. 259.

X Noot
3

Kamerstuk 29 911, nr. 244.

X Noot
4

Kamerstuk 24 077, nr. 444.