B
nr. 2
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 16 augustus
2004 en het nader rapport d.d. 3 november 2004, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de staatssecretaris van
Financiën. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 8 juli 2004, no. 04.002716, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris
van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt
het derde aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van 16 juni 1959 tussen
het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden
van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van
het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen
van andere aangelegenheden op belastinggebied; Kerkrade, 4 juni 2004,
met toelichtende nota.
De Raad van State kan zich vinden in de strekking van het protocol, maar
maakt daarbij de volgende kanttekeningen.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 8 juli
2004, no. 04.002716, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde Protocol rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit
advies, gedateerd 16 augustus 2004, nr. W06.04.0324/IV, bied ik U hierbij
aan.
1. Het protocol heeft onder meer betrekking op enkele aspecten van de
belastingheffing van ondernemingen die gevestigd zijn op een grensoverschrijdend
bedrijventerrein. De problemen die bedrijven tegenkomen indien zij zich vestigen
op een grensoverschrijdend bedrijventerrein, zijn in kaart gebracht door de
werkgroep «Grensoverschrijdende samenwerking regio Limburg», en
voor zover het de fiscale problematiek betreft uitgewerkt door de werkgroep
«Ondernemen in de grensstreek». Laatstgenoemde werkgroep heeft
op 14 november 1998 rapport uitgebracht. De Ministerraad heeft de aanbevelingen
van beide werkgroepen overgenomen.1
Het protocol heeft betrekking op de uitwerking van vier van de tien aanbevelingen,
die de laatstgenoemde werkgroep heeft gedaan:
– de opneming in het verdrag van een «kapstokbepaling»
op basis waarvan bijzondere regelingen voor grensoverschrijdende bedrijventerreinen
kunnen worden getroffen (aanbeveling 9; opgenomen in artikel 1 van het protocol);
– de invoering van een vaste-inrichtingsmodel waarbij een ondernemer
die zich op een grensoverschrijdend bedrijventerrein in het andere land vestigt,
in eigen land belast blijft (aanbeveling 1; opgenomen in artikel 3 van het
protocol);
– voor ondernemingen die op de grens zijn gelegen, zou een vaste
regel met betrekking tot de vestigingsplaats moeten worden gehanteerd (aanbeveling
5; opgenomen in artikelen 2 en 7 van het protocol);
– het heffen van belastingen en premies van grensarbeiders zou in
één staat moeten plaatsvinden (aanbeveling 10; opgenomen in
artikel 4 van het protocol).
Met deze uitwerking zijn nog lang niet alle fiscale problemen die de vestiging
op een grensoverschrijdend bedrijventerrein oproept, opgelost. In het bijzonder
wijst de Raad op de omzetbelastingheffing, indien de landsgrens door de onderneming
loopt, en op de bepaling van de werkstaat voor de premieheffing (en daarmee
voor de loonbelastingheffing), indien de landsgrens door het kantoor (de zetel
van de onderneming) loopt, dan wel sprake is van een vaste inrichting op het
gebied van de andere staat.
De Raad adviseert in de toelichtende nota op dezelfde systematische wijze
als in de voortgangsrapportages inzake de aanbevelingen uit het rapport «Ondernemingen
in de grensstreek» is gebeurd (Kamerstukken II 2000/01, 26 670,
nr. 5) inzicht te geven in de uitwerking die tot op heden aan de aanbevelingen
gegeven is en in te gaan op de hiervoor aangegeven (uitvoerings)problemen.
1. Conform het advies van de Raad is in de toelichting ingegaan op de
overige aanbevelingen van het rapport «Ondernemingen in de grensstreek».
2. In artikel 1 van het protocol is een omschrijving gegeven van het begrip
«grensoverschrijdend bedrijventerrein». Voor de toepassing van
de bepalingen die op grensoverschrijdende terreinen van toepassing zijn, is
een aanwijzing van het bedrijventerrein als zodanig nodig. Deze regeling kan
ongelijkheid van fiscale behandeling tussen verschillende bedrijventerreinen
waar de landsgrens doorheen loopt, oproepen. De regeling wordt daardoor kwetsbaar,
ook uit een oogpunt van (verkapte) staatssteun, indien door de aanwijzing
uiteindelijk een fiscaal voordelige positie voor de bedrijven op de aangewezen
terreinen zou ontstaan.
De Raad adviseert in de toelichtende nota aandacht aan deze aspecten te
geven.
2. De toelichting bij artikel 1 is op het punt van de aanwijzing van bedrijventerreinen
ingevolge het advies uitgebreid.
3. In artikel 6 van het protocol is een nieuwe regeling inzake boekenonderzoeken
opgenomen. In het in te voegen artikel 22a, derde lid, van het verdrag wordt
bepaald dat de rechts- en procedurevoorschriften van de Staat die het onderzoek
uitvoert van toepassing zijn. In de toelichtende nota wordt niet ingegaan
op de reikwijdte van deze bepaling, bijvoorbeeld voor het geval dat deze voorschriften
dwangmaatregelen mogelijk maken om inlichtingen te verkrijgen.
De Raad adviseert de grenzen van deze bepaling nader te schetsen mede –
spiegelbeeldig – aan de hand van de bevoegdheden die de fiscale inlichtingen-
en opsporingsdienst in Nederland heeft.
3. De toelichting bij artikel 6 is op het punt van dwangmiddelen conform
het advies van de Raad aangevuld.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Protocol
wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U mede namens de Staatssecretaris van Financiën, verzoeken
mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het Protocol vergezeld
van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te
leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
B. R. Bot