29 874 (R1777)
Goedkeuring en uitvoering van de op 17 december 1991 te München tot stand gekomen Akte tot herziening van artikel 63 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 (Trb. 1992, 47), het op 1 juni 2000 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake octrooirecht (Trb. 2001, 120), het op 17 oktober 2000 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake de toepassing van artikel 65 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973 (Trb. 2001, 21) en de op 29 november 2000 te München tot stand gekomen Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Trb. 2002, 64)

nr. 10
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 29 juni 2005

Algemeen

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het nader verslag van de vaste commissie voor Economische Zaken. Ik constateer dat de vragen die door de leden van diverse fracties aan mij zijn gesteld, samenhangen met het Vertalingenprotocol. Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken ga ik hieronder graag in op deze vragen.

Vertalingenprotocol

De leden van de CDA-fractie wilden graag een toelichting op de vraag of MKB-Nederland het voorstel in zijn geheel steunt of toch vraagtekens plaatst bij enkele aspecten van het Vertalingenprotocol. Met een gezamenlijke brief hebben VNO-NCW, MKB-Nederland en de Nederlandse Orde van Uitvinders (NOVU) medio december 2004 duidelijke steun uitgesproken voor het wetsvoorstel als geheel, inclusief het Vertalingenprotocol. Bij deze brief vroegen deze drie partijen zelfs verder te gaan met de implementatie van dit Vertalingenprotocol door ook de vertaling van Engelstalige conclusies niet langer te eisen. Uit de media zou kunnen worden opgemaakt dat MKB-Nederland nu andere gedachten heeft. VNO-NCW (dat naast het grote bedrijfsleven ook 80% van het MKB vertegenwoordigt) en de NOVU hebben u nog recentelijk een brief gestuurd waarin zij hun eerdere standpunt bevestigen. Het verzoek van de vertegenwoordigers van vrijwel het gehele Nederlandse bedrijfsleven was voor mij aanleiding om bij nota van wijziging voor te stellen de vertaaleis van Engelstalige conclusies alsnog te schrappen. Met het schrappen van deze eis is bovendien een extra reductie aan administratieve lasten gemoeid van ruim € 2 000 000 die volledig ten goede komt aan de gebruikers van het octrooisysteem. In dit verband merk ik nog op dat mijns inziens het voorhanden hebben van octrooiconclusies in het Nederlands slechts zeer beperkt nuttig is. Een ondernemer uit het midden- en kleinbedrijf die wil weten of een bepaald product geen inbreuk maakt op andermans octrooirecht zal met het oog op mogelijke exportkansen al snel verder kijken dan alleen naar de in Nederland geldende octrooien. Dat betekent dat hij vrijwel altijd Engelstalige octrooien zal doorzoeken (vaak laten doorzoeken door specialisten, octrooigemachtigden, die ook vooral in het Engels werken), omdat het leeuwendeel van de gepubliceerde octrooien nu eenmaal in het Engels is gesteld. Hij zal er bovendien verstandig aan doen om ook nog relevante Europese aanvragen te bekijken. Die aanvragen zijn per definitie nog niet in een andere taal dan een proceduretaal van het Europees Octrooibureau (Duits, Engels, Frans) beschikbaar. Kortom, ik ben dan ook van oordeel dat het (ook) voor een ondernemer uit het midden- en kleinbedrijf nauwelijks iets uit zal maken als de vertaaleis van de conclusies wordt geschrapt, omdat hij weet dat het in «octrooiland» van wezenlijk belang is om het Engels, zeker in geschrift, in voldoende mate te beheersen.

De leden van de VVD-fractie vroegen naar een uitgebreidere onderbouwing van de conclusie dat buitenlandse octrooihouders niet substantieel meer Europese octrooien in Nederland geldig zullen maken indien het Vertalingenprotocol wordt aangenomen. Vanzelfsprekend heeft mijn nota van wijziging deze conclusie veranderd. Immers, door niet langer te eisen dat conclusies vertaald worden, worden Engelstalige octrooien automatisch geldig in Nederland. Pas bij de definitieve betalingsmogelijkheid voor instandhouding van het octrooi, uiterlijk 18 maanden na verlening, zal duidelijk worden of de betreffende octrooihouder zijn octrooi in stand wil houden in Nederland. Overigens worden nu al in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk Engelstalige octrooien automatisch geldig, in Duitsland Duitstalige octrooien, en in België Franstalige octrooien. Na inwerkingtreding van het Vertalingenprotocol worden in de Protocollanden met als landstaal een officiële taal van het Europees Octrooibureau – zoals hiervoor gezegd Duits, Engels en Frans – alle verleende octrooien automatisch geldig.

Hoe en in welke mate levert bekrachtiging van het Vertalingenprotocol een bijdrage aan het spoedig tot stand komen van het Gemeenschapsoctrooi alsmede aan de doelstelling te komen tot harmonisatie in de regelgeving over het octrooirecht, zo vroegen de leden van de VVD-fractie. De leden van de PvdA-fractie wilden weten of het niet beter zou zijn als Nederland het Vertalingenprotocol niet ratificeert, maar zich hard maakt voor het in werking treden van het Gemeenschapsoctrooiverdrag. Een minder belastend, goedkoper taalregime voor octrooigebruikers is de doelstelling van zowel het Protocol als het Gemeenschapsoctrooi. Er is tussen deze twee geen formele relatie. Het Vertalingenprotocol is een intergouvernementeel product van versterkte samenwerking tussen een kopgroep van landen die lid zijn van het Europees Octrooiverdrag (EOV). Het Gemeenschapsoctrooi moet een supranationaal instrument worden dat geldt in de 25 EU-landen. Soms wordt er een «politieke relatie» gelegd, inhoudende dat het werken aan verbetering van het EOV-systeem de animo voor het Gemeenschapsoctrooi geen goed zou doen. Het is naar mijn mening echter wenselijk om zowel het EOV-systeem te verbeteren als te streven naar een Gemeenschapsoctrooi. Op de korte termijn lijkt alleen het Vertalingenprotocol haalbaar. Ook als het Gemeenschapsoctrooi van de grond komt, zal er overigens nog vraag zijn naar «gewone» Europese octrooien die dus niet direct de gehele Gemeenschap bestrijken. Die octrooien zullen interessant (ofwel goedkoper) blijven voor aanvragers die bijvoorbeeld slechts in vijf of zes landen een octrooi willen. De verwachting is dat ongeveer 50% van de verleende octrooien«gewone» Europese octrooien zullen zijn en dus 50% Gemeenschapsoctrooien. Beide systemen zullen derhalve naast elkaar bestaan en moeten beide zo goed en goedkoop mogelijk worden ingericht. De totstandkoming van het Vertalingenprotocol staat wat Nederland betreft dan ook los van de totstandbrenging van het Gemeenschapsoctrooi. Het Vertalingenprotocol op zich is een nuttige bijdrage aan verdere convergentie van de octrooiwetgeving in Europa. Inwerkingtreding ervan zou erop kunnen wijzen dat de betrokken (ook grotere) landen kennelijk bereid zijn taalpolitieke problemen uit de weg te ruimen. Die houding zou positief kunnen uitpakken voor de totstandbrenging van het Gemeenschapsoctrooi. Nederland steunt dus zowel de verbetering van het EOV-systeem met behulp van het Vertalingenprotocol als de totstandkoming van een Gemeenschapsoctrooi.

De leden van de VVD-fractie vroegen of het technisch gezien mogelijk is om het verdrag alleen te laten gelden voor de landen die het hebben getekend. De leden van de PvdA-fractie wilden weten of Nederland vertalingen in het Nederlands kan eisen van alle landen die het Protocol niet hebben ondertekend. Het antwoord hierop luidt ontkennend, echter niet zozeer vanwege het Protocol zelf als wel vanwege andere verdragen die op deze materie van toepassing zijn. Het treffen van discriminatoire maatregelen is namelijk in het licht van het TRIPs-verdrag (Agreement on Trade Related aspects of Intellectual Property rights), een bijlage bij het WTO-verdrag), het Unieverdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (Trb. 1969, 144 en Trb. 1970, 187) en het toepasselijke EG-recht geen reële optie. Noch het Unieverdrag van Parijs, noch het TRIPs Verdrag staat toe dat onderdanen van andere verdragspartijen een mindere bescherming met betrekking tot de industriële en intellectuele eigendom genieten dan de eigen onderdanen. Een (formele) noot bij het TRIPs Verdrag geeft nog eens uitdrukkelijk aan dat het begrip «bescherming» alle aangelegenheden omvat die van invloed zijn op het bestaan, deverwerving, reikwijdte, instandhouding en handhaving van rechten uit hoofde van de intellectuele eigendom. Deze twee verdragen omvatten alle landen waar octrooien enige rol van betekenis spelen. Bovendien is een aantal lidstaten van de EU partij bij het Protocol. Het nog alleen aan de niet-Protocollanden opleggen van de vertalingsplicht, het (potentiële) effect dat hiervan uitgaat op aanvragers om in de Protocollanden al dan niet een octrooi te willen en dus op hun mogelijkheid om (geoctrooieerde) goederen vrij te verhandelen, leveren een potentiële handelsbelemmering op die valt onder het verbod van artikel 28 van het EG-verdrag en die uit dien hoofde daarmee strijdig is. De invloed van het EG-Verdrag op de materie geldt dus ook op het treffen van overeenkomstige beperkingen in het kader van het EOV. Dat betekent dat ook een lidstaat van de EU die geen partij is bij het Protocol en dus geen afstand heeft gedaan van het in artikel 65, eerste lid, van het EOV neergelegde recht om een vertaling in de eigen taal te eisen – de leden van de VVD-fractie noemen in dit verband Spanje – zich moet houden aan de spelregels van het EG-Verdrag en dus geen onderscheid mag maken naar de herkomst van de octrooihouder. Het bovenstaande betekent dat het maken van onderscheid, waarnaar de fracties van de VVD en de PvdA vroegen, per saldo in alle mogelijke gevallen in strijd komt met één of meer van de genoemde verdragen. Uit navraag bij een aantal andere Protocollanden (Denemarken, Luxemburg, Slovenië, Verenigd Koninkrijk, IJsland, Zweden en Zwitserland) is mij overigens gebleken dat deze Protocollanden zeker geen discriminatie naar nationaliteit opnemen in hun nationale implementatiewetgeving. Ook mij lijkt die aanpak in het licht van het bovenstaande het verstandigst.

De leden van de VVD-fractie stelden enkele vragen over instandhoudings-taksen. Onder meer met welke mogelijke verlaging van de instandhoudingstaksen een besparing gelijk aan de hoogte van 50 procent van de vertaalkosten zou kunnen worden gerealiseerd. Anders dan bij het opstellen van het wetsvoorstel beschik ik nu over de cijfers van 2004. De totale vertaalkosten in 2004 voor indiening van een octrooi in Nederland worden geschat op ongeveer € 16 400 000 (gemiddelde vertaalkosten per octrooi € 1 000, totaal aantal ingediende vertalingen is 16 400). Van dit totaal zijn er bijna 10 500 Engelstalige octrooien. Door deze octrooien ook vrij te stellen van vertaling van de conclusies zijn de vertaalkosten voor deze octrooien € 0 geworden. Dat betekent een administratieve lastenreductie van jaarlijks bijna € 10 500 000. Van de Franstalige en Duitstalige octrooien moet nog wel een vertaling worden ingediend, maar door afschaffing van de waarmerkingseis worden de totale kosten daarvan met jaarlijks ongeveer € 300 000 verminderd. Totale reductie aan administratieve lasten is dan op jaarbasis € 10 800 000. Dat is een verlaging van 65%. In 2004 zijn er overigens 850 vertalingen ingediend door Nederlandse bedrijven of personen. Bijna allemaal waren dat vertalingen van Engelstalige octrooien, namelijk 806. Dat betekent dat van de totale reductie van € 10 800 000 direct bij Nederlandse bedrijven ongeveer € 800 000 (806 maal vertaalkosten € 1 000) terecht komt. Tegelijkertijd mag niet worden vergeten dat het Nederlandse bedrijfsleven een nog groter voordeel heeft van het Vertalingenprotocol door de kostenverlaging in de andere Protocollanden. Indien de Engelstalige conclusies wel zouden moeten worden vertaald, wordt de totale nationale reductie aan administratieve lasten op jaarbasis ruim € 2 000 000 minder (tussen € 200 en € 300 per octrooi om Engelstalige conclusies in het Nederlands te vertalen). Dan wordt de reductie jaarlijks ongeveer € 8 000 000.

Om een reductie van € 8 000 000 à € 10 000 000 op jaarbasis te behalen door verlaging van de instandhoudingstaksen zou een gemiddelde verlaging van deze taksen van ongeveer 35 à 40% nodig zijn. Nu is de totale opbrengst aan instandhoudingstaksen ongeveer € 25 000 000. Bij deze rekensom moet overigens bedacht worden dat vertaalkosten en instandhoudingstaksen twee totaal verschillende kostenposten zijn binnen het octrooisysteem. Vertaalkosten vallen evenals indieningstaksen en kosten voor nieuwheidsonderzoek onder de noemer van drempelkosten. Ik streef ernaar om de drempel voor het aanvragen van octrooien laag te houden. Aanpassing van de instandhoudingstaksen past dan ook niet in dat streven. Aanpassing van de indieningstaksen of taksen voor nieuwheidsonderzoek zou dan meer in de rede liggen. Overigens dient bedacht te worden dat het reduceren van de vertaalkosten betekent dat octrooihouders minder kosten hebben en octrooigemachtigden en vertalers hebben minder opbrengst. Kortom, het voordeel van het opheffen van een m.i. overbodige last komt terecht bij alle octrooihouders. Bij een octrooi vindt een ruil plaats tussen de octrooihouder en de maatschappij. Een octrooihouder maakt zijn vinding openbaar en krijgt in ruil daarvoor een tijdelijk recht om met uitsluiting van een ieder zijn vinding te exploiteren. De maatschappij krijgt inzicht in de vinding en iedereen mag deze vrij gebruiken vanaf het moment dat het octrooi niet langer in stand wordt gehouden. Instandhoudingstaksen zijn bedoeld om enerzijds de maatschappij ook een financiële vergoeding te geven in ruil voor het exploitatiemonopolie dat de octrooihouder krijgt en anderzijds de octrooihouder te prikkelen elk jaar goed te overwegen of hij zijn octrooi nog wel in stand wil houden. Het tariefstelsel voor instandhouding van octrooien is progressief: de octrooihouder betaalt meer naarmate hij het octrooi langer instandhoudt. Hiermee wordt enerzijds beoogd de octrooihouder jaarlijks een sterkere prikkel te geven om te bezien of het octrooi de taksen nog wel waard is en anderzijds de maatschappij meer vergoeding te geven naarmate het tijdelijke monopolie langer in stand wordt gehouden. De instandhoudingstaksen in Nederland zijn ten opzichte van de andere lidstaten hoog. Gemeten over de eerste tien jaar is Nederland de duurste van alle landen. Gemeten over 20 jaar heeft Nederland op twee landen (Duitsland en Oostenrijk) na de hoogste instandhoudingstaksen.

De leden van de PvdA-fractie vroegen waarom Nederland het enige land in Europa is dat de eis tot vertaling van de conclusies laat vervallen? Mijn reden om dit bij nota van wijziging voor te stellen is – zoals ik hiervoor al heb gezegd – gebaseerd op het feit dat dit de wens was van de belangenorganisaties van vrijwel het gehele Nederlandse bedrijfsleven. Bovendien is deze eis tot vertaling van de conclusies naar mijn mening een overbodige administratieve last. Het ziet er vooralsnog naar uit dat Nederland het enige land is dat de eis tot vertaling van de conclusies schrapt. Dat heeft kennelijk te maken met het feit dat in Nederland door zowel bedrijfsleven als overheid meer gestreefd wordt naar reductie van administratieve lasten dan in andere landen. In die andere landen prevaleert vermoedelijk de kenbaarheid van octrooiconclusies in eigen taal.

Voorts wilden deze leden onder meer weten wat de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven zijn wanneer men uitgaat van een toename van het aantal in Nederland geldend gemaakte octrooien van buitenlandse octrooihouders van 18 000 per jaar nu tot bijvoorbeeld 38 000 per jaar en wat de ondertekening van het Vertalingenprotocol voor de innovatie in Nederland betekent. Na inwerkingtreding van het Vertalingenprotocol zullen alle door het Europees Octrooibureau verleende, Engelstalige octrooien automatisch geldig zijn in Nederland. Naar verwachting zal een groot gedeelte hiervan slechts gedurende een beperkte periode van kracht zijn, namelijk tot het moment van betaling van de eerste instandhoudingstaks. De gevolgen hiervan voor het Nederlandse innovatieklimaat zijn niet éénduidig. In abstracto gaat van het bestaan van veel octrooien een potentieel beperkend effect uit, maar in de praktijk merkt men er waarschijnlijk weinig tot niets van. Zo worden in Ierland alle Engelstalige octrooien nu al automatisch geldig en de Ierse economie draait als één van de beste van Europa. In Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk worden al vrijwel alle verleende octrooien geldig gemaakt. Het MKB in die landen is niet bezweken onder deze octrooirechten. Nederlandse ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf die in die landen actief zijn, moeten dus nu ook al rekening houden met alle Europese octrooien. Voor hen verandert er dus niets door inwerkingtreding van het Vertalingenprotocol. Veel octrooien kunnen aan de andere kant ook een extra stimulans zijn om nog creatiever en innovatiever te worden. Zoals ik hiervoor al naar voren heb gebracht, zullen na de inwerkingtreding van het Vertalingenprotocol in de Protocollanden met als landstaal een officiële taal van het Europees Octrooibureau – dus het Duits, Engels en Frans – alle verleende octrooien automatisch geldig worden.

Ik denk dat de innovatie niet minder zal worden in Nederland, maar juist sterker en competitiever. Het aanzienlijke kostenvoordeel van het Nederlandse bedrijfsleven hier en in de andere Protocollanden draagt daar mijns inziens aan bij. De verwachting is dat andere EOV-landen zich op termijn zullen aansluiten bij het Vertalingenprotocol, omdat het niet onwaarschijnlijk is dat het bedrijfsleven in die landen ook graag in eigen land hun administratieve lasten omlaag willen brengen en daarom vermoedelijk de druk op hun nationale regeringen zullen opvoeren om het Vertalingenprotocol te ratificeren. Onder de landen die het Protocol ondertekend hebben bevinden zich reeds de grootste octrooilanden van Europa: Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk en ook Nederland en Zwitserland. Nederland hoort in aantallen aangevraagde en verleende octrooien bij de top van Europa. In 2003 stond Nederland, na Duitsland en Frankrijk, op de derde plaats in aantallen aanvragen, maar direct voor het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. In aantallen verleende octrooien stond Nederland op de zesde plaats dat jaar. Kortom, de grote octrooilanden doen reeds mee. Vergelijkt men Nederland bijvoorbeeld met Spanje voor het jaar 2003, dan blijkt Nederland dat jaar tienmaal meer octrooien te hebben aangevraagd bij het EOB dan Spanje. Indien Nederland toch wil overwegen het Vertalingenprotocol te ratificeren kan Nederland de bekrachtiging dan niet afhankelijk maken van ondertekening door een aantal andere grotere EOV-landen, zoals Spanje, Italië, België, Oostenrijk, Polen en Finland, zo vroegen de leden van de PvdA-fractie. Nederland zou dat kunnen doen, maar dat is zeker niet gewenst. Zoals gezegd, de grote octrooilanden, namelijk Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en Zwitserland, doen nu al mee. Het Vertalingenprotocol treedt pas in werking als acht landen waaronder Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk het hebben geratificeerd. Bovendien wordt het grootste deel van de octrooien die men geldig wil maken in EOV-landen geldig in landen die aangesloten zijn bij het Vertalingenprotocol. Het is naar mijn mening dan ook nodig noch verstandig om te wachten op andere landen.

Voor mijn reactie op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of Nederland vertalingen kan eisen van alle landen die het Protocol niet hebben ondertekend, moge ik verwijzen naar mijn antwoord op een overeenkomstige vraag van de leden van de fractie van de VVD.

De leden van de fractie van de SP stelde de vraag hoeveel Europese octrooien er in Europa jaarlijks worden aangevraagd en hoeveel daarvan in de Engelse taal zijn gesteld. In 2004 zijn ruim 123 000 aanvragen ingediend bij het Europees Octrooibureau; ervaringsgewijs is ongeveer tweederde van deze aanvragen in het Engels gesteld. In 2004 werden er 16 403 vertalingen ingediend bij ons nationale octrooibureau. Daarvan waren er 850 afkomstig van Nederlandse aanvragers.

Voorts vroegen deze leden of de drempel voor buitenlandse octrooihouders om octrooien in Nederland geldig te maken wordt verlaagd en wat de eventuele gevolgen voor de Nederlandse concurrentiepositie zijn als het aantal geldige octrooien in Nederland veel sterker toeneemt dan in landen die het protocol niet hebben ondertekend. Als, zoals verwacht, niet direct alle verdragslanden van het Europees Octrooiverdrag zich zullen aansluiten bij het Vertalingenprotocol, zal het geldig maken van een octrooi in Nederland en in de andere bij het Vertalingenprotocol aangesloten landen voor iedereen goedkoper worden, terwijl die kosten in de niet-aangesloten landen gelijk blijven. Mijn verwachting is echter dat het effect van dit verschil gering zal zijn. Hierbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat – zoals gezegd – in elk geval de drie (in aantallen octrooien) grootste landen (te weten Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk) moeten toetreden om het Vertalingenprotocol in werking te laten treden. Dat betekent dat het grootste deel van de octrooien die men geldig wil maken in EOV-landen, geldig wordt in landen die aangesloten zijn bij het Vertalingenprotocol. Ook daardoor is het effect op de Nederlandse concurrentiepositie van een situatie met aangesloten en niet-aangesloten landen naar verwachting niet merkbaar. De toename van geldige octrooien in Nederland zal, naar mijn mening, niet of nauwelijks leiden tot een stijging van de licentievergoedingen, omdat de octrooien die automatisch geldig zullen worden niet dezelfde waarde of kracht hebben als de huidige bewust ingediende octrooien.

De leden van de SP-fractie wilden verder vernemen of het waar is dat slechts 10 van de 30 EOV-landen het Vertalingenprotocol hebben ondertekend en of de regering kan aangeven waarom dat (met uitzondering van Nederland, Denemarken en Zweden) landen zijn die één van de officiële talen van het Europees Octrooibureau (EOB), namelijk Duits, Engels, Frans, als nationale taal hebben. Momenteel hebben 13 van de 30 EOV landen het vertalingenprotocol ondertekend (naast de oorspronkelijke ondertekenaars zijn dat Slovenië, IJsland en Letland). Zes van de 13 hebben geen officiële EOB-taal (te weten het Duits, Engels en Frans) als nationale taal. Het klopt dat aanvragers uit landen met een EOB-taal nu al het voordeel hebben dat zij een octrooi in hun landstaal kunnen indienen bij het EOB. Nieuw is dat na verlening elk octrooi automatisch geldig is in alle protocollanden met een EOB-taal. Zo zal in Duitsland na inwerkingtreding van het Vertalingenprotocol een octrooi automatisch geldig zijn dat volledig in het Engels of Frans is gesteld. De conclusies van dat octrooi zullen wel altijd in het Duits beschikbaar zijn, omdat dat nu eenmaal het systeem is van het EOV. Ter verduidelijking, het huidige systeem is dat het Europees Octrooibureau drie officiële werktalen heeft: het Duits, Engels en Frans. Elke aanvraag moet in één van deze talen worden behandeld; dat wordt de proceduretaal. Het octrooi wordt uiteindelijk verleend in deze proceduretaal; de conclusies worden altijd vertaald in de twee talen die niet de proceduretaal zijn. Momenteel moet de octrooihouder na verlening zijn octrooi vertalen in de officiële taal van het land waar hij het octrooi geldig wil maken. Stel dat het octrooi in alle lidstaten geldig moet worden, dan heeft men ruim 20 vertalingen nodig. Dit aantal wordt drastisch verkleind door het Vertalingenprotocol. Indien de 13 huidige ondertekenaars van het Vertalingenprotocol allemaal het Vertalingenprotocol bekrachtigen, kan men in die 13 landen met één Engelstalig octrooischrift toe (landen zoals Nederland die mogen kiezen voor één van de drie EOB-talen, kiezen naar verwachting allemaal Engels) in plaats van acht verschillende vertalingen. Uiteraard zal men in de landen zonder EOB-taal – die dat vereisen – wel nog de conclusies moeten vertalen in de desbetreffende landstaal.

In alle landen die zich aansluiten bij het Vertalingenprotocol is er sprake van een kostenreductie voor gebruikers. Het onderlinge speelveld blijft dus onveranderd. Het veronderstelde gelijke speelveld bestaat overigens niet; de door gebruikers te maken totale octrooikosten verschillen per land nu eenmaal aanzienlijk, ook tussen de landen die zich aansluiten bij het Vertalingenprotocol. Het is juist dat de octrooihouders in zowel de landen die het Vertalingenprotocol hebben ondertekend als de landen die dat niet hebben gedaan, hun octrooien in Nederland in de Engelse taal mogen registeren, terwijl Nederlandse octrooihouders een vertaling moeten maken voor registratie in die landen die het Vertalingenprotocol niet hebben ondertekend. Ik vermoed overigens dat Spanje en Italië niet mee hebben gedaan, omdat deze landen hun taal zwaarder laten wegen dan het terugdringen van administratieve lasten. Finland was wel betrokken bij de onderhandelingen, maar wilde uiteindelijk een mogelijkheid hebben om vertaling te eisen van een groter deel van het octrooi dan alleen de conclusies. Deze Finse optie werd niet ondersteund door de andere landen en is ook niet in het protocol opgenomen. De reden dat Polen het Vertalingenprotocol nog niet heeft ondertekend, is dat de consultatie met belanghebbende partijen aldaar vooralsnog niet tot een slotsom heeft geleid. Zoals eerder gezegd, verwacht ik dat het bedrijfsleven in de landen die het protocol (nog) niet hebben ondertekend de druk op hun eigen regering zullen opvoeren om wel hieraan mee te doen en aldus de administratieve lasten te verlagen.

Kan een uiteenzetting worden gegeven over welk deel van de € 10 000 000 aan besparingen terecht komt bij landen die het protocol niet hebben ondertekend, aldus de leden van de fractie van de SP. Uitgaande van de bij het nationale octrooibureau ingediende vertalingen in 2004 komt 30% van de besparing ten goede van de Protocollanden, 12% aan lidstaten van het EOV die het protocol niet hebben ondertekend en 58% aan andere landen (vooral VS en Japan).

Ook stelden de leden van de SP-fractie een aantal vragen over de verhouding tussen het protocol en de interne markt van de EG-lidstaten. De EU-lidstaten zijn gebonden aan de EG-regels betreffende de instelling en de werking van de interne markt en aan het onderliggende basisprincipe van het verbod van discriminatie naar nationaliteit. Met het Vertalingenprotocol hebben negen EU-lidstaten een regeling getroffen die gunstiger is dan die in de overige zestien EU-lidstaten. Een verboden discriminatoire belemmering zou zijn geweest dat de negen lidstaten daarmee voor hun eigen onderdanen een gunstiger regeling tot stand hadden gebracht dan voor onderdanen van lidstaten die het Vertalingenprotocol niet hebben ondertekend. Daarvan is echter geen sprake. De voordelen die met (de bekrachtiging en implementatie van) het Vertalingenprotocol worden gerealiseerd, strekken zich ook uit tot de onderdanen van de landen die het protocol niet hebben ondertekend. Daarmee is een meestbegunstiging gecreëerd die strookt met het EG-verdrag.

Voorts stelden de leden van de SP-fractie een aantal vragen over artikel 65 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (EOV), over uitzonderingen in het kader van het EOV en over de werking van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Artikel 65 EOV biedt alleen de mogelijkheid om een vertaling van een octrooi in de nationale taal te eisen en niet een vertaling in een andere taal. Dat artikel houdt slechts in dat het de lidstaten is toegestaan om, ingeval een Europees octrooi niet is opgesteld in één van hun officiële talen, een vertaling in hun officiële taal te eisen, op straffe dat het octrooi in die lidstaat geen gelding krijgt. Het Vertalingenprotocol doet aan die regel geen afbreuk. Bij het Vertalingenprotocol wordt slecht een bepaalde toepassing van artikel 65 gegeven; de huidige redactie van artikel 65 blijft dan ook ongewijzigd gehandhaafd. Het Vertalingenprotocol geeft dan ook alleen weer onder welke voorwaarden de lidstaten die het Vertalingenprotocol hebben ondertekend geen gebruik zullen maken van die mogelijkheid. Die voorwaarden zijn opgenomen in artikel 1, tweede lid, van het Vertalingenprotocol en dat luidt (voor zover hier relevant): «Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag en geen officiële taal heeft die tevens een van de officiële talen van het Europees Octrooibureau is, ziet af van de vertaalvereisten voorzien in artikel 65, eerste lid, van het Octrooiverdrag, indien het Europees octrooi is verleend in de door die Staat voorgeschreven officiële taal van het Europees Octrooibureau, of in die taal is vertaald (...).» De voorliggende implementatie van het Vertalingenprotocol in de Rijksoctrooiwet 1995 is hiermee geheel in lijn, aangezien het, onder het aanwijzen van de Engelse taal, inhoudt dat in Nederland de vertaaleis in het Nederlands ten algemene blijft gelden, maar dat wij, anders dan bij in het Frans en Duits opgestelde Europese octrooien, een Engelse tekst zullen accepteren. Een Frans- of Duitstalige tekst wordt niet geaccepteerd; deze zal in het Nederlands vertaald moeten worden. Overigens merk ik op, dat de voorkeur is gegeven aan het Engels boven het Frans of Duits, omdat het grootste deel van de octrooien in het Engels zijn gesteld. In de wereld van de technologie en de bescherming daarvan is het Engels de voertaal. Het is een minderheid van de staten die partij zijn bij het EOV – de leden van de SP-fractie vroegen hiernaar – op grond van artikel 172 van het verdrag niet toegestaan om het EOV te herzien.

Het is waar dat artikel 41 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht aan partijen beperkingen oplegt. Dit artikel speelt echter in deze discussie geen rol. Het Vertalingenprotocol is geen verdrag waarbij het EOV wordt gewijzigd, maar een verdrag dat naast het EOV staat. Dit blijkt mede uit het opschrift van het Vertalingenprotocol en de inhoud ervan. In een verdrag waarbij een ander verdrag wordt gewijzigd, wordt zulks in het opschrift van het wijzigingsverdrag tot uitdrukking gebracht. Een dergelijke aanduiding komt in het opschrift van het Vertalingenprotocol niet voor. Dat er samenhang bestaat tussen het Vertalingenprotocol en het EOV doet daar niets aan af. De regelingen in het EOV moeten inderdaad op gelijke wijze gelden voor alle toegetreden lidstaten en uitzonderingen dienen van beperkte duur te zijn (zie artikel 167, derde en vierde lid, van het EOV). In tegenstelling tot het EOV is ingevolge artikel 5 van het Vertalingenprotocol het maken van uitzonderingen in het geheel niet toegestaan. Ik wijs erop dat zowel het EOV (zie artikel 171) als het Vertalingenprotocol (zie artikel 7) voor onbeperkte tijd zijn gesloten; tussen deze twee verdragen bestaat er op dit onderwerp dan ook geen licht.

De leden van de SP-fractie vroegen tenslotte of in geval men Engelstalige octrooischriften mag indienen in Nederland op welke manier gewaarborgd wordt dat de Engelse vertaling correct is en dat het Nederlandse bedrijfsleven wordt beschermd tegen de gevolgen van een onjuist vertaling. In antwoord hierop verwijs ik naar artikel 52, negende lid, van de Rijksoctrooiwet 1995 waarbij is bepaald dat, indien de beschermingsomvang van een vertaald octrooi beperkter is dan die van het origineel, de beschermingsomvang van de vertaling geldt. In het omgekeerde geval, dus als de beschermingsomvang van het origineel beperkter is, geldt die van het origineel. Bedacht zij overigens dat een Engelstalig octrooi ofwel het origineel is waarin het octrooi is verleend ofwel een vertaling is van het origineel dat verleend is in het Duits of Frans (de andere EOB-talen).

Europees Octrooibureau

Tenslotte vroegen de leden van de fractie van het CDA naar de laatste stand van zaken over de toekomst van het EOB in Nederland. De Nederlandse autoriteiten en het Europees Octrooibureau (EOB) zijn al geruime tijd in discussie over aanpassing van de bestaande zetelovereenkomst ten behoeve van de Rijswijkse vestiging van het EOB. Daarin worden de privileges en immuniteiten beschreven die zullen gelden voor de EOB-medewerkers en hun in Nederland verblijvende gezinsleden. Enige tijd werden er geen activiteiten meer ondernomen met betrekking tot de voorziene nieuwbouw voor de Rijswijkse vestiging zolang er geen nieuwe zetelovereenkomst was. Nadien is de voorbereiding van de nieuwbouw weer ter hand genomen door middel van een zogenoemde architectencompetitie. Een besluit over de EOB-nieuwbouw in Rijswijk is overigens niet alleen afhankelijk van een zetelovereenkomst. Ook is instemming nodig van de Administrative Council (de Raad van Bestuur) van het EOB, waarin vertegenwoordigers van de 30 lidstaten zitting hebben. Inmiddels hebben de onderhandelingen tussen Nederland en het EOB een positieve wending genomen en verkeren in een vergevorderd stadium. Het ziet er naar uit dat op korte termijn overeenstemming kan worden bereikt met het EOB. Wanneer daarna de Administrative Council bijvoorbeeld in oktober van dit jaar een positief besluit zou nemen, zou zeer snel daarna gestart kunnen worden met de nieuwbouw. Ook in het budgetplan van het EOB zijn daartoe inmiddels voorlopige voorzieningen getroffen. Het gaat hier om een investering van ongeveer € 250 000 000. Ik heb er dus het volste vertrouwen in dat het EOB, als gerenommeerde en gerespecteerde internationale kennisorganisatie, voor Nederland behouden blijft.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

C. E. G. van Gennip

Naar boven